§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze instructie wordt verstaan onder:
a. meerdere: het personeelslid dat of de medewerker die
uit hoofde van zijn functie of krachtens beschikking of aanwijzing
met de leiding is belast of het bevel geeft over de taakuitvoering;
b. eenheid: een eenheid bij de Landelijke Bijzondere
Bijstandsverlening van de Dienst Justitiële Inrichtingen;
c. geweld: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe
betekenis uitgeoefend op personen of zaken;
d. aanwenden van geweld: het gebruiken van geweld of het
dreigen met geweld, waaronder niet wordt begrepen het uit voorzorg
ter hand nemen van een vuurwapen;
e. geweldsmiddel:
1°. de semi-automatische uitvoering van de Heckler en Koch
MP5, type A2 en type A3, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter;
2°. een semi-automatisch pistool van het merk Walther P5,
kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter;
3°. een korte of lange wapenstok van een door de Minister van
Justitie goedgekeurd merk en type;
4°. CS-traangasgranaten of traangasverspreidende middelen van
een door de Minister van Justitie goedgekeurd merk en type.
f. vrijheidsbeperkende middelen:
1°. handboeien van een door de Minister van Justitie
goedgekeurd merk en type;
2°. een broekstok;
3°. middelen als bedoeld in de bijlage bij de Regeling
toepassing mechanische middelen verpleegden.
g. het gebruik van een vuurwapen: het trekken, het
richten, het gericht houden en het daadwerkelijk gebruik van een
vuurwapen.
§ 2. Gebruik geweld en aanwenden van vrijheidsbeperkend
middelen
Artikel 2
Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden draagt er zorg voor dat de personeelsleden of medewerkers over
voldoende vaardigheden beschikken met betrekking tot het gebruik van
geweld en het aanwenden van vrijheidsbeperkende middelen.
§ 2a. Gebruik van geweld ter voorkoming van onttrekking
aan het toezicht tijdens begeleid verlof
Artikel 2a
1. Indien een ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde
zich tijdens begeleid verlof dreigt te onttrekken aan het op hem
uitgeoefende toezicht, trachten de personeelsleden of medewerkers die
het toezicht op de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde
uitoefenen, hem daarvan te weerhouden.
2. Personeelsleden of medewerkers, die tot taak hebben het verlof
te begeleiden, kunnen geweld gebruiken, indien noodzakelijk om
onttrekking van de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde aan
het op hem uitgeoefende toezicht te voorkomen.
3. Personeelsleden of medewerkers, die tot taak hebben het verlof
te beveiligen gebruiken geweld, indien noodzakelijk om onttrekking van
de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde aan het op hem
uitgeoefende toezicht te voorkomen.
4. Personeelsleden of medewerkers die het toezicht op een ter
beschikking gestelde of anderszins verpleegde uitoefenen tijdens
begeleid verlof, hebben de beschikking over adequate
communicatiemiddelen om een onttrekking onmiddellijk te melden aan de
politie en het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden.
5. De personeelsleden of medewerkers zullen in geval van een
onttrekking tijdens begeleid verlof, trachten de vluchtroute of de
verblijfplaats van de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde
vast te stellen en die melden aan de politie en het hoofd van de
inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden.
6. De personeelsleden of medewerkers, die tot taak hebben het
verlof te begeleiden en de personeelsleden of medewerkers, die tot taak
hebben het verlof te beveiligen, treden voordat het verlof aanvangt met
elkaar in overleg. Indien de begeleider en/of de beveiliger van mening
zijn dat zij de begeleidingstaak en beveiligingstaak niet op veilige
wijze kunnen uitoefenen, wordt dit door hen gemeld aan het hoofd van de
inrichting.
§ 3. Gebruik geweldsmiddelen
Artikel 3
1. Het gebruik van een geweldsmiddel is uitsluitend toegestaan
aan een personeelslid of medewerker:
a. aan wie dat geweldsmiddel rechtens is toegekend,
b. voor zover hij optreedt ter uitvoering van de taak met het oog
waarop het geweldsmiddel hem is toegekend, en
c. hij in het gebruik van dat geweldsmiddel is geoefend.
2. Aan het gebruik van een geweldsmiddel gaat zo mogelijk een
waarschuwing vooraf.
Artikel 4
Het gebruik van een vuurwapen is slechts geoorloofd:
a. om een verpleegde aan te houden ten aanzien van wie
redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een (vuur)wapen bij
zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken;
b. om een verpleegde aan te houden die zich aan zijn
vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken;
c. tot het beteugelen van woelingen, indien er sprake is van een
optreden in gesloten verband onder leiding van een meerdere;
d. ter afwending van direct gevaar voor het leven van personen.
