|
De Minister van
Justitie;
Gelet op artikel 8, eerste lid, artikel 15, derde lid, en artikel 16,
zesde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;
Gezien het advies van het College van advies voor de justitiële
kinderbescherming van 1 februari 2001, nummer 5078699/01/TH/rb;
Besluit:
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet: de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen;
b. inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 8,
eerste lid, van de wet.
Paragraaf 2. Beveiligingsniveau
Artikel 2
1. In een beperkt beveiligde inrichting of afdeling kunnen
jeugdigen worden geplaatst:
a. aan wie een vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in artikel
8, eerste lid, onderdeel e, van de wet is opgelegd,
b. die, gelet op de uitvoering van het perspectiefplan of op de
aanwijzingen van het openbaar ministerie en de autoriteiten die de
maatregel hebben opgelegd, in aanmerking komen voor een beperkt
beveiligde inrichting, en
c. een te verwaarlozen risico hebben dat zij zich onttrekken aan
het toezicht van de inrichting.
2. Voor plaatsing in een beperkt beveiligde inrichting of
afdeling komen niet in aanmerking jeugdigen:
a. ten aanzien van wie vaststaat dat zij, na de tenuitvoerlegging
van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel, genoemd in
artikel 8, eerste lid, van de wet, Nederland zullen dienen te
verlaten, uitgezet of uitgeleverd zullen worden, of;
b. die aansluitend op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf
of vrijheidsbenemende maatregel, genoemd in artikel 8, eerste lid, van
de wet, een andere vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
zullen ondergaan.
Artikel 3
In een normaal beveiligde inrichting of afdeling worden jeugdigen,
als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de wet, geplaatst alsmede
jeugdigen die op grond van artikel 2 niet in aanmerking komen voor
plaatsing in een beperkt beveiligde inrichting of afdeling.
Paragraaf 3. Inrichtingen en afdelingen voor bijzondere opvang dan
wel behandeling
Artikel 4
Jeugdigen kunnen worden geplaatst op een door de Minister van
Veiligheid en Justitie als zodanig aangewezen:
a. intensieve zorgafdeling, of
b. intensieve behandelafdeling, of
c. individuele trajectafdeling, of
d. observatieafdeling.
Artikel 5 [Vervallen per 17-07-2011]
Artikel 6 [Vervallen per 17-07-2011]
Paragraaf 4. Plaatsing en overplaatsing van strafrechtelijke
jeugdigen
Artikel 7
Indien de selectiefunctionaris afwijkt van de in artikel 12, vijfde
lid, van de wet genoemde aanwijzingen, stelt de selectiefunctionaris het
openbaar ministerie dan wel de autoriteit die de straf of de maatregel
heeft opgelegd hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte.
Artikel 8
1. De selectiefunctionaris betrekt bij zijn beslissing tot
plaatsing in een inrichting van een jeugdige aan wie de maatregel
plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd mede:
a. het plaatsingsadvies van de rechter die de maatregel heeft
opgelegd, bedoeld in artikel 77v, eerste lid, van het Wetboek van
Strafrecht;
b. het advies, bedoeld in artikel 77s, tweede lid, Wetboek van
Strafrecht, en
c. het advies van de inrichting waar de jeugdige verblijft.
2. Op voordracht van de directeur dan wel op grond van een
verzoekschrift van de jeugdige als bedoeld in artikel 19, eerste lid,
van de wet, kan de selectiefunctionaris een jeugdige overplaatsen naar
een andere inrichting. De voordracht tot overplaatsing van de directeur
bevat tenminste een rapportage over de uitvoering van het
perspectiefplan van de betrokken jeugdige. De directeur kan in zijn
voordracht aangeven voor welke inrichting de jeugdige naar zijn mening
in aanmerking zou komen.
3. Indien de jeugdige een verzoek heeft ingediend als bedoeld in
artikel 19, eerste lid, van de wet vraagt de selectiefunctionaris de
directeur om advies.
4. De selectiefunctionaris neemt met inachtneming van de
artikelen 22a en 22b van de wet en op grond van de voordracht dan wel
het advies van de directeur en de stukken die bij de voordracht of het
advies zijn gevoegd en met inachtneming van artikel 12, zesde lid, van
de wet een beslissing over de overplaatsing naar een afdeling als
bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a of b.
5. De selectiefunctionaris neemt de beslissing tot overplaatsing
naar een afdeling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, met
inachtneming van artikel 22c van de wet.
6. De selectiefunctionaris neemt de beslissing tot overplaatsing
naar een afdeling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, met
inachtneming van artikel 22d van de wet.
Artikel 9
1. In deze bepaling wordt onder jeugdige verstaan de jeugdige
in voorlopige hechtenis, de jeugdige die tot een onherroepelijke
vrijheidsstraf is veroordeeld, de jeugdige in gijzeling en de jeugdige
in vreemdelingenbewaring.
2. Op voordracht van de directeur, dan wel op grond van een
verzoek van de jeugdige als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de
wet, kan de selectiefunctionaris een jeugdige overplaatsen naar een
andere inrichting.
3. Omstandigheden die aanleiding kunnen vormen voor overplaatsing
zijn de gronden genoemd in artikel 24, eerste lid, onder a en b, van de
wet en met een tijdelijke overplaatsing niet kan volstaan.
4. De voordracht tot overplaatsing van de directeur bevat, indien
beschikbaar, de rapportage over de uitvoering van het perspectiefplan,
voor zover dit plan wettelijk is voorgeschreven, alsmede overige
relevante informatie betreffende de jeugdige.
