| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Archiefwet 1995
REGELING
BOUW EN INRICHTING ARCHIEFRUIMTEN EN
ARCHIEFBEWAARPLAATSEN
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2010
Vervallen
m.i.v. 1 april 2010
|
|
|
REGELING houdende nadere regels omtrent de bouw, verbouwing,
inrichting en verandering van inrichting van archiefruimten en
archiefbewaarplaatsen alsmede omtrent de ingebruikneming van gebouwen
als archiefruimte of archiefbewaarplaats
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschappen, dr. F. van der Ploeg;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op artikel 13, vierde lid, van het
Archiefbesluit 1995;
Besluit:
Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1
1. Deze regeling verstaat onder:
a. de minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen;
b. gebouw: een gebouw als bedoeld in de Woningwet;
c. archiefgebouw: een tot een industriegebouw als bedoeld in
het Bouwbesluit behorende archiefbewaarplaats of een andere ruimte
uitsluitend in gebruik voor het beheer en de raadpleging van
archiefbescheiden en documentaire verzamelingen;
d. compartiment: gedeelte van een archiefbewaarplaats, dat door
brandwerende bouwdelen van een of meer andere gedeelten van de
archiefbewaarplaats is gescheiden.
2. Met de in deze regeling genoemde technische producteisen worden
gelijkgesteld technische producteisen die worden gesteld in een andere
lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat die partij is bij
de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en die
tenminste een gelijkwaardig kwaliteitsniveau van het product
waarborgen, mits daarbij een geldig rapport wordt overgelegd waaruit
blijkt dat de producten aan die eisen voldoen, en dat rapport is
opgemaakt door een beproevingslaboratorium dat voldoet aan NEN-EN-ISO/IEC
17025.
Hoofdstuk II. Archiefruimten
§ 1. Algemeen
Artikel 2
1. Een gebouw waarin een archiefruimte is of wordt gevestigd, is
niet gelegen in een omgeving, waar een bijzonder brand- of
overstromingsgevaar bestaat dan wel extreme overlast van
luchtvervuiling te verwachten is.
2. De archiefruimte is uitsluitend bestemd voor de bewaring van
archiefbescheiden. De bewaring in de archiefruimte van andere
documenten dan archiefbescheiden is toegestaan.
3. In een archiefruimte bevinden zich geen materialen en apparaten
die het klimaat nadelig kunnen beïnvloeden, verontreiniging
verspreiden, brandgevaar veroorzaken, dan wel insecten of
micro-organismen kunnen aantrekken.
§ 2. Bouwkundige voorzieningen
Artikel 3
1. De vloerbelasting is berekend op een gewicht van 10 kN/m², bij
een inrichting met 7 legborden boven elkaar, bij een onderlinge
afstand van 35 cm.
2. De archiefruimte is beschermd tegen overlast van grond-, riool-,
regen-, leiding- en bluswater door de toepassing van een waterkering
van tenminste 10 cm. In een archiefruimte beneden het maaiveld zijn
watermelders aanwezig. Indien de situatie van een archiefruimte
beneden het maaiveld daartoe aanleiding geeft, wordt, ten genoegen van
degene die ingevolge de Archiefwet 1995 is belast met het toezicht
aangetoond dat de waterindringing in het beton gemeten volgens ISO-DIS
7031 een waarde heeft die onschadelijk is voor de bewaring van
archiefbescheiden.
3. De scheidingsconstructie, vloeren, wanden en plafonds tussen de
archiefruimte en de omringende ruimten is van steenachtig materiaal en
bezit een brandwerendheid van 60 minuten volgens NEN 6069; dit geldt
ook voor deuren, kozijnen, brandkleppen, doorvoeringen van kabels,
leidingen en andere perforaties. Met betrekking tot brandkleppen is
NEN 6077 van toepassing. Rooster- en andere tussenvloeren zijn niet
toegestaan. Indien de vuurbelasting van een aangrenzende ruimte groter
is dan die van een gemiddelde kantoorruimte wordt de weerstand tegen
branddoorslag en brandoverslag dienovereenkomstig verhoogd.
4. Ramen zijn in de archiefruimte niet toegestaan.
5. De bijdrage tot de brandvoortplanting van wanden, plafonds,
vloeren en vloerbedekking alsmede van kasten en stellingen voldoet aan
klasse 4 volgens NEN 6065.
