|
De Minister van
Justitie;
Gelet op artikel 24, tweede lid, Beginselenwet
verpleging ter beschikking gestelden;
Gezien het advies van de Centrale Raad voor
Strafrechtstoepassing van 13 mei 1998, nr. 98/694836;
Besluit:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet: de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden;
b. urineonderzoek: een onderzoek van urine op de aanwezigheid van
gedragsbeïnvloedende middelen;
c. herhalingsonderzoek: een urineonderzoek dat volgens eenzelfde dan
wel een vergelijkbare methode als gebruikt bij het aanvankelijke
urineonderzoek op een identiek tweede monster wordt uitgevoerd met
behulp van apparatuur welke vergelijkbaar is met dan wel gelijkwaardig
is aan de apparatuur welke bij het aanvankelijke onderzoek is gebruikt;
d. bevestigingsonderzoek: een urineonderzoek dat volgens een andere
gevalideerde methode als gebruikt bij het aanvankelijke onderzoek en het
herhalingsonderzoek wordt uitgevoerd op het monster dat het
uitgangsmateriaal vormde voor het aanvankelijke onderzoek dan wel het
herhalingsonderzoek.
Artikel 2. Algemeen
Het anders dan door een arts, tandarts of verloskundige
voorgeschreven gebruik van gedragsbeïnvloedende middelen is tijdens de
tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
niet toegestaan.
Artikel 3. Afname van urinemonsters
1. De afname van urine gebeurt bij
voorkeur ‘s ochtends vroeg.
2. Alvorens de urine wordt afgenomen wordt de reden van het
urineonderzoek aan de verpleegde medegedeeld en wordt aan de verpleegde
uitleg gegeven over de te volgen procedure.
3. De verpleegde urineert bij voorkeur onder direct visueel
toezicht van een personeelslid of medewerker in een daartoe aan hem
verstrekte opvangbeker.
4. Indien de verpleegde niet direct tot afgifte van de urine in
staat is, wordt hij gedurende een periode van vier uur alsnog hiertoe in
de gelegenheid gesteld. De verpleegde verblijft gedurende deze periode
bij voorkeur in een ruimte waarin geen mogelijkheden aanwezig zijn de
resultaten van de analyse te beïnvloeden.
5. In het bijzijn van de verpleegde verdeelt een personeelslid of
medewerker de urine over twee afzonderlijke buizen, sluit de buizen af
en controleert of de buizen goed zijn afgesloten. Vervolgens plakt het
personeelslid of de medewerker stickers met een uniek registratienummer
op de twee buizen.
6. In het bijzijn van de verpleegde controleert het personeelslid
of de medewerker of het aanvraagformulier goed en volledig is ingevuld
alsmede of het nummer op de buizen overeenstemt met het nummer op het
aanvraagformulier.
7. Het aanvraagformulier dient in ieder geval een opgave van de
volledige naam en voorletters van de verpleegde, het registratienummer
van de verpleegde, de afnamedatum, het tijdstip van afname, de stoffen
waarop gecontroleerd dient te worden alsmede gegevens over
medicatiegebruik en relevante pathologie te bevatten.
9.
Eén buis wordt met het aanvraagformulier zo spoedig mogelijk, doch
uiterlijk de eerstvolgende werkdag, naar een laboratorium verstuurd, dan
wel binnen drie werkdagen bij een laboratorium afgegeven. De andere buis
wordt, gedurende ten hoogste een week na afname, ten behoeve van een
eventueel herhalingsonderzoek in een voor onbevoegden niet toegankelijke
diepvries of koelkast bewaard.
Artikel 4. Laboratorium
1. De analyse wordt verricht door:
a. een inrichtingslaboratorium dat deelneemt aan een extern
kwaliteitscontrole programma in samenspraak met de stichting
kwaliteitsbewaking Klinische Geneesmiddelenanalyse en Toxicologie dan
wel
b. een extern laboratorium dat deelneemt aan een extern
kwaliteitscontrole programma in samenspraak met de stichting
Kwaliteitsbewaking Klinische Geneesmiddelenanalyse of deelneemt aan
een op zijn minst vergelijkbaar extern kwaliteitsbewakingsprogramma
dan wel een laboratorium dat voldoet aan de internationale GLP-norm (Good
Laboratory Practice).
