| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Binnenschepenwet
BESLUIT
REGLEMENT RIJNPATENTEN 1998
Tekst zoals deze geldt op
13 maart 2008
Vervallen
m.i.v. 1 april 2008
|
|
|
BESLUIT van 25 september 1997, houdende het van kracht
zijn voor de Rijn in Nederland van het Reglement betreffende het
verlenen van Rijnpatenten (Besluit Reglement Rijnpatenten 1998)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, van 18 april
1997, nr. RV 97/4660, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling
Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op de op 17 oktober 1868 te Mannheim tot
stand gekomen Herziene Rijnvaartakte (Trb. 1955, 161, en 1964,
83), de resoluties van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart van 25
april 1996 en 28 november 1996 (protocollen 1996-I-31 en 1996-II-20) en
artikel 4 van de Scheepvaartverkeerswet;
De Raad van State gehoord (advies van 23 juni
1997, nr. W09.97.0214);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat, van 19 september 1997, nr. DGG/J-97007930,
Directoraat-Generaal Goederenvervoer, Stafafdeling Wetgeving en
Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Voor de Rijn in Nederland, met inbegrip van de Waal en de Lek, is van
kracht het Reglement betreffende het verlenen van Rijnpatenten, met de
daarbij behorende bijlagen, dat is opgenomen in de bijlage bij dit
besluit en dat wordt aangehaald als: Reglement Rijnpatenten 1998.
Artikel 2
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wijst de bevoegde autoriteit,
bedoeld in het Reglement Rijnpatenten 1998, aan. Van deze aanwijzing
wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 3
Bij ministeriële regeling worden de vergoedingen vastgesteld, die de
leden van de examencommissie ontvangen voor de door hen verrichte
werkzaamheden.
Artikel 4
Bij ministeriële regeling worden richtlijnen vastgesteld voor de
bevoegde autoriteit, overeenkomstig de door de Centrale Commissie voor
de Rijnvaart aangenomen resoluties.
Artikel 5
Het besluit van 14 mei 1976, houdende het van kracht worden van het
Reglement betreffende het verlenen van Rijnschipperspatenten en van een
wijziging in het Reglement betreffende het verlenen van diploma’s voor
het voeren van een vaartuig met behulp van radar op de Rijn (Stb.
303), wordt ingetrokken.
Artikel 6
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1998.
Artikel 7
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Reglement
Rijnpatenten 1998.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting en de bijlage in
het Staatsblad zullen worden geplaatst.
's-Gravenhage, 25 september 1997
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven de eenentwintigste oktober 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Bijlage als bedoeld in artikel
1 van het Besluit Reglement Rijnpatenten 1998
Hoofdstuk 1.
– Algemene bepalingen
Artikel
1.01. – Begripsbepalingen
In dit reglement
wordt verstaan onder:
1. schip:
een binnenschip, een zeeschip of een drijvend werktuig;
2. binnenschip: een
schip, met inbegrip van een veerpont, dat uitsluitend of
overwegend is bestemd voor de vaart op de binnenwateren;
3. zeeschip:
een schip dat is toegelaten voor de zee- of kustvaart en
overwegend daartoe bestemd is;
4. drijvend
werktuig: een drijvend bouwsel waarop zich
werkinstallaties bevinden, zoals kranen, baggermolens,
hei-installaties of elevatoren;
5. pleziervaartuig:
een schip dat is bestemd voor sportieve of recreatieve
doeleinden en dat niet is een passagiersschip;
6. passagiersschip:
een schip dat is gebouwd en ingericht voor het vervoer van
meer dan 12 passagiers;
7. sleepboot:
een schip dat speciaal is gebouwd om te slepen;
8. duwboot:
een schip dat speciaal is gebouwd voor het voortbewegen van
een duwstel;
9. [vervallen] ;
10. overheidsvaartuig:
een schip waarvan de lengte niet meer dan 25 m bedraagt en dat
ter uitvoering van overheidstaken wordt ingezet;
11. brandweerboot:
een schip waarvan de lengte 15 m of meer bedraagt en dat ter
uitvoering van brandweerdiensten wordt ingezet;
12. lengte:
de grootste lengte van de scheepsromp in m, het roer en de
boegspriet niet inbegrepen;
13. breedte:
de grootste breedte van de scheepsromp in m, gemeten op de
buitenkant van de huidbeplating (schoepraderen, schuurlijsten
en dergelijke niet inbegrepen);
14. gekoppeld
samenstel: een hecht samenstel van langszijde van elkaar
vastgemaakte schepen, waarvan er geen is geplaatst vóór het
motorschip dat dient voor het voortbewegen van het samenstel;
15. dekbemanning:
de bemanning met uitzondering van machinisten;
16. matroos,
matroos-motordrijver, volmatroos, stuurman: een persoon,
die de bekwaamheid bedoeld in de bemanningsvoorschriften van
het Reglement onderzoek schepen op de Rijn bezit;
17. vaartijd:
de tijd aan boord van een schip, dat een reis maakt.
Artikel
1.02. – Toepasselijkheid van het reglement
Dit reglement regelt
de verplichting tot het hebben van een Rijnpatent voor de
betreffende typen en afmetingen van schepen en voor de te
bevaren riviergedeelten alsmede de voorwaarden betreffende het
verkrijgen van een Rijnpatent.
Artikel
1.03. – Verplichting tot het hebben van een patent
| 1. |
Degene die
op de Rijn een schip wil voeren, moet ingevolge dit
reglement zijn voorzien van een Rijnpatent voor het
type en de grootte van het betreffende schip alsmede
voor het te bevaren riviergedeelte.
|
| 2. |
Het
Rijnpatent wordt verleend voor de gehele Rijn of voor
afzonderlijke gedeelten daarvan.
|
| 3. |
Voor de
vaart benedenstrooms van het Spijksche Veer (km
857,40) en op het riviergedeelte tussen de Mittlere
Rheinbrücke te Bazel (km 166,64) en de sluizen te
Iffezheim (km 335,92) kan worden volstaan met,
| a. |
in
plaats van het patent bedoeld in artikel 2.01,
een vaarbewijs als bedoeld in de bijlage I van
de Richtlijn van de Raad 91/672/EEG of een
vaarbewijs afgegeven ingevolge de Richtlijn
van de Raad 96/50/EG;
|
| b. |
in
plaats van het patent bedoeld in de artikelen
2.02 tot en met 2.04, een ander door de
bevoegde autoriteit als gelijkwaardig erkend
bewijs van vaarbekwaamheid.
|
|
| 4. |
Voor schepen
met een lengte van minder dan 15 m, met uitzondering
van passagiersschepen, duw- en sleepboten, kan worden
volstaan met een bewijs van vaarbekwaamheid voor de
binnenwateren, dat in overeenstemming is met de
nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten en
België.
|
| 5. |
Voor
veerponten en voor schepen die uitsluitend door
spierkracht worden voortbewogen alsmede voor schepen
met een lengte van minder dan 15 m die slechts
| a. |
door
middel van zeilen worden voortbewogen, dan wel
|
| b. |
zijn
uitgerust met mechanische middelen tot
voortbeweging van niet meer dan 3,68 kW, wordt
de verplichting tot het hebben van een patent
uitsluitend geregeld door de nationale
voorschriften van de Rijnoeverstaten.
|
|
Artikel
1.04. – De verschillende patenten
| 1. |
Rijnpatenten
als bedoeld in dit reglement zijn:
| a. |
het
grote patent voor het voeren van alle schepen,
|
| b. |
het
kleine patent voor het voeren van een schip
met een lengte van minder dan 35 m, mits het
geen sleep- of duwboot is dan wel het niet
voor het voortbewegen van een gekoppeld
samenstel dient, of voor het voeren van een
schip, dat bestemd is voor het vervoer van
niet meer dan 12 passagiers,
|
| c. |
het
sportpatent voor het voeren van een
pleziervaartuig met een lengte van minder dan
25 m,
|
| d. |
[vervallen]
,
|
| e. |
het
overheidspatent voor het voeren van
overheidsschepen en van brandweerboten.
|
|
| 2. |
De patenten
bedoeld in het eerste lid mogen eveneens worden
gebruikt voor het voeren van een schip als bedoeld in
artikel 1.03, vierde lid.
|
Artikel
1.05. – Richtlijnen
De Centrale
Commissie voor de Rijnvaart kan voor de toepassing van dit
reglement richtlijnen vaststellen. De bevoegde autoriteiten
dienen zich aan deze richtlijnen te houden.
Artikel
1.06. Wijziging door voorschriften van tijdelijke aard
De Centrale
Commissie voor de Rijnvaart kan voorschriften van tijdelijke
aard vaststellen, wanneer het voor een aanpassing aan de
technische ontwikkeling van de binnenscheepvaart noodzakelijk
wordt geacht om in dringende gevallen afwijkingen van dit
reglement toe te laten dan wel proefnemingen mogelijk te
maken, waardoor de veiligheid en de vlotte afwikkeling van het
scheepvaartverkeer niet worden benadeeld. Deze voorschriften
van tijdelijke aard worden door de bevoegde autoriteit
gepubliceerd en hebben een geldigheidsduur van ten hoogste
drie jaren. Zij worden in alle Oeverstaten en in België op
hetzelfde tijdstip in werking gesteld en worden onder dezelfde
voorwaarden buiten werking gesteld.
Hoofdstuk 2.
– Voorwaarden voor het verkrijgen van een rijnpatent
Artikel
2.01. – Groot Patent
| 1. |
Degene die
het grote patent wil verkrijgen moet ten minste 21
jaar oud zijn en de nodige kwalificatie bezitten,
alsmede een vaartijd aantonen van ten minste vier jaar
als lid van een dekbemanning, waarvan aan boord van
een motorschip in de binnenvaart ten minste twee jaren
als matroos of matroos-motordrijver dan wel ten minste
één jaar als volmatroos. De gegadigde moet tevens in
het bezit zijn van een marifoonbedieningscertificaat
als bedoeld in bijlage 5 van de Regionale regeling
betreffende de marifoondienst in de Binnenvaart.
|
| 2. |
Gekwalificeerd
is degene die:
| a. |
lichamelijk
en geestelijk geschikt is om een schip te
voeren.
De
geschiktheid wordt aangetoond door het
overleggen van een medische verklaring, als
bedoeld in de bijlagen B1 en B2, afgegeven
door een arts, die door de bevoegde autoriteit
is aangewezen;
|
| b. |
geen
strafbare feiten in de scheepvaart heeft
begaan, terwijl uit voorgaand gedrag verwacht
mag worden dat een schip veilig gevoerd en het
bevel over een bemanning uitgeoefend kan
worden;
|
| c. |
bekwaam
is, dat wil zeggen beschikt over de
noodzakelijke beroepsmatige vaardigheden en
kennis, ook in nautisch opzicht, alsmede over
voldoende kennis van de reglementen en van de
vaarweg, in het bijzonder van het
riviergedeelte waarvoor het patent wordt
aangevraagd. Aan de voorwaarden wordt geacht
te zijn voldaan wanneer de gegadigde het
daartoe ingestelde examen met goed gevolg
heeft afgelegd.
|
|
| 3. |
De vaartijd
moet zijn doorlopen op een schip voor het voeren
waarvan respectievelijk het grote patent of het kleine
patent vereist zou zijn. Als één jaar vaartijd
gelden 180 effectieve vaardagen in de binnenvaart.
Binnen een periode van 365 opeenvolgende dagen kunnen
maximaal 180 dagen als vaartijd worden meegerekend.
Tot de
vaartijd als bedoeld in het eerste lid, die niet als
matroos, matroos-motordrijver of volmatroos verricht
hoeft te zijn, wordt meegerekend:
| a. |
de
tijd van de opleiding, met een maximum van
twee jaren, indien de gegadigde in het bezit
is van een door de bevoegde autoriteit erkende
verklaring inzake een met goed gevolg
afgesloten beroepsopleiding met
praktijkgedeelten op het gebied van de
binnenvaart,
|
| b. |
de
aangetoonde vaartijd, met een maximum van twee
jaren, die op zee als lid van een dekbemanning
is doorgebracht, waarbij 250 zeedagen als één
jaar vaartijd gelden.
|
|
| 4. |
Bovendien
moet het riviergedeelte, waarvoor het grote patent
wordt aangevraagd als matroos, matroos-motordrijver,
volmatroos of stuurman aan boord van een motorschip,
voor het voeren waarvan een groot patent is vereist,
in een tijdvak van tien jaren voorafgaand aan de
aanvraag tenminste zestien maal zijn bevaren, waarvan
binnen de laatste drie jaren tenminste drie maal in
elke richting. Deze eis is niet van toepassing voor
het riviergedeelte benedenstrooms van het Spijksche
Veer.
|
Artikel
2.02. – Klein Patent
| 1. |
Degene die
het kleine patent wil verkrijgen moet ten minste 21
jaar oud zijn en de nodige kwalificatie bezitten,
alsmede een vaartijd aantonen van ten minste één
jaar aan boord van een motorschip in de binnenvaart
als matroos of als matroos-motordrijver. De gegadigde
moet tevens in het bezit zijn van een
marifoonbedieningscertificaat als bedoeld in bijlage 5
van de Regionale regeling betreffende de
marifoondienst in de Binnenvaart.
|
| 2. |
Gekwalificeerd
is degene die:
| a. |
lichamelijk
en geestelijk geschikt is om een schip te
voeren.
De
geschiktheid wordt aangetoond door het
overleggen van een medische verklaring, als
bedoeld in de bijlagen B1 en B2, afgegeven
door een arts, die door de bevoegde autoriteit
is aangewezen;
|
| b. |
geen
strafbare feiten in de scheepvaart heeft
begaan, terwijl uit voorgaand gedrag verwacht
mag worden dat een schip veilig gevoerd en het
gezag over een bemanning uitgeoefend kan
worden;
|
| c. |
bekwaam
is, dat wil zeggen beschikt over de
noodzakelijke beroepsmatige vaardigheden en
kennis, ook in nautisch opzicht, alsmede over
voldoende kennis van de reglementen en van de
vaarweg, in het bijzonder van het
riviergedeelte waarvoor het patent wordt
aangevraagd. Aan de voorwaarden wordt geacht
te zijn voldaan wanneer de gegadigde het
daartoe ingestelde examen met goed gevolg
heeft afgelegd.
|
|
| 3. |
De vaartijd
moet zijn doorlopen op een schip voor het voeren
waarvan respectievelijk het grote patent of het kleine
patent vereist zou zijn. Als één jaar vaartijd
gelden 180 effectieve vaardagen in de binnenvaart.
|
| 4. |
Bovendien
moet het riviergedeelte, waarvoor het kleine patent
wordt aangevraagd, als matroos, matroos-motordrijver,
volmatroos of stuurman aan boord van een motorschip,
voor het voeren waarvan een groot patent of een klein
patent vereist zou zijn, in een tijdvak van tien jaren
voorafgaand aan de aanvraag tenminste zestien maal
zijn bevaren, waarvan binnen de laatste drie jaren
tenminste drie maal in elke richting. Deze eis is niet
van toepassing voor het riviergedeelte benedenstrooms
van het Spijksche Veer.
|
Artikel
2.03. – Sportpatent
| 1. |
Degene die
het sportpatent wil verkrijgen moet ten minste 18 jaar
oud zijn en de nodige kwalificatie bezitten.
|
| 2. |
Gekwalificeerd
is degene die:
| a. |
lichamelijk
en geestelijk geschikt is om een schip te
voeren.
De
geschiktheid wordt aangetoond door het
overleggen van een medische verklaring, als
bedoeld in de bijlagen B1 en B2, afgegeven
door een arts, die door de bevoegde autoriteit
is aangewezen;
|
| b. |
geen
strafbare feiten in de scheepvaart heeft
begaan, terwijl uit voorgaand gedrag verwacht
mag worden dat een schip veilig kan worden
gevoerd;
|
| c. |
bekwaam
is, dat wil zeggen beschikt over de
noodzakelijke vaardigheden en kennis, ook in
nautisch opzicht, alsmede over voldoende
kennis van de reglementen en van de vaarweg,
in het bijzonder van het riviergedeelte
waarvoor het patent wordt aangevraagd. Aan de
voorwaarden wordt geacht te zijn voldaan
wanneer de gegadigde het daartoe ingestelde
examen met goed gevolg heeft afgelegd.
|
|
| 3. |
Bovendien
moet het riviergedeelte waarvoor het sportpatent wordt
aangevraagd met een schip met een lengte van 15 m of
meer
| a. |
hetzij
ten minste zestien maal in een tijdvak van
tien jaren voorafgaand aan de aanvraag,
waarvan binnen de laatste drie jaren tenminste
drie maal in elke richting,
|
| b. |
hetzij
binnen het kader van een vakkundige opleiding
tenminste viermaal in elke richting in het
laatste jaar voorafgaand aan de aanvraag zijn
bevaren.
|
Deze eis is
niet van toepassing voor het riviergedeelte
benedenstrooms van het Spijksche Veer, noch op het
riviergedeelte tussen de Mittlere Rheinbrücke te
Bazel (km 166,64) en de sluizen te Iffezheim (km
335,92).
|
| 4. |
Slechts
reizen gemaakt vanaf de leeftijd van 15 jaar komen in
aanmerking.
|
Artikel
2.04. – Overheidspatent
| 1. |
Degene die
het overheidspatent wil verkrijgen moet:
| a. |
ten
minste 21 jaar oud zijn;
|
| b. |
deel
uit maken van een politie- of douanedienst,
een andere autoriteit dan wel van een erkende
brandweerdienst;
|
| c. |
lichamelijk
en geestelijk geschikt zijn om een schip te
voeren.
De
geschiktheid wordt aangetoond door het
overleggen van een medische verklaring, als
bedoeld in de bijlagen B1 en B2, afgegeven
door een arts, die door de bevoegde autoriteit
is aangewezen;
|
| d. |
bekwaam
zijn, dat wil zeggen beschikken over de
noodzakelijke beroepsmatige vaardigheden en
kennis, ook in nautisch opzicht, alsmede over
voldoende kennis van de reglementen en van de
vaarweg, in het bijzonder van het
riviergedeelte waarvoor het patent wordt
aangevraagd.
Aan
de eisen wordt geacht te zijn voldaan wanneer
de gegadigde het daartoe ingestelde examen met
goed gevolg heeft afgelegd;
|
| e. |
ten
minste drie jaren de binnenvaart in de
praktijk hebben uitgeoefend, waarvan ten
minste drie maanden gedurende het laatste
jaar;
|
| f. |
binnen
een tijdvak van tien jaren voorafgaand aan de
aanvraag moet het riviergedeelte, waarvoor het
patent wordt aangevraagd, op een schip met een
lengte van 15 m of meer ten minste zestien
maal hebben bevaren, waarvan binnen de laatste
drie jaren ten minste drie maal in elke
richting. Deze eis is niet van toepassing voor
het riviergedeelte benedenstrooms van het
Spijksche Veer.
|
|
| 2. |
De dienst
waarvan de aanvrager deel uitmaakt moet een verklaring
hebben afgegeven, waarin de informatie bedoeld in het
eerste lid, onderdelen b, e
en f, wordt bevestigd.
|
Artikel
2.05. – Bewijs van vaartijd en reizen op bepaalde
riviergedeelten
| 1. |
De vereiste
vaartijd en de reizen op bepaalde riviergedeelten van
de Rijn moeten worden aangetoond aan de hand van een
behoorlijk ingevuld en gewaarmerkt dienstboekje, als
bedoeld in de bijlage F van het Reglement onderzoek
schepen op de Rijn. Het dienstboekje moet door de
bevoegde autoriteit zijn afgegeven. Het kan zijn
opgesteld in de Duitse, Franse of Nederlandse taal.
|
| 2. |
Voorzover
een dienstboekje ingevolge het Reglement onderzoek
schepen op de Rijn of ingevolge nationale
voorschriften voor de vaarwegen buiten de Rijn niet is
voorgeschreven, kunnen de reizen op bepaalde
riviergedeelten van de Rijn en de vaartijd ook worden
aangetoond door een geldig ambtelijk document, dat
tenminste de volgende gegevens bevat:
| a. |
soort,
grootte, aantal passagiers, naam en vermogen
van de schepen, waarop de aanvrager heeft
gevaren;
|
| b. |
de
naam van de schipper;
|
| c. |
het
tijdstip van het begin en het einde van de
reizen;
|
| d. |
de
uitgeoefende functie;
|
| e. |
de
bevaren riviergedeelten (precieze aanduiding
met plaatsen van vertrek en aankomst).
|
|
| 3. |
De vaartijd
kan eveneens worden aangetoond met een vaarbewijs of
een bewijs van vaarbekwaamheid als bedoeld in artikel
3.05, derde lid, tot de omvang die voor het verkrijgen
van dit bewijs reeds is aangetoond.
|
| 4. |
De vaartijd
op zee moet worden aangetoond door middel van een
monsterboekje.
|
| 5. |
De tijd
doorgebracht op een vakschool voor schippers moet
worden aangetoond door een getuigschrift van die
school.
|
| 6. |
Voor zover
noodzakelijk, moeten de documenten, als bedoeld in het
tweede tot en met het vijfde lid, vergezeld van een
officiële vertaling in de Duitse, Franse of
Nederlandse taal worden overgelegd.
|
Hoofdstuk 3.