6. De vloeren, wanden en plafonds zijn glad, vlak en stofvrij
afgewerkt; losse bouwdelen met kieren zijn niet toegepast.
7. Alleen kabels, leidingen en kanalen ten behoeve van
voorzieningen in de archiefruimte zelf, zoals een verwarmingsbuis,
zijn in de archiefruimte aanwezig. Archiefstellingen staan niet onder
watervoerende leidingen. Kabels en leidingen worden zoveel mogelijk
als opbouw uitgevoerd; voeding naar apparatuur vindt plaats van
bovenaf door de wand.
8. Het ventilatiesysteem of de luchtbehandelingsinstallatie is
zodanig uitgevoerd dat hierdoor geen water, vuil en ongedierte kunnen
doordringen in de archiefruimte. De klimaatapparatuur wordt buiten de
archiefruimte geplaatst.
9. De toegangsdeuren zijn tenminste voorzien van insteeksloten met
sluitkommen en van veiligheidsbouwbeslag met boorzekering. De deuren
zijn beveiligd tegen uitlichten. Zij zijn zelfsluitend uitgevoerd.
10. Bij gesloten deur is door een verklikkerlampje aan de
buitenzijde zichtbaar of de elektriciteit is ingeschakeld.
Deurcontacten voor de verlichting zijn niet toegestaan.
§ 3. Brandpreventie
Artikel 4
1. In de nabijheid van de archiefruimte zijn voldoende en
doelmatige kleine blusmiddelen aanwezig in de vorm van slanghaspels en
koolzuursneeuwblussers. Poeder- en schuimblussers zijn niet
toegestaan.
2. Op de toegangsdeuren zijn bordjes geplaatst voorzien van de
tekst of het symbool `Verboden te roken'.
§ 4. Klimaat
Artikel 5
1. De relatieve luchtvochtigheid in een archiefruimte waarin alleen
papieren archiefbescheiden worden bewaard, kan variëren tussen 30 en
55% en de temperatuur tussen 16 en 20°C; een overschrijding tot 25°C
tijdens maximaal 10 etmalen per jaar is toegestaan.
2. De archiefruimte is voorzien van een thermometer en een
hygrometer. Haarhygrometers zijn niet toegestaan. Alle meetapparatuur
wordt regelmatig gecontroleerd op juiste werking en aanwijzing.
3. De luchtinhoud van de archiefruimte wordt tenminste één maal
en niet meer dan vier maal per 24 uur ververst.
4. Op de bewaring van archiefbescheiden in andere vorm dan papier
zijn de artikelen 32 en 38 van overeenkomstige toepassing.
§ 5. Inrichting
Artikel 6
1. Bij plaatsing van archiefstellingen langs een buitenmuur en
langs radiatoren wordt een tussenruimte van tenminste 20 cm in acht
genomen, langs een binnenmuur 10 cm; de afstand tussen de inhoud van
de bovenste plank en het plafond is tenminste 10 cm, en tussen de
inhoud van de bovenste plank en de verlichtingsarmaturen 20 cm. De
looppaden tussen de archiefstellingen zijn tenminste 70 cm breed.
2. De afstand van deurkozijnen en andere doorvoeringen door
brandwerende wanden ten opzichte van archiefstellingen is tenminste 50
cm.
3. Archiefstellingen zijn in de regel niet hoger dan 230 cm.
4. Voor de berging van elektromagnetische materialen worden
volledig plaatstalen kasten, voorzien van deuren en een achterwand,
toegepast.
Hoofdstuk III. Archiefbewaarplaatsen
§ 1. Constructieve eisen
Artikel 7
De vloeren, wanden en plafonds worden uitgevoerd in gewapend beton in
kwaliteiten als omschreven in NEN 6720 of gelijkwaardig materiaal als
volgt:
a. Het beton in de buitenwanden en vloeren van een in de kelder
gesitueerde archiefbewaarplaats is tenminste 300 mm dik in
betonkwaliteit B25 of 270 mm in betonkwaliteit B35 of 250 mm in
betonkwaliteit B45 of hoger. Indien de algemene rijksarchivaris dan
wel, indien het een andere dan een rijksarchiefbewaarplaats betreft,
gedeputeerde staten dat nodig oordelen, toont de bouwer
onderscheidenlijk de zorgdrager aan dat de waterindringing gemeten
volgens ISO-DIS 7031 een waarde heeft die onschadelijk is voor de
bewaring van archiefbescheiden.
