| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen
REGELING
GEWELDSINSTRUCTIE JUSTITIËLE JEUGDINRICHTINGEN
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
De Minister van
Justitie;
Gelet op artikel 40, vierde lid, van de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen;
Gezien het advies van het College van advies voor de justitiële
kinderbescherming van 30 mei 2000, kenmerk 5032390/C/TH/JMO;
Besluit:
Paragraaf 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet:
de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;
b. eenheid:
een eenheid bij de Landelijke Bijzondere Bijstandsverlening van de
Dienst Justitiële Inrichtingen;
c. meerdere:
de medewerker van de eenheid die uit hoofde van zijn functie of
krachtens beschikking of aanwijzing met de leiding is belast of het
bevel geeft over de taakuitvoering;
d. geweld:
elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend
op personen of zaken;
e. aanwenden van geweld:
het gebruiken van geweld of het dreigen met geweld, waaronder niet
wordt begrepen het uit voorzorg ter hand nemen van een vuurwapen;
f. vrijheidsbeperkende middelen:
1. een broekstok;
2. middelen als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Regeling
toepassing mechanische middelen jeugdigen.
g. geweldsmiddel:
1. de semi-automatische uitvoering van het merk Heckler en Koch
MP 5, type A2 en type A3, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter;
2. een semi-automatisch pistool van het merk Walther P5,
kaliber 9 maal 19 millimeter;
3. een korte of lange wapenstok van een door de Minister van
Veiligheid en Justitie goedgekeurd merk en type;
4. CS-traangasgranaten of traangasverspreidende middelen van
een door de Minister van Veiligheid en Justitie goedgekeurd merk
en type.
h. het gebruik van een vuurwapen:
het trekken, het uit voorzorg ter hand nemen, het richten, het
gericht houden en het daadwerkelijk gebruik van een vuurwapen.
Paragraaf 2. Aanwenden geweldsmiddelen en vrijheidsbeperkende
middelen door personeelsleden of medewerkers
Artikel 2
Een personeelslid of medewerker kan ten aanzien van een jeugdige, ten
behoeve van het vervoer of interne overplaatsing, een broekstok of
handboeien aanleggen.
Artikel 3
Het is een personeelslid of medewerker niet toegestaan de in artikel
1, onder g, genoemde geweldsmiddelen aan te wenden.
Artikel 4
1.In afwijking van artikel 3 kan de directeur personeelsleden of
medewerkers toestemming verlenen voor het hanteren van een korte of
lange wapenstok.
2.In afwijking van het in artikel 3 bepaalde kan de
selectiefunctionaris aan door hem krachtens artikel 40, tweede lid,
van de wet aangewezen personeelsleden of medewerkers toestemming
verlenen voor het hanteren van een korte of lange wapenstok.
3.De directeur draagt er zorg voor dat:
a. personeelsleden of medewerkers, die vrijheidsbeperkende
middelen toepassen, over voldoende vaardigheden beschikken met
betrekking tot het toepassen daarvan;
b. de in artikel 4, eerste lid, bedoelde personeelsleden of
medewerkers over voldoende vaardigheden beschikken met betrekking
tot het hanteren van een korte of lange wapenstok.
4.De selectiefunctionaris draagt er zorg voor dat:
a. de door hem krachtens artikel 40, tweede lid, van de wet
aangewezen personeelsleden of medewerkers over voldoende
vaardigheden beschikken met betrekking tot het toepassen van
vrijheidsbeperkende middelen;
b. de door hem krachtens artikel 4, tweede lid, aangewezen
personeelsleden of medewerkers over voldoende vaardigheden
beschikken met betrekking tot het hanteren van een korte of lange
wapenstok.
Artikel 5
1.De directeur stelt een voor zijn inrichting geldende
dienstinstructie geweldstoepassing voor de personeelsleden of
medewerkers vast.
2.De directeur geeft daarin aan onder welke omstandigheden, welke
personeelsleden of medewerkers bevoegd zijn, binnen en buiten de
inrichting, jegens een jeugdige geweld te gebruiken dan wel
vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden, en van welk geweldsmiddel
dan wel vrijheidsbeperkend middel daarbij gebruik mag worden gemaakt.
Artikel 6
In afwijking van artikel 3 kunnen de in artikel 1, onder g, sub 1 en
2 genoemde geweldsmiddelen met toestemming van de directeur of de
selectiefunctionaris uitsluitend worden toegepast door personeelsleden
of medewerkers:
a. aan wie dat geweldsmiddel rechtens is toegekend en,
b. voor zover zij optreden ter uitvoering van de taak met het oog
waarop het geweldsmiddel hen is toegekend en,
c. die in het gebruik van dat geweldsmiddel zijn geoefend.
