St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Binnenschepenwet

 

BINNENSCHEPENBESLUIT

Tekst zoals deze geldt op 3 februari 2009

Vervallen m.i.v. 1 juli 2009

 

  
 

 

 
BESLUIT van 16 juli 1987, houdende bepalingen met betrekking tot de deugdelijkheid van schepen op binnenwateren, de inrichting en de uitrusting daarvan, alsmede ten aanzien van de arbeidsomstandigheden aan boord

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 januari 1987, nr. PJ/S 31.977, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Na overleg met Onze Ministers van Landbouw en Visserij en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;
     Gelet op de artikelen 1, derde lid, 5, eerste en derde lid, 10, eerste lid, 13, eerste lid, 27, zesde lid, en 58, eerste lid, van de Binnenschepenwet (Stb. 1981, 678);
     Gelet op de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 januari 1976 (76/135/EEG) inzake de wederzijdse erkenning van scheepsattesten voor binnenschepen (PbEG L 21), gewijzigd bij de Richtlijn van die Raad van 23 november 1978 (78/1016/EEG, PbEG L 349);
     Mede gelet op de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 oktober 1982 (82/714/EEG) tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen (PbEG L 301);
     De Raad van State gehoord (advies van 11 maart 1987, nr. W09.87.0016);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 juli 1987, nr. S/J 30.879/87, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Sociale zaken en Werkgelegenheid;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

1.

In dit besluit en de daarbij behorende bijlagen wordt verstaan onder:

a.

richtlijn 76/135/EEG: richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 januari 1976 (76/135/EEG) inzake de wederzijdse erkenning van scheepsattesten voor binnenschepen, gewijzigd bij de richtlijn van die Raad van 23 november 1978/1016/EEG);

b.

richtlijn 82/714/EEG: richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 oktober 1982 (82/714/EEG) tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen;

c.

certificaat: certificaat van onderzoek, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Binnenschepenwet;

d.

communautair certificaat: communautair certificaat, bedoeld in richtlijn 82/714/EEG, zijnde tevens het certificaat;

e.

communautair aanvullend certificaat: communautair aanvullend certificaat, bedoeld in richtlijn 82/714/EEG, zijnde tevens in samenhang met een scheepspatent als bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte en voor zover verenigbaar met het bij of krachtens de Herziene Rijnvaartakte bepaalde, te beschouwen als het certificaat;

f.

document van deugdelijkheid: certificaat, communautair certificaat, scheepsattest als bedoeld in richtlijn 76/135/EEG, scheepspatent als bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte, certificaat van deugdelijkheid als bedoeld in de Schepenwet of een document dat bij internationale regeling of door Onze Minister als zodanig is erkend;

g.

binnenwateren: wateren als gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Binnenschepenwet en voorts de overige wateren, opgenomen in bijlage I van dit besluit;

h.

zones: waterwegen van het communautaire net van binnenwateren volgens de indeling, bedoeld in richtlijn 82/714/EEG en in bijlage I van dit besluit;

i.

onderzoek: onderzoek, bedoeld in artikel 5 van de Binnenschepenwet;

j.

bijzonder onderzoek: onderzoek, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Binnenschepenwet;

k.

vrachtschip: schip dat is gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van goederen, met een laadvermogen van 15 ton of meer;

l.

sleepboot: schip als gedefinieerd in het tweede lid, onder e;

m.

duwboot: schip als gedefinieerd in het tweede lid, onder f;

n.

passagiersschip: schip als gedefinieerd in het tweede lid, onder p;

o.

bestaande schepen: schepen waarvan bij de inwerkingtreding van dit besluit

-

de bouw is voltooid,

-

de kiel is gelegd dan wel de bouw zich in een daarmee vergelijkbaar stadium bevindt of

-

het bouwcontract is afgesloten en binnen een jaar nadien is aangevangen met de bouw;

p.

rijksvaartuig: schip dat eigendom is van of gehuurd is door het Rijk en dat is gebouwd of bestemd om ten dienste van het Rijk te worden gebruikt voor de vaart op de binnenwateren, niet zijnde passagiersschepen of veerboten;

q.

open rijksvaartuig: rijksvaartuig dat noch is voorzien van een gesloten opbouw, noch van een doorlopend dek;

r.

veerboot: schip dat is gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen buiten de bemanning alsook van voertuigen op meer dan twee wielen, en dat een bootdienst onderhoudt tussen twee of meer aanlegplaatsen gelegen aan

-

de Dollard,

-

de Eems,

-

de Waddenzee, met inbegrip van de verbindingen met de Noordzee, of

-

de Westerschelde en de zeemonding daarvan, met inbegrip van de waterwegen tussen Zeeuwsch-Vlaanderen enerzijds en Walcheren en Zuid-Beveland anderzijds;

s.

zeilend passagiersschip: schip als gedefinieerd in het tweede lid, onder cc;

t.

bestaand zeilend passagiersschip: schip als gedefinieerd in het tweede lid, onder dd;

u.

bunkerstation: drijvend bouwsel dat wegens zijn bestemming in de regel niet wordt verplaatst en dat bestemd of in gebruik is voor de opslag of levering van brandstof voor voortstuwing van schepen.

2.

In de bij dit besluit behorende bijlagen wordt verstaan onder:

a.

schip: binnenschip of zeeschip;

b.

motorvrachtschip: vrachtschip gebouwd om door middel van zijn eigen mechanische voortstuwingsmiddelen zelfstandig te varen, niet zijnde een motortankschip;

c.

motortankschip: schip met een laadvermogen van 15 ton of meer, dat is bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van goederen in vaste tanks en gebouwd om door middel van zijn eigen mechanische voortstuwingsmiddelen zelfstandig te varen;

d.

motorschip: motorvrachtschip of motortankschip;

e.

sleepboot: schip dat is gebouwd om te slepen;

f.

duwboot: schip dat is gebouwd om te duwen;

g.

sleep-duwboot: schip dat is gebouwd om te slepen en te duwen;

h.

sleepvrachtschip: vrachtschip niet zijnde een sleeptankschip, dat is gebouwd om te worden gesleept en dat

-

niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen of

-

wel voorzien is van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen, die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten;

i.

sleeptankschip: schip met een laadvermogen van 15 ton of meer, dat is bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van goederen in vaste tanks, gebouwd om te worden gesleept en dat

-

niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen of

-

wel is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen, die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten;

k.

sleepschip: sleepvrachtschip of sleeptankschip;

l.

vrachtduwbak: vrachtschip niet zijnde een tankduwbak, dat is gebouwd of geschikt gemaakt om te worden geduwd en dat

-

niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen of

-

wel is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen, die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten;

m.

tankduwbak: schip met een laadvermogen van 15 ton of meer, dat is bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van goederen in vaste tanks, gebouwd of geschikt gemaakt om te worden geduwd en dat

-

niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen of

-

wel is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen, die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten;

n.

zeeschipbak: vrachtduwbak of tankduwbak, gebouwd om aan boord van een zeeschip te worden vervoerd en om de binnenwateren te bevaren;

o.

duwbak: vrachtduwbak, tankduwbak of zeeschipbak;

p.

passagiersschip: schip dat is gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen buiten de bemanning, niet zijnde een veerboot en niet ingericht om hoofdzakelijk door middel van zeilen te worden voortbewogen;

q.

drijvend werktuig: schip met mechanische installaties, dat is bestemd om op de binnenwateren te worden gebruikt, zoals een baggermolen, een elevator, een bok, een kraan;

r.

drijvende inrichting: drijvend bouwsel dat niet is bestemd om in de regel te worden verplaatst, zoals een drijvende zweminrichting, een droogdok, een landingsbrug, een drijvend botenhuis;

s.

drijvend voorwerp: vlot, bouwsel, samenstel of voorwerp dat is geschikt om te varen, niet zijnde een schip als hiervoor bedoeld, een drijvend werktuig of drijvende inrichting;

t.

stuurhuis: ruimte waar de voor het voeren van het schip noodzakelijke bedieningsinrichtingen zijn opgesteld;

u.

machinekamer: ruimte waar de voortstuwingswerktuigen, de hulpwerktuigen of beiden zijn opgesteld;

v.

verblijf: ruimte die bestemd is voor het gebruik door de gewoonlijk aan boord verblijvende personen of passagiers, met inbegrip van keukens, provisiekamers, toiletten, wasgelegenheden, washokken, portalen en gangen, met uitzondering van het stuurhuis;

w.

vlak van de grootste inzinking: vlak door de waterlijn, overeenkomende met de grootste toegelaten inzinking waarbij het schip mag varen;

x.

vrijboord: afstand tussen het vlak van de grootste inzinking en het daaraan evenwijdige vlak door het laagste punt van het gangboord, of bij ontbreken van een gangboord, het laagste punt van het vaste boord;

y.

veiligheidsafstand: afstand tussen het vlak van de grootste inzinking en het daaraan evenwijdige vlak door het laagste punt, waar het schip niet meer als waterdicht wordt beschouwd;

z.

mechanische aandrijving of voortstuwing: aandrijving of voortstuwing waarbij de krachtbron direct of indirect een motor is;

aa.

erkend onderzoekingsbureau: bureau als bedoeld in artikel 21, tweede lid, van dit besluit;

bb.

VBG: Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen (VBG).

cc.

zeilend passagiersschip: een schip dat is gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen buiten de bemanning en ingericht om hoofdzakelijk door middel van zeilen te worden voortbewogen, niet zijnde een veerboot;

dd.

bestaand zeilend passagiersschip: een zeilend passagiersschip waarvan op 1 januari 2001 de bouw is voltooid, de kiel is gelegd dan wel de bouw zich in een daarmee vergelijkbaar stadium bevindt of het bouwcontract is afgesloten en binnen een jaar nadien is aangevangen met de bouw.

Artikel 2

1.
De bepalingen van dit besluit zijn niet van toepassing op schepen met een laadvermogen van 15 ton of meer, die zijn bestemd voor de bedrijfsmatige visvangst.
2.
Luchtkussenvoertuigen worden voor de toepassing van de artikelen 3 tot en met 15, 27, 29, 44, 49, 51, 52, 54 en 56 van de Binnenschepenwet en voor de toepassing van dit besluit met schepen gelijkgesteld.
3.
Bunkerstations worden voor de toepassing van de artikelen 1, eerste en vierde lid, 3, eerste, tweede en vierde lid, tot en met 15, 27 tot en met 30, 39, 43 tot en met 45, 47 tot en met 49, 52, 52a en 56 van de Binnenschepenwet en voor de toepassing van dit besluit met schepen gelijkgesteld.

Artikel 2a

De categorieën van schepen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, van de Binnenschepenwet zijn:

a.
vrachtschepen, sleepboten en duwboten, ongeacht de binnenwateren waarop zij zich bevinden; en
b.
passagiersschepen, voor zover zij zich bevinden op de binnenwateren van de zones 3 en 4.

Artikel 3

Bij dit besluit behoren de volgende bijlagen:

bijlage I: lijst van binnenwateren van het communautaire net, ingedeeld in de zones 1, 2, 3 en 4;

bijlage II: technische regelen voor vrachtschepen, sleepboten en duwboten;

bijlage III: technische regelen voor passagiersschepen;

bijlage IV: regelen met betrekking tot arbeid aan boord van schepen;

bijlage V: technische regelen voor veerboten;

bijlage VI: technische regelen voor rijksvaartuigen;

bijlage VII: technische regelen voor zeilende passagiersschepen;

bijlage VIII: technische regelen voor bunkerstations.

§ 2. De certificaten

Artikel 4

1.
De inspecteur-generaal geeft certificaten af voor:
a.
vrachtschepen;
b.
sleepboten en duwboten;
c.
passagiersschepen;
d.
veerboten;
e.
rijksvaartuigen;
f.
zeilende passagiersschepen;
g.
bunkerstations.
2.
De inspecteur-generaal geeft communautaire aanvullende certificaten af voor vrachtschepen, sleepboten en duwboten, die voorzien zijn van een scheepspatent als bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte.
3.
Met uitzondering van het bepaalde in artikel 10, is het in dit besluit bepaalde met betrekking tot het certificaat en het communautaire certificaat van overeenkomstige toepassing op het communautaire aanvullende certificaat.

Artikel 5

1.
De aanvraag voor een certificaat van onderzoek wordt ingediend door de eigenaar van het schip.
2.
Bij de aanvraag worden de tekeningen van bouw en inrichting van het schip alsmede, indien hiertoe naar het oordeel van de inspecteur-generaal bijzondere redenen bestaan, het rekenkundig bewijs van de sterkte van de romp overgelegd.
3.
Indien het schip is onderzocht door of gebouwd onder toezicht van een erkend onderzoekingsbureau, wordt ook de verklaring van dat bureau inzake het onderzoek of de bouw overgelegd.
4.
Indien ingevolge de artikelen 23 of 24 een hellingproef is vereist, worden de uitkomsten van die proef overgelegd alsmede de gegevens over de stabiliteit van het schip bij verschillende beladingstoestanden.

Artikel 6

Een certificaat wordt afgegeven nadat een schip met gunstig gevolg is onderzocht overeenkomstig het gestelde in de artikelen 19 tot en met 23.

Artikel 7

Voor vrachtschepen, sleepboten en duwboten wordt het certificaat als communautair certificaat afgegeven.

Artikel 8

Het communautaire certificaat voor vrachtschepen, sleepboten en duwboten, die in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen dan Nederland of in een van de overige Staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte teboekstaan of daar hun thuishaven hebben, of waarvan de eigenaar in de desbetreffende staat woonachtig is, wordt slechts afgegeven indien die staat of een bevoegde onderzoeksinstantie uit die Staat daarom heeft verzocht.

Artikel 9

In het certificaat worden vermeld:

a.
de voornaamste gegevens omtrent het schip, de binnenwateren waarvoor het geschikt is bevonden, alsmede of het in artikel 5, tweede lid, van de Binnenschepenwet bedoelde onderzoek is ingesteld;
b.
de regelen die bij het gebruik van het schip in acht moeten worden genomen, alsmede in voorkomende gevallen de toegestane afwijkingen en te treffen voorzieningen met vermelding van de binnenwateren en de periode, waar deze voor gelden en
c.
de geldigheidsduur, de verlenging en de vernieuwing van de geldigheidsduur van het certificaat.

Artikel 10

1.
Het certificaat en het communautaire certificaat, alsmede het communautaire aanvullende certificaat in samenhang met een scheepspatent als bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte zijn geldig voor de bestemming en voor de binnenwateren, bedoeld in bijlage I, waarvoor het schip blijkens het certificaat geschikt is bevonden, voor zover verenigbaar met het bij of krachtens de Herziene Rijnvaartakte bepaalde.
2.
Een communautair certificaat dat geldig is voor de binnenwateren van zone 3, is tevens geldig voor de in Nederland gelegen binnenwateren van zone 2.

Artikel 11

1.
Na een bijzonder onderzoek in een geval als bedoeld in artikel 24, eerste lid, wordt indien het schip aan de bij of krachtens de wet gestelde regelen voldoet door de inspecteur-generaal een nieuw certificaat afgegeven dan wel de geldigheidsduur van het certificaat vernieuwd.
2.
Indien het een schip betreft met een communautair certificaat dat in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen dan Nederland of in een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte is afgegeven of waarvan de geldigheidsduur in de desbetreffende Staat is vernieuwd, wordt de vernieuwing van het communautaire certificaat of de vernieuwing van de geldigheidsduur van het communautaire certificaat binnen een maand ter kennis gebracht van de autoriteit die het communautaire certificaat heeft afgegeven of de geldigheidsduur daarvan heeft vernieuwd.

Artikel 12

1.
Bij het verstrijken van de geldigheidsduur van een certificaat kan de geldigheid daarvan worden vernieuwd nadat een aanvraag daartoe is ingediend en een onderzoek van het schip met gunstig gevolg heeft plaatsgevonden.
2.
Het onderzoek kan beperkt blijven tot een onderzoek van de constructie, de werktuigen, de ketels en andere drukvaten, alsmede van de uitrusting en de gehele romp van het schip.

Artikel 13

In bijzondere gevallen kan de inspecteur-generaal zonder onderzoek van het schip de geldigheidsduur van een certificaat verlengen.

Artikel 14

De geldigheidsduur, de verlenging en de vernieuwing van de geldigheidsduur van het certificaat worden vastgesteld volgens het bepaalde in artikel 6 van de Binnenschepenwet.

Artikel 15

1.
Indien een certificaat onleesbaar of onbruikbaar is geworden, wordt na terugzending van het certificaat aan de inspecteur-generaal tegen betaling van door Onze Minister vast te stellen kosten een duplicaat van het certificaat verstrekt.
2.
Het duplicaat wordt tegen betaling van door Onze Minister vast te stellen kosten eveneens verstrekt wanneer het certificaat verloren is gegaan en hiervan mededeling is gedaan aan de inspecteur-generaal.

Artikel 16

De certificaten worden door of vanwege de inspecteur-generaal van een volgnummer voorzien en geregistreerd.

Artikel 17

1.
Van de certificaten worden afschriften bewaard.
2.
Op de afschriften worden de aantekeningen en wijzigingen vermeld die op de certificaten voorkomen.
3.
Op de afschriften worden tevens de vervangingen en de ongeldigverklaringen van de certificaten aangetekend.

Artikel 18

Behoudens weigering op grond van het bepaalde bij of krachtens de Wet openbaarheid van bestuur wordt door de inspecteur-generaal op verzoek hetzij inzage van het afschrift van een certificaat verleend, hetzij een uittreksel of gewaarmerkt afschrift van een certificaat verschaft tegen betaling van door Onze Minister vast te stellen kosten.

§ 3. Het onderzoek van schepen

Artikel 19

Bij het onderzoek of bijzonder onderzoek van schepen wordt nagegaan of het schip voldoet aan de voor dat schip van toepassing zijnde regelen, zoals opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlagen.

Artikel 20

1.
Mits voorzieningen zijn getroffen, die naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal voldoende waarborg bieden voor de veiligheid van het schip en de opvarenden, dan wel naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal in overeenstemming met de ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Binnenschepenwet, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren voldoende waarborg bieden voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan boord, zijn regelen van bijlagen II en III niet van toepassing bij het onderzoek van:
a.
schepen uitsluitend bestemd voor het varen in Nederland in een beperkt gebied of in havengebieden;
b.
schepen uitsluitend bestemd voor het varen op in Nederland gelegen binnenwateren die niet via een ander binnenwater in verbinding staan met het waterwegennet van Duitsland of België en
c.
schepen met een laadvermogen van 350 ton of minder, waarvan de kiel voor 1 januari 1950 is gelegd en die uitsluitend bestemd zijn voor het varen op in Nederland gelegen binnenwateren.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn voor schepen, niet zijnde bestaande schepen, de regelen van hoofdstuk 11 van bijlage II onverkort van toepassing behoudens het bepaalde in bijlage III.
3.
Met betrekking tot vrachtschepen, sleepboten en duwboten wordt toepassing van het eerste lid ter kennis gebracht van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 21

1.
Indien uit een door een erkend onderzoekingsbureau afgegeven verklaring blijkt, dat een schip voldoet aan de krachtens artikel 5, eerste lid, van de Binnenschepenwet voor dat schip van toepassing zijnde regelen, zoals opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlagen, kan van een onderzoek als bedoeld in dat lid worden afgezien.
2.
Van een erkend onderzoekingsbureau is sprake indien het is aangewezen op grond van artikel 27, vijfde lid, van de Binnenschepenwet.
3.
De aanwijzing wordt ter kennis gebracht van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen en van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
4.
De aanwijzing kan voor bepaalde of onbepaalde tijd plaatsvinden.
5.
Bij koninklijk besluit kan de aanwijzing te allen tijde worden ingetrokken.

Artikel 22

1.
Voor een onderzoek van het schip wordt het door de eigenaar of diens vertegenwoordiger onbeladen, gereinigd en voorzien van de voorgeschreven uitrusting aangeboden.
2.
Indien de inspecteur-generaal om bijzondere redenen een onderzoek van het schip aan de buitenzijde redelijkerwijs nodig oordeelt, wordt het door de eigenaar of diens vertegenwoordiger zodanig drooggezet dat de gehele romp aan de buitenzijde kan worden onderzocht.
3.
De eigenaar van het schip of diens vertegenwoordiger verleent verdere medewerking aan het onderzoek, onder meer door de toegang te vergemakkelijken tot de delen van de romp en tot de installaties, die niet of moeilijk toegankelijk of zichtbaar zijn, door personeel beschikbaar te stellen en door proefvaarten te houden.

Artikel 23

1.
Voor de beoordeling van de stabiliteit van een passagiersschip, een veerboot of een zeilend passagiersschip wordt het schip - indien het een eerste onderzoek betreft - aan een hellingproef onderworpen.
2.
Indien de uitkomsten van de hellingproef van een zusterschip van een passagiersschip, een veerboot of een zeilend passagiersschip beschikbaar zijn en daaraan voldoende stabiliteitsgegevens kunnen worden ontleend, kan de inspecteur-generaal toestaan dat een hellingproef achterwege blijft.
3.
Voor de beoordeling van de stabiliteit van vrachtschepen, sleepboten, duwboten, rijksvaartuigen en bunkerstations kan de inspecteur-generaal bepalen dat een hellingproef wordt gehouden, indien de inrichting of de bijzondere bestemming van het schip daartoe aanleiding geeft.
4.
De hellingproef wordt door of namens de eigenaar gehouden in aanwezigheid van de daartoe bevoegde ambtenaar van de divisie Scheepvaart.

Artikel 24

1.
Bij belangrijke schade, herstellingen, verbouwingen of andere ingrijpende wijzigingen en bij vermoeden van ernstige gebreken aan een schip met een certificaat of een communautair certificaat wordt een bijzonder onderzoek ingesteld.
2.
Het bijzonder onderzoek omvat een onderzoek van de constructie, de werktuigen en uitrusting van het schip, voor zover deze betrokken zijn bij de schade, de herstelling, de verbouwing, de wijziging of de gebreken. Tevens kan de stabiliteit worden beoordeeld.
3.
Indien het een bijzonder onderzoek van een passagiersschip, een veerboot of een zeilend passagiersschip betreft kan de inspecteur-generaal bepalen dat een hellingproef wordt gehouden.

§ 4. Gebruik van het schip op binnenwateren

Artikel 25

1.
Nadat een onderzoek of bijzonder onderzoek is beëindigd, dient de toestand van het schip en de uitrusting te worden gehandhaafd in overeenstemming met de vermeldingen in het certificaat.
2.
Het schip mag slechts gebruikt worden voor de bestemming en op de binnenwateren, waarvoor het blijkens het certificaat geldig of geschikt is bevonden.
3.
Bij het gebruik van het schip dienen in acht genomen te worden het vrijboord en de regelen ten aanzien van de belading, het stuwen, de stabiliteit en het gebruik, die in het certificaat zijn aangegeven voor de binnenwateren waarop door het schip wordt gevaren.
4.
Aan boord van een passagiersschip, een veerboot of een zeilend passagiersschip mogen niet meer passagiers worden toegelaten dan het ten hoogste toegestane aantal volgens het certificaat.
5.
Bij het gebruik van het schip dient de in het certificaat vermelde uitrusting in deugdelijke staat op de daarvoor bestemde plaatsen aan boord te zijn.

Artikel 26

Ter bevordering van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan boord van schepen bij gebruik op de binnenwateren

a.
moeten de inrichting en uitrusting van die schepen voldoen aan de regelen, opgenomen in de hoofdstukken 8 en 11 van bijlage II alsmede aan door Onze Ministers aangewezen andere regelen, opgenomen in bijlage II;
b.
moeten met betrekking tot de arbeid aan boord van die schepen de regelen in acht genomen worden, die zijn opgenomen in bijlage IV.

Artikel 27

1.

De toezichthoudende ambtenaar die vaststelt dat aan boord van een schip een voor dat schip vereist document van deugdelijkheid ontbreekt of niet geldig is, dan wel dat de op het document vermelde gegevens afwijken van de werkelijke toestand, stelt de inspecteur-generaal op de hoogte van zijn bevindingen.

2.

De eigenaar van het schip of diens vertegenwoordiger dient deze situatie te verhelpen en richt zich daarbij naar eventueel door de inspecteur-generaal voorgeschreven maatregelen, te nemen in overeenstemming met de ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Binnenschepenwet, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren, indien het de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan boord betreft.

3.

De ambtenaar van de divisie Scheepvaart of de ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Binnenschepenwet, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren, die de vaart met een schip onderbreekt omdat de staat waarin het schip zich bevindt zodanig is dat de veiligheid van het schip en de opvarenden onmiddellijk gevaar loopt, handelt op de in het eerste lid bedoelde wijze.

4.

De inspecteur-generaal beslist zo spoedig mogelijk of een bijzonder onderzoek zal worden ingesteld. Hij kan ook maatregelen voorschrijven ertoe strekkende de redenen voor het onderbreken van de vaart weg te nemen dan wel maatregelen voorschrijven op grond waarvan het schip zonder gevaar, eventueel na beëindiging van zijn reis, kan doorvaren tot de plaats waar het zal worden onderzocht of hersteld. Indien het de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan boord betreft, neemt het hoofd van de scheepvaartinspectie zijn beslissing in overeenstemming met de ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Binnenschepenwet, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren.

5.

Indien het een in het buitenland teboekstaand schip betreft dat is of moet zijn voorzien van een communautair certificaat of van een scheepsattest als bedoeld in richtlijn 76/135/EEG, doet de inspecteur-generaal de bevindingen toekomen aan de instantie die het communautaire certificaat of het scheepsattest heeft afgegeven of had moeten afgeven.

§ 5. Erkenning van buitenlandse documenten van deugdelijkheid

Artikel 28

1.

Scheepsattesten afgegeven ingevolge richtlijn 76/135/EEG, worden erkend, voor zover het scheepsattest niet meer dan vijf jaren te voren is afgegeven of verlengd en de geldigheidsduur niet verstreken is.

2.

De erkenning van scheepsattesten voor vrachtschepen, sleepboten en duwboten geldt voor de vaart op alle in Nederland gelegen binnenwateren.

3.

De erkenning van scheepsattesten voor passagiersschepen en zeilende passagiersschepen geldt voor de in Nederland gelegen zones 3 en 4 en, indien het schip tevens voldoet aan de desbetreffende regelen voor zone 2 van bijlage III, voor de in Nederland gelegen zone 2.

4.

Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op veerboten, met dien verstande dat de erkenning voor de in artikel 1, eerste lid, onder r , genoemde wateren van zone 2 slechts geldt, indien het schip tevens voldoet aan de desbetreffende regelen van bijlage V.

Artikel 29

1.
Onze Minister kan voor de toepassing van artikel 4, eerste lid, onder c, van de Binnenschepenwet een document erkennen dat door een bevoegde autoriteit van een andere staat - niet zijnde een Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of een van de overige Staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte - is afgegeven ten bewijze van de deugdelijkheid van een aldaar teboekstaand schip.
2.
Erkenning van het in het eerste lid bedoelde document van deugdelijkheid vindt plaats indien het naar het oordeel van Onze Minister voldoende waarborg biedt voor de deugdelijkheid van het schip.

Artikel 30

Een in artikel 29 genoemd document van deugdelijkheid wordt erkend voor in Nederland gelegen binnenwateren van de zones 2, 3 of 4 naar gelang het document naar het oordeel van Onze Minister voldoende waarborg biedt voor de veiligheid van de vaart op die wateren.

Artikel 31

De erkenning kan betrekking hebben op een enkel document van deugdelijkheid of op een groep gelijke documenten.

Artikel 31a

1.
Met het certificaat ten behoeve van passagiersschepen, veerboten, rijksvaartuigen, zeilende passagiersschepen of bunkerstations wordt gelijkgesteld een document van deugdelijkheid, afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat in de Europese Unie dan wel in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, welk document is afgegeven op basis van onderzoekingen die ten minste aan gelijkwaardige eisen voldoen.
2.
Met de in de bijlagen III, V, VI, VII en VIII van dit besluit vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

§ 6. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 32

Onze Minister in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt een tijdschema vast voor het eerste onderzoek van bestaande vrachtschepen, sleepboten en duwboten.

Artikel 33

1.
Het in artikel 32 bedoelde tijdschema omvat een periode gerekend vanaf één jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit en eindigend op 1 juli 1998.
2.
Het tijdschema kan met een periode van zeven jaren worden verlengd voor schepen waarvan de bouw op 1 januari 1970 is begonnen of voltooid en die bestemd zijn om uitsluitend in Nederland te worden gebruikt.
3.
Het tijdschema wordt ter kennis gebracht van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen en van de overige Staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

Artikel 34

Onze Minister in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt voor het eerste onderzoek van bestaande passagiersschepen een afzonderlijk tijdschema vast.

Artikel 35

Het eerste onderzoek van bunkerstations die op 1 februari 2002 in bedrijf zijn vindt plaats voor 1 februari 2007.

Artikel 36

Mits voorzieningen zijn getroffen, die naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal voldoende waarborg bieden voor de veiligheid van het schip en de opvarenden, dan wel naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal in overeenstemming met de ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Binnenschepenwet, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren voldoende waarborg bieden voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan boord, zijn bij het onderzoek van bestaande vrachtschepen, sleepboten en duwboten niet van toepassing:

a.
de regelen opgenomen in de tweede kolom van de tabel van artikel 13.01 van bijlage II;
b.
de regelen van artikel 7.03, zesde lid, van bijlage II, mits wordt voldaan aan het gestelde in artikel 13.02 van bijlage II en behoudens het bepaalde in artikel 37; en
c.
de regelen van artikel 11.16 van bijlage II met betrekking tot het hekwerk, mits wordt voldaan aan het gestelde in artikel 13.03 van bijlage II en behoudens het bepaalde in artikel 37.

Artikel 37

Bij het onderzoek van bestaande vrachtschepen, sleepboten en duwboten zijn gedurende vijf jaren vanaf de datum van het eerste onderzoek, bedoeld in artikel 32, niet van toepassing de regelen opgenomen in de eerste kolom van de tabel van artikel 13.01 van bijlage II.

Artikel 38

Bij het onderzoek van bestaande vrachtschepen, sleepboten en duwboten zijn gedurende drie jaren vanaf de datum van het eerste onderzoek, bedoeld in artikel 32, niet van toepassing de regelen van de artikelen 8.01 tot en met 8.14 van bijlage II.

Artikel 39

Bij het onderzoek van bestaande vrachtschepen, sleepboten en duwboten zijn gedurende één jaar vanaf de datum van het eerste onderzoek, bedoeld in artikel 32, niet van toepassing de regelen van bijlage II, niet genoemd in de artikelen 36, 37 en 38.

Artikel 40

In afwijking van het bepaalde in de artikelen 36 tot en met 39 zijn de regelen van artikel 11.01, tweede, vierde en vijfde lid, van bijlage II bij het onderzoek van bestaande schepen van toepassing.

Artikel 41

In afwijking van het bepaalde in artikel 39 zijn bij het onderzoek van bestaande vrachtschepen, sleepboten en duwboten, die op 1 juni 1985 zijn ingericht voor het voeren van het schip door een persoon met behulp van radar, de regelen van hoofdstuk 9 van bijlage II van toepassing.

Artikel 42

1.
Bij het onderzoek van bestaande passagiersschepen, veerboten en zeilende passagiersschepen zijn de regelen opgenomen in de tweede kolom van de tabel van artikel 11.02 van bijlage III niet van toepassing, mits voorzieningen zijn getroffen, die naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal voldoende waarborg bieden voor de veiligheid van het schip en de opvarenden, dan wel naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal in overeenstemming met de ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Binnenschepenwet, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren voldoende waarborg bieden voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan boord en met inachtneming van het bepaalde in het volgende lid.
2.
De regelen van hoofdstuk 2, van de artikelen 3.01, eerste lid, 3.02, derde en vierde lid, 3.03, tweede en derde lid, 4.06 en van hoofdstuk 8 van bijlage III zijn bij het onderzoek van bestaande passagiersschepen, veerboten en zeilende passagiersschepen niet van toepassing behoudens het bepaalde in de artikelen tot en met 11.06 van bijlage III.
3.
Bij het onderzoek van bestaande passagiersschepen, veerboten en zeilende passagiersschepen zijn met betrekking tot de regelen van de artikelen 7.02, eerste en tweede lid, en 7.04 van bijlage III de overgangsbepalingen van de artikelen 11.07 en 11.08 van bijlage III van toepassing.

Artikel 43

Bij het onderzoek van bestaande passagiersschepen, veerboten en zeilende passagiersschepen zijn gedurende vijf jaren vanaf de datum van het eerste onderzoek de regelen opgenomen in de eerste kolom van de tabel van artikel 11.02 van bijlage III niet van toepassing.

Artikel 44

Bij het onderzoek van bestaande passagiersschepen zijn gedurende één jaar vanaf de datum van het eerste onderzoek, bedoeld in artikel 34, de regelen van bijlage III, niet genoemd in de artikelen 42, eerste en tweede lid, en 43, niet van toepassing.

Artikel 45

Bij verbouwing van een bestaand schip en bij vervanging van onderdelen of van de uitrusting van een bestaand schip zijn de regelen van bijlage II en III onverkort van toepassing op hetgeen verbouwd of vervangen wordt.

Artikel 46

1.
De inspecteur-generaal kan niet toepassing van regelen toestaan bij het eindigen van de termijnen, bedoeld in de artikelen 37, 38, 39, 41, 43 en 44 en bij toepassing van de artikelen 36, 40, 42 en 45, indien toepassing van deze regelen in de praktijk niet uitvoerbaar blijkt of onevenredig hoge kosten met zich meebrengt.
2.
De in het eerste lid bedoelde niet toepassing van regelen wordt slechts toegestaan, mits voorzieningen zijn getroffen, die naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal voldoende waarborg bieden voor de veiligheid van het schip en de opvarenden, dan wel naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal in overeenstemming met de ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Binnenschepenwet, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren voldoende waarborg bieden voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan boord.

Artikel 47

Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dan wel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met Onze Minister kunnen nadere regelen worden gegeven ter uitvoering van dit besluit.

Artikel 48

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 49

Dit besluit kan worden aangehaald als "Binnenschepenbesluit".

 

 

     Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

 

Tavarnelle, 16 juli 1987

 

BEATRIX

 

De Minister van Verkeer en Waterstaat a.i.,
R.W. de Korte

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. de Koning

 

Uitgegeven de twaalfde november 1987
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes

 

 

Bijlage I van het Binnenschepenbesluit

 

Lijst van binnenwateren van het communautaire net, ingedeeld in de zones 1, 2, 3 en 4

Nederland

Zone 2:

-

Dollard,

-

Eems,

-

Waddenzee met inbegrip van de verbindingen met de Noordzee,

-

IJsselmeer met inbegrip van het Markermeer en het IJmeer, met uitzondering van de Gouwzee,

-

Nieuwe Waterweg en het Scheur,

-

Calandkanaal ten westen van de Beneluxhaven,

-

Breediep, Beerkanaal en de op het Beerkanaal aansluitende havens,

-

Hollandsch Diep,

-

Haringvliet en Vuile Gat met inbegrip van de waterwegen tussen Goeree-Overflakkee enerzijds en Voorne-Putten en Hoeksche Waard anderzijds,

-

Volkerak,

-

Krammer,

-

Grevelingenmeer en Brouwershavensche Gat met inbegrip van de waterwegen tussen Schouwen-Duiveland enerzijds en Goeree-Overflakkee anderzijds,

-

Keten, Mastgat, Zijpe, Krabbenkreek, Oosterschelde en Roompot met inbegrip van de waterwegen tussen Walcheren, Noord-Beveland en Zuid-Beveland enerzijds en Schouwen-Duiveland en Tholen anderzijds, met uitzondering van het Schelde-Rijnkanaal,

-

Schelde, Westerschelde en de zeemonding daarvan met inbegrip van de waterwegen tussen Zeeuwsch-Vlaanderen enerzijds en Walcheren en Zuid-Beveland anderzijds, met uitzondering van het Schelde-Rijnkanaal.

Zone 3:

-

Sneekermeer, Koevordermeer, Heegermeer, Fluessen, Slotermeer, Tjeukemeer.

-

Beulakkerwijde, Belterwijde, Ramsdiep, Zwartemeer, Ketelmeer,

-

Veluwemeer, Eemmeer, Gooimeer,

-

Alkmaardermeer, Gouwzee, Buiten-IJ, Afgesloten IJ, Noordzeekanaal, Havens van IJmuiden,

-

Havengebied van Rotterdam, Europoort, Calandkanaal en Hartelkanaal,

-

Nieuwe Maas,

-

Oude Maas, Noord, Beneden Merwede, Nieuwe Merwede, Dordtsche Kil, Boven Merwede,

-

Waal, Bijlandsch Kanaal, Boven Rijn, Pannerdensch Kanaal, Neder Rijn, Lek,

-

Geldersche IJssel,

-

Amsterdam-Rijnkanaal,

-

Veerse meer,

-

Schelde-Rijnkanaal vanaf de landsgrens tot aan de uitmonding in het Volkerak,

-

Amer, Bergsche Maas,

-

Maas beneden Venlo.

Zone 4:

-

Alle overige rivieren, kanalen en meren, niet genoemd onder de zones 2 en 3.

België

Zone 3:

-

Zeeschelde beneden Antwerpen.

Zone 4:

-

Alle overige waterwegen, niet genoemd onder de zone 3.

Bondsrepubliek Duitsland

Zone 1:

-

Ems: van de verbindingslijn tussen de oude vuurtoren van Delfzijl en de lichtopstand van Knock zeewaarts tot 54°30" noorderbreedte en 6°45" oosterlengte, met inachtneming van het Samenwerkingsverdrag Ems-Dollard.

Zone 2:

-

Ems: van de verbindingslijn van de haveningang naar Papenburg over de Ems, tussen het Diemer Schöpfwerk en de dijksluis bij Halte tot aan de verbindingslijn tussen de oude vuurtoren van Delfzijl en de lichtopstand van Knock, met inachtneming van het Samenwerkingsverdrag Ems-Dollard,

-

Jade: binnenwaarts van de verbindingslijn tussen de vuurtoren Schillighörn en de kerktoren van Langwarden,

-

Weser: van de spoorbrug in Bremen tot aan de verbindingslijn tussen de kerktorens van Langwarden en van Cappel met de zijarm Schweiburg, met inbegrip van de zijarmen Kleine Weser, Rekumer-Loch en de rechter zijarm,

-

Elbe: van de onderste grens van de haven van Hamburg tot de verbindingslijn tussen de Kugelbake bij Döse en de noordwestelijke punt van het Hohes Ufer (Dieksand) met de zijrivieren Este, Lühe, Schwinge, Oste, Pinnau, Krückau en Stör (telkens van de vloedkering tot aan de monding) en met inbegrip van de Zij-Elbe,

-

Meldorfer Bucht: binnenwaarts van de verbindingslijn van de noordwestelijke punt van het Hohes Ufer (Dieksand) tot het westelijke havenhoofd Büsum,

-

Flensburger Förde: binnenwaarts van de verbindingslijn tussen de vuurtoren Kekenis en Birknack,

-

Eckernförder Bucht: binnenwaarts van de verbindingslijn van Bocknis-Eck tot de noordoostelijke punt van het vasteland bij Dänisch Nienhof,

-

Kieler Förde: binnenwaarts van de verbindingslijn tussen de vuurtoren van Bülk en het marinegedenkteken Laboe,

-

Leda: van de ingang tot de voorhaven van de zeesluis van Leer tot aan de monding,

-

Hunte: van de haven Oldenburg en van 200 m beneden de Amalienbrug in Oldenburg tot aan de monding,

-

Lesum: van de spoorbrug in Bremen-Burg tot aan de monding,

-

Este: van de afsluiting bij Buxtehude tot aan de vloedkering Este,

-

Lühe: van de molen 250 m boven het viaduct op de Marschdamm in Horneburg tot aan de vloedkering Lühe,

-

Schwinge: van de voetgangersbrug beneden het Güldensternbastion in Stade tot aan de vloedkering Schwinge,

-

Freiburger-Hafenpriel: van de sluizen bij Freiburg/Elbe tot aan de monding,

-

Oste: van Mühlenwehr Bremervörde tot aan de vloedkering Oste,

-

Pinnau: van de spoorbrug in Pinneberg tot aan de vloedkering Pinnau,

-

Krückau: van de watermolen in Elmshorn tot aan de vloedkering Krückau,

-

Stör: van Pegel Rensing tot aan de vloedkering Stör,

-

Eider: van het Gieselaukanaal tot aan de vloedkering Eider,

-

Nord-Ostsee-Kanal: van de verbindingslijn tussen de havenhoofden in Brunsbüttel tot aan de verbindingslijn tussen de toegangsbakens in Kiel-Holtenau met Schirnauer See, Bergstedter See, Audorfer See, Obereidersee met Enge, Achterwehrer Schiffahrtskanal en Flemhuder See,

-

Trave: van de spoorbrug en de Holstenbrug (Stadttrave) in Lübeck tot aan de verbindingslijn van de beide uiterste havenhoofden bij Travemünde met de Pötenitzer Wiek en de Dassower See,

-

Schlei: binnenwaarts van de verbindingslijn van de havenhoofden Schleimünde.

Zone 3:

-

Donau: van Kelheim (km 414,60) tot aan de Duits-Oostenrijkse grens,

-

Rhein: van de Duits-Zwitserse grens tot aan de Duits-Nederlandse grens,

-

Elbe: van de uitmonding van het Elbe-Seiten-Kanaal tot aan de ondergrens van de haven van Hamburg.

Zone 4:

-

Alle overige waterwegen, niet genoemd onder de zones 1, 2, en 3.

Frankrijk

Zone 2:

-

Seine: stroomafwaarts van de Jeanne d’Arc-Brug in Rouen,

-

Garonne en Gironde: stroomafwaarts van de stenen brug te Bordeaux,

-

Rhône: stroomafwaarts van de Trinquetaille-brug te Arles en verder naar Marseille.

Zone 3:

-

Rhin.

Zone 4:

-

Alle overige waterwegen, niet genoemd onder de zones 2 en 3.

Italië

Zone 4:

-

Po: van Piacenza tot aan de monding,

-

Milaan-Cremona-Pokanaal: het op de Po aansluitende gedeelte van 15 km,

-

De Mincio-rivier: van Mantova, Governolo tot de Po,

-

Waterweg van Ferrara: van de Po (Pontelagoscuro), Ferrara tot Porto Garibaldi,

-

Kanalen van Brondolo en Valle: van de Po di Levante tot de Laguna di Venezia,

-

Kanaal Fissero - Tartaro - Canalbianco: van de Adriatische Zee tot de Po di Levante,

-

Litoranea Veneta: van de Laguna di Venezia tot Grado.

Luxemburg

Zone 4:

-

Moselle.

Zweden

Zone 2:

-

Trollhätte kanal en Göta älv,

-

Vänern,

-

Södertälje kanal,

-

Mälaren,

-

Falsterbo kanal,

-

Sotenkanalen.

Zone 3:

-

Göta kanal,

-

Vättern.

Zone 4:

-

Alle overige rivieren, kanalen en meren, niet genoemd onder de zones 2 en 3.

Oostenrijk

Zone 3:

-

Donau: van de Oostenrijks-Duitse grens tot aan de Oostenrijks-Tsjechische grens.

Polen

Zone 1:

Het deel van de Pomorska-baai ten zuiden van de lijn tussen Nord Perd op het eiland Rugen en de vuurtoren Niechorze,

het deel van de Gdańska-baai ten zuiden van de lijn tussen de vuurtoren Hel en het baken dat de toegang tot de haven van Baltijsk markeert.

Zone 2:

Szczecin-baai,

Kamień-baai,

Wisla-baai,

Puck-baai,

Wloclawski-reservoir,

Śniardwy-meer,

Niegocin-meer,

Mamry-meer.

Zone 3:

Biebrza vanaf de monding van het Augustowskikanaal tot de monding van de Narwia,

Brda vanaf de verbinding met het Bydgoski-kanaal in Bydgoszcz tot de monding van de Wisla,

Bug vanaf de monding van de Muchawiec tot de monding van de Narwia,

Dąbie-meer tot de grens met de binnenzee,

Augustowski-kanaal vanaf de verbinding met de Biebrza tot de staatsgrens, samen met de meren die langs dit kanaal liggen,

Bartnicki-kanaal vanaf het Ruda Woda-meer tot het Bartężek-meer, samen met het Bartężek-meer,

Bydgoski-kanaal,

Elbląski-kanaal vanaf het Druzno-meer tot het Jeziorakmeer en het Szeląg Wielki-meer, samen met die meren en met de meren die langs het kanaal liggen, en een zijkanaal in de richting van Zalewo vanaf het Jeziorak-meer tot en met het Ewingi-meer,

Gliwicki-kanaal samen met het Kędzierzyński-kanaal,

Jagielloński-kanaal vanaf de verbinding met de Elbląg tot de Nogat,

Lączański-kanaal,

Ślesiński-kanaal met de meren langs de loop van dit kanaal en het Goplomeer,

Żerański-kanaal,

Martwa Wisla vanaf de Wisla in Przegalina tot de grens met de binnenzee,

Narew vanaf de monding van de Biebrza tot de monding van de Wisla, samen met het Zegrzyński-meer,

Nogat vanaf de Wisla tot de monding van de Wislabaai,

(bovenloop van de) Noteæ-rivier vanaf het Goplo-meer tot de verbinding met het Górnonotecki-kanaal en de (benedenloop van de) Noteæ vanaf de verbinding met het Bydgoski-kanaal tot de monding van de Warta,

Nysa Lużycka vanaf Gubin tot de monding van de Odra,

Odra vanaf Racibórz tot de verbinding met de oostelijke Odra die overgaat in de Regalica vanaf de Klucz-Ustowo-doorsteek, samen met die rivier en de zijtakken ervan naar het Dąbie-meer, alsmede een zijtak van de Odra vanaf de sluis van Opatowice tot de sluis in Wroclaw,

westelijke Odra vanaf een dam in Widuchowa (704,1 km van de Odra) tot een grens met de binnenzee, samen met de zijtakken en de Klucz-Ustowo-doorsteek die de oostelijke met de westelijke Odra verbindt,

Parnica en de Parnica-doorsteek vanaf de westelijke Odra tot een grens met de binnenzee,

Pisa vanaf het Roś-meer tot de monding van de Narew,

Szkarpawa vanaf de Wisla tot de monding van de Wislabaai,

Warta vanaf de baai van Ślesiński tot de monding van de Odra,

Wielkie Jeziora Mazurskie-systeem, dat de meren omvat die worden verbonden door de rivieren en kanalen die de hoofdroute uitmaken tussen het Roś-meer (inclusief) in Pisz en het Węgorzewski-kanaal (inclusief dat kanaal) in Węgorzewo, samen met de volgende meren:

Seksty, Mikolajskie, Talty, Taltowisko, Kotek, Szymon, Szymoneckie, Jagodne, Boczne, Tajty, Kisajno, Dargin, Labap, Kirsajty en Święcajty, samen met het Giżycki-, het Niegociński- en het Piękna Góra-kanaal, alsmede een zijtak vanaf het Ryńskie-meer (inclusief) in Ryn tot het Nidzkiemeer (tot 3 km, waar een grens is getrokken met het reservaat van het Nidzkie-meer), samen met de volgende meren: Beldany, Guzianka Mala en Guzianka Wielka,

Wisla vanaf de monding van de Przemsza tot de verbinding met het Lązański-kanaal en vanaf de monding van dat kanaal in Skawina tot de monding van de Wisla tot aan de baai van Gdańsk, met uitsluiting van het Wloclawski-reservoir.

Zone 4:

– Alle overige waterwegen, niet genoemd onder zones 1, 2 en 3.

Tsjechië

Zone 2:

– Dam Lipno-meer.

Zone 3:

Labe: van de sluis Ústí nad Labem-Střekov tot de sluis Lovosice,

Dam-meren: Baška, Brnĕnská (Kníničky), Horka (Stráž pod Ralskem), Hracholusky, Jesenice, Nechranice, Olešná, Orlík, Pastviny, Plumov, Rozkoš, Seč, Skalka, Slapy, Trĕlicko, Žermanice,

Panden: Oleksovice, Svĕt, Velké Dářko.

Zone 4:

– Alle overige waterwegen, niet genoemd onder zones 1, 2 en 3.

Hongarije

Zone 2:

– Balaton-meer.

Zone 3:

Donau: van rkm 1812 tot rkm 1433,

Donau Moson: van rkm 14 tot rkm 0,

Donau Szentendre: van rkm 32 tot rkm 0,

Donau Ráckeve: van rkm 58 tot rkm 0,

Tisza (rivier): van rkm 685 tot rkm 160,

Dráva (rivier): van rkm 198 tot rkm 70,

Bodrog (rivier): van rkm 51 tot rkm 0,

Kettős Körös (rivier): van rkm 23 tot rkm 0,

Hármas Körös (rivier): van rkm 91 tot rkm 0,

Sió-kanaal: van rkm 23 tot rkm 0,

Velence-meer,

Fertő-meer.

Zone 4:

– Alle overige waterwegen, niet genoemd onder zones 2 en 3.

Slowakije

Zone 3:

– Donau: van Devín (km 1880,26) tot de Slowaaks-Hongaarse grens.

Zone 4:

– Alle overige waterwegen, niet genoemd onder zone 3.

Litouwen

Zone 4:

– Het volledige Litouwse waterwegennet.

Bulgarije

Zone 3:

– Donau: van rkm 845,650 tot rkm 374,100.

Roemenië

Zone 3:

Donau: van de grens tussen Servië en Montenegro en Roemenië (km 1075) tot de Zwarte Zee op de Sulina-arm,

Donau-Zwarte Zee-kanaal (64,410 km lengte): van de verbinding met de Donau op km 299,300 van de Donau te Cernavodă (respectievelijk km 64 en km 410 van het kanaal), tot de haven van Constanta Zuid – Agigea (km «0» van het kanaal),

kanaal Poarta Albă-Midia Năvodari (34,600 km lengte): van de verbinding met het Donau-Zwarte Zee-kanaal op km 29 en km 410 te Poarta Albă (respectievelijk km 27 en km 500 van het kanaal) naar de haven van Midia (km «0» van het kanaal).

Zone 4:

– Alle overige waterwegen, niet genoemd onder zone 3.

Bijlage II. van het Binnenschepenbesluit

Technische regelen voor vrachtschepen, sleepboten en duwboten

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1

Algemeen

1.01.

Toepassing van de regelen

Hoofdstuk 2

Scheepsbouwkundige eisen

2.01.

Algemene regel

2.02.

Scheepsromp

2.03.

Verwarmings-, kook- en koelinstallaties

2.04.

Verwarming met vloeibare brandstoffen met een vlampunt boven 55°C

2.05.

Verwarming met vaste brandstof

2.06.

Machinekamers, ketelruimen en bunkers

Hoofdstuk 3

Stuurinrichting en stuurhuis

3.01.

Algemene regelen

3.02.

Vermogen van de stuurinrichting

3.03.

Algemene regelen voor de constructie

3.04.

Mechanisch gedreven stuurinrichtingen

3.05.

Inschakeling van de tweede aandrijving

3.06.

Handaandrijving

3.07.

Hand-hydraulische aandrijving

3.08.

Hydraulische aandrijving

3.09.

Electrische aandrijving

3.10.

Roerpropeller- en Voith-Scheneiderinstallaties

3.11.

Afstandsbediening

3.12.

Roerstandaanwijzer

3.13.

Hulpstuurinrichting

3.14.

Vrij uitzicht vanuit het stuurhuis

3.15.

Geluidsniveau in het stuurhuis

3.16.

Electrisch gedeelte van de stuurinrichtingen

3.17.

Neerlaatbare stuurhuizen

Hoofstuk 4

Vrijboord, veiligheidsafstand en diepgangsschalen

4.01.

Definities

4.02.

Veiligheidsafstand

4.03.

Vrijboord

4.04.

Inzinkingsmerken

4.05.

Diepgangsschalen

Hoofdstuk 5

Werktuigbouwkundige eisen

5.01.

Algemene regelen

5.02.

Veiligheid

5.03.

Voortstuwingsinstallaties

5.04.

Uitlaatgassenleidingen van motoren

5.05.

Tanks, bunkers en pijpleidingen

5.06.

Lensinrichtingen

5.07.

Inrichting voor het verzamelen van afgewerkte olie

5.08.

Lieren

5.09.

Door schepen voortgebracht geluid

Hoofdstuk 6

Electrische installaties

6.01.

Algemene regelen

6.02.

Bescherming tegen aanraking en water

6.03.

Bescherming tegen explosie

6.04.

Aarding

6.05.

Ten hoogste toegestane spanningen

6.06.

Verdeelsystemen

6.07.

Walaansluiting

6.08.

Stroomlevering aan andere schepen

6.09.

Generatoren en motoren

6.10.

Accumulatoren

6.11.

Schakelinrichtingen

6.12.

Noodstopschakelaars

6.13.

Installatiemateriaal

6.14.

Kabels

6.15.

Verlichtingsinstallaties

6.16.

Navigatieverlichting

6.17.

Noodkrachtbron

Hoofdstuk 7

Uitrusting

7.01.

Ankergerei

7.02.

Overige uitrusting

7.03.

Brandbestrijdingsmiddelen

7.04.

Bijboten

7.05.

Reddingboeien en reddingvesten

Hoofstuk 8

Vloeibaar-gasinstallaties voor huishoudelijk gebruik

8.01.

Algemene regelen

8.02.

Installatie

8.03.

Gasflessen

8.04.

Opstelling en inrichting van de flessenkast

8.05.

Reserveflessen en lege flessen

8.06.

Drukregelaars

8.07.

Druk

8.08.

Buisleidingen en flexibele leidingen

8.09.

Distributienet

8.10.

Gebruiksapparaten en de opstelling daarvan

8.11.

Ventilatie en afvoer der verbrandingsgassen

8.12.

Gebruiks- en veiligheidsinstructies

8.13.

Keuring

8.14.

Wijze van keuring

8.15.

Aantekening in het certificaat

Hoofstuk 9

Bijzondere inrichting van het stuurhuis met het oog op het voeren van een schip met behulp van radar door één persoon

9.01.

Algemene regel

9.02.

Regelen betreffende de bouw

9.03.

Radarinstallatie en bochtaanwijzer

9.04.

Installaties voor het tonen en voeren van navigatie-lichten en het geven van geluidsseinen

9.05.

Installaties voor het besturen van het schip en het bedienen van de voortstuwingswerktuigen

9.06.

Installatie voor het bedienen van de hekankers

9.07.

Telefooninstallaties

9.08.

Alarminstallatie

9.09.

Andere controle-instrumenten

9.10.

Aantekening in het certificaat

Hoofdstuk 10

Bijzondere regelen voor schepen die zijn bestemd om deel uit te maken van een duwstel, een sleep of een gekoppeld samenstel

10.01.

Duwboten

10.02.

Duwbakken

10.03.

Motorschepen en sleepboten, die geschikt zijn om te duwen

10.04.

Proeven met duwstellen

10.05.

Schepen die geschikt zijn om te slepen

10.06.

Schepen die geschikt zijn om een gekoppeld samenstel voort te bewegen

Hoofdstuk 11

Hygiëne en veiligheid van verblijven en arbeidsplaatsen

11.01.

Algemene bepalingen

11.02.

Ligging en inrichting van verblijven

11.03.

Grootte van verblijven

11.04.

Leidingen in verblijven

11.05.

Toegangen, deuren en trappen van verblijven

11.06.

Vloeren, wanden en plafonds van verblijven

11.07.

Verwarming en ventilatie van verblijven

11.08.

Daglicht en verlichting van verblijven

11.09.

Meubilair in verblijven

11.10.

Keukens, eetruimten en proviandbergplaatsen

11.11.

Sanitaire installaties

11.12.

Drinkwaterinstallaties

11.13.

Veiligheid van arbeidsplaatsen in het algemeen

11.14.

Toegankelijkheid van arbeidsplaatsen

11.15.

Afmetingen van arbeidsplaatsen

11.16.

Beveiliging tegen vallen

11.17.

Toegangen, deuren en trappen van arbeidsplaatsen

11.18.

Vloeren, wanden, plafonds, ramen en schijnlichten van arbeidsplaatsen

11.19.

Ventilatie en verwarming van arbeidsplaatsen

11.20.

Daglicht en verlichting van arbeidsplaatsen

11.21.

Bescherming van arbeidsplaatsen tegen geluid en trillingen

Hoofdstuk 12

Aanvullende regelen voor schepen bij gebruik op de binnenwateren van de zones 2 en 3

12.01.

Schepen, duwstellen en gekoppelde samenstellen met een grootste lengte van meer dan 86 m

12.02.

Vrijboord, veiligheidsafstand en inzinkingsmerken

12.03.

Extra uitrustingseisen

12.04.

Bijzondere regelen voor schepen die zijn bestemd om deel uit te maken van een duwstel of een sleep

Hoofdstuk 13

Overgangsbepalingen

13.01.

Tabel

13.02.

CO2-blusinstallaties

13.03.

Relingen langs gangboord


Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1.01. Definities

In deze bijlage wordt verstaan onder: lengte Lwl: de lengte gemeten op het vlak van de grootste inzinking.

Artikel 1.02. Toepassing van de regelen

1. Vrachtschepen, sleepboten en duwboten die worden gebruikt op de binnenwateren van de zones 2 en 3 moeten voldoen aan de regelen van de hoofdstukken 2 tot en met 13 van deze bijlage.

2. Vrachtschepen, sleepboten en duwboten die worden gebruikt op de binnenwateren van zone 4 moeten voldoen aan de regelen van de hoofdstukken 2 tot en met 11 en 13 van deze bijlage.

3. Door Onze Minister wordt in de Staatscourant mededeling gedaan van aanvullende regelen, die op grond van het bepaalde in artikel 5 van richtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 oktober 1982 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, door de Bondsrepubliek Duitsland, door Frankrijk en door Zweden zijn vastgesteld.

4. Vrachtschepen, sleepboten en duwboten die worden gebruikt op de in de Bondsrepubliek Duitsland gelegen binnenwateren van de zones 1 en 2 en de op in Frankrijk en Zweden gelegen binnenwateren van zone 2 moeten voldoen aan de in het derde lid bedoelde aanvullende regelen.

Hoofdstuk 2. Scheepsbouwkundige eisen

Artikel 2.01. Algemene regel

De schepen moeten volgens goed scheepsbouwgebruik zijn gebouwd. Hun stabiliteit moet voldoende zijn voor het gebruik waarvoor zij zijn bestemd.

Artikel 2.02. Scheepsromp

1. De scheepsromp moet voldoende sterk zijn, teneinde bestand te zijn tegen alle belastingen die onder normale omstandigheden op de romp worden uitgeoefend. Wanneer het schip is voorzien van een certificaat of een desbetreffende verklaring van een erkend onderzoekingsbureau of wanneer een voldoende veiligheid kan worden aangetoond door overlegging van een sterkteberekening, wordt de sterkte van de scheepsromp voldoende geacht.

2. De waterinlaten en -uitlaten, alsmede de daarop aansluitende pijpleidingen, moeten zodanig zijn uitgevoerd dat elk ongewenst binnendringen van water in het schip onmogelijk is.

3. De volgende waterdichte schotten, die reiken tot tegen het dek of, wanneer er geen dek is, tot aan de bovenkant van het scheepsboord, moeten zijn aangebracht:

a.

een aanvaringsschot op een redelijke afstand van de voorsteven;

b.

een achterpiekschot op een redelijke afstand van de achtersteven.

Op schepen met een lengte van 25 m of minder mag het achterpiekschot achterwege worden gelaten.

4. Verblijven, machinekamers en ketelruimen, alsmede de eventueel daarbij behorende werkplaatsen, moeten waterdicht van de laadruimen zijn gescheiden.

5. Elke waterdichte afdeling die tijdens de vaart gewoonlijk niet luchtdicht is afgesloten, moet afzonderlijk kunnen worden gelensd.

6. Verblijven mogen zich niet voor het aanvaringsschot bevinden. Verblijven moeten van de machinekamers en ketelruimen gasdicht zijn gescheiden. Zij moeten rechtstreeks vanaf het dek toegankelijk zijn. Indien een dergelijke toegang niet aanwezig is, moet een extra nooduitgang direct naar het dek leiden.

7. De in het derde en vierde lid voorgeschreven schotten en andere begrenzingen van ruimten mogen niet van openingen zijn voorzien. Behalve in het aanvaringsschot zijn evenwel mangaten toegestaan, mits de mangatdeksels waterdicht met bouten zijn bevestigd. Deuren in het achterpiekschot, doorvoeringen van assen, pijpleidingen enzovoort zijn slechts toegestaan wanneer zij zodanig zijn uitgevoerd, dat de doelmatigheid van de betrokken schotten en andere begrenzingen niet nadelig wordt beïnvloed.

8. In afwijking van het vijfde en zevende lid mag de achterpiek met een machinekamer in verbinding staan door middel van een zelfsluitende aftapinrichting die gemakkelijk toegankelijk is.

Artikel 2.03. Verwarmings-, kook- en koelinstallaties

1. Verwarmings-, kook- en koelinstallaties met hun toebehoren moeten zodanig zijn uitgevoerd en opgesteld dat zij, ook bij oververhitting, geen gevaar opleveren. Zij moeten zodanig zijn gemonteerd, dat zij niet kunnen omvallen of onopzettelijk verschoven kunnen worden.

2. Wanneer de in het eerste lid bedoelde installaties met vloeibare brandstoffen werken, mogen alleen brandstoffen met een vlampunt boven 55° C worden gebruikt.

3. In afwijking van het tweede lid mogen kookapparaten en van pitbranders voorziene verwarmings- en koelapparaten, die op handelspetroleum werken, worden gebruikt in de verblijven en het stuurhuis, mits de inhoud van hun reservoir niet groter is dan 12 liter.

4. De in het eerste lid bedoelde installaties mogen niet zijn opgesteld in opslagruimten of machinekamers, waarin stoffen van de categorieën K1n, K1s of K2 van de klasse IIIa van het ANDR (Stb. 1977, 371) zijn opgeslagen of worden gebruikt.

5. De voor de verbranding noodzakelijke luchttoevoer moet gewaarborgd zijn. Ventilatoren voor de luchtverversing mogen niet van een afsluitinrichting zijn voorzien, tenzij op grond van andere ter zake geldende bepalingen een dergelijke inrichting is voorgeschreven.

6. Verwarmings- en kookapparaten moeten deugdelijk op de afvoergassenleidingen zijn aangesloten. Koelapparaten die op vloeibare brandstoffen werken, moeten eveneens van een afvoergassenleiding zijn voorzien.

Afvoergassenleidingen moeten zich in goede staat bevinden en van doelmatige windkappen zijn voorzien.

Schoorstenen moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat verstopping door verbrandingsprodukten wordt voorkomen en dat zij gereinigd kunnen worden. Er mogen geen afvoergassenleidingen door de in het vierde lid bedoelde ruimten en machinekamers zijn gevo erd.

Artikel 2.04. Verwarming met vloeibare brandstoffen met een vlampunt boven 55° C

1. Alle apparaten moeten zonder de hulp van andere brandbare vloeistoffen kunnen worden aangestoken.

Zij moeten zijn aangebracht boven een metalen lekbak van voldoende grootte, waarin per ongeluk uitstromende brandstof kan worden opgevangen. De inhoud van deze lekbak mag niet minder dan 2 liter en de randhoogte niet minder dan 0,02 m bedragen.

De apparaten moeten zijn voorzien van inrichtingen die bij eventueel uitdoven van de vlam de brandstoftoevoer automatisch afsluiten. Indien de brandstoftank gescheiden is van het apparaat, mag deze tank niet hoger zijn geplaatst dan volgens de gebruiksaanwijzing door de fabrikant is toegestaan. Deze tank moet zodanig zijn geplaatst, dat zij tegen ontoelaatbare verwarming is beschermd. De brandstoftoevoer moet vanaf het dek kunnen worden onderbroken. Brandstoftanks met een inhoud van meer dan 12 liter dienen buiten de verblijven te zijn opgesteld.

2. Indien een apparaat in de machinekamer is opgesteld moet een bord met bedieningsvoorschriften zijn aangebracht.

In de machinekamer moeten kachels met een verdampingsbrander boven een oliedichte bak waarvan de bovenrand tenminste 0,10 m boven de vloerplaat uitsteekt, zijn opgesteld. De hoogte van deze bak moet tenminste 0,20 m bedragen. De onderkant van de brander moet hoger dan de bovenrand van de lekbak liggen.

3. Indien een apparaat in een machinekamer is opgesteld, moeten de luchttoevoeren voor het apparaat en voor de motoren zodanig zijn, dat het apparaat en de motoren onafhankelijk van elkaar doelmatig en veilig kunnen functioneren. Indien nodig dienen gescheiden luchttoevoerkokers aanwezig te zijn.

4. Elk apparaat met natuurlijke trek moet zijn voorzien van een inrichting die terugslag van de trek verhindert.

Apparaten met kunstmatige trek moeten zijn voorzien van een inrichting die de toevoer van brandstof automatisch afsluit, wanneer de voor de verbranding noodzakelijke luchttoevoer wordt onderbroken.

5. Centrale verwarmingsapparaten met verstuivingsbranders moeten bovendien aan de volgende eisen voldoen:

a.

bij het in bedrijf stellen moet de ventilator eerst afzonderlijk functioneren, zodat de verbrandingsruimte goed wordt geventileerd;

b.

de brandstoftoevoer moet door een thermostatische regelaar worden geregeld;

c.

de ontsteking moet, al of niet door een waakvlam, automatisch geschieden;

d.

de ventilator en de inspuitpomp moeten buiten de opstellingsruimte op een gemakkelijk toegankelijke plaats kunnen worden afgezet;

e.

de kachel dient zodanig te zijn opgesteld, dat een uit de verbrandingsruimte terugslaande vlam geen andere delen van de machinekamerinstallatie kan bereiken.

6. Hete-luchtverwarmingsapparaten die in de machinekamer zijn opgesteld, moeten de verwarmingslucht van buiten de machinekamer aanzuigen.

Artikel 2.05. Verwarming met vaste brandstof

1. Verwarmingsapparaten die op vaste brandstof werken, moeten zodanig zijn opgesteld op een metalen plaat met opstaande randen, dat gloeiende brandstof of hete as niet buiten deze plaat kan geraken. Deze regel geldt niet, wanneer het apparaat is opgesteld in een speciaal daartoe bestemde ruimte die van onbrandbare materialen is gebouwd.

2. Verwarmingsketels die op vaste brandstof werken, moeten zijn voorzien van thermostatische regelaars voor de toevoer van de verbrandingslucht.

3. In de nabijheid van elk verwarmingsapparaat moeten middelen waarmee de hete as kan worden afgekoeld, aanwezig zijn.

Artikel 2.06. Machinekamers, ketelruimen en bunkers

1. Machinekamers en ketelruimen moeten zodanig zijn ingericht, dat het toezicht op en het onderhoud van de daarin aanwezige installaties gemakkelijk en zonder gevaar kunnen worden uitgevoerd.

2. Brandstofbunkers en smeerolietanks mogen met de verblijven geen gemeenschappelijke schotten hebben.

3. Schotten, dekken en deuren van machinekamers, ketelruimen en bunkers moeten van staal of een ander met betrekking tot onbrandbaarheid gelijkwaardig materiaal zijn gemaakt.

4. Machinekamers, ketelruimen en andere ruimten, waarin brandbare of giftige gassen kunnen vrijkomen, moeten voldoende kunnen worden geventileerd.

5. Trappen en ladders, die toegang geven tot machinekamers, ketelruimen en bunkers moeten vast zijn aangebracht en van staal of een ander met betrekking tot sterkte en onbrandbaarheid gelijkwaardig materiaal zijn vervaardigd.

6. Machinekamers en ketelruimen moeten twee uitgangen hebben. Een van deze uitgangen mag als nooduitgang zijn uitgevoerd.

7. Het ten hoogste toegelaten niveau van de geluidsdruk in de machinekamers bedraagt 110 dB(A). De meetpunten dienen te worden gekozen met inachtneming van de noodzakelijke bedieningswerkzaamheden tijdens het normale bedrijf van de installaties.

Indien het niveau van de geluidsdruk in een machinekamer meer dan 90 dB(A) bedraagt, moet bij elke toegang tot die ruimte een duidelijk geformuleerde waarschuwing zijn aangebracht.

Hoofdstuk 3. Stuurinrichting en stuurhuis

Artikel 3.01. Algemene regelen

1. Elk schip moet zijn voorzien van een betrouwbaar werkende stuurinrichting - waartoe eventueel ook een boegbesturingsinstallatie wordt gerekend - die een goede bestuurbaarheid garandeert. Hierbij moet rekening worden gehouden met het gebruik waarvoor het schip is bestemd en met de hoofdafmetingen van het schip.

2. De stuurinrichting moet zodanig zijn uitgevoerd, dat het roer niet onvoorzien van stand kan veranderen.

3. De functies van de bedieningsorganen en signaleringen in het stuurhuis moeten door symbolen of opschriften duidelijk zijn aangegeven.

Artikel 3.02. Vermogen van de stuurinrichting

De stuurinrichting moet, wat haar vermogen betreft, aan de volgende eisen voldoen:

a.

indien de stuurinrichting is voorzien van een handaandrijving, moet een omwenteling van het handstuurwiel overeenkomen met een roeruitslag van tenminste 3°;

b.

indien de stuurinrichting is voorzien van een mechanische aandrijving, moet bij de maximale indompeling van het roer en bij volle snelheid van het schip een gemiddelde hoeksnelheid van het roer van 4° per seconde over het volledige bereik van de mogelijke roeruitslag kunnen worden bereikt;

c.

indien de stuurinrichting is voorzien van een hulpstuurinrichting als bedoeld in artikel 3.13, moet bij de maximale indompeling van het roer en bij volle snelheid van het schip een gemiddelde hoeksnelheid van het roer van 3° per seconde over het bereik van de roeruitslag van 30° stuurboord tot 30° bakboord kunnen worden bereikt;

d.

indien de tweede aandrijving van een mechanisch gedreven stuurinrichting een handaandrijving is, moet het schip met behulp van deze handaandrijving met verminderde snelheid een aanlegplaats kunnen bereiken.

Artikel 3.03. Algemene regelen voor de constructie

1. De gehele stuurinrichting moet zodanig zijn ontworpen, gebouwd en uitgevoerd dat ook bij een permanente slagzij tot 15° en een omgevingstemperatuur tot 40° C een betrouwbare werking is gewaarborgd.

2. De onderdelen van de stuurmachine moeten zodanige afmetingen hebben en zodanig zijn uitgevoerd, dat alle krachten die bij het normale bedrijf op de machine worden uitgeoefend, kunnen worden opgenomen. Teneinde abnormale van buitenaf op het roer werkende krachten zo goed mogelijk te kunnen opnemen, mag de stuurmachine zelf in dat opzicht niet het zwakste onderdeel van de stuurinrichting zijn. Een stuurmachine die volgens de regelen van een erkend onderzoekingsbureau is gebouwd, kan als voldoende sterk worden beschouwd.

Artikel 3.04. Mechanisch gedreven stuurinrichtingen

1. Indien het schip is uitgerust met een mechanisch gedreven stuurinrichting, moet bij het uitvallen van de aandrijving onmiddellijk een voldoende bestuurbaarheid worden verzekerd door een tweede onafhankelijke aandrijving.

2. Mechanisch gedreven stuurinrichtingen moeten zijn voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die het door de aandrijving uitgeoefende koppel begrenst.

3. Het onopzettelijk uitschakelen of uitvallen van de mechanische aandrijving moet door een optisch en akoestisch signaal in het stuurhuis worden gemeld.

4. Indien een handstuurwiel aanwezig is, moet een inrichting het meedraaien van dat wiel ten gevolge van de mechanische aandrijving kunnen verhinderen.

Artikel 3.05. Inschakeling van de tweede aandrijving

1. Indien de tweede aandrijving van de stuurinrichting bij het uitvallen van de hoofdaandrijving niet automatisch wordt ingeschakeld, moet het inschakelen onmiddellijk en op eenvoudige wijze met de hand, bij elke willekeurige stand van het roer, kunnen worden uitgevoerd. Daartoe mogen niet meer dan twee handelingen die door een enkele persoon uitgevoerd kunnen worden, nodig zijn.

2. Het inschakelen moet binnen 5 seconden gebeurd kunnen zijn. Vanaf de stuurstelling moet duidelijk waarneembaar zijn welke inrichting in bedrijf is.

Artikel 3.06. Handaandrijving

1. Indien de tweede onafhankelijke aandrijving een handaandrijving is, moet deze bij uitschakelen of uitvallen van de mechanische aandrijving automatisch worden ingeschakeld of onmiddellijk vanaf de stuurstelling kunnen worden ingeschakeld. Klauwkoppelingen zijn daarbij slechts toegestaan, indien daarop tijdens het koppelen geen draaimoment wordt uitgeoefend.

2. Tijdens het automatisch inschakelen van de handaandrijving moet bij elke stand van het roer terugslag van het handstuurwiel verhinderd zijn.

Artikel 3.07. Hand-hydraulische aandrijving

1. Een hand-hydraulisch gedreven stuurinrichting is een inrichting waarbij de stuurmachine door een direct door het handstuurwiel aangedreven pomp (stuurwielpomp) wordt bekrachtigd.

2. Indien een hand-hydraulisch gedreven stuurinrichting de enige stuurinrichting is, wordt zij niet beschouwd als een "mechanisch gedreven stuurinrichting" in de zin van artikel 3.04, waarvoor een tweede onafhankelijke aandrijving vereist is, mits aan de volgende regelen is voldaan:

a.

de afmetingen, constructie en aanleg van de pijpleidingen moeten zodanig zijn, dat beschadiging door mechanische invloeden of brand is uitgesloten;

b.

door de constructie van de stuurwielpomp moet een onberispelijke werking zijn gewaarborgd.

Artikel 3.08. Hydraulische aandrijving

1. Indien de hoofdaandrijving en de tweede aandrijving beide hydraulisch zijn, moet voor elke van deze twee aandrijvingen een onafhankelijk aangedreven pomp beschikbaar zijn. Daartoe zijn onder anderen de volgende combinaties mogelijk:

a.

hoofdpomp gedreven door hoofdmotor en tweede pomp electrisch gedreven;

b.

hoofdpomp vanuit electrisch hoofdnet gedreven en tweede pomp vanuit electrisch noodnet;

c.

hoofdpomp door generator I gedreven en tweede pomp door generator II.

2. Indien de tweede pomp wordt aangedreven door een hulpmotor die gedurende de vaart niet continu in bedrijf is, moet een bufferinrichting de aandrijving van de tweede pomp gedurende de tijd van de startprocedure van de hulpmotor mogelijk maken.

3. Indien de hoofdaandrijving hydraulisch en de twee aandrijving hand-hydraulisch is, moet het leidingsysteem van de handaandrijving onafhankelijk van de hoofdaandrijving zijn. De bediening van de hoofdaandrijving moet onafhankelijk van de stuurwielpomp kunnen geschieden.

4. Pijpleidingen, kleppen, schuiven, bedieningsorganen enzovoort van elk van de twee inrichtingen moeten onafhankelijk van elkaar zijn. Indien echter een onafhankelijke werking van beide systemen op andere wijze is gewaarborgd, mogen zij gemeenschappelijke componenten hebben.

Artikel 3.09. Electrische aandrijving

1. Indien zowel de hoofdaandrijving als ook de tweede aandrijving electrisch zijn, moeten de voeding en bediening van de tweede aandrijving onafhankelijk van de hoofdaandrijving zijn. Elk van beide inrichtingen moet een eigen aandrijfmotor hebben.

2. Indien de voeding van de tweede aandrijving afhankelijk is van een hulpmotor die gedurende de vaart niet continu in bedrijf is, moet een bufferinrichting de voeding van de tweede aandrijfmotor gedurende de tijd van de startprocedure van de hulpmotor mogelijk maken.

Artikel 3.10. Roerpropeller- en Voith-Schneider-installaties

1. Indien de afstandsbediening van roerpropeller- of Voith-Schneider-installaties electrisch, hydraulisch of pneumatisch is, moeten vanaf de stuurstelling tot de propellerinstallatie twee onafhankelijke bedieningssystemen aanwezig zijn.

2. Bij twee of meer van elkaar onafhankelijke propellerinstallaties kan het tweede onafhankelijke bedieningssysteem achterwege blijven, mits het schip bij uitvallen of storing van één der installaties voldoende bestuurbaar blijft.

Artikel 3.11. Afstandsbediening

Inrichtingen voor afstandsbediening moeten, ook wanneer zij zich buiten het stuurhuis bevinden, vast zijn ingebouwd. Zij moeten, indien zij uitgeschakeld kunnen worden, zijn voorzien van een aanwijzing die duidelijk aangeeft of de betrokken inrichting "aan" of "uit" is. De opstelling van de bedieningsorganen en de bediening moeten overeenkomen met de functie daarvan.

Artikel 3.12. Roerstandaanwijzer

De stand van het roer moet vanaf de stuurstelling duidelijk zichtbaar zijn. Indien nodig moet een betrouwbare roerstandaanwijzer bij de stuurstelling aanwezig zijn.

Artikel 3.13. Hulpstuurinrichting

1. Een hulpstuurinrichting is een mechanisch gedreven hulpinrichting die voor de bekrachtiging van een handgedreven hoofdstuurinrichting is ingebouwd.

2. Indien een hulpstuurinrichting wordt toegepast, dient de verbinding tussen de hoofdstuurinrichting en de hulpstuurinrichting zodanig te zijn, dat bij het handsturen geen aanzienlijke vergroting van de op het stuurwiel uit te oefenen kracht nodig is.

3. Een hulpstuurinrichting moet bovendien aan de volgende regelen voldoen:

a.

de hulpstuurinrichting moet vanaf de stuurstelling bij elke willekeurige stand van het roer in- en uitgeschakeld kunnen worden. Het moet duidelijk zijn aangegeven of de inrichting "aan" of "uit" is;

b.

de electrische, hydraulische en pneumatische verbindingscomponenten tussen de hulpstuurinrichting en de handgedreven hoofdstuurinrichting moeten zodanig zijn, dat bij wegvallen van spanning of druk de mogelijkheid tot onmiddellijke bediening van de hoofdstuurinrichting niet nadelig wordt beïnvloed. Ook andere storingen in de hulpstuurinrichting mogen niet het uitvallen of blokkeren van de hoofdstuurinrichting tot gevolg hebben;

c.

de bestaande en de nieuw ingebouwde onderdelen van de hulpstuurinrichting moeten voldoen aan de voor stuurinrichtingen in dit hoofdstuk vastgelegde regelen.

4. De goede werking van de roerstandaanwijzer moet zowel bij het gebruik van de hoofd- als ook de hulpstuurinrichting gewaarborgd zijn.

Artikel 3.14

1. Het uitzicht vanaf het stuurhuis moet naar alle zijden voldoende vrij zijn.

2. De dode hoek voor de boeg van het lege schip met halve voorraden en zonder ballast mag voor de roerganger niet meer dan 250 m zijn. Optische hulpmiddelen als bedoeld in artikel 1.09 van het Binnenvaartpolitiereglement ter verkleining van de dode hoek worden bij het onderzoek niet in aanmerking genomen.

3.

a.

Het vrije gezichtsveld vanaf de plaats waar de roerganger zich gewoonlijk bevindt moet ten minste 240° van de horizon bedragen. Daarvan moet een gezichtsveld van ten minste 140° binnen de voorste halve cirkel liggen.

b.

In de normale zichtas van de roerganger mogen zich geen vensterstijlen, steunen of opbouwen bevinden.

c.

Indien, ook in het geval van een vrij zichtveld van 240° of meer, geen voldoende vrij uitzicht naar achteren is gewaarborgd, kan de inspecteur-generaal andere maatregelen eisen, zoals de inbouw van optische hulpmiddelen.

4. Door adequate hulpmiddelen moet zijn gewaarborgd, dat onder alle weersomstandigheden door de voorruiten helder zicht mogelijk is.

5. In stuurhuizen gebruikte ruiten moeten een minimale lichtdoorlaatbaarheid van 75% hebben.

Artikel 3.15. Geluidsniveau in het stuurhuis

Tijdens het normale bedrijf mag het niveau van de geluidsdruk, veroorzaakt door het eigen geluid van het schip, in het stuurhuis ter hoogte van het hoofd van de roerganger niet hoger zijn dan 70 dB (A).

Artikel 3.16. Electrisch gedeelte van de stuurinrichtingen

1. Het nominale vermogen van de electromotoren moet zijn afgeleid van het maximale koppel van de stuurmachine. Voor electro-hydraulische installaties moet het nominale vermogen van de electromotoren worden bepaald aan de hand van de grootste opbrengst van de pompen en de maximale druk in de stuurinrichting (de druk waarop de veiligheidskleppen zijn afgesteld), waarbij rekening moet worden gehouden met het rendement van de pomp.

2. De elektromotoren moeten tenminste aan de volgende regelen voldoen:

a.

voor stuurmachines met intermitterende belasting:

-

motoren van electro-hydraulische aandrijvingen, alsmede de bijbehorende omvormers, moeten voor continubedrijf met een belastingperiode en een inschakelduur van 15% zijn ontworpen; de duur van een arbeidsperiode moet daarbij op 10 minuten worden gesteld;

-

motoren voor de directe aandrijving van een stuurinrichting moeten voor het belaste bedrijf en een inschakelduur van 15%, waarbij de invloed van de zwaardere belasting gedurende de versnellingsperiode wordt verwaarloosd, zijn ontworpen; daarbij moet de duur van een arbeidsperiode op 10 minuten worden gesteld;

b.

voor stuurmachines met constante belasting:

-

de motoren moeten voor continu bedrijf van onbeperkte duur zijn ontworpen.

3. Hoofd- en stuurstroomkringen mogen alleen tegen kortsluiting zijn beveiligd. De stuurstroomkringen moeten zijn beveiligd met een veiligheid van ten hoogste twee maal de nominale stroom van de stuurstroomkring, evenwel met een veiligheid van tenminste 6 A nominaal.

4. De hoofdstroomkringen voor de voeding van de electromotoren moeten als volgt zijn beveiligd:

a.

bij toepassing van smeltveiligheden moet de waarde van de smeltveiligheid twee trappen hoger dan de nominale stroom van de electromotor zijn gekozen. Bij motoren voor kortstondige of intermitterende belasting mag de veiligheid echter niet meer dan 160% van het nominale vermogen bedragen;

b.

de kortsluitbeveiliging mag bij toepassing van maximaalschakelaars op niet meer dan tien maal de nominale stroom van de electromotor zijn ingesteld.

5. Wanneer in maximaalschakelaars thermische uitschakelinrichtingen aanwezig zijn, moeten deze buiten bedrijf zijn gesteld, dan wel op twee maal de nominale stroom van de electromotor zijn ingesteld.

6. Voor het electrische gedeelte van de stuurinrichtingen moeten de volgende signaleringen aanwezig zijn:

a.

een groene lamp die aangeeft of het aggregaat in bedrijf is;

b.

een rode lamp die gaat branden wanneer de stuurinrichting uitvalt, onopzettelijk wordt uitgeschakeld, wanneer de electromotor wordt overbelast en/of bij draaistroom-installaties fase-uitval plaatsvindt. Bij het branden van de rode lamp moet tegelijkertijd een akoestisch signaal worden gegeven. De signalering voor de fase-uitval mag achterwege blijven, wanneer de voeding uitsluitend via maximaalschakelaars geschiedt.

7. De voeding van een electrische roerstandaanwijzer moet onafhankelijk zijn van andere verbruikers.

Artikel 3.17. Neerlaatbare stuurhuizen

1. Indien een stuurhuis kan worden neergelaten, moet een inrichting aanwezig zijn die de toegang van personen tijdens het neerlaten of opheffen van het stuurhuis verhindert.

2. Wanneer de mogelijkheid bestaat, dat personen onder een stuurhuis met een mechanische neerlaat-inrichting kunnen geraken, moet bij het neerlaten automatisch een akoestisch waarschuwingssignaal worden gegeven. Dit signaal moet tijdig in werking komen opdat de gevarenzone veilig kan worden verlaten.

3. Indien een mechanische neerlaatinrichting uitvalt, moet het stuurhuis op een andere wijze veilig kunnen worden neergelaten.

Hoofdstuk 4. Vrijboord, veiligheidsafstand en diepgangschalen

Artikel 4.01. Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a.

lengte: de grootste lengte van de romp, roer en boegspriet niet inbegrepen;

b.

midscheeps: het midden van de lengte;

c.

spatwater- en regendicht: een zodanige uitvoering van constructiedelen en inrichtingen, dat zij onder normale omstandigheden slechts een onbeduidende hoeveeldheid water doorlaten.

Artikel 4.02. Veiligheidsafstand

De veiligheidsafstand moet tenminste bedragen:

a.

voor openingen en deuren, die tenminste spatwater- en regendicht kunnen worden gesloten, uitgezonderd ruimluiken: 0,15 m;

b.

voor openingen en deuren, die niet tenminste spatwater- en regendicht kunnen worden gesloten, uitgezonderd ruimluiken: 0,20 m;

c.

voor ruimluiken die tenminste spatwater- en regendicht kunnen worden gesloten: 0,30 m;

d.

voor ruimluiken die niet tenminste spatwater- en regendicht kunnen worden gesloten, dan wel niet gesloten zijn (open ruim): 0,50 m.

Artikel 4.03. Vrijboord

Het vrijboord dient zodanig te zijn, dat aan de regelen betreffende de veiligheidsafstand kan worden voldaan. Het vrijboord mag niet negatief zijn.

Artikel 4.04. Inzinkingsmerken

1. Het vlak van de grootste inzinking moet zodanig zijn vastgesteld, dat aan de regelen betreffende de veiligheidsafstand en het vrijboord wordt voldaan.

2. Het vlak van de grootste inzinking moet zijn aangegeven door duidelijk zichtbare en onuitwisbare inzinkingsmerken.

3. De inzinkingsmerken bestaan uit een rechthoek met een lengte van 0,30 m en een hoogte van 0,04 m, waarvan de basis horizontaal is en samenvalt met het vlak van de grootste inzinking. Deze merken mogen met de inzinkingsmerken volgens hoofdstuk 12, artikel 12.02.5, zijn gecombineerd.

4. Elk schip moet tenminste drie paar inzinkingsmerken hebben, waarvan één paar midscheeps en de twee andere paren op ongeveer een zesde van de lengte achter de voorsteven, respectievelijk vóór de achtersteven moeten zijn aangebracht.

Evenwel kan

-

voor schepen waarvan de lengte minder dan 40 meter bedraagt, met twee paar merken worden volstaan die op ongeveer een vierde van de lengte achter de voorsteven, respectievelijk vóór de achtersteven zijn aangebracht;

-

voor schepen die niet bestemd zijn voor het vervoer van goederen, met één paar merken worden volstaan die ongeveer midscheeps zijn geplaatst.

5. De inzinkingsmerken die na een nieuw onderzoek niet meer geldig zijn, moeten onder toezicht van of vanwege de inspecteur-generaal worden verwijderd of als ongeldig worden gekenmerkt.

Indien door welke oorzaak ook een inzinkingsmerk is verdwenen, mag dit slechts worden vervangen onder toezicht van of vanwege de inspecteur-generaal.

6. Indien het schip is gemeten overeenkomstig het Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978 (Stb. 1979, 358) en de ijkmerken op dezelfde hoogte liggen als de inzinkingsmerken, gelden deze ijkmerken als inzinkingsmerken.

Artikel 4.05. Diepgangsschalen

1. Elk schip waarvan de diepgang 1 meter of meer kan bedragen, moet aan het achterschip aan beide zijden van een diepgangsschaal zijn voorzien. Extra diepgangsschalen zijn toegestaan.

2. Het nulpunt van iedere diepgangsschaal moet loodrecht onder de schaal liggen in een vlak, evenwijdig aan het vlak van de grootste inzinking, dat door het laagste punt van de romp of, indien aanwezig, van de kiel gaat.

Vanaf het vlak door de waterlijn bij ledig schip tot 10 cm boven het vlak van de grootste inzinking moet de diepgangsschaal loodrecht boven het nulpunt en gemeten vanaf dit nulpunt in decimeters zijn ingedeeld. De indeling moet door ingehakte, ingeslagen of opgelaste merken zijn aangebracht en in de vorm van goed zichtbare, afwisselend in twee verschillende kleuren geschilderde verticale stroken zijn aangeduid. De indeling gemeten vanaf het nulpunt moet naast de schaal tenminste bij elke vijfde decimeter, alsmede aan het boveneinde, door cijfers zijn aangegeven.

3. De beide achterste ijkschalen die ter toepassing van het Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978 (Stb. 1979, 358) zijn aangebracht, kunnen als diepgangsschalen dienst doen, mits zij overeenkomstig het gestelde in het tweede lid zijn ingedeeld en van cijfers zijn voorzien.

Hoofdstuk 5. Werktuigbouwkundige eisen

Artikel 5.01. Algemene regelen

1. Alle machines alsmede de bijbehorende installaties moeten vakkundig zijn ontworpen, uitgevoerd en geïnstalleerd.

2. Stoomketels en andere drukvaten alsmede hun toebehoren moeten voldoen aan de regelen van een erkend onderzoekingsbureau.

3. Er mogen geen hoofd- of hulpmotoren die brandstoffen met een vlampunt beneden 55° C gebruiken, zijn geïnstalleerd. Motoren die brandstoffen met een vlampunt beneden 55° C gebruiken, zijn evenwel toegelaten voor de aandrijving van ankerlieren, draagbare motorpompen en bijboten.

4. Startinrichtingen die brandstoffen met een vlampunt beneden 55° C gebruiken, zijn toegelaten.

5. Voortstuwingsmotoren bestemd om te worden gemonteerd in dan wel gemonteerd in binnenschepen als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van het Besluit typekeuring luchtverontreiniging trekkers en motoren voor mobiele machines, voldoen voor wat betreft luchtverontreiniging aan het bepaalde in dat besluit.

Artikel 5.02. Veiligheid

1. Machines moeten zodanig zijn ingericht en opgesteld, dat zij voldoende toegankelijk zijn voor de bediening en het onderhoud en zij de personen die met die werkzaamheden zijn belast, niet in gevaar brengen.

2. Hoofdmotoren, hulpmotoren en stoomketels, alsmede hun toebehoren, moeten voorzien zijn van beschermende inrichtingen.

3. Motoren voor het aandrijven van pers- of zuigventilatoren moeten ook buiten de ruimte waarin deze motoren zijn opgesteld, uitgeschakeld kunnen worden.

Artikel 5.03. Voortstuwingsinstallaties

1. De voortstuwingsorganen, zoals schroeven en raderen, moeten op betrouwbare en snelle wijze aangezet, gestopt en van vooruit op achteruit en andersom gezet kunnen worden.

2. Wanneer de voortstuwingsinstallatie tijdens de vaart niet vanuit het stuurhuis wordt bediend, moet als verbinding tussen het stuurhuis en de machinekamer een betrouwbare telegraaf met terugmelding zijn aangebracht.

Artikel 5.04. Uitlaatgassenleidingen van motoren

1. Uitlaatgassenleidingen die door de verblijven of het stuurhuis gaan, moeten in die ruimten zijn voorzien van een voldoende gasdichte ommanteling. De ruimte tussen de uitlaatgassenleiding en de ommanteling moet met de buitenlucht in verbinding staan.

2. Uitlaatgassen moeten volledig naar buitenboord worden afgevoerd. Het binnendringen van uitlaatgassen in de verschillende ruimten van het schip moet door doelmatige maatregelen zijn verhinderd. Uitlaatgassen van de hoofdmotoren mogen niet zijwaarts door de scheepshuid worden afgevoerd.

3. Uitlaatgassenleidingen moeten voldoende gekoeld of warmte-isolerend bekleed zijn.

4. Indien uitlaatgassenleidingen langs of door brandbare materialen lopen, moeten deze materialen door een isolerende plaat of andere inrichtingen zodanig zijn beschermd, dat een doelmatige isolatie is gewaarborgd.

Artikel 5.05. Tanks, bunkers en pijpleidingen

1. Vloeibare brandstoffen moeten zijn opgeslagen in hecht aan de scheepsromp bevestigde tanks of in bunkers.

2. Deze tanks en bunkers, alsmede hun pijpleidingen en andere toebehoren, moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat zich geen brandstof of dampen onopzettelijk in het inwendige van het schip kunnen verspreiden.

3. Vulleidingen van tanks en bunkers voor vloeibare brandstoffen moeten aan het dek uitmonden, met uitzondering van die der dagtanks. Vulopeningen moeten afsluitbaar zijn en duidelijk kunnen worden onderscheiden van de vulopeningen voor andere vloeistoffen. Tanks en bunkers moeten zijn voorzien van een ontluchtingsleiding die bovendeks in de buitenlucht moet uitmonden en zodanig moet zijn ingericht, dat daardoor geen regen- of buiswater kan binnendringen.

4. Uitgaande leidingen van tanks of bunkers voor vloeibare brandstoffen moeten onmiddellijk aan de tanks of bunkers van een afsluitinrichting zijn voorzien. Bovendien moeten de leidingen die vloeibare brandstoffen direct naar motoren, ketels of verwarmingsapparatuur voeren, vanaf het dek kunnen worden gesloten. Brandstofleidingen mogen niet blootgesteld zijn aan de schadelijke invloeden van warmte en moeten over hun volle lengte gecontroleerd kunnen worden.

5. Peilglazen van tanks en bunkers voor vloeibare brandstoffen moeten doelmatig zijn beschermd tegen beschadigingen en zijn voorzien van zelfsluitende kranen. Het boveneinde van de peilglazen moet naar de tank of bunker zijn teruggevoerd.

6. Tanks en bunkers voor vloeibare brandstoffen moeten zijn voorzien van afsluitbare openingen voor reiniging en inspectie.

7. Tanks en bunkers voor vloeibare brandstoffen, die onmiddellijk aan de voortstuwingsmotoren zijn aangesloten, moeten zijn voorzien van een inrichting waardoor zowel optisch als akoestisch in het stuurhuis wordt aangegeven, wanneer de hoeveelheid brandstof in de tank of bunker niet meer voldoende is voor een veilige voortzetting van de vaart.

8. Pijpleidingen voor gevaarlijke gassen of gevaarlijke vloeistoffen, in het bijzonder de leidingen die onder zodanige druk staan, dat een eventuele lekkage gevaar voor personen kan opleveren, mogen niet in de verblijven zijn aangebracht.

Deze regel is niet van toepassing op:

a.

leidingen voor stoom of voor hydraulische systemen, mits zij binnen een metalen mantelpijp zijn aangebracht en

b.

leidingen van vloeibaar-gasinstallaties voor huishoudelijk gebruik.

Artikel 5.06. Lensinrichtingen

1. Elke waterdichte afdeling die tijdens de vaart gewoonlijk niet luchtdicht is afgesloten, moet afzonderlijk kunnen worden gelensd.

2. Op bemande schepen met een eigen mechanische voortstuwingsinrichting met een vermogen van meer dan 225 kW en op schepen met een laadvermogen van meer dan 350 ton moeten twee onafhankelijk van elkaar werkende lenspompen aanwezig zijn, waarvan tenminste één door een motor wordt aangedreven.

Op de overige bemande schepen moet tenminste een lenspomp aanwezig zijn. Deze lenspomp mag handgedreven zijn.

3. De waterdichte afdelingen moeten op een hoofdlensleiding zijn aangesloten. Voor waterdichte afdelingen met een lengte van minder dan 4 m mag worden volstaan met een aansluiting op een handlenspomp.

Een waterdichte afdeling die is voorzien van een buiten die afdeling bedienbare dompelpomp van voldoende capaciteit, behoeft niet op de hoofdlensleiding te zijn aangesloten.

4. De hoofdlensleiding moet een inwendige diameter (d) hebben van tenminste:

[ Illustratie Verwijderd ]

(in mm) De aftakking naar de afzonderlijke lenskorven moeten een inwendige diameter (da) hebben van tenminste:

[ Illustratie Verwijderd ]

(in mm) De waarde van da behoeft niet boven die van d uit te gaan.

In deze formules betekent:

L: de lengte van het schip tussen de loodlijnen, in m;

B: de breedte van het schip op de spanten, in m;

H: de holte in de zijde van het schip tot aan het hoofddek, in m;

l: de lengte van de desbetreffende waterdichte afdeling, in m.

5. De capaciteit van de motorlenspomp moet tenminste 0,1.d2 l/min bedragen.

De capaciteit van de tweede lenspomp moet tenminste 0,1.da2 l/min bedragen, waarbij da betrekking heeft op de langste waterdichte afdeling.

De capaciteit van een handlenspomp die voor slechts één afdeling is bestemd, moet tenminste 0,1.da2 l/min bedragen, waarbij da betrekking heeft op de desbetreffende afdeling.

6. Er zijn alleen zelfaanzuigende lenspompen toegestaan.

7. In iedere afdeling met een vlakke bodem en een breedte van meer dan 5 m moet zich zowel aan stuurboord als ook aan bakboord tenminste een lenskorf bevinden. In machinekamers met een lengte van meer dan 5 m moeten zich tenminste twee lenskorven bevinden.

8. De achterpiek mag door middel van een zelfsluitende aftapinrichting die gemakkelijk toegankelijk is, via de machinekamer worden gelensd.

9. De aftakkingen van de lensleiding naar de afzonderlijke afdelingen moeten via een vastzetbare terugslagklep of een gelijkwaardige inrichting aan de hoofdlensleiding zijn aangesloten. Afdelingen of andere ruimten, die als ballasttanks dienen, behoeven slechts via een afsluiter aan het lenssysteem te zijn aangesloten.

Artikel 5.07. Inrichting voor het verzamelen van afgewerkte olie

De inrichtingen voor het lenzen van de vullings van de machinekamer moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat bij het lenzen olie of door olie verontreinigd water dat zich in de vullings zou kunnen bevinden, aan boord wordt gehouden. Daartoe moet een dynamische olieafscheider zijn aangebracht op de persleiding van de lenspomp, dan wel moet iedere lenskorf door een statische olieafscheider zijn omsloten. Deze installaties moeten van een door de inspecteur-generaal goedgekeurd type zijn. Hun capaciteit moet in overeenstemming zijn met die van de lenspomp.

Artikel 5.08. Lieren

1. Voor ankers met een gewicht van meer dan 50 kg moeten ankerlieren aanwezig zijn.

2. Lieren die zijn geconstrueerd om zowel met de hand als ook mechanisch te worden aangedreven, dienen zodanig te zijn uitgevoerd, dat de mechanische aandrijving het handaandrijvingsmechanisme niet in werking kan stellen.

Artikel 5.09. Door schepen voortgebracht geluid

1. Het door een varend schip voortgebracht geluid, in het bijzonder de door het aanzuigen van lucht en door de uitlaat van de motoren veroorzaakte geluiden, moeten met daartoe geschikte middelen worden gedempt.

2. Bij het normale toerental der motoren mag het niveau van het door het schip voortgebrachte geluid, gemeten op 25 m afstand zijdelings van de scheepswand, niet meer bedragen dan 75 dB(A).

Hoofdstuk 6. Electrische installaties

Artikel 6.01. Algemene regelen

1. Indien door dit hoofdstuk niet wordt voorzien in regelen voor bepaalde onderdelen van een installatie, wordt de veiligheid als voldoende beschouwd, wanneer die onderdelen zijn vervaardigd volgens Europese normen of voorschriften, die onder vergelijkbare omstandigheden van toepassing zijn.

2. Aan boord moeten bescheiden aanwezig zijn waarin zijn opgenomen:

-

overzichtschema’s (hoofdschakelbord, noodschakelbord, verdeelkasten),

-

gegevens betreffende de vermogens van de electrische apparaten en

-

soort en doorsnede van de kabels.

Deze bescheiden moeten zijn voorzien van een stempel door de inspecteur-generaal.

3. De installaties moeten zodanig zijn ontworpen, gebouwd en uitgevoerd dat zij ook bij een permanente slagzij van het schip tot 15° en een omgevingstemperatuur tot 40° C onberispelijk functioneren.

Artikel 6.02. Bescherming tegen aanraking en water

De minimum beschermingsgraad van de permanent geïnstalleerde delen van de installaties moet in overeenstemming zijn met de plaats van opstelling volgens de onderstaande tabel.

Plaats van opstelling

Minimum beschermingsgraad (volgens IEC-publ. 529)

 

generatoren

motoren

transformatoren

schakelborden en verdeelkasten, schakelapparatuur

installatiemateriaal

verlichting

Dienstruimten, machinekamers, stuurmachinekamers

IP 22

IP 22

IP 22 (*2)

IP 22 (*1) (*2)

IP 44

IP 22

Laadruimten

       

IP 55

IP 55

Ruimten voor accumulatoren, verven en lampen

         

IP 44 en (Ex) (*3)

Open dek, open stuurstanden

 

IP 55

 

IP 55

IP 55

IP 55

Gesloten stuurhuis

 

IP 22

IP 22

IP 22

IP 22

IP 22

Verblijven, behalve sanitaire en vochtige ruimten

     

IP 22

IP 20

IP 20

Sanitaire en vochtige ruimten

 

IP 44

IP 44

IP 44

IP 55

IP 44


(*2) Indien het apparaat zelf niet aan de minimum beschermingsgraad voldoet, moet de plaats van opstelling de minimum beschermingsgraad volgens de tabel hebben.

(*1) Voor apparaten met grote warmteontwikkeling: IP 12.

(*3) Erkend volgens electrische inrichting, bijvoorbeeld volgens IEC-publ. 79.

Artikel 6.03. Bescherming tegen explosie

In ruimten waarin zich brandbare gassen of gasmengsels kunnen ophopen (bijvoorbeeld accumulatorenruimten, ruimten voor opslag van licht ontvlambare stoffen), zijn slechts erkend veilige electrische inrichtingen (voldoende veilig voor gebruik in een gegeven explosiegevaarlijke omgeving) toegestaan. In deze ruimten mogen geen schakelaars voor verlichting en voor andere electrische apparaten zijn geïnstalleerd.

Artikel 6.04. Aarding

1. Voor installaties met spanningen boven 50 V is aarding noodzakelijk.

2. De bij het normale bedrijf niet onder spanning staande metalen delen die voor aanraking toegankelijk zijn, zoals fundaties en omhulsels van machines, apparaten en verlichtingen, moeten afzonderlijk zijn geaard, voor zover zij niet door hun bevestiging electrisch geleidend met de scheepsromp zijn verbonden.

3. De omhulsels van verplaatsbare en draagbare apparaten moeten door middel van een extra ader die bij het normale bedrijf geen stroom voert en die in de voedingskabel is opgenomen, zijn geaard. Deze regel is niet van toepassing bij het gebruik van een beschermingstransformator en voor apparaten waarvan de omhulsels bestaan uit isolatiemateriaal (dubbel geïsoleerd).

4. De doorsnede van de aardleiding moet ten minste gelijk zijn aan de halve doorsnede van de stroomgeleider.

Indien echter de doorsnede van de stroomgeleider 16 mm2 of minder bedraagt, moet de doorsnede van de aardleiding gelijk zijn aan die van de stroomgeleider.

De doorsnede van gescheiden, niet in de kabel opgenomen, aangelegde aardleidingen moet ten minste 4 mm2 bedragen.

Artikel 6.05. Ten hoogste toegestane spanningen

1. De spanningen mogen de volgende waarden niet overschrijden:

Soort van de installatie

Ten hoogste toegestane spanning bij

 

gelijkstroom

wisselstroom

draaistroom

a.

Kracht- en verwarmingsinstallaties met inbegrip van de wandcontactdozen voor algemeen gebruik

250 V

250 V

500 V

b.

Installaties voor verlichting, communicatie en signalering met inbegrip van de wandcontactdozen voor algemeen gebruik

250 V

250 V

c.

Wandcontactdozen voor de voeding van apparaten die bij het gebruik in de hand worden gehouden en die op het open dek of in nauwe of vochtige ruimten – met uitzondering van ketels of tanks – worden gebruikt:

     

 

1. Algemeen.

50 V (*1)

50 V (*1)

 

2. Met een beschermingstransformator die slechts één apparaat voedt.

250 V

 

De beide leidingen van de secundaire stroomkring moeten van de massa geïsoleerd zijn.

     

 

3. Bij gebruik van apparaten die dubbel geïsoleerd zijn uitgevoerd.

250 V

250 V

d.

Wandcontactdozen voor de voeding van apparaten die bij gebruik in de hand worden gehouden en die in ketels of tanks worden gebruikt.

50 V (*1)

50 V (*1)


 

(*1) Indien deze spanning vanuit een net met een hogere spaning wordt verkregen, moet een galvanische scheiding toegepast zijn.

2. Met inachtneming van noodzakelijke veiligheidsmaatregelen zijn hogere spanningen toegestaan:

a.

voor krachtinstallaties waarvan het vermogen zulks vereist;

b.

voor speciale installaties, bijvoorbeeld radio-installaties en onstekingsinrichtingen

Artikel 6.06. Verdeelsystemen

De volgende verdeelsystemen zijn toegestaan:

-

Voor gelijkstroom en 1-fase wisselstroom:

a.

twee geleiders waarvan één is geaard;

b.

één geleider met teruggeleiding via de scheepsromp, alleen voor plaatselijk begrensde installaties (bijvoorbeeld startinstallatie van een verbrandingsmotor en kathodische corrosiebescherming);

c.

twee geleiders geïsoleerd van de scheepsromp.

-

Voor draaistroom (3-fase wisselstroom):

a.

vier geleiders met geaard sterpunt zonder teruggeleiding via de scheepsromp;

b.

drie geleiders geïsoleerd van de scheepsromp.

Systemen met geaard sterpunt en teruggeleiding via de scheepsromp zijn toegestaan, echter niet voor eindstroomkringen.

De toepassing van andere systemen kan door de inspecteur-generaal worden toegestaan.

Artikel 6.07. Walaansluiting

1. De voedingskabel van de wal naar het boordnet moet vast zijn aangesloten (bijvoorbeeld door middel van vaste klemmen of contactstekerinrichtingen). De kabelverbindingen mogen niet op trek kunnen worden belast.

2. De scheepsromp moet bij een aansluitspanning van meer dan 50 V doelmatig kunnen worden geaard. De aardaansluiting moet duidelijk gekenmerkt zijn.

3. De schakelinrichting van de walaansluiting moet zodanig vergrendeld kunnen worden, dat parallelbedrijf van de boordnetgeneratoren met de walvoeding wordt vermeden.

4. De walaansluiting moet tegen kortsluiting en overbelasting zijn beveiligd.

5. Het onder spanning staan van de walaansluiting moet op het hoofdschakelbord worden aangegeven.

6. Teneinde bij gelijkstroom de polariteit en bij draaistroom de fasenvolgorde van de walvoeding met die van het boordnet te kunnen vergelijken, moet een aanwijsinrichting zijn geïnstalleerd.

7. Bij de walaansluiting moet met een opschrift zijn aangegeven:

a.

de te treffen maatregelen voor het tot stand brengen van de walaansluiting;

b.

stroomsoort, nominale spanning en bij wisselstroom bovendien de frequentie.

Artikel 6.08. Stroomlevering aan andere schepen

1. Indien aan andere schepen stroom wordt geleverd, moet daarvoor een afzonderlijke aansluitinrichting aanwezig zijn. Deze inrichting moet duidelijk te onderscheiden zijn van de in artikel 6.07 bedoelde walaansluiting. Indien spanningen van meer dan 50 V of stroomsterkten van meer dan 16 A worden geleverd, moet zijn gewaarborgd dat de aansluiting alleen in spanningloze toestand tot stand kan worden gebracht.

2. De kabelverbinding mag niet op trek kunnen worden belast.

Artikel 6.09. Generatoren en motoren

1. Generatoren, motoren en hun aansluitkasten moeten voor inspecties, metingen en reparaties toegankelijk zijn. Zij moeten zodanig zijn opgesteld, dat geen water of olie bij de wikkelingen kunnen komen.

2. Generatoren die worden aangedreven door de hoofdmotor, de schroefas of een ook voor andere doeleinden bestemd hulpaggregaat, moeten voor de onder bedrijfsomstandigheden optredende toerentalvariaties geschikt zijn.

Artikel 6.10. Accumulatoren

1. Accumulatoren moeten zodanig zijn opgesteld, dat zij toegankelijk zijn en niet kunnen verschuiven tengevolge van de scheepsbewegingen.

Zij mogen niet zijn opgesteld op plaatsen waar zij aan overmatige hitte, extreme koude, buiswater of dampen zijn blootgesteld. Zij mogen niet in het stuurhuis, verblijven en laadruimen zijn opgesteld. Dit laatste geldt echter niet voor accumulatoren in draagbare apparatuur.

2. Accumulator-batterijen die worden geladen met een vermogen van meer dan 2,0 kW (berekend uit de maximale laadstroom en de nominale spanning van de batterij), moeten in een speciale ruimte zijn ondergebracht. Bij opstelling aan dek is het voldoende wanneer zij in een kast zijn geplaatst. Accumulator-batterijen die worden geladen met een vermogen van 2,0 kW of minder, mogen onderdeks in een kast of kist zijn geplaatst. Zij mogen ook open in de machinekamer of een andere goed geventileerde ruimte zijn geplaatst, mits zij zijn beschermd tegen vallende voorwerpen en druipwater.

3. De binnenzijde van alle voor batterijen bestemde ruimten, kasten of kisten, alsmede rekken en andere onderdelen moeten tegen de schadelijke inwerking van electrolyt zijn beschermd.

4. Gesloten ruimten, kasten en kisten, waarin batterijen zijn opgesteld, moeten doelmatig kunnen worden geventileerd. De luchttoevoer aan de onderzijde en de luchtafvoer aan de bovenzijde moeten zodanig zijn, dat een goede afvoer van de gassen is gewaarborgd. De ventilatiekanalen mogen geen inrichtingen (bijvoorbeeld afsluitinrichtingen) bevatten die de vrije doorgang van de lucht belemmeren.

5. De vereiste hoeveelheid lucht (Q) in m3 per uur moet worden berekend volgens de formule:

Q = 0,11 ∗ l ∗ n

In deze formule betekent:

l: 25% van de maximale stroom van de laadinrichting in A;

n: het aantal cellen.

6. Bij natuurlijke ventilatie moet de doorsnede van de ventilatiekanalen zo groot zijn, dat bij een luchtsnelheid van 0,5 m/s de vereiste luchthoeveelheid wordt opgebracht.

De doorsnede moet echter voor loodbatterijen tenminste 80 cm2 en voor alkalische batterijen tenminste 120 cm2 bedragen.

7. Bij mechanische ventilatie moet bij voorkeur een afzuigventilator worden gebruikt. De motor van de ventilator mag zich niet in de gas- of luchtstroom bevinden.

De ventilator moet zodanig zijn uitgevoerd, dat geen vonkvorming bij aanraking van de waaier met het ventilatorhuis en geen electrostatische opladingen kunnen optreden.

8. Op de deuren of deksels van ruimten, kasten of kisten voor accumulatoren moet een rookverbodsymbool met een diameter van tenminste 10 cm, overeenkomstig het teken, bedoeld in artikel 3.32, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement zijn aangebracht.

Artikel 6.11. Schakelinrichtingen

1. Schakelborden

a.

Alle apparaten, schakelaars, veiligheden en instrumenten in schakelborden moeten overzichtelijk gerangschikt en ten behoeve van het onderhoud en reparatie toegankelijk zijn. De aansluitklemmen voor spanningen tot en met 50 V en die voor spanningen boven 50 V moeten van elkaar gescheiden zijn aangebracht en doelmatig zijn gekenmerkt.

b.

Op de schakelborden moeten naamplaatjes voor alle schakelaars en apparaten met de aanduiding van de stroomkring zijn aangebracht. Veiligheden moeten met de nominale stroomsterkte en de stroomkring zijn aangeduid.

c.

Indien zich achter de deuren apparaten met een bedrijfsspanning van meer dan 50 V bevinden, moeten de onder spanning staande delen van deze apparaten zodanig zijn opgesteld of afgeschermd dat onvoorzien aanraken bij geopende deuren wordt voorkomen.

d.

De materialen van schakelborden moeten mechanisch sterk, duurzaam, moeilijk ontvlambaar en niet hygroscopisch zijn.

2. Schakelaars, beveiligingen

a.

Generator- en afgaande groepen moeten in elke niet geaarde geleider tegen kortsluiting en overbelasting beveiligd zijn.

Daartoe kunnen schakelinrichtingen met kortsluit- en overbelastingbeveiliging of smeltveiligheden worden gebruikt. Stroomkringen van de electrische aandrijving van stuurinrichtingen, alsmede de stuurstroomkringen van stuurinrichtingen, mogen alleen tegen kortsluiting zijn beveiligd.

Indien schakelaars met thermische uitschakelinrichtingen worden toegepast, moeten de thermische uitschakelinrichtingen buiten bedrijf zijn gesteld of op tweemaal de nominale stroom zijn afgesteld.

b.

De afgaande groepen van het hoofdschakelbord van meer dan 16 A moeten van last- of maximaalschakelaars zijn voorzien.

c.

Verbruikers die voor de voortstuwing, de stuurinrichting, de navigatie en de beveiligingssystemen noodzakelijk zijn, alsmede de verbruikers met een nominale stroom van meer dan 16 A, moeten via afzonderlijke stroomkringen worden gevoed.

d.

Schakelinrichtingen moeten volgens hun nominale stroom, hun thermische en dynamische sterkte, alsmede hun schakelvermogen worden gekozen.

Schakelaars moeten alle onder spanning staande geleiders gelijktijdig schakelen. De stand moet duidelijk te onderscheiden zijn.

e.

Smeltveiligheden moeten van het gesloten type zijn en uit een keramisch of gelijkwaardig materiaal bestaan. Zij moeten zonder aanrakingsgevaar voor personen kunnen worden vervangen.

3. Meet- en controle-inrichtingen

a.

Voor generator-, batterij- en verdeelstroomkringen moeten meet- en controle-inrichtingen aanwezig zijn, voor zover dit voor een veilig bedrijf van de installatie noodzakelijk is.

b.

Niet-geaarde netten met een spanning boven 50 V moeten van een doelmatige aardfoutcontrole-inrichting zijn voorzien.

4. Opstelling van schakelborden

a.

Schakelborden moeten in goed toegankelijke en goed geventileerde ruimten zijn opgesteld. Zij moeten zodanig zijn geplaatst, dat zij tegen waterschade en mechanische beschadigingen zijn beschermd.

Pijpleidingen en ventilatiekokers moeten zodanig zijn geplaatst, dat de schakelborden bij lekkages geen gevaar lopen. Indien de ligging in de nabijheid van schakelborden niet vermeden kan worden, mogen de pijpen aldaar geen losneembare koppelingen hebben.

b.

Kasten of nissen waarin open schakelinrichtingen zijn ondergebracht, moeten uit moeilijk ontvlambaar materiaal bestaan, dan wel door een bekleding van metaal of een ander niet brandbaar materiaal zijn beschermd.

c.

Bij spanningen boven 50 V moeten vóór de bedieningszijde van het hoofdschakelbord isolerende roosters of matten liggen. Op de voorzijde van de borden mogen geen onder spanning staande delen zijn aangebracht.

Artikel 6.12. Noodstopschakelaars

Voor oliebranderinstallaties, brandstofpompen, brandstofseparatoren en machinekamerventilatoren moeten buiten de opstellingsruimten noodstopschakelaars aanwezig zijn, voor zover niet op andere wijze een snelle afsluiting van brandstof- en luchttoevoer buiten de opstellingsruimten mogelijk is.

Artikel 6.13. Installatiemateriaal

1. Kabelinvoeren van apparaten moeten passend zijn voor de afmetingen en het type van de aan te sluiten kabels.

2. Bij stroomsterkten van meer dan 16A moeten de wandcontactdozen zodanig met een schakelaar worden vergrendeld, dat noch het insteken noch het uittrekken van de stekker mogelijk is wanneer de contactbussen van de contactdoos onder spanning staan.

3. Wandcontactdozen van verdeelsystemen met van elkaar afwijkende spanningen of frequenties moeten van verschillende uitvoering zijn.

4. Schakelaars moeten alle niet-geaarde geleiders van een stroomkring gelijktijdig schakelen. In stroomkringen van de verlichting voor verblijven mogen echter eenpolige schakelaars zijn toegepast.

Artikel 6.14. Kabels

1. Kabels moeten moeilijk ontvlambaar zijn en van een waterdichte en oliebestendige mantel zijn voorzien.

In verblijven kan de toepassing van andere kabeltypen worden toegestaan, mits zij doelmatig zijn beschermd en brandvertragende eigenschappen hebben.

2. Voor kracht- en verlichtingsinstallaties moeten de aders der kabels een doorsnede van tenminste 1,5 mm2 hebben.

3. Metalen bewapeningen en mantels van kabels mogen voor het normale bedrijf niet als geleider of aardleiding dienen.

4. Metalen bewapeningen en mantels van kabels van kracht- en verlichtingsinstallaties moeten aan tenminste een der einden zijn geaard.

5. De doorsnede der geleiders moet in overeenstemming zijn met het toelaatbare spanningsverlies alsmede met de ten hoogste toegestane geleidertemperatuur (stroombelastbaarheid).

6. Kabels moeten tegen het gevaar van mechanische beschadigingen zijn beschermd.

7. De bevestiging der kabels moet zodanig zijn, dat eventuele belastingen op trek binnen de toelaatbare grenzen blijven.

8. Doorvoeringen van kabels door schotten of dekken mogen de sterkte, dichtheid en brandwerende eigenschappen van de schotten of dekken niet nadelig beïnvloeden.

Artikel 6.15. Verlichtingsinstallaties

1. Verlichtingsarmaturen moeten zodanig zijn aangebracht, dat brandbare voorwerpen of constructiedelen niet door de uitgestraalde warmte in brand kunnen geraken.

2. Verlichtingsarmaturen op het open dek moeten zodanig zijn geplaatst, dat de waarneembaarheid van de navigatielichten niet nadelig wordt beïnvloed.

3. Indien in een machinekamer of een ketelruim twee of meer lichtpunten zijn aangebracht, moeten deze over tenminste twee stroomkringen zijn verdeeld.

Artikel 6.16. Navigatieverlichting

1. Het schakelbord voor de navigatieverlichting moet in het stuurhuis zijn aangebracht. Dit bord moet door een aparte kabel vanaf het hoofdschakelbord worden gevoed.

2. Elk navigatielicht moet vanaf het navigatieschakelbord afzonderlijk gevoed kunnen worden. Zij moeten bovendien afzonderlijk beveiligd zijn en afzonderlijk kunnen worden geschakeld.

3. Voor zover de controle der navigatielichten niet rechtstreeks vanuit het stuurhuis mogelijk is, moeten ter controle van deze lichten op het schakelbord in het stuurhuis stroomaanwijslampen óf gelijkwaardige inrichtingen zijn aangebracht. Het uitvallen van de controle-inrichting mag de werking van de bijbehorende navigatielichten niet nadelig beïnvloeden.

4. Dicht bijeen geplaatste, bij elkaar behorende navigatielichten mogen gemeenschappelijk worden gevoed, beveiligd en geschakeld. De controle-inrichting moet dan echter het uitvallen van één van de lichten kunnen signaleren.

Artikel 6.17. Noodkrachtbron

1. Indien een noodkrachtbron is voorgeschreven, moet deze aan de volgende regelen voldoen.

2. Als noodkrachtbron is toegestaan:

a.

een aggregaat met een eigen van de hoofdmotor onafhankelijke brandstofvoorziening en onafhankelijk koelsysteem.

Dit aggregaat moet bij uitvallen van het hoofdnet automatisch aanlopen en binnen 30 seconden de stroomvoorziening automatisch kunnen overnemen, dan wel, indien het zich bevindt in de onmiddellijke nabijheid van het stuurhuis of een andere plaats, waar voortdurend vakpersoneel aanwezig is, met de hand kunnen worden gestart, of

b.

een accumulatorbatterij die bij uitvallen van het hoofdnet automatisch de stroomvoorziening overneemt en in staat is de in het vijfde lid bedoelde installaties gedurende de voorgeschreven tijd zonder tussentijdse oplading en zonder ontoelaatbaar spanningsverlies te voeden.

De voor de noodkrachtvoorziening benodigde bedrijfsduur wordt bepaald naar gelang van het gebruiksdoel van het schip of drijvende werktuig, maar mag niet minder dan 30 minuten bedragen.

3. Noodaggregaten, noodbatterijen en de daarbij behorende schakelinrichtingen mogen in de machinekamer, mits zo hoog mogelijk, zijn opgesteld.

4. Storingen in het hoofdnet mogen de bedrijfszekerheid van de noodinstallatie niet beïnvloeden.

5. De noodkrachtbron moet in staat zijn tenminste de volgende installaties gelijktijdig te voeden, voor zover de aanwezigheid van deze installaties is voorgeschreven en zij niet van een eigen stroombron zijn voorzien:

a.

navigatielichten,

b.

installaties voor geluidseinen,

c.

noodverlichting,

d.

radiotelefonieinstallatie,

e.

algemene alarminstallatie, respectievelijk een daartoe geschikte luidsprekerinstallatie,

f.

noodschijnwerpers,

g.

sprinklerinstallatie,

h.

overige veiligheidsinstallaties.

Hoofdstuk 7. Uitrusting

Artikel 7.01. Ankergerei

1. Schepen die voor het vervoer van goederen zijn bestemd, met uitzondering van zeeschipbakken, moeten zijn uitgerust met één of twee boegankers, waarvan het totale gewicht P in kg wordt berekend met de volgende formule:

P = C ∗ B ∗ T.

In deze formule betekent:

B: de grootste breedte van het schip, in m;

T: de grootst toegelaten diepgang van het schip, in m;

C: een coëfficiënt, te bepalen aan de hand van de onderstaande tabel.

Laadvermogen

C

t/m 200 t

30

201 t/m 400 t

45

401 t/m 650 t

55

651 en meer t

60


2. Motorschepen moeten met een hekanker zijn uitgerust waarvan het gewicht 25% van het gewicht P bedraagt.

Sleepschepen moeten met één of twee hekankers zijn uitgerust waarvan het totale gewicht uitgedrukt in een percentage van P aan de hand van de onderstaande tabel wordt bepaald.

Laadvermogen

% van P

t/m 400 t

25

401 t/m 650 t

30

651 t/m 1000 t

35

1001 en meer t

50


3. Geen hekanker behoeven te hebben:

-

schepen waarvoor het volgens de voorgaande leden berekende gewicht van het hekanker minder dan 100 kg bedraagt;

-

duwbakken.

4. Sleepboten moeten zijn uitgerust met één of twee boegankers waarvan het totale gewicht gelijk is aan P zoals berekend volgens het eerste lid, waarbij voor de coëfficiënt C de waarde 30 moet worden genomen. Sleepboten behoeven geen hekankers te hebben.

5. Duwboten moeten zijn uitgerust met één of twee hekankers waarvan het totale gewicht P in kg wordt berekend met de volgende formule:

P = 29.S

In deze formule betekent:

S: de grootste ingedompelde dwarsdoorsnede van het duwstel, in m2; voor S behoeft geen grotere waarde dan 138 m2 te worden ingevuld.

Het oppervlak van de grootst toegelaten ingedompelde dwarsdoorsnede moet worden vermeld in het certificaat.

Duwboten behoeven geen boegankers te hebben.

6. Sleepboten en motorschepen, die zijn bestemd voor het voortbewegen van een duwstel kunnen volstaan met de ankers, zoals bepaald volgens het eerste tot en met het vierde lid.

7. Indien het in het eerste tot en met het zesde lid voorgeschreven totale gewicht over twee ankers is verdeeld, mag het gewicht van het lichtste anker niet minder dan 45% van het voorgeschreven totale gewicht bedragen.

8. De volgens het eerste tot en met het zevende lid berekende ankergewichten mogen worden verminderd bij toepassing van bijzondere ankertypen met verhoogde houdkracht.

Het percentage van de gewichtsvermindering voor de verschillende ankertypen wordt door de inspecteur-generaal vastgesteld.

9. Gietijzeren ankers zijn niet toegestaan.

10. Elk anker moet zijn voorzien van een ankerketting. Elk van de boegankerkettingen moet tenminste de volgende lengte hebben:

-

voor schepen met een lengte van 30 m of minder: 40 m;

-

voor schepen met een lengte van meer dan 30 m, doch minder dan 50 m: de lengte van het schip, vermeerderd met 10 m;

-

voor schepen met een lengte van 50 m of meer: 60 m.

Elk van de hekankerkettingen moet een lengte hebben van tenminste 40 m.

11. De minimum breeksterkte van een ankerketting wordt met behulp van de volgende formules berekend:

-

bij ankers van 1 t/m 500 kg:

R = 350.Pa

-

bij ankers van 501 t/m 2000 kg:

[ Illustratie Verwijderd ]
-

bij ankers van meer dan 2000 kg:

R = 250.Pa

In deze formules betekent:

R: de minimaal vereiste breeksterkte van de ketting, in newton;

Pa: het conform het eerste t/m zevende lid bepaalde theoretische gewicht van het betreffende anker.

12. Het gebruik van trossen of kabels in plaats van ankerkettingen is toegestaan, mits zij dezelfde breeksterkte hebben als de kettingen en hun lengte 20% meer bedraagt dan de voorgeschreven kettinglengte.

13. Voor schepen die alleen zijn bestemd voor het gebruik op de binnenwateren van zone 4, kan de inspecteur-generaal, afhankelijk van de aard van het schip en het gebruiksdoel, niet toepassing van regelen van het eerste tot en met het twaalfde lid toestaan, mits naar zijn redelijk oordeel de veiligheid van het schip en de opvarenden voldoende gewaarborgd is.

Artikel 7.02. Overige uitrusting

1. De overige uitrusting moet tenminste omvatten:

a.

de nodige apparaten en inrichtingen voor het voeren van navigatielichten en optische tekens, alsmede voor het geven van geluidsseinen, zoals voorgeschreven in de vigerende politie- en vaarreglementen;

b.

noodlichten, onafhankelijk van het elektrische hoofdnet, om eventueel de lichten te vervangen die door de vigerende politie- en vaarreglementen zijn voorgeschreven voor stilliggende, vastgevaren of gezonken schepen;

c.

trossen en touwen, i