b. Het beton van de wanden van de archiefbewaarplaats die tevens
buitenmuren zijn, is tenminste 300 mm dik in betonkwaliteit B45 of
hoger, indien zij aan een open terrein liggen; de wanden van de
archiefbewaarplaats worden tevens als buitenmuur beschouwd als er
slechts een glas- of andere lichte constructie voor staat.
c. Het plafond van een op de bovenste verdieping of slechts onder
een lichte kapconstructie gelegen archiefbewaarplaats is tenminste
300 mm dik in betonkwaliteit B25 of 270 mm in betonkwaliteit B35 of
250 mm in betonkwaliteit B45 of hoger.
d. De overige wanden, vloeren en plafonds zijn uitgevoerd in
beton van tenminste 250 mm dik in betonkwaliteit B25 dan wel in
beton van tenminste 200 mm dik aangevuld met ander steenachtig
bouwmateriaal tot een gezamenlijke massa van tenminste 625 kg/m2.
e. De onder b en d bedoelde wanden, vloeren en plafonds worden
berekend op een bijzondere belasting van tenminste 10 kN/m2 of
indien deze hoger is, de statisch equivalente belasting ten gevolge
van een explosie op een afstand van 1,5 m met explosieven
overeenkomend met de kracht van een 155 mm granaat. De in rekening
te brengen statisch equivalente belasting is: qu = (72 : l) kN/m2
waarbij l de overspanning is, en uitgaande van een overspanning
groter dan 5 en kleiner dan 10 m. Bij vierzijdig opgelegde vloeren,
al of niet ingeklemd, is l de kleinste overspanning. De belasting
wordt aanwezig geacht over een oppervlakte van l x l.
f. Onderdeel e is niet van toepassing op het plafond indien het
tevens een vrij liggend dak is zonder obstakels met een hoogte van
1,5 meter of meer; de buitenmuur, voorzover deze tenminste 3 meter
boven het straatniveau is gelegen en tevens deel uitmaakt van een
gesloten gevelwand in een aan weerszijden bebouwde straat; daaraan
parallel lopende binnenwanden en overige binnenwanden die niet
gekeerd zijn in de richting van een open terrein.
g. In wanden waarop de sterkte-eis, bedoeld in onderdeel e, van
toepassing is, zijn de deuren tenminste 90 mm dik en van dubbel
plaatstaal met een dikte van tenminste 1,5 mm en met een
verstevigingsconstructie of vulling tussen de twee lagen; de
kozijnen zijn vervaardigd van plaatstaal met een dikte van tenminste
2 mm; in wanden waarop deze sterkte-eis niet van toepassing is, zijn
zij van staal, met een weerstand tegen branddoorslag en
brandoverslag als omschreven in artikel 9.
h. De vloer is berekend op een nuttige belasting groot 10 kN/m2
bij een gebruik van vaste of verrolbare stellingen met 7 legborden
op onderlinge afstanden van 35 cm. Het plafond wordt berekend voor
de daarop rustende nuttige belasting vermeerderd met de bijzondere
belasting, bedoeld in onderdeel e, indien het onder e gestelde van
toepassing is.
i. Technische berekeningen en geldige TNO-rapporten aangaande het
gestelde onder e, g en h worden desgevraagd overgelegd aan de
algemene rijksarchivaris, dan wel, indien het een andere dan een
rijksarchiefbewaarplaats betreft, gedeputeerde staten.
Artikel 8
De vloeren, wanden en plafonds en alle daarin aangebrachte
voorzieningen zijn waterdicht uitgevoerd en zijn bestand tegen de druk
bij de maximaal optredende waterstand, ook bij calamiteiten.
Artikel 9
1. Tussen de archiefbewaarplaats en de aangrenzende ruimten
bedraagt de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag bepaald
volgens NEN 6069 tenminste 120 minuten; dit geldt ook voor de vloer,
wanden, plafonds, en alle daarin aangebrachte voorzieningen als:
deuren, kozijnen, doorvoeringen van kabels, leidingen kanalen voor
ventilatie en luchtbehandeling en andere perforaties; met betrekking
tot brandkleppen is NEN 6077 van toepassing. Indien de vuurbelasting
van de aangrenzende ruimte groter is dan 120 minuten wordt de
weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag dienovereenkomstig
aangepast.