– Toelatings- en examenprocedure
Artikel
3.01. – Examencommissie
| 1. |
De bevoegde
autoriteit benoemt één of meer examencommissies voor
het afnemen van de examens. Iedere examencommissie
bestaat uit een voorzitter, die vertegenwoordiger is
van de overheid van één der Rijnoeverstaten of België,
en tenminste twee bijzitters, die voldoende terzake
kundig zijn.
|
| 2. |
De
examencommissie moet zo zijn samengesteld, dat
tenminste één examinator houder is van het patent
van het type dat wordt aangevraagd dan wel van het
grote patent en deze, of een andere examinator, houder
is van het patent voor het aangevraagde
riviergedeelte.
|
Artikel
3.02. – Aanvraag
| 1. |
Degene die
een Rijnpatent verkrijgen of uitbreiden wil moet een
aanvraag voor toelating tot het examen en afgifte van
het patent richten aan de bevoegde autoriteit, onder
opgave van het volgende:
| a. |
voor-
en achternamen, geboortedatum, geboorteplaats
en adres;
|
| b. |
type
patent dat men verkrijgen wil;
|
| c. |
gedeelte
van de Rijn waarvoor het patent wordt
aangevraagd.
|
|
| 2. |
Bij de
aanvraag moeten worden overgelegd:
| a. |
een
recente pasfoto;
|
| b. |
een
medische verklaring als bedoeld in bijlage B2,
die niet ouder dan drie maanden mag zijn.
Ingeval van twijfel aan de lichamelijke en
geestelijke geschiktheid kan de bevoegde
autoriteit verlangen dat verklaringen van een
arts of een specialist worden overgelegd; de
lichamelijke en geestelijke geschiktheid kan
eveneens worden aangetoond met een geldig
vaarbevoegdheidsbewijs, dat door de Centrale
Commissie voor de Rijnvaart is erkend en
waarvoor dezelfde eisen gelden als bedoeld in
bijlage B1 en B2 en als bedoeld in artikel
4.01;
|
| c. |
voor
zover vereist, een bewijs van de vaartijd en
van de reizen op bepaalde riviergedeelten;
|
| d. |
een
kopie van de identiteitskaart of het paspoort;
|
| e. |
voor
zover vereist, een kopie van het
marifoonbedieningscertificaat als bedoeld in
bijlage 5 van de Regionale regeling
betreffende de marifoondienst in de
Binnenvaart.
|
|
| 3. |
Het vereiste
met betrekking tot de kwalificatie als bedoeld in de
artikelen 2.01, tweede lid, onderdeel b, 2.02, tweede
lid, onderdeel b, of 2.03, tweede lid, onderdeel b,
moet door middel van
| – |
een
uittreksel uit het strafregister of
|
| – |
een
ander gelijkwaardig document worden
aangetoond. Personen die hun domicilie hebben
buiten het toepassingsgebied van dit reglement
moeten een overeenkomstig geldig document
overleggen dat is afgegeven ingevolge het
geldende recht van hun woonplaats.
|
Deze
documenten mogen in elk geval niet ouder zijn dan 6
maanden.
|
| 4. |
Indien het
patent tot een ander riviergedeelte moet worden
uitgebreid, behoeft bij de aanvraag slechts een kopie
van het patent en het bewijs van de reizen op het
bedoelde riviergedeelte te worden bijgevoegd.
Wanneer een
houder van een Rijnpatent een ander type Rijnpatent
wenst te verkrijgen, kan de bevoegde autoriteit
beslissen dat de bescheiden bedoeld in het tweede lid,
onderdeel b, of de documenten, bedoeld in het derde
lid, niet opnieuw moeten worden overgelegd.
|
Artikel
3.03. – Toelating tot het examen
| 1. |
De gegadigde
die voldoet aan de vereisten als bedoeld in de
artikelen 2.01, 2.02, of 2.03, met uitzondering van de
artikelen 2.01, tweede lid, onderdeel c,
2.02, tweede lid, onderdeel c,
of 2.03, tweede lid, onderdeel c,
alsmede aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 3.02
wordt tot het examen toegelaten. Indien uit de
medische verklaring slechts een beperkte geschiktheid
blijkt, wordt de gegadigde toch tot het examen
toegelaten. De bevoegde autoriteit kan in dit geval
aan het patent voorwaarden verbinden, die bij afgifte
in het patent worden aangetekend.
Een
afwijzing van de aanvraag moet met redenen worden
omkleed.
|
| 2. |
De bevoegde
autoriteit kan voor een gegadigde, die niet voldoet
aan de eis als bedoeld in de artikelen 2.01, tweede
lid, onderdeel b, 2.02,
tweede lid, onderdeel b, of
2.03, tweede lid, onderdeel b,
bepalen dat deze vóór afloop van een bepaalde
termijn niet tot een examen kan worden toegelaten (uitsluitingstermijn).
|
Artikel
3.04. – Examen
| 1. |
De gegadigde
moet tijdens het examen voor de examencommissie
aantonen dat hij overeenkomstig het examenprogramma
bedoeld in de bijlage C:
| a. |
beschikt
over voldoende kennis van de voorschriften
terzake van het voeren van schepen en de voor
het veilig voeren daarvan vereiste nautische
en scheepstechnische kennis,
beroepsvaardigheden en kennis van de
grondbeginselen van het voorkomen van
ongevallen en
|
| b. |
beschikt
over de vereiste kennis van het betreffende
riviergedeelte.
|
|
| 2. |
Voor het
verkrijgen van het grote patent en het kleine patent
is met het oog op de vereisten met betrekking tot de
vaartijd als bedoeld in de artikelen 2.01, eerste lid,
en 2.02, eerste lid, een theoretisch examen, en voor
het verkrijgen van het sportpatent en het
overheidspatent een theoretisch en een praktisch
examen vereist.
|
| 3. |
Indien het
examen niet wordt gehaald worden de redenen van
afwijzing medegedeeld aan de gegadigde. De
examencommissie kan aan het opnieuw deelnemen aan een
examen verplichtingen of voorwaarden verbinden dan wel
daarvoor vrijstellingen verlenen.
|
Artikel
3.05. – Vrijstellingen en uitbreidingen
| 1. |
Degene die
het eindexamen van een beroepsopleiding met goed
gevolg heeft afgelegd kan worden vrijgesteld van die
gedeelten van het examen, die betrekking hebben op
kennis en vaardigheden, die reeds onderwerp van een
door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart als
gelijkwaardig erkend examen waren.
