Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet: de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen.
Paragraaf 2. Voorwaarden
Artikel 2
Bij de tenuitvoerlegging van een disciplinaire straf in een strafcel
of van een afzondering in een afzonderingscel, geldt het bepaalde in de
huisregels van de inrichting waar de straf onderscheidenlijk de
afzondering ten uitvoer wordt gelegd, voor zover in deze regeling niet
anders is bepaald.
Artikel 3
Indien de afzondering, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet,
niet ten uitvoer kan worden gelegd in een verblijfsruimte vindt deze
plaats in een afzonderingscel.
Artikel 4
1. Ingeval sprake is van medische problematiek bezoekt de arts
of diens vervanger, dan wel in diens opdracht de verpleegkundige, de
jeugdige in de straf- of afzonderingscel zo spoedig mogelijk.
2. Ingeval gedragsmatige problematiek aan de afzondering ten
grondslag ligt, wordt het in het eerste lid van dit artikel genoemde
bezoek afgelegd door een kinder- of jeugdpsychiater dan wel een
gedragsdeskundige.
3. Na het eerste bezoek stellen de betrokken arts of diens
vervanger dan wel in diens opdracht de verpleegkundige,
onderscheidenlijk de kinder- of jeugdpsychiater dan wel de
gedragsdeskundige zich regelmatig op de hoogte van de toestand van de
jeugdige zolang het verblijf in de straf- of afzonderingscel voortduurt.
Artikel 5
De directeur draagt er zorg voor dat hij ten minste dagelijks op de
hoogte wordt gesteld van de toestand van de in de straf- of
afzonderingscel geplaatste jeugdige.
Artikel 6
Indien de jeugdige herhaaldelijk zonder noodzaak gebruik maakt van in
de straf- of afzonderingscel aanwezige communicatiemiddelen kan de
directeur beslissen dat deze buiten werking worden gesteld. In dat geval
treft hij de maatregelen die noodzakelijk zijn voor voldoende
communicatie van de jeugdige met personeelsleden en medewerkers.
Artikel 7
Indien de jeugdige zelfdestructief gedrag vertoont dan wel indien het
vermoeden hiervan bestaat, stelt het met het toezicht belaste
personeelslid of de medewerker zich ten minste eenmaal per uur op de
hoogte van de toestand van de jeugdige.
Artikel 8
De directeur draagt er zorg voor dat de wijze van verslaglegging over
het verblijf van een jeugdige in een straf- of afzonderingscel naar aard
en frequentie op de situatie van de jeugdige wordt afgestemd.
Paragraaf 3. De inrichting van de straf- of afzonderingscel
Artikel 9
De artikelen 2, 5, 6 en 7 van de Regeling eisen kamer justitiële
jeugdinrichting zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een
straf- of afzonderingscel.
Artikel 10
In de straf- of afzonderingscel kan daglicht toetreden.
Artikel 11
1. De straf- of afzonderingscel, of de afdeling waar de straf-
of afzonderingscel zich bevindt, is voorzien van een toilet.
2. De jeugdige kan het toilet zelfstandig doorspoelen dan wel op
verzoek onverwijld laten doorspoelen.
Artikel 12
1. De directeur draagt zorg dat de straf- of afzonderingscel
voldoende is verlicht. De cel is daartoe voorzien van een van buiten
die cel bedienbare verlichting met voldoende lichtsterkte, conform de
functionele eisen binnenverlichting volgens de geldende NEN-norm.
2. De directeur kan bepalen dat `s nachts de verlichting blijft
branden indien hiervoor redenen aanwezig zijn dan wel op verzoek van de
jeugdige.
Artikel 13
1. In een straf- of afzonderingscel bevinden zich gedurende de
dag zitelementen en gedurende de nacht een matras, een kussen en
voldoende dekens.
2. De in het eerste lid genoemde zaken kunnen door de directeur
worden verwijderd wanneer deze door de jeugdige voor een ander doel, dan
waarvoor ze bestemd zijn, worden aangewend.
3. In bijzondere gevallen kan de directeur bepalen dat de
jeugdige gedurende de dag de beschikking krijgt over een ruimere
celinventaris.
Artikel 14
1. Een straf- of afzonderingscel kan zijn uitgerust met een
observatiecamera.
2. De camera is zodanig aangebracht dat observatie van de gehele
cel mogelijk is.
Paragraaf 4. Het verblijf in de straf- of afzonderingscel
Artikel 15
1. Tijdens het verblijf in de straf- of afzonderingscel draagt
de directeur er zorg voor dat de jeugdige in staat wordt gesteld
contact met de buitenwereld te onderhouden, volgens het daarover
bepaalde in de huisregels.