2. Indien de oppervlakte van een op één verdieping gelegen deel
van een archiefbewaarplaats groter is dan 300 m² bij een hoogte van 3
m, dan wordt deze in compartimenten verdeeld. Het aantal
compartimenten is gelijk aan het quotiënt van de totale oppervlakte
van de archiefbewaarplaats in vierkante meters gedeeld door 200 m²,
waarbij de rest moet worden verdeeld over de compartimenten zodanig
dat geen enkel compartiment groter is dan 300 m². Indien de ruimte
hoger is dan 3 meter, dan dienen deze oppervlakten zodanig te worden
aangepast, dat de inhoud per compartiment niet meer is dan 600 m³.
3. In afwijking van het tweede lid mag het aantal compartimenten
worden bepaald op grond van de maximale opbergcapaciteit. Deze
bedraagt per compartiment maximaal 3000 strekkende meter papier van A4
tot folio-formaat of een equivalent daarvan.
4. Tussen de in het tweede lid genoemde compartimenten bedraagt de
weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag bepaald volgens NEN
6069 120 minuten.
5. De hoofddraagconstructie van het gebouw voorzover van belang
voor de archiefbewaarplaats bezit een brandwerendheid op het criterium
van bezwijken van tenminste 120 minuten, berekend volgens NEN 6069 dan
wel voor zover van toepassing NEN 6071, NEN 6072 onderscheidenlijk NEN
6073.
6. Voor de bewaring van archiefbescheiden die schade kunnen
veroorzaken aan andere archiefbescheiden worden afzonderlijke
compartimenten ingericht, zodanig dat er ook bij calamiteiten geen
schade kan ontstaan aan andere compartimenten.
7. Geldige TNO-rapporten aangaande het gestelde in het eerste,
vierde en vijfde lid worden desgevraagd overgelegd aan de algemene
rijksarchivaris, dan wel, indien het een andere dan een
rijksarchiefbewaarplaats betreft, gedeputeerde staten.
§ 2. Afwerking, diverse bouwkundige voorzieningen
Artikel 10
Ramen zijn in de archiefbewaarplaats niet toegestaan.
Artikel 11
1. Vloeren, wanden en plafonds zijn glad, vlak en stofvrij
afgewerkt; de afwerklaag van wanden en plafonds is niet dampremmend;
houten plinten en dorpels of losse delen met kieren worden niet
toegepast.
2. De vloeren zijn voorzien van een slijtvaste afwerking of
afdekking.
Artikel 12
1. De bijdrage tot brandvoortplanting van de wanden en plafonds van
de archiefbewaarplaats voldoet aan klasse 4 volgens NEN 6065. De
maatgevende rookdichtheid bepaald volgens NEN 6066 bedraagt ten
hoogste 10 m-1.
2. De bepaling van het al dan niet gemakkelijk ontvlambaar zijn en
de bijdrage tot brandvoortplanting van de vloer van de
archiefbewaarplaats voldoet aan de klasse T1 volgens NEN 1775.
3. Geldige TNO-rapporten aangaande het gestelde in het eerste en
tweede lid worden desgevraagd overgelegd aan de algemene
rijksarchivaris, dan wel, indien het een andere dan een
rijksarchiefbewaarplaats betreft, gedeputeerde staten.
Artikel 13
Er zijn geen bouw- en afwerkmaterialen toegepast uit welke
schadelijke gassen kunnen vrijkomen of die op andere wijze schade aan de
archiefbescheiden kunnen veroorzaken of waarvan een redelijk vermoeden
bestaat dat zij in de toekomst schade kunnen gaan veroorzaken.
Artikel 14
Door de archiefbewaarplaats zijn geen kabels, leidingen en kanalen
gevoerd die dienst doen als voedings- of afvoerleiding voor andere
ruimten dan de archiefbewaarplaats, of voor een op een andere verdieping
gelegen compartiment van de archiefbewaarplaats, ongeacht de aard van
die kabels, leidingen en kanalen.
Artikel 15
Alle kabels en leidingen zijn uitgevoerd als opbouw; voeding naar
apparatuur vindt plaats van bovenaf door de wand.
Artikel 16
Binnen de archiefbewaarplaats mag op geen onderdeel van het gebouw en
de meubilering condensvorming kunnen optreden. Hierbij moet rekening
worden gehouden met de normaal te verwachten externe
klimaatomstandigheden en met de klimaateisen, genoemd in artikel 32.