5. Indien de jeugdige een verzoek heeft ingediend als bedoeld in
artikel 19, eerste lid, van de wet verzoekt de selectiefunctionaris de
directeur om advies.
6. De selectiefunctionaris neemt een beslissing tot overplaatsing
met inachtneming van artikel 22c van de wet. Indien het een verzoek tot
overplaatsing van de jeugdige betreft, neemt de selectiefunctionaris
zijn besluit tevens met inachtneming van de voordracht dan wel het
advies van de directeur en de stukken die bij die voordracht of dat
advies zijn gevoegd.
Paragraaf 5. Plaatsing en overplaatsing van civielrechtelijke
jeugdigen
Artikel 10 [Vervallen per 17-07-2011]
Paragraaf 6. Opname in een ziekenhuis, dan wel een andere instelling
Artikel 11
1. Indien overbrenging naar een
psychiatrisch ziekenhuis, bedoeld in artikel 12, achtste lid, van de
wet, geïndiceerd is, dient de directeur van de inrichting waar de
jeugdige verblijft, na overleg met een psychiater, een daartoe
strekkend advies in bij de selectiefunctionaris.
2. Het advies van de directeur gaat vergezeld van:
a. een schriftelijk advies van het psycho-medisch overleg dan wel
een schriftelijk advies van een gedragsdeskundige betreffende de
psychiatrische dan wel psychische problematiek van de jeugdige en de
wenselijkheid van opname,
b. een recent perspectiefplan en onder vervanging van de komma aan
het slot van onderdeel d door een punt vervalt onderdeel e,
c. een inschatting van het risico van onttrekking aan het toezicht
door de jeugdige bij een eventuele opname,
d. een instemming van het openbaar ministerie indien het een
voorlopige gehechte jeugdige betreft,
e. voor zover mogelijk, een onderbouwd advies van de
gezinsvoogdij-instelling dan wel van de voogdij-instelling indien het
een jeugdige die met toepassing van artikel 261 onderscheidenlijk
artikel 305, derde lid, Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek in een
inrichting is geplaatst.
3. De selectiefunctionaris beslist op grond van de beschikbare
informatie, genoemd in het tweede lid, over de overbrenging naar een
psychiatrisch ziekenhuis.
4. De jeugdige blijft gedurende het verblijf in het psychiatrisch
ziekenhuis administratief ingeschreven in de inrichting van herkomst.
5. De inrichting waar de jeugdige administratief is ingeschreven,
volgt gedurende het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis het
behandelingsverloop en treedt als aanspreekpunt op bij bijzonderheden en
incidenten.
6. De jeugdige kan in het kader van de behandeling, met
instemming van de selectiefunctionaris, een dagbehandeling volgen. De
directeur van de inrichting waar de jeugdige administratief is
ingeschreven, pleegt hieromtrent overleg met de selectiefunctionaris.
Het tweede lid, onder d, is van overeenkomstige toepassing. Voorwaarde
voor plaatsing is dat voorzien is in de noodzakelijke kosten van
bestaan.
Artikel 12
1. Indien overbrenging naar een
algemeen ziekenhuis dan wel een andere instelling als bedoeld in
artikel 47, vierde lid, onder c, van de wet medisch geïndiceerd is,
gaat de directeur tot overbrenging over. In bijzondere gevallen,
waaronder het risico van onttrekking door de jeugdige aan het toezicht
en de veiligheid voor anderen onvoldoende gewaarborgd wordt, kan de
jeugdige worden overgebracht naar het Penitentiair Ziekenhuis, bedoeld
in artikel 32 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing
gedetineerden.
2. Indien de overbrenging een voorlopig gehechte jeugdige
betreft, dan wel bij het vonnis een executie-indicator is gegeven,
vraagt de directeur toestemming aan het openbaar ministerie. Indien de
overbrenging een jeugdige betreft die met toepassing van artikel 29k,
tweede lid, van de Wet op de Jeugdzorg in een inrichting is geplaatst,
overlegt de directeur met de de stichting bedoeld in artikel 1,
onderdeel f, van de Wet op de Jeugdzorg.
3. Indien het verblijf in een ziekenhuis dan wel een andere
instelling zonder toezicht, gelet op het risico van onttrekking aan het
toezicht door de jeugdige, onverantwoord is, treft de directeur
maatregelen welke noodzakelijk zijn voor de bewaking van de jeugdige. De
directeur maakt hierover in een zo vroeg mogelijk stadium afspraken over
met de directie van het ziekenhuis.
4. De inrichting van herkomst volgt gedurende het verblijf in het
ziekenhuis dan wel een andere instelling het behandelingsverloop en
treedt als aanspreekpunt op bij eventuele bijzonderheden en incidenten.
5. Indien spoedeisende medische zorg geboden is, kan afgeweken
worden van de in dit artikel gestelde procedure. De directeur vraagt in
dat geval achteraf toestemming aan het openbaar ministerie of overlegt
met de de stichting bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Wet op de
Jeugdzorg.
6. De directeur meldt de plaatsing in
het ziekenhuis dan wel in een andere instelling en de beëindiging van
die plaatsing aan de selectiefunctionaris. De beëindiging van de
plaatsing wordt tevens gemeld aan de de stichting bedoeld in artikel 1,
onderdeel f, van de Wet op de Jeugdzorg.
Paragraaf 7. Slotbepalingen
Artikel 13
Deze Regeling treedt in werking op 1 september 2001
Artikel 14
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling plaatsing en
overplaatsing jeugdigen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals.
|