2. De directeur kan het recht van de jeugdige om te telefoneren
met, of het ontvangen van bezoek van, persoonlijke relaties slechts
beperken of uitsluiten indien het belang van de handhaving van de orde
of de veiligheid in de inrichting, dan wel de gedragingen, lichamelijke
of geestelijke toestand van de jeugdige, zulks noodzakelijk maken.
3. Het bezoek vindt gescheiden van de overige jeugdigen en onder
toezicht plaats.
4. Tenzij de directeur anders beslist op grond van de
gedragingen, lichamelijke of geestelijke toestand van de jeugdige, wordt
er geen toezicht uitgeoefend op de bezoeken die door een advocaat dan
wel andere hulpverleners worden afgelegd.
5. Het is de in artikel 42, eerste lid, van de wet genoemde
personen en instanties toegestaan vrijelijk contact te onderhouden met
de jeugdige.
Artikel 16
Het is de jeugdige niet toegestaan voorwerpen onder zijn berusting te
houden, tenzij de directeur anders bepaalt.
Artikel 17
De jeugdige die verblijft in een straf- of afzonderingscel heeft het
recht lectuur te ontvangen overeenkomstig de huisregels van de
inrichting.
Artikel 18
De jeugdige wordt, gedurende zijn verblijf in de straf- of
afzonderingscel, in staat gesteld goederen te kopen. Aangekochte
goederen worden in de kamer, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de
wet opgeslagen, tenzij de directeur bepaalt dat tegen uitreiking van
bepaalde goederen in de straf- of afzonderingscel geen bezwaar bestaat.
Artikel 19
1. De jeugdige is verplicht de straf- of afzonderingscel met de
zich daarin bevindende voorwerpen schoon en ongeschonden te houden.
2. De jeugdige is verplicht dagelijks de straf- of
afzonderingscel waarin hij verblijft te reinigen, tenzij hij daar op
grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand niet toe in staat
is. Vanwege de inrichting wordt op het reinigen toezicht gehouden.
Artikel 20
In de straf- of afzonderingscel mag niet worden gerookt. Het is de
jeugdige toegestaan te roken tijdens het dagelijks verblijf in de
buitenlucht.
Paragraaf 5. Verzorging
Artikel 21
Bij plaatsing in straf- of afzonderingscel wordt de jeugdige, indien
het dragen van eigen kleding of schoeisel een gevaar oplevert voor de
jeugdige zelf dan wel voor de orde of veiligheid in de inrichting, van
inrichtingswege voorzien van kleding en schoeisel.
Artikel 22
De jeugdige wordt `s ochtends en `s avonds in de gelegenheid gesteld
zich lichamelijk te verzorgen.
Artikel 23
Het voor gebruik in de straf- en afzonderingscel bestemde eetgerei,
wordt tegelijkertijd met de maaltijd aan de jeugdige verstrekt en direct
na de maaltijd weer terug genomen.
Paragraaf 6. Controle
Artikel 24
De jeugdige wordt voor de plaatsing in een straf- of afzonderingscel
aan zijn kleding en lichaam onderzocht.
Artikel 25
1. De directeur draagt zorg dat ingenomen kleding en andere
bezittingen van de jeugdige door twee personeelsleden of medewerkers
worden geregistreerd en opgeborgen.
2. Aan de jeugdige wordt zo spoedig mogelijk een
ontvangstbevestiging uitgereikt.
Paragraaf 7. Camera observatie
Artikel 26
1. De directeur kan, indien de lichamelijke of geestelijke
toestand van de jeugdige dit noodzakelijk maakt, bepalen dat de
jeugdige dag en nacht door middel van een camera wordt geobserveerd.
2. Alvorens hij hiertoe beslist, wint hij het advies van de
inrichtingsarts dan wel de kinder- of jeugdpsychiater dan wel een
gedragsdeskundige in, tenzij dit advies niet kan worden afgewacht. In
dat geval wint de directeur het advies zo spoedig mogelijk na zijn
beslissing in.
3. De directeur geeft de jeugdige onverwijld schriftelijk, zoveel
mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal, een met redenen omklede,
gedagtekende en ondertekende mededeling van zijn beslissing om tot
camera observatie over te gaan.
4. De directeur draagt zorg dat, indien wordt besloten tot camera
observatie, de commissie van toezicht, alsmede de ouders of voogd,
stiefouder of pleegouders, de stichting bedoeld in artikel 1, onderdeel
f, van de Wet op de jeugdzorg, terstond hiervan in kennis worden
gesteld.
Artikel 27
1. Het gebruik van een
observatiecamera in de straf- of afzonderingscel kan geïndiceerd
zijn, indien er sprake is van een ernstige bedreiging van de
geestelijke of lichamelijke gezondheid van de aldaar geplaatste
jeugdige.