Artikel 17
1. De deuren in de wand van de archiefbewaarplaats zijn van
plaatstaal, naar buiten draaiend en zelfsluitend uitgevoerd; de deuren
kunnen zijn voorzien van een extra, zelfsluitende loopdeur. Bij
toepassing van een loopdeur behoeft de plaatstalen deur niet
zelfsluitend te zijn. Deuren van compartimenten behoeven niet
zelfsluitend te zijn. Zelfsluitende deuren zijn van binnenuit te
openen.
2. De verlichtingsinstallatie is voorzien van een controlelampje of
ander signaleringssysteem waaraan buiten de archiefbewaarplaats
zichtbaar is of de verlichting in de archiefbewaarplaats is
ingeschakeld. Deurcontacten voor de verlichting zijn niet toegestaan.
Artikel 18
1. Bij de beplanting van het omliggende terrein zijn geen
klimplanten geplaatst tegen de buitengevels; stuifmeelrijke planten
zijn vermeden.
2. Planten, waterpartijen en andere objecten die micro-organismen
kunnen aantrekken zijn zodanig binnen het gebouw geplaatst, dat er
tenminste één zelfsluitende deur is tussen deze objecten en de deur
of deuren van de archiefbewaarplaats.
§ 3. Bouwkundige maatregelen tegen overstroming
Artikel 19
1. De archiefbewaarplaats die gelegen is in een gebied met een
overstromingsrisico als gevolg van het risico van doorbraak van de
dijk van de polder waarin deze is gelegen dan wel te hoge waterstand
in waterlopen grenzend aan het gebied waarin de archiefbewaarplaats is
gelegen, is waterdicht uitgevoerd met inbegrip van deuren,
doorvoeringen van kabels, leidingen en ventilatie- en
luchtbehandelingskanalen; dit geldt ook voor de archiefbewaarplaats
welke meer dan drie meter beneden het maaiveld is gelegen.
2. Geen overstromingsrisico wordt geacht aanwezig te zijn in
gebieden volledig beschermd door dijken, die voldoen aan de
veiligheidsnorm als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de waterkering.
3. De archiefbewaarplaats, bedoeld in het eerste lid, is voorzien
van een of meer pompen met een voldoende capaciteit, aangesloten op
een onafhankelijke noodstroomvoorziening.
Artikel 20
1. De boven het maaiveld en niet meer dan drie meter beneden het
maaiveld gelegen archiefbewaarplaats is 10 cm gelegen boven het niveau
waarop zich wateroverlast kan voordoen bij een calamiteit als
omschreven in artikel 19 dan wel is voorzien van een waterkering tot
10 cm boven dat niveau; de zorgdragers maken bij het overleggen van de
plannen, bedoeld in de artikelen 33, tweede lid, en 38, tweede lid,
van de Archiefwet 1995, aannemelijk dat de plannen aan deze eis
voldoen.
2. Het laagste toelooppunt van water bij calamiteiten, als bedoeld
in het eerste lid en als gevolg van overvloedige neerslag, lekkage van
leidingen in het gebouw en brandblussing is gelegen minimaal 10 cm
boven het niveau ter plaatse van waaraf een vrije afloop naar het
maaiveld dan wel de riolering is verzekerd.
§ 4. Ontvangst- en quarantaineruimte
Artikel 21
Een archiefbewaarplaats waarin regelmatig archiefbescheiden van
buiten het gebouw worden opgenomen, beschikt over een ontvangst- en
quarantaineruimte die voldoet aan de volgende eisen:
a. In de onmiddellijke nabijheid is een laadperron aanwezig,
alwaar materialen onder bescherming van een luifel naar binnen
kunnen worden gebracht.
b. De ruimte is dusdanig afgewerkt dat een natte ontsmetting van
de ruimte goed mogelijk is. Bij voorkeur dienen de wanden en de
vloeren betegeld te zijn.
c. Bij voorkeur wordt de ruimte ingericht met vrij van de muur
hangende legborden, uitgevoerd in roestvrij staal.
d. De werktafels in de ruimte zijn vervaardigd van materiaal dat
waterbestendig is.
e. De ruimte is voorzien van een onafhankelijke luchtbehandeling.