Artikel 5
Een personeelslid of medewerker mag in verband met zijn eigen
veiligheid of die van anderen uit voorzorg een vuurwapen ter hand nemen
slechts indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een situatie
ontstaat waarin hij bevoegd is het vuurwapen te gebruiken. Zodra blijkt
dat een dergelijke situatie zich niet voordoet, wordt het vuurwapen
terstond opgeborgen.
Artikel 6
1. Het personeelslid of de medewerker geeft onmiddellijk
voordat hij gericht met een vuurwapen zal schieten een waarschuwing.
De waarschuwing kan worden vervangen door een waarschuwingsschot,
wanneer omstandigheden de waarschuwing niet toelaten.
2. Een waarschuwingsschot moet op zodanige wijze worden afgevuurd
dat gevaar voor personen of zaken zoveel mogelijk wordt vermeden.
Artikel 7
1. Het gebruik van CS-traangas is slechts geoorloofd:
a. in gesloten ruimten ter aanhouding van een verpleegde indien
redelijkerwijs mag worden aangenomen dat die een vuurwapen bij zich
heeft en dat tegen personen zal gebruiken, dan wel ander ernstig
geweld tegen personen zal gebruiken;
b. anders dan in gesloten ruimten ter verspreiding van menigten van
verpleegden die een ernstige en onmiddellijke bedreiging vormen voor
de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.
2. Het gebruik van CS-traangas is slechts geoorloofd in opdracht
van het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden.
3. Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden die bevel geeft tot het verspreiden van
CS-traangas geeft bij dit bevel aan hoeveel CS-traangasgranaten worden
gebruikt.
Artikel 7a
1. Het hoofd van de inrichting kan met voorafgaande machtiging
van de Minister van Justitie besluiten om proeven te houden met andere
middelen, dan genoemd in artikel 1, onder e en f, met het doel
onttrekkingen aan het toezicht als bedoeld in artikel 2a te voorkomen.
2. Een ander middel, als bedoeld in het eerste lid, moet ten
minste voldoen aan de eisen, die gesteld worden aan een mechanisch
middel in de Regeling toepassing mechanische middelen verpleegden.
3. Het andere middel wordt gebruikt overeenkomstig het in deze
regeling bepaalde.
4. Een proef, als bedoeld in het eerste lid, heeft een maximale
duur van één jaar.
5. Iedere proef wordt geëvalueerd.
§ 4. De eenheid
Artikel 8
1. Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden of een daartoe door hem aangewezen personeelslid
of medewerker kan de eenheid inzetten.
2. Het personeelslid of de medewerker zet de eenheid slechts in
na toestemming van het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden.
§ 5 [Vervallen per 01-07-2007]
Artikel 9 [Vervallen per 01-07-2007]
§ 6. Protocollering en meldplicht
Artikel 10
1. Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden maakt op basis van deze regeling een voor zijn
inrichting geldende dienstinstructie voor personeelsleden of
medewerkers.
2. Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden geeft daarin aan onder welke omstandigheden
personeelsleden of medewerkers bevoegd zijn, binnen en buiten de
inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden, daaronder
begrepen tijdens verlof als bedoeld in artikel 2a jegens een verpleegde
geweld te gebruiken dan wel vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden.
3. Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden zendt binnen drie maanden na inwerkingtreding van
deze regeling een afschrift van de voor zijn inrichting geldende
dienstinstructie aan de Minister van Justitie.
Artikel 11
1. Het personeelslid of de medewerker die geweld heeft gebruikt
of vrijheidsbeperkende middelen heeft aangewend, meldt dit onverwijld
schriftelijk aan het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden. De schriftelijke melding dient duidelijkheid te
verschaffen over de redenen die tot het aanwenden van geweld hebben
geleid, de daaruit voortvloeiende gevolgen en over degene op wiens
last dit aanwenden van geweld heeft plaatsgevonden.
2. Indien de aanwending van het geweld bij een verpleegde heeft
geleid tot lichamelijk letsel van meer dan geringe betekenis en in alle
gevallen waarin van een vuurwapen, een wapenstok of CS-traangasgranaten
of traangasverspreidende middelen gebruik is gemaakt, dient deze melding
tevens ter kennis te worden gebracht van de Minister van Justitie. Het
hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden
dient in een dergelijk geval tevens zo spoedig mogelijk schriftelijk
advies in te winnen bij een arts.
3. De melding, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt in
de vorm van een rapport indien:
a. de gevolgen van het aangewende geweld daartoe, naar het oordeel
van de meerdere, aanleiding geven, of
b. gebruik is gemaakt van enig geweldsmiddel of vrijheidsbeperkend
middel en lichamelijk letsel dan wel de dood veroorzaakt is.
§ 7. Slotbepalingen
Artikel 12
Deze instructie treedt in werking met ingang van de tweede dag na
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 13
Deze instructie wordt aangehaald als: Geweldsinstructie inrichtingen
voor verpleging van ter beschikking gestelden.
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals.