| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Binnenschepenwet
BINNENSCHEPENBESLUIT
Tekst zoals deze geldt op
3 februari 2009
Vervallen
m.i.v. 1 juli 2009
|
|
|
BESLUIT van 16 juli 1987, houdende bepalingen met betrekking tot
de deugdelijkheid van schepen op binnenwateren, de inrichting en de
uitrusting daarvan, alsmede ten aanzien van de arbeidsomstandigheden aan
boord
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 7 januari 1987, nr. PJ/S 31.977,
Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, gedaan mede namens
de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Na overleg met Onze Ministers van Landbouw en
Visserij en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;
Gelet op de artikelen 1, derde lid, 5, eerste
en derde lid, 10, eerste lid, 13, eerste lid, 27, zesde lid, en 58,
eerste lid, van de Binnenschepenwet (Stb.
1981, 678);
Gelet op de Richtlijn van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 20 januari 1976 (76/135/EEG) inzake de
wederzijdse erkenning van scheepsattesten voor binnenschepen (PbEG
L 21), gewijzigd bij de Richtlijn van die Raad van 23 november 1978
(78/1016/EEG, PbEG L 349);
Mede gelet op de Richtlijn van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 4 oktober 1982 (82/714/EEG) tot vaststelling
van de technische voorschriften voor binnenschepen (PbEG L 301);
De Raad van State gehoord (advies van 11 maart
1987, nr. W09.87.0016);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 9 juli 1987, nr. S/J 30.879/87,
Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, uitgebracht mede
namens de Staatssecretaris van Sociale zaken en Werkgelegenheid;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1.
Algemene bepalingen
Artikel 1
| 1. |
In dit
besluit en de daarbij behorende bijlagen wordt
verstaan onder:
| a. |
richtlijn
76/135/EEG: richtlijn van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 20 januari 1976
(76/135/EEG) inzake de wederzijdse erkenning
van scheepsattesten voor binnenschepen,
gewijzigd bij de richtlijn van die Raad van 23
november 1978/1016/EEG);
|
| b. |
richtlijn
82/714/EEG: richtlijn van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 4 oktober 1982
(82/714/EEG) tot vaststelling van de
technische voorschriften voor binnenschepen;
|
| c. |
certificaat:
certificaat van onderzoek, bedoeld in artikel
5, eerste lid, van de Binnenschepenwet;
|
| d. |
communautair
certificaat: communautair certificaat, bedoeld
in richtlijn 82/714/EEG, zijnde tevens het
certificaat;
|
| e. |
communautair
aanvullend certificaat: communautair
aanvullend certificaat, bedoeld in richtlijn
82/714/EEG, zijnde tevens in samenhang met een
scheepspatent als bedoeld in de Herziene
Rijnvaartakte en voor zover verenigbaar met
het bij of krachtens de Herziene Rijnvaartakte
bepaalde, te beschouwen als het certificaat;
|
| f. |
document
van deugdelijkheid: certificaat, communautair
certificaat, scheepsattest als bedoeld in
richtlijn 76/135/EEG, scheepspatent als
bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte,
certificaat van deugdelijkheid als bedoeld in
de Schepenwet
of een document dat bij internationale
regeling of door Onze Minister als zodanig is
erkend;
|
| g. |
binnenwateren:
wateren als gedefinieerd in artikel
1, eerste lid, van de Binnenschepenwet
en voorts de overige wateren, opgenomen in
bijlage I van dit besluit;
|
| h. |
zones:
waterwegen van het communautaire net van
binnenwateren volgens de indeling, bedoeld in
richtlijn 82/714/EEG en in bijlage I van dit
besluit;
|
| i. |
onderzoek:
onderzoek, bedoeld in artikel
5 van de Binnenschepenwet;
|
| j. |
bijzonder
onderzoek: onderzoek, bedoeld in artikel
8, eerste lid, van de Binnenschepenwet;
|
| k. |
vrachtschip:
schip dat is gebouwd of bestemd voor het