De installatie haalt de lucht rechtstreeks van buiten en voert de
afzuiglucht ook rechtstreeks af naar buiten; er is geen
recirculatie.
f. Mobiele apparatuur is toegelaten.
g. In de ruimte is plaatselijke afzuiging beschikbaar voor het
droog reinigen van het archiefmateriaal.
§ 5. Brandbestrijding met eigen middelen, preventie en melding
Artikel 22
1. In de directe nabijheid van de uitgang(en) van de
archiefbewaarplaats en op de plaats het verst verwijderd van de
uitgang zijn op een goed zichtbare plaats in de ruimte een of meer
koolzuursneeuwblussers geplaatst die voldoen aan het Besluit draagbare
blustoestellen 1997, elk met een nuttige inhoud van tenminste 5 kg.
2. In de directe nabijheid van de toegang tot de
archiefbewaarplaats is aan de buitenzijde van de bewaarplaats een
slanghaspel geplaatst, welke voldoet aan NEN-EN 671-1.
3. Indien een archiefbewaarplaats of een compartiment daarvan
groter is dan omschreven in artikel 9, tweede of derde lid, is deze na
overleg met de brandweer voorzien van een sprinklerinstallatie,
uitgevoerd als gecommandeerd systeem; het brandmeldsysteem kan daarbij
worden uitgevoerd volgens het systeem van twee-groepsafhankelijkheid,
twee-melderafhankelijkheid of dubbeltoetsmethode; de uitvoering met
water in de leidingen verdient de voorkeur.
4. In afwijking van het derde lid is een gasblusinstallatie gericht
op zuurstofverdrijving toegestaan, mits het gasmengsel veilig voor
personen en chemisch indifferent is ten opzichte van
archiefbescheiden, er geen gassen bij de vuurhaard worden gevormd die
kunnen reageren met archiefbescheiden en de installatie zodanig is
uitgevoerd, dat deze geen fysische schade toebrengt aan de
archiefbescheiden.
Artikel 23
De archiefbewaarplaats is voorzien van een automatische
brandmeldinstallatie, welke voldoet aan NEN 2535; het systeem is in
ieder geval voorzien van rookdetectoren.
Artikel 24
Aanduidingen met een rookverbod en een verbod om brandbare zaken
binnen 50 cm van de uitmondingen van de ventilatie- en
luchtbehandelingskanalen en van de deursponningen te plaatsen, zowel aan
de binnen- als aan de buitenzijde van de deur, zijn op relevante en
duidelijk zichtbare plaatsen aangebracht.
§ 6. Overige beveiligingsaspecten
Artikel 25
De toegang tot de archiefbewaarplaats is zodanig gesitueerd, dat
bezoekers en niet met de verzorging van archieven belaste
personeelsleden er niet ongecontroleerd kunnen binnen gaan.
Artikel 26
1. De buitendeuren van het gebouw en de deuren van de
archiefbewaarplaats zijn tenminste voorzien van insteeksloten met
sluitkommen en van veiligheidsbouwbeslag met boorzekering. De deuren
zijn beveiligd tegen uitlichten.
2. De wijze van inbraaksignalering is aangepast aan de situering
van het gebouw.
§ 7. Meubilering archiefbewaarplaats
Artikel 27
1. De bijdrage tot brandvoortplanting van kasten en stellingen in
de archiefbewaarplaats voldoet aan het gestelde voor klasse 4 volgens
NEN 6065; de maatgevende rookdichtheid, bepaald volgens NEN 6066,
bedraagt ten hoogste 10 m-1.
2. Geldige TNO-rapporten aangaande het gestelde in het eerste lid
worden overgelegd aan de algemene rijksarchivaris, dan wel, indien het
een andere dan een rijksarchiefbewaarplaats betreft, gedeputeerde
staten.
Artikel 28
Er is geen meubilering toegepast, waaruit schadelijke gassen vrij
kunnen komen of die op andere wijze schade aan de archiefbescheiden kan
veroorzaken of ten aanzien waarvan een redelijk vermoeden bestaat, dat
zij in de toekomst schade aan de archiefbescheiden zal veroorzaken.
Artikel 29
1. De stellingen in de archiefbewaarplaats zijn zo geplaatst, dat
looppaden van ten minste 70 cm breed overblijven. Op plaatsen waar
geen looppaden noodzakelijk zijn, mag de afstand tot de wanden tot 20
cm worden teruggebracht. De afstand tussen verrolbare
archiefstellingen in gesloten toestand is tenminste 5 cm. De afstand
tussen de inhoud van de bovenste plank en het plafond is ten minste 30
cm.
2. De afstand tot de deurkozijnen en andere doorvoeringen door
brandwerende wanden is ten minste 50 cm.
3. De elektromotoren voor de voortbeweging van verrolbare
stellingen kunnen, indien zij in de archiefbewaarplaats zijn
opgesteld, geen brand of explosie veroorzaken.
4. Er zijn voldoende kasten aanwezig om charters, kaarten,
tekeningen en andere materialen van groot formaat of kwetsbare
samenstelling vlak op te bergen. De kasten voor hangende berging van
grote formaten zijn zo ingericht, dat de archiefbescheiden niet door
hun eigen gewicht kunnen scheuren of anderszins schade ondervinden. Er
zijn kasten en stellingen aanwezig om grote banden liggend te bewaren.
5. Voor de berging van elektromagnetische materialen zijn volledig
plaatstalen kasten, voorzien van deuren en een achterwand, toegepast.
Artikel 30
1. De archiefbewaarplaats is uitsluitend bestemd voor de bewaring
van archiefbescheiden. De bewaring in de archiefbewaarplaats van
andere documenten dan archiefbescheiden is toegestaan.
2. In een archiefbewaarplaats zijn geen materialen of apparaten
geplaatst, die het klimaat nadelig kunnen beïnvloeden,
verontreiniging verspreiden, brandgevaar veroorzaken, dan wel insecten
of micro-organismen kunnen aantrekken. De klimaatapparatuur wordt
buiten de archiefbewaarplaats geplaatst.
Artikel 31
In de archiefbewaarplaats en in elk compartiment is telefoon
aanwezig.
§ 8. Klimaat, milieu en verlichting
Artikel 32
De temperatuur onderscheidenlijk de relatieve luchtvochtigheid
bedraagt voor:
a. papier, perkament, was, leer, textiel en hout 17°C -2/+1°C,
onderscheidenlijk 52% ±3%
b. zwart-wit fotomateriaal op papier, ook wanneer polyethyleen is
toegepast: een vast in te stellen waarde tussen -20 tot 17°C
±1°C, onderscheidenlijk 33% tot 38% ±3%
c. zwart-wit fotomateriaal op glas en polyester film, positief en
negatief: een vast in te stellen waarde tussen -20 tot 17°C ±1°C,
onderscheidenlijk 33% tot 38% ±3%
d. zwart-wit fotomateriaal op bi- of tri-acetaatfilm: een vast in
te stellen waarde tussen -20 tot 5°C ± 1°C, onderscheidenlijk 33%
tot 38% ±3%
e. zwart-wit fotomateriaal op nitraatfilm: een vast in te stellen
waarde tussen -20 tot 5°C ± 1°C, onderscheidenlijk 33% tot 38% ±
3%
f. fotomateriaal in kleur, positief en negatief: een vast in te
stellen waarde tussen -20 tot -2°C ±1°C, onderscheidenlijk 33%
±3%
g. elektromagnetische dragers 18°C ±1°C, onderscheidenlijk 40%
±2%
h. optische schijven: een vast in te stellen waarde tussen 2 tot
18°C -2/+1°C, onderscheidenlijk 40 tot 55% ±3%
Artikel 33
De klimaatbeheersinginstallatie is zodanig ingericht dat deze voor de
archiefbewaarplaats afzonderlijk en per compartiment afzonderlijk kan
worden in- en nageregeld.
Artikel 34
Wanneer een archiefbewaarplaats of een compartiment een temperatuur
heeft lager dan 15°C, wordt voor het gebruik van de archiefbescheiden
voorzien in een mogelijkheid tot acclimatisering, waarbij de temperatuur
niet meer dan 1°C per uur oploopt bij een gelijkblijvende relatieve
luchtvochtigheid.
Artikel 35
In afwijking van artikel 32, onder a, is een constante,
seizoensonafhankelijke relatieve luchtvochtigheid toegestaan van iedere
vast in te stellen waarde tussen 43% en 52% ±3% voor papier en
boekbanden, waarin geen leer, perkament of hout is toegepast.
Artikel 36
In afwijking van artikel 32, onder a, b en h, is een temperatuur van
18°C ±2°C en een variatie in de relatieve luchtvochtigheid van ±5%
ten opzichte van de aangegeven waarde toegestaan, indien de chemische
kwaliteit van de lucht een maximale corrosieve waarde heeft van 40
Ångström per 30 dagen.