|
| 2. |
De houder
van een bewijs van vaarbekwaamheid als bedoeld in
artikel 1.03, vierde lid, kan bij het verwerven van
het sportpatent van dat gedeelte van het examen worden
vrijgesteld dat betrekking heeft op nautische kennis.
|
| 3. |
De houder
van een vaarbewijs van één der Rijnoeverstaten of
België dan wel een ander geldig en door de Centrale
Commissie voor de Rijnvaart als gelijkwaardig erkend
bewijs van vaarbekwaamheid voor het voeren van een
schip op andere vaarwegen moet voor het verkrijgen van
een Rijnpatent voldoen aan de toelatingseisen als
bedoeld in artikel 3.03, doch tijdens het examen
slechts de kennis van de op de Rijn van toepassing
zijnde reglementen en bepalingen en de kennis van het
betreffende riviergedeelte aantonen.
|
| 4. |
De houder
van een overheidspatent verkrijgt op aanvraag een
sportpatent voor hetzelfde riviergedeelte zonder
daarvoor examen te doen.
|
| 5. |
Voor het
verkrijgen van een ander patent als bedoeld in artikel
1.04 of van een uitbreiding tot een ander
riviergedeelte kan de houder van een Rijnpatent van
dat deel van het examen worden vrijgesteld, dat
betrekking heeft op de kennis of de vaardigheden,
welke reeds voor het verkrijgen van zijn huidige
patent moesten worden aangetoond. De patenten bedoeld
in de artikelen 2.01, 2.02, 2.03 en 2.05 gelden op de
riviergedeelten tussen Basel en de sluizen te
Iffezheim alsmede benedenstrooms van het Spijksche
Veer zonder dat zij tot die riviergedeelten zijn
uitgebreid.
|
Artikel
3.06. – Afgifte en uitbreiding van patenten
| 1. |
De bevoegde
autoriteit geeft aan degene die het examen met goed
gevolg heeft afgelegd een Rijnpatent af volgens het
model van de bijlage A1.
Het model
voor het kanaalspitsenpatent wordt vastgesteld door de
bevoegde autoriteit.
Het is
voorzien van respectievelijk één der navolgende
opdrukken: «Groot Patent», «Klein Patent», «Sportpatent»,
of «Overheidspatent».
|
| 2. |
De
voorwaarden bedoeld in artikel 3.03, eerste lid, of de
beperkingen bedoeld in artikel 5.02, derde lid, worden
in het patent aangetekend.
|
| 3. |
Voor de tijd
gelegen tussen het slagen voor het examen en de
afgifte van het patent volgens het model van de
bijlage A1, verstrekt de autoriteit die het patent
afgeeft een voorlopig Rijnpatent volgens het model van
de bijlage A2.
|
| 4. |
Ingeval van
een uitbreiding kan een bevoegde autoriteit het
document als bedoeld in het derde lid ook afgeven ter
overbrugging van de tijd gelegen tussen het slagen
voor het examen en de afgifte van het nieuwe
Rijnpatent. In verband met de afgifte van een nieuw
Rijnpatent wordt de autoriteit die het patent heeft
afgegeven hiervan in kennis gesteld.
|
| 5. |
De
autoriteit die het patent heeft afgegeven geeft op
verzoek een vervangend patent af indien het Rijnpatent
onbruikbaar is geworden, verloren is gegaan of
anderszins in het ongerede is geraakt. Dit patent
wordt als zodanig gewaarmerkt. Het verlies moet bij de
bevoegde autoriteit aannemelijk worden gemaakt. Een
onbruikbaar geworden of een teruggevonden patent moet
bij de autoriteit die het heeft afgegeven worden
ingeleverd of worden voorgelegd teneinde ongeldig
gemaakt te worden.
|
Artikel
3.07. Kosten
Het examen, de
afgifte, de uitbreiding en het verstrekken van het Rijnpatent
evenals het vervangen en het omruilen worden gedaan tegen een
redelijke vergoeding van de kosten door de aanvrager. De
hoogte van de kosten wordt door de bevoegde autoriteit
vastgesteld. Deze kan de kosten geheel of ten dele vanaf het
tijdstip van de aanvraag vorderen.
Hoofdstuk 4.
– Controle en intrekking van de patenten
Artikel
4.01. – Controle van de lichamelijke en geestelijke
geschiktheid
| 1. |
De houder
van het grote patent, het kleine patent of het
sportpatent moet zijn lichamelijke en geestelijke
geschiktheid opnieuw aantonen bij de autoriteit die
het patent heeft afgegeven door het overleggen van een
medische verklaring, als bedoeld in de bijlage B2, die
niet ouder dan drie maanden mag zijn:
| a. |
iedere
vijf jaren vanaf het bereiken van de leeftijd
van 50 jaar tot de leeftijd van 65 jaar;
|
| b. |
ieder
jaar vanaf het bereiken van de leeftijd van 65
jaar.
|
Bij het
aantonen van de lichamelijke en geestelijke
geschiktheid kan deze autoriteit tot aan de ontvangst
van het Rijnpatent een tijdelijke verklaring als
vervangend document afgeven.
Het bewijs
van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid kan
ook bij een andere bevoegde autoriteit worden
overgelegd. Deze autoriteit geleidt de bescheiden
verder naar de autoriteit die het patent afgeeft en
geeft zonodig een tijdelijke verklaring als vervangend
document af.
|
| 2. |
Onverminderd
het eerste lid stelt de bevoegde autoriteit bij
twijfel aan de lichamelijke en geestelijke
geschiktheid van de houder van een patent de
autoriteit die het patent heeft afgegeven hiervan in
kennis. Deze kan verlangen dat een medische verklaring
als bedoeld in de bijlage B2 over de huidige staat van
lichamelijke en geestelijke geschiktheid wordt
overgelegd. De kosten van de medische verklaring
worden alleen dan gedragen door de houder van het
patent indien het vermoeden gegrond blijkt te zijn.
|
| 3. |
Indien uit
de medische verklaring blijkt dat het om een beperkte
geschiktheid gaat, kan de autoriteit die het afgeeft
aan het patent voorwaarden verbinden, die daarin
worden opgenomen.
|
Artikel
4.02. – Opschorten van de geldigheid van het patent
| 1. |
De
geldigheid van een patent wordt opgeschort,
| a. |
door
een beslissing van de bevoegde autoriteit die
daarbij de duur van het opschorten vaststelt.
De bevoegde autoriteit kan een dergelijke
beslissing tot opschorten nemen wanneer de
voorwaarden voor intrekken nog niet zijn
vervuld maar er twijfel bestaat aan de
bekwaamheid van de patenthouder. Indien deze
twijfel vóór het einde van de termijn van
opschorten wordt weggenomen, dient de
beslissing te worden ingetrokken;
|
| b. |
automatisch
zonder dat een dergelijke beslissing is
genomen, tot aan de verlenging van het bewijs
van lichamelijke en geestelijke geschiktheid,
indien de lichamelijke en geestelijke
geschiktheid niet binnen 3 maanden na de
verlengingstermijn, bedoeld in artikel 4.01,
eerste lid, eerste volzin, opnieuw is
aangetoond.
|
|
| 2. |
In het geval
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
moet het Rijnpatent bij de bevoegde autoriteit in
bewaring worden gegeven.
|
| 3. |
De bevoegde
autoriteit deelt een door haar genomen beslissing als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
mede aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart en
aan de autoriteit die het patent heeft afgegeven.
|
Artikel
4.03. – Intrekken van het patent
| 1. |
De
autoriteit die het patent heeft afgegeven moet het
patent intrekken indien blijkt dat de houder van een
Rijnpatent niet bekwaam is tot het voeren van een
schip in de zin van de artikelen 2.01, 2.02 en 2.03.
|
| 2. |
De
autoriteit die het patent heeft afgegeven kan het
patent intrekken indien de houder van een Rijnpatent
herhaaldelijk een voorwaarde of een beperking als
bedoeld in artikel 3.06, tweede lid, niet nakomt.
|
| 3. |
Bij
intrekking verliest het Rijnpatent haar geldigheid.
Het ongeldige patent dient onverwijld bij de
autoriteit die het patent heeft afgegeven te worden
ingeleverd dan wel te worden overgelegd om ongeldig
verklaard te worden.
|
| 4. |
De
autoriteit die het patent heeft afgegeven kan bij het
intrekken bepalen dat
| a. |
vóór
het einde van een bepaalde termijn geen nieuw
patent mag worden afgegeven, of
|
| b. |
de
kandidaat voor een nieuw patent, teneinde tot
een nieuw examen te worden toegelaten, aan
bepaalde voorwaarden moet hebben voldaan.
|
|
| 5. |
Na ontvangst
van de aanvraag tot het verstrekken van een nieuw
patent kan de bevoegde autoriteit de gegadigde geheel
of gedeeltelijk van het examen vrijstelling verlenen.
|
| 6. |
De
autoriteit die het patent intrekt deelt dit aan de
Centrale Commissie voor de Rijnvaart mede. Indien een
bevoegde autoriteit feiten vaststelt, die tot het
intrekken van een patent kunnen leiden, stelt hij de
autoriteit die het patent heeft afgegeven hiervan in
kennis.
|
Artikel
4.04. Invordering van het patent
| 1. |
Indien er
dringende redenen aanwezig zijn om het patent in te
trekken als bedoeld in artikel 4.03 of om de
geldigheid daarvan op te schorten als bedoeld in
artikel 4.02 eerste lid, aanhef en onderdeel a, kan de
bevoegde autoriteit besluiten dat het patent tijdelijk
wordt ingevorderd.
|
| 2. |
Een patent
dat tijdelijk is ingevorderd wordt onverwijld en onder
opgave van redenen bij de autoriteit die het heeft
afgegeven of bij de ingevolge de nationale
voorschriften bevoegde rechtbank, overgelegd.
|
| 3. |
De
autoriteit die het patent heeft afgegeven moet
onverwijld, nadat zij van het besluit van de
tijdelijke invordering kennis heeft genomen, besluiten
over het opschorten van de geldigheid van het patent
of het intrekken daarvan. Indien een rechtbank bevoegd
is, wordt besloten volgens de nationale voorschriften.
Totdat een besluit als bedoeld in dit lid is genomen,
geldt het besluit van de tijdelijke invordering tevens
als een besluit als bedoeld in artikel 4.02, eerste
lid, onderdeel a.
|
| 4. |
Het
tijdelijk invorderen van het patent moet worden
opgeheven en het patent moet aan de houder worden
teruggegeven, wanneer de reden daarvoor is komen te
vervallen of een opschorting niet wordt
voorgeschreven, dan wel het patent niet wordt
ingetrokken.
|
Hoofdstuk 5.
– Overgangsbepalingen
Artikel
5.01. – Geldigheid van bestaande patenten
| 1. |
Patenten,
afgegeven overeenkomstig de voorschriften die van
toepassing zijn tot aan de inwerkingtreding van dit
reglement dan wel waarvan de geldigheid volgens die
voorschriften is verlengd, blijven geldig met
inachtneming van die voorschriften tot de eerste
vernieuwing van het bewijs van lichamelijke en
geestelijke geschiktheid.
|
| 2. |
Artikel 4.01
met betrekking tot de controle van de lichamelijke en
geestelijke geschiktheid is van toepassing op het in
het eerste lid bedoelde Rijnschipperspatent, kleine
patent en sportpatent, waarbij het anomaalquotiënt
bij het kleuronderscheidingsvermogen 0,7 tot 3,0 mag
bedragen. De houders van een patent die bij de
inwerkingtreding van dit reglement reeds de leeftijd,
bedoeld in artikel 4.01, eerste lid, onderdeel a,
hebben bereikt moeten hun lichamelijke en geestelijke
geschiktheid bij de eerstvolgende voorgeschreven
onderzoeksdatum laten controleren. Bij de eerste
verlenging van de gebleken lichamelijke en geestelijke
geschiktheid wordt aan hun een patent volgens het
model van de bijlage A1 afgegeven.
|
| 3. |
De artikelen
4.02 en 4.03 zijn van toepassing op de patenten als
bedoeld in het eerste lid.
|
Artikel
5.02. – Overeenkomst van de verschillende patenten
| 1. |
Geldige
patenten als bedoeld in artikel 5.01, eerste lid,
komen als volgt overeen met de patenten als bedoeld in
artikel 1.04, eerste lid:
|
De
volgende geldige patenten als bedoeld in
artikel 5.01, eerste lid
|
komen
overeen met
|
de
patenten als bedoeld in artikel 1.04, eerste
lid
|
|
Rijnschipperspatent
|
->
|
Groot
patent
|
|
Klein
patent
|
->
|
Klein
patent
|
|
Kanaalspitsenpatent
|
->
|
Kanaalspitsenpatent
|
|
Politiebotenpatent
|
->
|
Overheidspatent
|
|
Douanebotenpatent
|
->
|
Overheidspatent
|
|
Brandweerbotenpatent
|
->
|
Overheidspatent
|
|
Sportpatent
|
->
|
Sportpatent
|
|
| 2. |
Een geldig
patent kan volgens de tabel in het eerste lid worden
omgewisseld voor het gelijkwaardige patent voor
hetzelfde riviergedeelte.
|
| 3. |
De gegadigde
die aantoont, dat hij voor de inwerkingtreding van dit
reglement
| a. |
een
pleziervaartuig met een lengte van meer dan 15
m heeft gevoerd, krijgt op aanvraag een
sportpatent voor het voeren van
pleziervaartuigen met een waterverplaatsing
van ten hoogste 15 m3,
zonder daarvoor examen te doen. Als bewijs is
een verklaring, afgegeven door een door de
bevoegde autoriteit erkende watersportbond of
een tot de erkende watersportbond behorende
watersportvereniging, toereikend;
|
| b. |
een
ander schip met een lengte van meer dan 15 m
heeft gevoerd, krijgt op aanvraag een klein
patent voor het voeren van schepen met een
waterverplaatsing van ten hoogste 15 m3,
zonder daarvoor examen te doen. Als bewijs is
een verklaring, afgegeven door de voor het te
bevaren riviergedeelte bevoegde autoriteit,
toereikend.
|
|
Artikel
5.03. – Berekenen van de vaartijd
De vaartijd en de
reizen op bepaalde riviergedeelten, die vóór de
inwerkingtreding van dit reglement zijn gemaakt, worden
volgens de normen van de voorgaande voorschriften berekend.
