| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Binnenschepenwet
BESLUIT
VAARBEWIJZEN BINNENVAART
Tekst zoals deze geldt op
3 februari 2009
Vervallen
m.i.v. 1 juli 2009
|
|
|
BESLUIT van 25 oktober 1982, houdende uitvoering van de artikelen 1,
derde lid, 19, 22, tweede lid, 23, vierde lid, en 58, eerste lid, van de
Binnenschepenwet
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 21
juli 1982, nr. PJ/S 24489, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme
Zaken;
Na overleg met Onze Ministers van Onderwijs en Wetenschappen, van
Landbouw en Visserij en van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk;
Gelet op de artikelen 1, derde lid, 19, 22, tweede lid, 23, vierde
lid, en 58, eerste lid, in samenhang met de artikelen 17, eerste lid,
onderdeel g, 18, eerste en tweede lid, 21 en 55, eerste en vierde
lid, van de Binnenschepenwet (Stb. 1981, 678);
De Raad van State gehoord (advies van 31 augustus 1982, nr.
2385/11/8233);
Gezien het nader rapport van de voornoemde Minister van 12 oktober
1982, nr. PJ/S 26419, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme
Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. "vaarbewijs": het vaarbewijs, bedoeld in artikel 16
van de Binnenschepenwet;
b. "klein vaarbewijs": het klein vaarbewijs, bedoeld in
artikel 16, tweede lid, van de Binnenschepenwet;
c. "groot vaarbewijs": het groot vaarbewijs, bedoeld in
artikel 16, eerste lid, van de Binnenschepenwet;
d. "de aanvrager": degene die in aanmerking wenst te
komen voor de afgifte van een vaarbewijs;
e. "geneeskundig onderzoek": het onderzoek, bedoeld in
artikel 21 van de Binnenschepenwet;
f. "geneeskundige verklaring": de verklaring, bedoeld in
21, eerste lid, van de Binnenschepenwet;
g. "eigen verklaring": de eigen verklaring, bedoeld in
artikel 23, tweede lid, van de Binnenschepenwet;
h. "examen": het onderzoek, bedoeld in artikel 22 van de
Binnenschepenwet;
i. "examinator": de instelling of persoon, aangewezen op
grond van artikel 22, eerste lid, van de binnenschepenwet;
j. "gecommitteerde": de gecommitteerde, aangewezen op
grond van artikel 22, vierde lid, van de Binnenschepenwet;
k. "getuigschrift": de verklaring, bedoeld in artikel 22,
eerste lid, van de Binnenschepenwet;
l. dagreis: reis gedurende een kalenderdag of gedeelte daarvan,
waarop gedurende tenminste 6 uur dienst is gedaan.
2. Luchtkussenvoertuigen worden voor de toepassing van de
artikelen 16, 17, 19, 29, 49, 51, 52, 55 en 56 van de Binnenschepenwet
en voor de toepassing van dit besluit met schepen gelijkgesteld.
§ 2. Soorten vaarbewijzen; aanvraag en over te leggen bescheiden
Artikel 2
De door Onze Minister af te geven vaarbewijzen zijn:
a. het klein vaarbewijs voor de vaart op de rivieren, kanalen en
meren;
b. het klein vaarbewijs voor de vaart op alle binnenwateren;
c. het groot vaarbewijs voor de vaart op de rivieren, kanalen en
meren;
d. het groot vaarbewijs voor de vaart op alle binnenwateren.
Artikel 2a [Vervallen per 01-03-2001]
Artikel 3
1. Een aanvraag tot afgifte van een
vaarbewijs wordt ingediend bij Onze Minister.
2. Bij de aanvraag worden overgelegd:
a. de geneeskundige verklaring, niet ouder dan drie maanden, of een
eigen verklaring op grond van artikel 7;
b. het getuigschrift dat betrekking heeft op het examen voor het
verlangde vaarbewijs of een bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart
dat door Onze Minister is erkend;
c. een een gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de
basisadministratie persoonsgegevens, of enig ander bewijsstuk
betreffende naam en geboortedatum van de aanvrager;
d. twee goedgelijkende pasfoto’s van de aanvrager, aan de
achterkant voorzien van zijn naam, voorletters en geboortedatum;
e. een bewijs van betaling van het bedrag dat verschuldigd is voor
de behandeling van de aanvraag.