Artikel 37
Toetredende lucht is gezuiverd van SO2, NOx, NH3 en O3 op plaatsen
met een hoge intensiteit van het wegverkeer en in die gebieden waar
gedurende een van de laatste drie jaren een gemiddelde concentratie is
gemeten van meer dan 15 µg/m3 SO2 onderscheidenlijk 25 ppb (gerekend
als 1:10-9) aan NOx. Het is toegestaan de toetreding van verse lucht
tijdens de spitsuren af te sluiten, mits een ventilatievoud van 2 per
etmaal wordt bereikt. De toevoeropeningen worden op de meest gunstige
wijze geplaatst, maar tenminste 5 m boven het maaiveld.
Artikel 38
In afwijking van artikel 32, onder g, is iedere afwijking toegestaan,
indien de elektromagnetische gegevens worden gekopieerd op een nieuwe
drager in een frequentie, gerelateerd aan de afwijking van de onder g
voorgeschreven temperatuur en relatieve luchtvochtigheid en een kopie
van de gegevens elders wordt bewaard onder overeenkomstige voorwaarden.
Artikel 39
1. Het ventilatievoud bedraagt 0,1 tot 0,2 maal per uur. Een hoger
ventilatievoud is toegestaan indien de chemische kwaliteit van de
lucht voldoet aan de eis gesteld in artikel 36. Het inwendige
circulatievoud bedraagt minimaal 2 maal de lege ruimte per uur bij een
luchtsnelheid tussen 0,01 m en 2,5 m/seconde in de gehele ruimte.
Indien verrolbare archiefstellingen worden gebruikt, bedraagt het
circulatievoud ten minste 2,5 maal de lege ruimte per uur.
2. In afwijking van het gestelde in het eerste lid bedraagt het
ventilatievoud 0,25 tot 0,5 per uur voor compartimenten bestemd voor
de bewaring van fotografische materialen op bi- of tri-acetaat- of
nitraatfilm.
Artikel 40
De tot de archiefbewaarplaats toetredende, verse en gerecirculeerde
lucht wordt gefilterd tot verwijdering van 60-80% van stofdeeltjes met
een diameter van 0,5 µ of meer, gemeten ten opzichte van de
buitenlucht. De maximale hoeveelheid stof is 75 µg/m3.
De installatie is zodanig ingericht dat de eventuele compartimenten
van de archiefbewaarplaats elkaar niet kunnen besmetten met schimmels en
andere micro-organismen.
Artikel 41
In de archiefbewaarplaats zijn een thermometer en een elektronische
hygrometer dan wel een thermohygrograaf aanwezig.
Artikel 42
Indien archiefbescheiden niet in dozen worden bewaard, is het
maximale niveau van continue belichting 50 lux bij een aandeel UV-licht
van 75 µW/lumen.
Hoofdstuk IV. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 43
1. De minister kan met betrekking tot de rijksarchiefbewaarplaatsen
die vóór 1 januari 2001 zijn gebouwd en gedeputeerde staten kunnen
met betrekking tot andere archiefbewaarplaatsen die vóór 1 januari
2001 zijn gebouwd, ontheffing verlenen van de eisen, die in artikel 7,
onder a tot en met e, aan beton worden gesteld.
2. Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kunnen
voorschriften worden verbonden.
Artikel 44
1. De minister kan met betrekking tot archiefruimten bestemd voor
de bewaring van de in de artikelen 23, eerste en tweede lid, en
artikel 41, eerste lid, van de Archiefwet 1995 bedoelde
archiefbescheiden en met betrekking tot de rijksarchiefbewaarplaatsen
in een bijzonder geval ontheffing verlenen van één of meer
voorschriften van deze regeling.
2. Gedeputeerde staten kunnen met betrekking tot andere
archiefruimten of archiefbewaarplaatsen dan bedoeld in het eerste lid,
in een bijzonder geval ontheffing verlenen van één of meer
voorschriften van deze regeling.
3. Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste of het tweede lid,
worden voorschriften verbonden, die de mogelijke nadelige gevolgen van
de ontheffing zoveel mogelijk ondervangen.
Artikel 45
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 46
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bouw en inrichting
archiefruimten en archiefbewaarplaatsen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
F. van der Ploeg.
|
|
|