Bijlage A1. (Model)
Model van het
Rijnpatent
(85 mm x 54 mm –
Grondkleur blauw)
| Rijnpatent |
Nederland |
| |
(Autoriteit
die het patent afgeeft) |
| |
|
| 1. Groot
patent |
|
| |
| 2. xxx |
| |
| 3. xxx |
| |
|
| 4.
01-01-1960-N-Amsterdam |
|
| |
|
| 5. 02-01-1998 |
|
| |
|
| |
6. xxx |
| |
|
| |
7. |
| |
|
| 8. ### |
|
| |
|
| 9. km 425 –
km 780 |
|
| |
|
| 10.
31–03–2010 |
|
| |
|
| 11. |
|
| Rijnpatent |
|
| 1. Opdruk als
bedoeld in artikel 3.06 Reglement Rijnpatenten |
7. Foto van de
houder |
| 2. Naam van de
houder |
8.
Handtekening van de houder |
| 3.
Voornaam(en) |
9.
R: gehele Rijn of voor Riviergedeelte van km ... tot km
... |
| 4.
Geboortedatum, -land en -plaats |
10. Kaart
geldig tot: |
| 5. Datum
afgifte van het patent |
11.
Bijzonderheden |
| 6. Nummer van
afgifte |
|
Bijlage A2. (Model)
Autoriteit die het patent
afgeeft
....................
Voorlopig
Rijnpatent
(slechts geldig indien
getoond met een identiteitskaart of paspoort)
Groot
patent*) / Klein patent*) / Sportpatent*)/ Overheidspatent*)
Mevrouw*) / Mijnheer*)
....................
(naam) (voornaam)
Geboortedatum:
....................
Geboorteplaats:
.................... , Land: ....................
is houder/houdster*) van
het hierboven aangegeven type Rijnpatent voor de gehele Rijn*) /
voor het riviergedeelte van km ..... tot km .....*).
Dit voorlopig Rijnpatent
is geldig tot de ontvangst van het Rijnpatent, echter niet langer
dan drie maanden na de datum van afgifte.
......................
(afgegeven te)
......................
(afgifte datum)
..............................
(handtekening
hou(der/ster)
......................
(stempel/handtekening
Autoriteit die het patent afgeeft)
*) doorhalen wat niet van
toepassing is
Bijlage B1.
Minimum-eisen ten aanzien van de lichamelijke geschiktheid van
gegadigden voor het Rijnpatent
I. Gezichtsvermogen:
1. Gezichtsscherpte bij
daglicht:
Deze bedraagt bij het
beste oog, met of zonder optische hulpmiddelen, ten minste 0,8.
Met één oog zien is toegestaan.
2. Nachtblindheid:
Contrast 1:2, alleen in
twijfelgevallen te onderzoeken.
3. Gewenning aan de
duisternis:
Alleen in
twijfelgevallen te onderzoeken. Het resultaat mag niet meer dan
een log-eenheid van de normaal kromme afwijken.
4. Gezichtsveld:
Afwijkingen in het
gezichtsveld van het oog met de beste gezichtsscherpte zijn niet
toegestaan. In geval van twijfel dient perimetrisch onderzoek
verricht te worden.
5.
Kleurenonderscheidingsvermogen:
Het
kleurenonderscheidingsvermogen wordt als voldoende beschouwd
wanneer de gegadigde voldoet aan de Farnsworth Panel D15 test, de
test van Ishihara, volgens de platen 12 tot en met 14, of een
andere als gelijkwaardig erkende test. In geval van twijfel
onderzoeken met de anomaloscoop, waarbij met genoemde testmethode
een gelijkwaardige uitkomst bereikt moeten worden.
6. Motiliteit:
Onbelemmerde
beweeglijkheid van beide ogen; geen dubbelzien.
Optische
hulpmiddelen:
Ook bij gebruik van
optische hulpmiddelen (kontaktlenzen, bril) moet aan de eisen voor
de gezichtscherpte en het gezichtsveld zijn voldaan.
II. Gehoorvermogen:
Het gehoor wordt als
voldoende beschouwd, wanneer door een gegadigde fluisteren, met of
zonder gehoorapparaat, aan weerszijden duidelijk verstaan wordt:
– op een afstand van 3
meter wanneer hij 25 jaar of jonger is;
– op een afstand van 2
meter wanneer hij ouder dan 25 jaar is.
Bij het vermoeden van
een toenemend gehoorverlies, alsmede in geval van twijfel moet een
toon- of een spraakaudiogram gemaakt worden.
Het gehoorverlies van
het beste oor mag gemiddeld niet meer dan 40 dB(A) bedragen voor
de frequenties 500, 1000 en 2000 Hertz.
III
In staat zijn om alleen
een gewicht van 20 kg te tillen.
IV
Er mogen geen andere
bevindingen uit medische keuring aanwezig zijn die de lichamelijke
geschiktheid uitsluiten.
Indien de navolgende
ziekten of lichamelijke gebreken voorkomen kan dit aanleiding
geven tot twijfel aan de lichamelijke geschiktheid van de
gegadigde als schipper:
1. Aandoeningen die
gepaard gaat met bewustzijns- of evenwichtsstoornissen;
2. Aandoeningen of
laesies van het centrale of perifere zenuwstelsel, gepaard gaande
met duidelijke functionele stoornissen; in het bijzonder
organische aandoeningen van de hersenen of het ruggemerg en de
daarbij optredende restverschijnselen, functionele stoornissen na
schedel- of hersenletsel, celebrale doorbloedingsstoornissen;
3. Geestesziekten;
4. Suikerziekte met niet
goed instelbare, aanzienlijke schommelingen van de
bloedglucose-waarden;
5. Manifeste endocriene
stoornissen;
6. Ernstige aandoeningen
van de bloedvormende orgaansystemen;
7. Asthmatische
bronchitis met aanvallen;
8. Aandoeningen of
veranderingen in het hart of de bloedsomloop met beperking van de
belastbaarheid in absolute, respectievelijk relatieve zin;
9. Aandoeningen of
gevolgen na een ongeval, die leiden tot een aanzienlijke
bewegingsbeperking, verlies of sterke vermindering van de kracht
in een der ledematen die voor de uit te oefenen arbeid van belang
zijn;
10. Chronisch
alcoholisme, alsmede verslaving aan verdovende middelen, of andere
vormen van verslaving.
Bijlage B2. (Model)
[Raadpleeg voor deze
afbeelding Stb. 1997/475.]
Opmerking met betrekking
tot paragraaf IV – Ziekten of lichamelijke gebreken.
................................................................................................................................
................................................................................................................................
................................................................................................................................
Bijlage C.
Examenprogramma ter verkrijging van een Rijnpatent
Opmerking vooraf:
Soorten
patent (Kolom 4 tot en met 7)
A – Groot patent
B – Klein patent
C – Sportpatent
D – Overheidspatent
Vereiste kennis (Kolom
3)
1 – gedetailleerde
kennis
2 – basiskennis
| 1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
| nr. |
Examenstof |
|
A |
B |
C |
D |
| 1 |
Kennis
van de reglementen, gidsen en handboeken |
|
|
|
|
|
| 1.1 |
Rijnvaartpolitiereglement
1995 (inclusief de tijdelijke wijzigingen) |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
| |
Hoofdstuk 1
tot en met 7, 15 |
1 |
x |
x |
x |
x |
| |
Hoofdstuk 8 |
1 |
x |
x |
|
|
| |
Hoofdstuk 9,
10, 12, 14 (voor de betreffende riviergedeelten) |
1 |
x |
x |
x |
x |
| |
Hoofdstuk 11 |
1 |
x |
|
|
|
| |
Bijlagen |
|
|
|
|
|
| |
3. Optische
tekens van schepen |
1 |
x |
x |
x |
x |
| |
6.
Geluidsseinen |
1 |
x |
x |
x |
x |
| |
7.
Verkeerstekens |
1 |
x |
x |
x |
x |
| |
8.
Verkeerstekens ter markering van de vaarweg |
1 |
x |
x |
x |
x |
| |
10.
Olie-afgifteboekje |
1 |
x |
x |
x |
x |
| |
Gidsen
/ Handboeken |
|
|
|
|
|
| |
Marifonie in
de binnenvaart |
2 |
x |
x |
x |
x |
| |
Afvalverwijdering |
2 |
x |
x |
x |
x |
| 1.2 |
Verkeersvoorschriften
voor zeescheepvaartwegen als bedoeld in hoofdstuk 10 van
het Binnenvaartpolitiereglement |
|
|
|
|
|
| |
Optische
tekens van schepen, geluidsseinen, verkeerstekens,
navigatiehulpmiddelen en betonningssystemen, vaarregels |
1 |
x |
x |
x |
|
| 1.3 |
Reglement
onderzoek schepen op de Rijn 1995 |
|
|
|
|
|
| |
Opzet en
inhoud |
2 |
x |
x |
x |
x |
| |
Inhoud
certificaat van onderzoek |
2 |
x |
x |
x |
x |
| |
Bemanningsvoorschriften,
hoofdstuk 23 |
1 |
x |
x |
|
x |
| 1.4 |
Reglement
voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijn (ADNR) |
|
|
|
|
|
| |
Opzet |
2 |
x |
x |
|
x |
| |
Documenten /
instructies |
2 |
x |
x |
|
x |
| |
Aangeven van
de voorgeschreven blauwe kegels/lichten |
1 |
x |
x |
|
x |
| |
Opzoeken van
operationele voorschriften |
2 |
x |
x |
|
x |
| 1.5 |
Reglement
Rijnpatenten 1998 |
|
|
|
|
|
| |
Soorten
patenten |
2 |
x |
x |
x |
x |
| |
Criteria voor
het intrekken van een patent en voor het opschorten van de
geldigheid |
1 |
x |
x |
x |
x |
| 1.6 |
Voorkoming
van ongevallen |
2 |
x |
x |
x |
x |
| 2 |
Riviergedeelten
van de Rijn |
|
|
|
|
|
| |
aan de hand
van kaarten |
|
|
|
|
|
| 2.1 |
Rijn
en nevenwateren |
2 |
x |
x |
x |
x |
| |
Belangrijkste
geografische, hydrologische, meteorologische en
morfologische kenmerken |
|
|
|
|
|
| 2.2 |
Plaatselijke
kennis van de gewenste riviergedeelten van de Rijn |
|
|
|
|
|
| |
Beschrijving
van de vaarweg in de op- en afvaart |
1 |
x |
x |
x |
x |
| |
Afmetingen van
de vaarweg |
1 |
x |
x |
x |
x |
| 2.3 |
Navigatie
op zeescheepvaartwegen als bedoeld in hoofdstuk 10 van het
Binnenvaartpolitiereglement |
2 |
x |
x |
x |
|
| |
Koersbepaling, peilingen
en plaatsbepaling, het gebruik van zeekaarten, procedures voor het
controleren van het kompas, basiskennis inzake getijdenwerking |
|
|
|
|
|
| 3 |
Praktijkkennis |
|
|
|
|
|
| |
Nautische
zaken, scheepvaarttechnische zaken, praktische
vaardigheden) |
|
|
|
|
|
| 3.1 |
Voeren
van het schip |
|
|
|
|
|
| |
Praktijk van
het sturen, manoeuvreereigenschappen |
2 |
x |
x |
x |
x |
| |
Functie van de
stuurinrichtingen en de aandrijving |
2 |
x |
x |
x |
x |
| |
Invloed van
stroom, wind en zuiging |
2 |
x |
x |
x |
x |
| |
Drijfvermogen,
stabiliteit en praktisch gebruik daarvan |
2 |
x |
x |
x |
x |
| |
Ankeren en
meren |
2 |
x |
x |
x |
x |
| 3.2 |
Motorenkennis |
|
|
|
|
|
| |
Bouw, werking
van de motoren, functie van de elektrische inrichtingen |
2 |
x |
x |
x |
x |
| |
Bediening,
bedrijfscontrole |
2 |
x |
x |
x |
x |
| |
Maatregelen
bij bedrijfsstoringen |
2 |
x |
x |
x |
x |
| 3.3 |
Laden
en lossen |
|
|
|
|
|
| |
Bepalen van
het gewicht van de lading aan de hand van de meetbrief |
2 |
x |
x |
|
|
| |
Gebruik van de
diepgangsschaal |
2 |
x |
x |
|
|
| |
Stuwen van de
lading |
2 |
x |
x |
|
x |
| 3.4 |
Handelen
onder bijzondere omstandigheden |
|
|
|
|
|
| |
Maatregelen
bij schade, eerste hulp, stoppen van lekkage |
2 |
x |
x |
x |
x |
| |
Bediening van
reddingsmiddelen |
2 |
x |
x |
x |
x |
| |
Bijzonderheden
bij schade op zeescheepvaartwegen als bedoeld in hoofdstuk
10 van het Binnenvaartpolitiereglement |
2 |
x |
x |
x |
|
| |
Behandeling van afval en
voorkomen van verontreiniging van de waterwegen |
2 |
x |
x |
x |
x |
| |
Informeren van
de bevoegde autoriteiten |
2 |
x |
x |
x |
x |
| |
Brandbestrijding |
2 |
x |
x |
x |
x |
|
|
|