3. In geval van ongeldigheid van het vaarbewijs mag geen gebruik
worden gemaakt van een eerder overgelegd getuigschrift of erkend bewijs
van vaarbekwaamheid.
Artikel 4
In plaats van een document als bedoeld in artikel 3, tweede lid,
onderdeel b, kan worden overgelegd:
a. een gelijkwaardig geldig vaarbewijs, of
b. een gelijkwaardig vaarbewijs dat zijn geldigheid heeft
verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.
Artikel 5
1. De aanvrager die op grond van omstandigheden, bedoeld in
artikel 55, eerste lid, van de Binnenschepenwet, om afgifte van een
vaarbewijs verzoekt, dient die omstandigheden aannemelijk te hebben
gemaakt ter beoordeling van de Directeur-Generaal Scheepvaart en
Maritieme Zaken van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en zijn
aanvraag uiterlijk 1 oktober 1983 te hebben ingediend.
2. Hij dient tevens de bescheiden te hebben overgelegd, bedoeld
in artikel 3, tweede lid, onder c, d en e, en een eigen verklaring
indien hij op het moment van de aanvraag 65 jaar of ouder was.
§ 3. De geneeskundige verklaring en het geneeskundig onderzoek; de
eigen verklaring
Artikel 6
1. Het geneeskundig onderzoek ter afgifte van de geneeskundige
verklaring heeft betrekking op de lichamelijke en geestelijke toestand
van de aanvrager in het algemeen en in het bijzonder op:
a. de gezichtsscherpte en het kleuronderscheidingsvermogen;
b. de gehoorscherpte;
c. de toestand van het hart en de longen, de bloeddruk;
d. het functioneren van armen en benen;
e. de neurologische en psychische gesteldheid.
2. Tevens wordt onderzocht of zich afwijkingen voordoen die het
veilig varen nadelig kunnen beďnvloeden.
3. Het geneeskundig onderzoek en de afgifte van de geneeskundige
verklaring geschieden met inachtneming van de bij regeling van Onze
Minister vast te stellen regelen.
Artikel 7
1. In plaats van de geneeskundige verklaring kan een eigen
verklaring worden overgelegd door:
a. de aanvrager van het klein vaarbewijs;
b. de aanvrager van het groot vaarbewijs voor de vaart op alle
binnenwateren, die de 50-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt en
reeds in het bezit is van een geldig groot vaarbewijs voor de vaart op
de rivieren, kanalen en meren;
c. de aanvrager die niet langer niet langer dan drie maanden voor
het indienen van de aanvraag met gunstig gevolg een onderzoek heeft
ondergaan omtrent het voldoen aan geneeskundige eisen, welke gelden
voor schippers van rijksvaartuigen, voor loodsen, voor Rijnschippers
of voor personen aan wie aan boord van zeeschepen de wacht of het
houden van uitkijk kan worden opgedragen;
d. de aanvrager die niet langer dan drie maanden voor het indienen
van de aanvraag met gunstig gevolg een onderzoek heeft ondergaan
omtrent het voldoen aan geneeskundige eisen in andere gevallen dan
onder c bedoeld, welke eisen naar het oordeel van Onze Minister
- gehoord een in artikel 21, tweede lid, van de Binnenschepenwet
bedoelde deskundige - in voldoende mate betrekking hebben op de in
artikel 6, eerste lid, genoemde onderwerpen;
e. de aanvrager die bij toepassing van artikel 55, vierde lid, van
de Binnenschepenwet 65 jaar of ouder is.
2. De eigen verklaring heeft betrekking op de onderwerpen,
bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid.
3. De aanvrager, bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d,
legt bescheiden over ten bewijze van het feit dat hij voldoet aan de
aldaar gestelde vereisten.
4. De eigen verklaring mag niet ouder zijn dan zes maanden.
5. Indien de eigen verklaring op enige afwijking wijst kan door
een deskundige, bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de
Binnenschepenwet, een geneeskundige verklaring worden afgegeven indien
hij van oordeel is dat de afwijking het veilig varen niet nadelig zal
beďnvloeden.
6. Het opmaken en het beoordelen van de eigen verklaring
geschiedt met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister vast te
stellen regelen.