Paragraaf 3. De eenheid
Artikel 7
1.De directeur of het daartoe door hem aangewezen personeelslid of
medewerker kan de eenheid inzetten.
2.Het personeelslid of medewerker zet de eenheid slechts in na
toestemming van de directeur.
Artikel 8
1.Het gebruik van CS-traangas is slechts geoorloofd in opdracht van
de directeur.
2.Uitsluitend personeelsleden of medewerkers van de eenheid zijn
bevoegd tot het gebruik van CS-traangas.
3.Het gebruik van CS-traangas is slechts geoorloofd:
a. in gesloten ruimten ter aanhouding van een jeugdige indien
redelijkerwijs mag worden aangenomen dat die een vuurwapen bij
zich heeft en dat tegen personen zal gebruiken, dan wel ander
ernstig geweld tegen personen zal gebruiken;
b. anders dan in gesloten ruimten ter verspreiding van menigten
van jeugdigen die een ernstige en onmiddellijke bedreiging vormen
voor de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.
Paragraaf 4. Het gebruik van een vuurwapen
Artikel 9
Het gebruik van een vuurwapen is slechts geoorloofd:
a. om een jeugdige aan te houden ten aanzien van wie
redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een vuurwapen bij zich
heeft en dit tegen personen zal gebruiken;
b. tot het beteugelen van onrust, indien er sprake is van een
optreden in gesloten verband onder leiding van een meerdere;
c. ter afwending van direct gevaar voor het leven van personen.
Artikel 10
Het personeelslid of de medewerker die krachtens artikel 6 bevoegd is
tot het gebruik van een vuurwapen, mag in verband met zijn eigen
veiligheid of die van anderen slechts uit voorzorg een vuurwapen ter
hand nemen, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een situatie
ontstaat waarin hij bevoegd is het vuurwapen te gebruiken. Zodra blijkt
dat een dergelijke situatie zich niet voordoet, wordt het vuurwapen
terstond opgeborgen.
Artikel 11
1.Het personeelslid of de medewerker die krachtens artikel 6
bevoegd is tot het gebruik van een vuurwapen geeft onmiddellijk,
voordat hij gericht met een vuurwapen zal schieten, met luide stem of
op andere niet mis te verstane wijze een waarschuwing dat geschoten
zal worden. De waarschuwing kan worden vervangen door een
waarschuwingsschot, wanneer omstandigheden de waarschuwing niet
toelaten.
2.Een waarschuwingsschot moet op zodanige wijze worden afgevuurd
dat gevaar voor personen of zaken zoveel mogelijk wordt vermeden.
Paragraaf 5. Meldplicht
Artikel 12
1. Het personeelslid of de medewerker die geweld heeft gebruikt, of
vrijheidsbeperkende middelen heeft aangewend, of een geweldsmiddel
heeft gebruikt, meldt dit onverwijld schriftelijk aan de directeur of
selectiefunctionaris. De schriftelijke melding dient duidelijkheid te
verschaffen over de redenen, die tot het aanwenden van geweld hebben
geleid, de daaruit voortvloeiende gevolgen en op wiens last dit
aanwenden van geweld heeft plaatsgevonden.
2. De directeur of de selectiefunctionaris wint, in geval van
mogelijk lichamelijk letsel of ingeval een wapenstok, een vuurwapen,
CS-traangasgranaten of traangasverspreidende middelen gebruikt zijn,
zo spoedig mogelijk advies in bij een arts.
3. Indien de aanwending van het geweld of vrijheidsbeperkende
middelen bij een jeugdige heeft geleid tot mogelijk lichamelijk letsel
en in alle gevallen waarin van een vuurwapen, een wapenstok of
CS-traangasgranaten of traangasverspreidende middelen gebruik is
gemaakt, wordt de melding, bedoeld in het eerste lid, tevens ter
kennis gebracht van de Hoofddirecteur van de Minister van Veiligheid
en Justitie en het Openbaar Ministerie.
4. De melding, bedoeld in het eerste en derde lid, geschiedt in de
vorm van een rapport indien:
a. de gevolgen van het aangewende geweld of vrijheidsbeperkende
middel daartoe, naar het oordeel van de meerdere, aanleiding
geven, of
b. gebruik is gemaakt van geweld of van enig geweldsmiddel en
daardoor lichamelijk letsel dan wel de dood veroorzaakt is.
5. De directeur van de inrichting stelt de commissie van toezicht
in kennis van de melding, bedoeld in het derde lid.
Paragraaf 6. Slotbepalingen
Artikel 13
Deze regeling treedt in werking op 1 september 2001.
Artikel 14
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling geweldsinstructie
justitiële jeugdinrichtingen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals.
|
|
|