|
De Minister van
Justitie;
Gelet op artikel 42, derde lid, van de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen;
Gezien het advies van het College van advies voor de justitiële
Kinderbescherming van 30 mei 2000, nr. 503290/00/TH/JMO;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet: de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;
b. brief: een brief of een ander poststuk;
c. envelop: een envelop of een daarmee vergelijkbare
verpakking.
Artikel 2
De directeur is uitsluitend bevoegd de enveloppen van brieven als
bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de wet, te openen ter controle op
bijgesloten voorwerpen, op de wijze als hieronder bepaald.
Artikel 3
1. De afzender, genoemd in artikel 42,
eerste lid, van de wet, doet de brief in een aan de betrokken jeugdige
geadresseerde envelop. De afzender sluit de envelop en voegt deze in een
andere envelop als bijlage bij een brief aan de directeur van de
desbetreffende inrichting, waarin hij deze verzoekt de bijlage aan de
betrokken jeugdige uit te reiken. Daarbij dient voor de directeur
duidelijk kenbaar te zijn in welke hoedanigheid de afzender zich tot de
jeugdige richt
2. Indien de directeur met het oog op de aanwezigheid van
bijgesloten voorwerpen het noodzakelijk acht de binnenste envelop van de
voor een jeugdige bestemde brief te openen, dan doet hij dit in het
bijzijn van de jeugdige.
3. In het geval dat een brief kennelijk afkomstig is van een
afzender genoemd in artikel 42, eerste lid, van de wet, maar niet een
dubbele envelop is gebruik, dan wordt, indien de directeur het
noodzakelijk oordeelt de envelop te openen, dezelfde procedure toegepast
als vermeld in het tweede lid.
4. In het geval de brief niet herkenbaar is als afkomstig van een
afzender genoemd in artikel 42, eerste lid, van de wet, is de directeur
niet gehouden aan het hierboven bepaalde in het tweede en derde lid.
Artikel 4
1. In het geval een jeugdige een brief
verzendt aan een geadresseerde genoemd in artikel 42, eerste lid, van de
wet, dient voor de directeur duidelijk kenbaar te zijn aan welke persoon
in welke hoedanigheid of aan welke instantie de brief gericht is.
2. Indien de directeur met het oog op de controle op de
aanwezigheid van bijgesloten voorwerpen het noodzakelijk vindt een brief
als bedoeld in het eerste lid van dit artikel te openen, doet hij dit in
de aanwezigheid van de jeugdige.
Artikel 5
Deze regeling treedt in werking op 1 september 2001.
Artikel 6
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling geprivilegieerde post
jeugdigen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals.
|