§ 4. Het getuigschrift en het examen; de vaartijd
Artikel 8
1. Het getuigschrift wordt afgegeven nadat het examen ter
verkrijging van het vaarbewijs met gunstig gevolg is afgelegd.
2. In het getuigschrift wordt vermeld voor welk van de in artikel
2 bedoelde vaarbewijzen het examen is afgelegd.
Artikel 9
1. Het examen ter verkrijging van het klein vaarbewijs voor de
vaart op de rivieren, kanalen en meren heeft betrekking op de volgende
onderwerpen:
a. de wettelijke bepalingen, voor zover deze van belang zijn voor
de veiligheid van de vaart op die wateren;
b. de behandeling van de voortstuwingswerktuigen; de
veiligheidsmaatregelen;
c. de waterwegen, de omstandigheden van het vaarwater, elementaire
meteorologie;
d. het varen en manoeuvreren, de onder bijzondere omstandigheden te
nemen maatregelen.
2. Het examen ter verkrijging van het klein vaarbewijs voor de
vaart op alle binnenwateren heeft betrekking op de in het eerste lid
genoemde onderwerpen en bovendien op:
a. de wettelijke bepalingen, voor zover deze van belang zijn voor
de veiligheid van de vaart op de Westerschelde, de Eems en de Dollard;
b. het gebruik van nautische bescheiden;
c. de koers- en plaatsbepaling;
d. meteorologie.
Artikel 10
1. Het examen ter verkrijging van het groot vaarbewijs voor de
vaart op de rivieren, kanalen en meren, heeft betrekking op de
onderwerpen, genoemd in deel 2 van hoofdstuk A en hoofdstuk C van
bijlage II van richtlijn nr. 96/50/EG van de Raad van de Europese Unie
van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden
voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke
bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden
(PbEG L 235).
2. Het examen ter verkrijging van het groot vaarbewijs voor alle
binnenwateren heeft betrekking op de onderwerpen, genoemd in deel 1 van
hoofdstuk A en hoofdstuk C van bijlage II van de richtlijn, genoemd in
het eerste lid.
Artikel 11
Indien de aanvrager met goed gevolg een examen, bedoeld in de Wet op
de Zeevischvaartdiploma’s 1935 (Stb. 455) of de Wet op de
Zeevaartdiploma’s 1935 (Stb. 456) dan wel een examen als
bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 68 van de
Zeevaartbemanningswet, heeft afgelegd, dan wel aan een school, bedoeld
in artikel 14, eerste lid, van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (Stb.
1963, 40) het eindexamen, bestemd voor een diploma of het bewijs,
genoemd in de Wet op de Zeevischvaartdiploma’s 1935 of de
Zeevaartdiploma’s 1935, met goed gevolg heeft afgelegd, wordt volstaan
met een beperkt examen ten aanzien van de onderwerpen die door Onze
Minister worden vastgesteld.
Artikel 12
1. Om voor de afgifte van een groot vaarbewijs in aanmerking te
komen beschikt de aanvrager over het getuigschrift, bedoeld in artikel
8, en toont hij daarnaast aan, dat hij een vaartijd heeft doorlopen
van vier jaren.
2. Als vaartijd, bedoeld in het eerste lid, komt in aanmerking de
ervaring die de aanvrager na het bereiken van de 16-jarige leeftijd
heeft opgedaan als lid van de dekbemanning van een binnenschip, bestemd
voor de bedrijfsmatige vaart, of van een binnenschip met een lengte van
15 meter of meer, bestemd voor de niet-bedrijfsmatige vaart, op de
binnenwateren van de Europese Gemeenschap of op binnenwateren die de
buitengrens van de Gemeenschap overschrijden. 180 Effectieve vaardagen
in de binnenvaart gelden als een jaar vaartijd als bedoeld in het eerste
lid. Binnen een periode van 365 opeenvolgende dagen kunnen maximaal 180
dagen als vaartijd worden meegerekend.
3. Indien de aanvrager aantoont ervaring te hebben opgedaan als
lid van de dekbemanning van een schip, bestemd voor de bedrijfsmatige
vaart ter zee, of van een schip met een lengte van 15 meter of meer,
bestemd voor de niet-bedrijfsmatige vaart ter zee, wordt voor elk geheel
jaar van deze ervaring de periode, bedoeld in het eerste lid, verminderd
met een jaar, doch met ten hoogste een vaartijd van twee jaren, waarbij
250 zeedagen als een jaar vaartijd als bedoeld in het eerste lid gelden.