2. Het laboratorium heeft de mogelijkheid een herhalingsonderzoek
en een bevestigingsonderzoek te verrichten of te laten verrichten.
3. Het laboratorium treft maatregelen ter voorkoming van
oneigenlijk gebruik van de verkregen persoonsgegevens.
4. De inrichting en het laboratorium maken nadere afspraken
omtrent de wijze van verzending van de urinemonsters.
Artikel 5. Uitslag
1. Indien er vragen bestaan omtrent de
uitslag van het onderzoek of de interpretatie daarvan, vindt overleg
plaats tussen het laboratorium en de inrichting omtrent mogelijke
factoren die de uitslag hebben kunnen beïnvloeden en de interpretatie
van de uitslag.
2. Indien het gebruik van gedragsbeïnvloedende middelen is
geconstateerd of wanneer de verpleegde daarom verzoekt wordt de uitslag
van het onderzoek aan de verpleegde bekend gemaakt. Hierbij wordt de
verpleegde gewezen op het recht op herhalingsonderzoek. Indien de
mededeling mondeling wordt gedaan legt het personeelslid dat of de
medewerker die de mededeling heeft gedaan, schriftelijk vast dat en
wanneer de mededeling is gedaan.
Artikel 6. Herhalingsonderzoek
1. De verpleegde heeft het recht op een
herhalingsonderzoek.
2. De kosten van het herhalingsonderzoek komen voor rekening van
de verpleegde, tenzij uit de uitslag van dit onderzoek blijkt dat er
geen sprake is van ongeoorloofd gebruik van gedragsbeïnvloedende
middelen.
3. De verpleegde dient een verzoek om een herhalingsonderzoek
binnen vierentwintig uur na kennisneming van de uitslag van de eerste
analyse schriftelijk in te dienen bij het hoofd van de inrichting.
4. De uitslag van het herhalingsonderzoek wordt aan de verpleegde
medegedeeld. Hierbij wordt de verpleegde gewezen op het recht op een
bevestigingsonderzoek. Indien de mededeling mondeling wordt gedaan legt
het personeelslid dat of de medewerker die de mededeling heeft gedaan,
schriftelijk vast dat en wanneer de mededeling is gedaan.
Artikel 7. Bevestigingsonderzoek
1. De verpleegde heeft het recht een
bevestigingsonderzoek te laten plaatsvinden.
2. De kosten van het bevestigingsonderzoek zijn voor rekening van
de verpleegde, tenzij uit de uitslag blijkt dat er geen sprake is van
ongeoorloofd gebruik van gedragsbeïnvloedende middelen.
3. De verpleegde dient een verzoek om een bevestigingsonderzoek
binnen vierentwintig uur na kennisneming van de uitslag van de
contra-expertise schriftelijk in te dienen bij het hoofd van de
inrichting.
4. De uitslag van het bevestigingsonderzoek wordt aan de
verpleegde medegedeeld. Indien de mededeling mondeling wordt gedaan legt
het personeelslid dat of de medewerker die de mededeling heeft gedaan,
schriftelijk vast dat en wanneer de mededeling is gedaan.
Artikel 8. Gevolgen niet-meewerken dan wel
positieve uitslag
1. In de huisregels van de inrichting
wordt vermeld wat de gevolgen kunnen zijn van de weigering aan het
urineonderzoek mee te werken. Tevens wordt in de huisregels vermeld wat
de gevolgen kunnen zijn van de vaststelling in het urineonderzoek dat er
sprake is geweest van het gebruik van gedragsbeïnvloedende middelen dan
wel van fraude met het urinemonster van de zijde van de verpleegde.
2. Indien de verpleegde na het verstrijken van de in artikel 3,
vierde lid, gestelde termijn van vier uur nog geen urine heeft
afgestaan, wordt dit gelijk gesteld met een weigering medewerking te
verlenen aan het urineonderzoek.
3. In afwachting van de uitslag van een herhalingsonderzoek dan
wel een bevestigingsonderzoek;
a. wordt de tenuitvoerlegging van een disciplinaire straf
opgeschort;
b. wordt de effectuering van verlof of proefverlof opgeschort.
Artikel 9. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na
dagtekening van de Staatcourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 10. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling urineonderzoek
verpleegden.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
Den Haag, 20 januari 2000.
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals.
|