4. Indien de aanvrager houder is van een diploma van een
opleiding voor de binnenvaart, waarvan praktijkstages deel uitmaken,
wordt de periode, bedoeld in het eerste lid, verminderd met de duur van
deze opleiding, doch met ten hoogste een vaartijd van drie jaren.
5. Indien de aanvrager een praktijkexamen heeft afgelegd voor het
besturen van een schip waarvan de vaareigenschappen vergelijkbaar zijn
met die van een schip waarvan de schipper bij het varen op de
binnenwateren voorzien moet zijn van een groot vaarbewijs, wordt de
periode, bedoeld in het eerste lid, verminderd met ten hoogste twee
jaren.
Onder een praktijkexamen wordt voor de toepassing van dit lid
verstaan:
a. een praktijkexamen dat door Onze Minister is erkend;
b. een praktijkexamen dat bij internationale regeling of door een
bevoegde autoriteit in het buitenland en door Onze Minister is erkend.
6. Als vaartijd als bedoeld in het eerste lid, komt voor degene
die dienst doet of heeft gedaan als registerloods tevens in aanmerking
het in een periode van 48 maanden op binnenwateren tenminste gedurende
64 dagreizen besturen van een binnenschip, bestemd voor de
bedrijfsmatige vaart.
7. Indien de aanvrager die dienst doet of heeft gedaan als
registerloods aantoont ervaring te hebben opgedaan als lid van de
dekbemanning van een schip, bestemd voor de bedrijfsmatige vaart ter
zee, wordt voor elk geheel jaar van deze ervaring de periode, bedoeld in
het vierde lid, verminderd met 9 maanden en wordt het vereiste aantal
dagreizen waarop een binnenschip, bestemd voor de bedrijfsmatige vaart,
bestuurd wordt, verminderd met 12 dagreizen, doch tot niet minder dan
een vaartijd van 12 maanden waarin tenminste gedurende 16 dagreizen een
binnenschip, bestemd voor de bedrijfsmatige vaart, is bestuurd.
8. De beoordeling van de vaartijd geschiedt door de examinator.
Artikel 13
De examinator opent ten minste eenmaal per jaar de mogelijkheid
examens bij hem af te leggen. Hij deelt tijdig mee voor welk tijdstip en
bij wie aanmelding voor een examen dient te geschieden. Hij vermeldt
tevens welk bedrag voor het afleggen van het examen aan hem verschuldigd
is en hoe dat bedrag dient te worden voldaan.
Artikel 14
De examinator zorgt dat de examens worden afgenomen in daartoe
geschikte lokalen. Hij zorgt voor toezicht en een goede gang van zaken
bij het examen. Onder meer dienen maatregelen te worden getroffen om
bedrog te voorkomen.
Artikel 15
De examinator houdt een examenstaat bij. Een afschrift daarvan zendt
hij aan Onze Minister na afloop van het kalenderkwartaal, waarin het
examen heeft plaatsgevonden.
Artikel 16
Indien zich tijdens het examen onregelmatigheden hebben voorgedaan
stelt de examinator zo spoedig mogelijk een verslag op omtrent het
voorgevallene.
Artikel 17
De examinator bewaart het verslag en de examenbescheiden gedurende
een jaar na afloop van het examen.
Artikel 18
1. De examinator biedt de gecommitteerde gelegenheid om het
examen bij te wonen. Hij verschaft de gecommitteerde inzage van het
verslag en de examenbescheiden en verstrekt alle inlichtingen die de
gecommitteerde nodig acht om zich een oordeel over het examen te
kunnen vormen.
2. De gecommitteerde stelt, indien hij daartoe aanleiding
aanwezig acht, Onze Minister schriftelijk in kennis van zijn bevindingen
omtrent het examen.
Artikel 19
1. Indien daartoe naar zijn oordeel aanleiding bestaat kan Onze
Minister een gecommitteerde belasten met het inwinnen van inlichtingen
omtrent een reeds gehouden examen. De examinator verleent hierbij alle
medewerking en verschaft inzage van de examenbescheiden.
2. De gecommitteerde stelt Onze Minister schriftelijk in kennis
van zijn bevindingen.
Artikel 20
De examens ter verkrijging van een klein vaarbewijs worden afgenomen
met inachtneming van een examenregeling en een examenprogramma, die door
Onze Minister worden vastgesteld.
Artikel 21
1. De examens ter verkrijging van een groot vaarbewijs worden
afgenomen met inachtneming van de examenregeling en het
examenprogramma van de examinator, mits deze zijn goedgekeurd door
Onze Minister.
2. Onze Minister keurt de examenregeling en het examenprogramma
slechts goed indien deze naar zijn oordeel voldoende waarborgen bevatten
dat de vereiste kennis en bekwaamheid van de kandidaat naar behoren
worden onderzocht.
3. Indien de examinator geen examenregeling en examenprogramma
heeft die door Onze Minister zijn goedgekeurd, worden de in het eerste
lid bedoelde examens afgenomen met inachtneming van een examenregeling
en een examenprogramma, die door Onze Minister worden vastgesteld.
4. De vorige leden zijn van toepassing op wijzigingen van de
examenregeling en van het examenprogramma van de examinator.
Artikel 22
1. De in de artikelen 20 en 21 bedoelde examenregelingen dienen
bepalingen te bevatten met betrekking tot:
a. het aanmelden en oproepen voor het examen;
b. de wijze van examineren;
c. de duur van het examen;
d. de mogelijkheid van een beperkt examen;
e. het slagen en afwijzen;
f. het toezicht, het voorkomen van bedrog en de goede gang van
zaken tijdens het examen;
g. het beroep bij uitsluiting van deelneming of verdere deelneming
aan het examen.
2. Het beroep, bedoeld in het eerste lid, onder g wordt
ingesteld bij een in de examenregeling aangewezen instantie.
3. De examenregeling, bedoeld in artikel 21, dient tevens
bepalingen te bevatten ten aanzien van herexamen.
4. De in deartikelen 20 en 21 bedoelde examenprogramma’s dienen
een nadere aanduiding te bevatten van de onderwerpen van het examen,
bedoeld in de artikelen 9 en 10.
5. De examenregeling, bedoeld in artikel 21, bevat nadere
bepalingen ten aanzien van de diploma's, bedoeld in artikel 12, vierde
lid, en de hiermee samenhangende vermindering van vaartijd.
§ 5. Erkenning van bewijzen van vaarbekwaamheid voor de binnenvaart
Artikel 23 [Vervallen per 01-03-2001]
Artikel 24
1. Erkenning van een bewijs van
vaarbekwaamheid voor de binnenvaart vindt plaats indien naar het oordeel
van Onze Minister het bewijs voldoende waarborg biedt voor het veilig
voeren van een schip op binnenwateren.
2. Onze Minister kan ter vorming van zijn oordeel verlangen dat
bescheiden worden overgelegd en inlichtingen worden verschaft met
betrekking tot de kennis en bekwaamheid die ten grondslag liggen aan de
afgifte van het bewijs van vaarbekwaamheid.
Artikel 25
1. Een bewijs van vaarbekwaamheid wordt erkend voor de vaart op
rivieren, kanalen en meren of voor de vaart op alle binnenwateren, dan
wel voor de bedrijfsmatige vaart of voor de niet-bedrijfsmatige vaart,
naar gelang het bewijs naar het oordeel van Onze Minister voldoende
waarborg biedt voor het veilig voeren van een schip op de betrokken
wateren ter uitoefening van de bedrijfsmatige vaart of van de
niet-bedrijfsmatige vaart.
2. Voor de toepassing van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder
c en d, van de Binnenschepenwet wordt het bewijs van
vaarbekwaamheid erkend voor de vaart op alle binnenwateren.
Artikel 26 [Vervallen per 01-03-2001]
§ 6. Slotbepalingen
Artikel 27
Een wijziging van bijlage II van richtlijn nr. 96/50/EG van de Raad
van de Europese Unie van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de
voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor
binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de
Gemeenschap gebruikt worden (PbEG L 235), gaat voor de toepassing van
artikel 10 gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 28
Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere regelen geven ter
uitvoering van dit besluit.
Artikel 29
1. Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit
vaarbewijzen binnenvaart.
2. Het treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan
afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 25 oktober 1982
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
H.J. Zeevalking
Uitgegeven de zestiende november 1982
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|
|