bedrijfsmatig vervoer van goederen, met een
laadvermogen van 15 ton of meer;
|
| l. |
sleepboot:
schip als gedefinieerd in het tweede lid,
onder e;
|
| m. |
duwboot:
schip als gedefinieerd in het tweede lid,
onder f;
|
| n. |
passagiersschip:
schip als gedefinieerd in het tweede lid,
onder p;
|
| o. |
bestaande
schepen: schepen waarvan bij de
inwerkingtreding van dit besluit
| - |
de
bouw is voltooid,
|
| - |
de
kiel is gelegd dan wel de bouw zich in
een daarmee vergelijkbaar stadium
bevindt of
|
| - |
het
bouwcontract is afgesloten en binnen
een jaar nadien is aangevangen met de
bouw;
|
|
| p. |
rijksvaartuig:
schip dat eigendom is van of gehuurd is door
het Rijk en dat is gebouwd of bestemd om ten
dienste van het Rijk te worden gebruikt voor
de vaart op de binnenwateren, niet zijnde
passagiersschepen of veerboten;
|
| q. |
open
rijksvaartuig: rijksvaartuig dat noch is
voorzien van een gesloten opbouw, noch van een
doorlopend dek;
|
| r. |
veerboot:
schip dat is gebouwd of bestemd voor het
bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen
buiten de bemanning alsook van voertuigen op
meer dan twee wielen, en dat een bootdienst
onderhoudt tussen twee of meer aanlegplaatsen
gelegen aan
| - |
de
Dollard,
|
| - |
de
Eems,
|
| - |
de
Waddenzee, met inbegrip van de
verbindingen met de Noordzee, of
|
| - |
de
Westerschelde en de zeemonding
daarvan, met inbegrip van de
waterwegen tussen Zeeuwsch-Vlaanderen
enerzijds en Walcheren en
Zuid-Beveland anderzijds;
|
|
| s. |
zeilend
passagiersschip: schip als gedefinieerd in het
tweede lid, onder cc;
|
| t. |
bestaand
zeilend passagiersschip: schip als
gedefinieerd in het tweede lid, onder dd;
|
| u. |
bunkerstation:
drijvend bouwsel dat wegens zijn bestemming in
de regel niet wordt verplaatst en dat bestemd
of in gebruik is voor de opslag of levering
van brandstof voor voortstuwing van schepen.
|
|
| 2. |
In de bij
dit besluit behorende bijlagen wordt verstaan onder:
| a. |
schip:
binnenschip of zeeschip;
|
| b. |
motorvrachtschip:
vrachtschip gebouwd om door middel van zijn
eigen mechanische voortstuwingsmiddelen
zelfstandig te varen, niet zijnde een
motortankschip;
|
| c. |
motortankschip:
schip met een laadvermogen van 15 ton of meer,
dat is bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer
van goederen in vaste tanks en gebouwd om door
middel van zijn eigen mechanische
voortstuwingsmiddelen zelfstandig te varen;
|
| d. |
motorschip:
motorvrachtschip of motortankschip;
|
| e. |
sleepboot:
schip dat is gebouwd om te slepen;
|
| f. |
duwboot:
schip dat is gebouwd om te duwen;
|
| g. |
sleep-duwboot:
schip dat is gebouwd om te slepen en te duwen;
|
| h. |
sleepvrachtschip:
vrachtschip niet zijnde een sleeptankschip,
dat is gebouwd om te worden gesleept en dat
| - |
niet
is voorzien van eigen mechanische
voortstuwingsmiddelen of
|
| - |
wel
voorzien is van eigen mechanische
voortstuwingsmiddelen, die slechts
verplaatsingen over kleine afstanden
toelaten;
|
|
| i. |
sleeptankschip:
schip met een laadvermogen van 15 ton of meer,
dat is bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer
van goederen in vaste tanks, gebouwd om te
worden gesleept en dat
| - |
niet
is voorzien van eigen mechanische
voortstuwingsmiddelen of
|
| - |
wel
is voorzien van eigen mechanische
voortstuwingsmiddelen, die slechts
verplaatsingen over kleine afstanden
toelaten;
|
|
| k. |
sleepschip:
sleepvrachtschip of sleeptankschip;
|
| l. |
vrachtduwbak:
vrachtschip niet zijnde een tankduwbak, dat is
gebouwd of geschikt gemaakt om te worden
geduwd en dat
| - |
niet
is voorzien van eigen mechanische
voortstuwingsmiddelen of
|
| - |
wel
is voorzien van eigen mechanische
voortstuwingsmiddelen, die slechts
verplaatsingen over kleine afstanden
toelaten;
|
|
| m. |
tankduwbak:
schip met een laadvermogen van 15 ton of meer,
dat is bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer
van goederen in vaste tanks, gebouwd of
geschikt gemaakt om te worden geduwd en dat
| - |
niet
is voorzien van eigen mechanische
voortstuwingsmiddelen of
|
| - |
wel
is voorzien van eigen mechanische
voortstuwingsmiddelen, die slechts
verplaatsingen over kleine afstanden
toelaten;
|
|
| n. |
zeeschipbak:
vrachtduwbak of tankduwbak, gebouwd om aan
boord van een zeeschip te worden vervoerd en
om de binnenwateren te bevaren;
|
| o. |
duwbak:
vrachtduwbak, tankduwbak of zeeschipbak;
|
| p. |
passagiersschip:
schip dat is gebouwd of bestemd voor het
bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf
personen buiten de bemanning, niet zijnde een
veerboot en niet ingericht om hoofdzakelijk
door middel van zeilen te worden voortbewogen;
|
| q. |
drijvend
werktuig: schip met mechanische installaties,
dat is bestemd om op de binnenwateren te
worden gebruikt, zoals een baggermolen, een
elevator, een bok, een kraan;
|
| r. |
drijvende
inrichting: drijvend bouwsel dat niet is
bestemd om in de regel te worden verplaatst,
zoals een drijvende zweminrichting, een
droogdok, een landingsbrug, een drijvend
botenhuis;
|
| s. |
drijvend
voorwerp: vlot, bouwsel, samenstel of voorwerp
dat is geschikt om te varen, niet zijnde een
schip als hiervoor bedoeld, een drijvend
werktuig of drijvende inrichting;
|
| t. |
stuurhuis:
ruimte waar de voor het voeren van het schip
noodzakelijke bedieningsinrichtingen zijn
opgesteld;
|
| u. |
machinekamer:
ruimte waar de voortstuwingswerktuigen, de
hulpwerktuigen of beiden zijn opgesteld;
|
| v. |
verblijf:
ruimte die bestemd is voor het gebruik door de
gewoonlijk aan boord verblijvende personen of
passagiers, met inbegrip van keukens,
provisiekamers, toiletten, wasgelegenheden,
washokken, portalen en gangen, met
uitzondering van het stuurhuis;
|
| w. |
vlak
van de grootste inzinking: vlak door de
waterlijn, overeenkomende met de grootste
toegelaten inzinking waarbij het schip mag
varen;
|
| x. |
vrijboord:
afstand tussen het vlak van de grootste
inzinking en het daaraan evenwijdige vlak door
het laagste punt van het gangboord, of bij
ontbreken van een gangboord, het laagste punt
van het vaste boord;
|
| y. |
veiligheidsafstand:
afstand tussen het vlak van de grootste
inzinking en het daaraan evenwijdige vlak door
het laagste punt, waar het schip niet meer als
waterdicht wordt beschouwd;
|
| z. |
mechanische
aandrijving of voortstuwing: aandrijving of
voortstuwing waarbij de krachtbron direct of
indirect een motor is;
|
| aa. |
erkend
onderzoekingsbureau: bureau als bedoeld in
artikel 21, tweede lid, van dit besluit;
|
| bb. |
VBG:
Regeling vervoer over de binnenwateren van
gevaarlijke stoffen (VBG).
|
| cc. |
zeilend
passagiersschip: een schip dat is gebouwd of
bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van
meer dan twaalf personen buiten de bemanning
en ingericht om hoofdzakelijk door middel van
zeilen te worden voortbewogen, niet zijnde een
veerboot;
|
| dd. |
bestaand
zeilend passagiersschip: een zeilend
passagiersschip waarvan op 1 januari 2001 de
bouw is voltooid, de kiel is gelegd dan wel de
bouw zich in een daarmee vergelijkbaar stadium
bevindt of het bouwcontract is afgesloten en
binnen een jaar nadien is aangevangen met de
bouw.
|
|
Artikel 2
- 1.
- De bepalingen van dit
besluit zijn niet van toepassing op schepen met een
laadvermogen van 15 ton of meer, die zijn bestemd voor de
bedrijfsmatige visvangst.
- 2.
- Luchtkussenvoertuigen worden
voor de toepassing van de artikelen
3 tot en met 15, 27,
29, 44,
49, 51,
52, 54
en 56 van de
Binnenschepenwet en voor de toepassing van dit
besluit met schepen gelijkgesteld.
- 3.
- Bunkerstations worden voor
de toepassing van de artikelen
1, eerste en vierde lid, 3,
eerste, tweede en vierde lid, tot en met 15, 27
tot en met 30, 39,
43 tot en met 45,
47 tot en met 49,
52, 52a
en 56 van de
Binnenschepenwet en voor de toepassing van dit
besluit met schepen gelijkgesteld.
Artikel 2a
De categorieën van
schepen, bedoeld in artikel
4, eerste lid, onder a, van de
Binnenschepenwet zijn:
- a.
- vrachtschepen,
sleepboten en duwboten, ongeacht de binnenwateren waarop
zij zich bevinden; en
- b.
- passagiersschepen,
voor zover zij zich bevinden op de binnenwateren van de
zones 3 en 4.
Artikel 3
Bij dit besluit
behoren de volgende bijlagen:
bijlage I: lijst van
binnenwateren van het communautaire net, ingedeeld in de zones
1, 2, 3 en 4;
bijlage II:
technische regelen voor vrachtschepen, sleepboten en duwboten;
bijlage III:
technische regelen voor passagiersschepen;
bijlage IV: regelen
met betrekking tot arbeid aan boord van schepen;
bijlage V:
technische regelen voor veerboten;
bijlage VI:
technische regelen voor rijksvaartuigen;
bijlage VII:
technische regelen voor zeilende passagiersschepen;
bijlage
VIII: technische regelen voor bunkerstations.
§ 2. De
certificaten
Artikel 4
- 1.
- De
inspecteur-generaal geeft certificaten af voor:
- a.
- vrachtschepen;
- b.
- sleepboten
en duwboten;
- c.
- passagiersschepen;
- d.
- veerboten;
- e.
- rijksvaartuigen;
- f.
- zeilende
passagiersschepen;
- g.
- bunkerstations.
- 2.
- De
inspecteur-generaal geeft communautaire aanvullende
certificaten af voor vrachtschepen, sleepboten en
duwboten, die voorzien zijn van een scheepspatent als
bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte.
- 3.
- Met uitzondering
van het bepaalde in artikel 10, is het in dit besluit
bepaalde met betrekking tot het certificaat en het
communautaire certificaat van overeenkomstige toepassing
op het communautaire aanvullende certificaat.
Artikel 5
- 1.
- De aanvraag voor
een certificaat van onderzoek wordt ingediend door de
eigenaar van het schip.
- 2.
- Bij de aanvraag
worden de tekeningen van bouw en inrichting van het schip
alsmede, indien hiertoe naar het oordeel van de
inspecteur-generaal bijzondere redenen bestaan, het
rekenkundig bewijs van de sterkte van de romp overgelegd.
- 3.
- Indien het schip
is onderzocht door of gebouwd onder toezicht van een
erkend onderzoekingsbureau, wordt ook de verklaring van
dat bureau inzake het onderzoek of de bouw overgelegd.
- 4.
- Indien ingevolge
de artikelen 23 of 24 een hellingproef is vereist, worden
de uitkomsten van die proef overgelegd alsmede de gegevens
over de stabiliteit van het schip bij verschillende
beladingstoestanden.
Artikel 6
Een certificaat
wordt afgegeven nadat een schip met gunstig gevolg is
onderzocht overeenkomstig het gestelde in de artikelen 19 tot
en met 23.
Artikel 7
Voor vrachtschepen,
sleepboten en duwboten wordt het certificaat als communautair
certificaat afgegeven.
Artikel 8
Het communautaire
certificaat voor vrachtschepen, sleepboten en duwboten, die in
een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen dan
Nederland of in een van de overige Staten die partij zijn bij
de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
teboekstaan of daar hun thuishaven hebben, of waarvan de
eigenaar in de desbetreffende staat woonachtig is, wordt
slechts afgegeven indien die staat of een bevoegde
onderzoeksinstantie uit die Staat daarom heeft verzocht.
Artikel 9
In het certificaat
worden vermeld:
- a.
- de
voornaamste gegevens omtrent het schip, de binnenwateren
waarvoor het geschikt is bevonden, alsmede of het in artikel
5, tweede lid, van de Binnenschepenwet bedoelde
onderzoek is ingesteld;
- b.
- de regelen
die bij het gebruik van het schip in acht moeten worden
genomen, alsmede in voorkomende gevallen de toegestane
afwijkingen en te treffen voorzieningen met vermelding van
de binnenwateren en de periode, waar deze voor gelden en
- c.
- de
geldigheidsduur, de verlenging en de vernieuwing van de
geldigheidsduur van het certificaat.
Artikel 10
- 1.
- Het certificaat en het
communautaire certificaat, alsmede het communautaire
aanvullende certificaat in samenhang met een scheepspatent
als bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte zijn geldig voor
de bestemming en voor de binnenwateren, bedoeld in bijlage
I, waarvoor het schip blijkens het certificaat geschikt is
bevonden, voor zover verenigbaar met het bij of krachtens
de Herziene Rijnvaartakte bepaalde.
- 2.
- Een communautair certificaat
dat geldig is voor de binnenwateren van zone 3, is tevens
geldig voor de in Nederland gelegen binnenwateren van zone
2.
Artikel 11
- 1.
- Na een bijzonder
onderzoek in een geval als bedoeld in artikel 24, eerste
lid, wordt indien het schip aan de bij of krachtens de wet
gestelde regelen voldoet door de inspecteur-generaal een
nieuw certificaat afgegeven dan wel de geldigheidsduur van
het certificaat vernieuwd.
- 2.
- Indien het een
schip betreft met een communautair certificaat dat in een
andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen dan
Nederland of in een van de overige staten die partij zijn
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte is afgegeven of waarvan de geldigheidsduur in de
desbetreffende Staat is vernieuwd, wordt de vernieuwing
van het communautaire certificaat of de vernieuwing van de
geldigheidsduur van het communautaire certificaat binnen
een maand ter kennis gebracht van de autoriteit die het
communautaire certificaat heeft afgegeven of de
geldigheidsduur daarvan heeft vernieuwd.
Artikel 12
- 1.
- Bij het verstrijken van de
geldigheidsduur van een certificaat kan de geldigheid
daarvan worden vernieuwd nadat een aanvraag daartoe is
ingediend en een onderzoek van het schip met gunstig
gevolg heeft plaatsgevonden.
- 2.
- Het onderzoek kan beperkt
blijven tot een onderzoek van de constructie, de
werktuigen, de ketels en andere drukvaten, alsmede van de
uitrusting en de gehele romp van het schip.
Artikel 13
In bijzondere
gevallen kan de inspecteur-generaal zonder onderzoek van het
schip de geldigheidsduur van een certificaat verlengen.
Artikel 14
De geldigheidsduur,
de verlenging en de vernieuwing van de geldigheidsduur van het
certificaat worden vastgesteld volgens het bepaalde in artikel
6 van de Binnenschepenwet.
Artikel 15
- 1.
- Indien een
certificaat onleesbaar of onbruikbaar is geworden, wordt
na terugzending van het certificaat aan de
inspecteur-generaal tegen betaling van door Onze Minister
vast te stellen kosten een duplicaat van het certificaat
verstrekt.
- 2.
- Het duplicaat
wordt tegen betaling van door Onze Minister vast te
stellen kosten eveneens verstrekt wanneer het certificaat
verloren is gegaan en hiervan mededeling is gedaan aan de
inspecteur-generaal.
Artikel 16
De certificaten
worden door of vanwege de inspecteur-generaal van een
volgnummer voorzien en geregistreerd.
Artikel 17
- 1.
- Van de certificaten worden
afschriften bewaard.
- 2.
- Op de afschriften worden de
aantekeningen en wijzigingen vermeld die op de
certificaten voorkomen.
- 3.
- Op de afschriften worden
tevens de vervangingen en de ongeldigverklaringen van de
certificaten aangetekend.
Artikel 18
Behoudens weigering
op grond van het bepaalde bij of krachtens de Wet
openbaarheid van bestuur wordt door de
inspecteur-generaal op verzoek hetzij inzage van het afschrift
van een certificaat verleend, hetzij een uittreksel of
gewaarmerkt afschrift van een certificaat verschaft tegen
betaling van door Onze Minister vast te stellen kosten.
§ 3. Het
onderzoek van schepen
Artikel 19
Bij het onderzoek of
bijzonder onderzoek van schepen wordt nagegaan of het schip
voldoet aan de voor dat schip van toepassing zijnde regelen,
zoals opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlagen.
Artikel 20
- 1.
- Mits
voorzieningen zijn getroffen, die naar het redelijk
oordeel van de inspecteur-generaal voldoende waarborg
bieden voor de veiligheid van het schip en de opvarenden,
dan wel naar het redelijk oordeel van de
inspecteur-generaal in overeenstemming met de ingevolge artikel
27, eerste lid, van de Binnenschepenwet, door Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen
ambtenaren voldoende waarborg bieden voor de veiligheid,
de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan
boord, zijn regelen van bijlagen II en III niet van
toepassing bij het onderzoek van:
- a.
- schepen
uitsluitend bestemd voor het varen in Nederland in een
beperkt gebied of in havengebieden;
- b.
- schepen
uitsluitend bestemd voor het varen op in Nederland
gelegen binnenwateren die niet via een ander
binnenwater in verbinding staan met het waterwegennet
van Duitsland of België en
- c.
- schepen
met een laadvermogen van 350 ton of minder, waarvan de
kiel voor 1 januari 1950 is gelegd en die uitsluitend
bestemd zijn voor het varen op in Nederland gelegen
binnenwateren.
- 2.
- In afwijking van
het bepaalde in het eerste lid zijn voor schepen, niet
zijnde bestaande schepen, de regelen van hoofdstuk 11 van
bijlage II onverkort van toepassing behoudens het bepaalde
in bijlage III.
- 3.
- Met betrekking
tot vrachtschepen, sleepboten en duwboten wordt toepassing
van het eerste lid ter kennis gebracht van de Commissie
van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 21
- 1.
- Indien uit een door een
erkend onderzoekingsbureau afgegeven verklaring blijkt,
dat een schip voldoet aan de krachtens artikel
5, eerste lid, van de Binnenschepenwet voor dat
schip van toepassing zijnde regelen, zoals opgenomen in de
bij dit besluit behorende bijlagen, kan van een onderzoek
als bedoeld in dat lid worden afgezien.
- 2.
- Van een erkend
onderzoekingsbureau is sprake indien het is aangewezen op
grond van artikel 27,
vijfde lid, van de Binnenschepenwet.
- 3.
- De aanwijzing wordt ter
kennis gebracht van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen en van de Lid-Staten van de Europese
Gemeenschappen en van de overige staten die partij zijn
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte.
- 4.
- De aanwijzing kan voor
bepaalde of onbepaalde tijd plaatsvinden.
- 5.
- Bij koninklijk besluit kan
de aanwijzing te allen tijde worden ingetrokken.
Artikel 22
- 1.
- Voor een
onderzoek van het schip wordt het door de eigenaar of
diens vertegenwoordiger onbeladen, gereinigd en voorzien
van de voorgeschreven uitrusting aangeboden.
- 2.
- Indien de
inspecteur-generaal om bijzondere redenen een onderzoek
van het schip aan de buitenzijde redelijkerwijs nodig
oordeelt, wordt het door de eigenaar of diens
vertegenwoordiger zodanig drooggezet dat de gehele romp
aan de buitenzijde kan worden onderzocht.
- 3.
- De eigenaar van
het schip of diens vertegenwoordiger verleent verdere
medewerking aan het onderzoek, onder meer door de toegang
te vergemakkelijken tot de delen van de romp en tot de
installaties, die niet of moeilijk toegankelijk of
zichtbaar zijn, door personeel beschikbaar te stellen en
door proefvaarten te houden.
Artikel 23
- 1.
- Voor de
beoordeling van de stabiliteit van een passagiersschip,
een veerboot of een zeilend passagiersschip wordt het
schip - indien het een eerste onderzoek betreft - aan een
hellingproef onderworpen.
- 2.
- Indien de
uitkomsten van de hellingproef van een zusterschip van een
passagiersschip, een veerboot of een zeilend
passagiersschip beschikbaar zijn en daaraan voldoende
stabiliteitsgegevens kunnen worden ontleend, kan de
inspecteur-generaal toestaan dat een hellingproef
achterwege blijft.
- 3.
- Voor de
beoordeling van de stabiliteit van vrachtschepen,
sleepboten, duwboten, rijksvaartuigen en bunkerstations
kan de inspecteur-generaal bepalen dat een hellingproef
wordt gehouden, indien de inrichting of de bijzondere
bestemming van het schip daartoe aanleiding geeft.
- 4.
- De hellingproef
wordt door of namens de eigenaar gehouden in aanwezigheid
van de daartoe bevoegde ambtenaar van de divisie
Scheepvaart.
Artikel 24
- 1.
- Bij belangrijke
schade, herstellingen, verbouwingen of andere ingrijpende
wijzigingen en bij vermoeden van ernstige gebreken aan een
schip met een certificaat of een communautair certificaat
wordt een bijzonder onderzoek ingesteld.
- 2.
- Het bijzonder
onderzoek omvat een onderzoek van de constructie, de
werktuigen en uitrusting van het schip, voor zover deze
betrokken zijn bij de schade, de herstelling, de
verbouwing, de wijziging of de gebreken. Tevens kan de
stabiliteit worden beoordeeld.
- 3.
- Indien het een
bijzonder onderzoek van een passagiersschip, een veerboot
of een zeilend passagiersschip betreft kan de
inspecteur-generaal bepalen dat een hellingproef wordt
gehouden.
§ 4.
Gebruik van het schip op binnenwateren
Artikel 25
- 1.
- Nadat een onderzoek of
bijzonder onderzoek is beëindigd, dient de toestand van
het schip en de uitrusting te worden gehandhaafd in
overeenstemming met de vermeldingen in het certificaat.
- 2.
- Het schip mag slechts
gebruikt worden voor de bestemming en op de binnenwateren,
waarvoor het blijkens het certificaat geldig of geschikt
is bevonden.
- 3.
- Bij het gebruik van het
schip dienen in acht genomen te worden het vrijboord en de
regelen ten aanzien van de belading, het stuwen, de
stabiliteit en het gebruik, die in het certificaat zijn
aangegeven voor de binnenwateren waarop door het schip
wordt gevaren.
- 4.
- Aan boord van een
passagiersschip, een veerboot of een zeilend
passagiersschip mogen niet meer passagiers worden
toegelaten dan het ten hoogste toegestane aantal volgens
het certificaat.
- 5.
- Bij het gebruik van het
schip dient de in het certificaat vermelde uitrusting in
deugdelijke staat op de daarvoor bestemde plaatsen aan
boord te zijn.
Artikel 26
Ter bevordering van
de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de
arbeid aan boord van schepen bij gebruik op de binnenwateren
- a.
- moeten de
inrichting en uitrusting van die schepen voldoen aan de
regelen, opgenomen in de hoofdstukken 8 en 11 van bijlage
II alsmede aan door Onze Ministers aangewezen andere
regelen, opgenomen in bijlage II;
- b.
- moeten met
betrekking tot de arbeid aan boord van die schepen de
regelen in acht genomen worden, die zijn opgenomen in
bijlage IV.
Artikel 27
| 1. |
De
toezichthoudende ambtenaar die vaststelt dat aan boord
van een schip een voor dat schip vereist document van
deugdelijkheid ontbreekt of niet geldig is, dan wel
dat de op het document vermelde gegevens afwijken van
de werkelijke toestand, stelt de inspecteur-generaal
op de hoogte van zijn bevindingen.
|
| 2. |
De eigenaar
van het schip of diens vertegenwoordiger dient deze
situatie te verhelpen en richt zich daarbij naar
eventueel door de inspecteur-generaal voorgeschreven
maatregelen, te nemen in overeenstemming met de
ingevolge artikel
28, eerste lid, van de Binnenschepenwet, door
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
aangewezen ambtenaren, indien het de veiligheid, de
gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan
boord betreft.
|
| 3. |
De ambtenaar
van de divisie Scheepvaart of de ingevolge artikel
9, eerste lid, van de Binnenschepenwet, door
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
aangewezen ambtenaren, die de vaart met een schip
onderbreekt omdat de staat waarin het schip zich
bevindt zodanig is dat de veiligheid van het schip en
de opvarenden onmiddellijk gevaar loopt, handelt op de
in het eerste lid bedoelde wijze.
|
| 4. |
De
inspecteur-generaal beslist zo spoedig mogelijk of een
bijzonder onderzoek zal worden ingesteld. Hij kan ook
maatregelen voorschrijven ertoe strekkende de redenen
voor het onderbreken van de vaart weg te nemen dan wel
maatregelen voorschrijven op grond waarvan het schip
zonder gevaar, eventueel na beëindiging van zijn
reis, kan doorvaren tot de plaats waar het zal worden
onderzocht of hersteld. Indien het de veiligheid, de
gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan
boord betreft, neemt het hoofd van de
scheepvaartinspectie zijn beslissing in
overeenstemming met de ingevolge artikel
9, eerste lid, van de Binnenschepenwet, door
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
aangewezen ambtenaren.
|
| 5. |
Indien het
een in het buitenland teboekstaand schip betreft dat
is of moet zijn voorzien van een communautair
certificaat of van een scheepsattest als bedoeld in
richtlijn 76/135/EEG, doet de inspecteur-generaal de
bevindingen toekomen aan de instantie die het
communautaire certificaat of het scheepsattest heeft
afgegeven of had moeten afgeven.
|
§ 5.
Erkenning van buitenlandse documenten van deugdelijkheid
Artikel 28
| 1. |
Scheepsattesten
afgegeven ingevolge richtlijn 76/135/EEG, worden
erkend, voor zover het scheepsattest niet meer dan
vijf jaren te voren is afgegeven of verlengd en de
geldigheidsduur niet verstreken is.
|
| 2. |
De erkenning
van scheepsattesten voor vrachtschepen, sleepboten en
duwboten geldt voor de vaart op alle in Nederland
gelegen binnenwateren.
|
| 3. |
De erkenning
van scheepsattesten voor passagiersschepen en zeilende
passagiersschepen geldt voor de in Nederland gelegen
zones 3 en 4 en, indien het schip tevens voldoet aan
de desbetreffende regelen voor zone 2 van bijlage III,
voor de in Nederland gelegen zone 2.
|
| 4. |
Het derde
lid is van overeenkomstige toepassing op veerboten,
met dien verstande dat de erkenning voor de in artikel
1, eerste lid, onder r ,
genoemde wateren van zone 2 slechts geldt, indien het
schip tevens voldoet aan de desbetreffende regelen van
bijlage V.
|
Artikel 29
- 1.
- Onze Minister kan voor de
toepassing van artikel
4, eerste lid, onder c, van de
Binnenschepenwet een document erkennen dat door een
bevoegde autoriteit van een andere staat - niet zijnde een
Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of een van de
overige Staten die partij zijn bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte - is afgegeven
ten bewijze van de deugdelijkheid van een aldaar
teboekstaand schip.
- 2.
- Erkenning van het in het
eerste lid bedoelde document van deugdelijkheid vindt
plaats indien het naar het oordeel van Onze Minister
voldoende waarborg biedt voor de deugdelijkheid van het
schip.
Artikel 30
Een in artikel 29
genoemd document van deugdelijkheid wordt erkend voor in
Nederland gelegen binnenwateren van de zones 2, 3 of 4 naar
gelang het document naar het oordeel van Onze Minister
voldoende waarborg biedt voor de veiligheid van de vaart op
die wateren.
Artikel 31
De erkenning kan
betrekking hebben op een enkel document van deugdelijkheid of
op een groep gelijke documenten.
Artikel
31a
- 1.
- Met het certificaat ten
behoeve van passagiersschepen, veerboten, rijksvaartuigen,
zeilende passagiersschepen of bunkerstations wordt
gelijkgesteld een document van deugdelijkheid, afgegeven
door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere
lidstaat in de Europese Unie dan wel in een staat die
partij is bij de overeenkomst inzake de Europese
Economische Ruimte, welk document is afgegeven op basis
van onderzoekingen die ten minste aan gelijkwaardige eisen
voldoen.
- 2.
- Met de in de bijlagen III,
V, VI, VII en VIII
van dit besluit vastgestelde technische eisen worden
gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen
vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese
Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij
de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.
§ 6.
Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 32
Onze Minister in
overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid stelt een tijdschema vast voor het eerste
onderzoek van bestaande vrachtschepen, sleepboten en duwboten.
Artikel 33
- 1.
- Het in artikel 32 bedoelde
tijdschema omvat een periode gerekend vanaf één jaar na
de datum van inwerkingtreding van dit besluit en eindigend
op 1 juli 1998.
- 2.
- Het tijdschema kan met een
periode van zeven jaren worden verlengd voor schepen
waarvan de bouw op 1 januari 1970 is begonnen of voltooid
en die bestemd zijn om uitsluitend in Nederland te worden
gebruikt.
- 3.
- Het tijdschema wordt ter
kennis gebracht van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen en van de Lid-Staten van de Europese
Gemeenschappen en van de overige Staten die partij zijn
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte.
Artikel 34
Onze Minister in
overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid stelt voor het eerste onderzoek van bestaande
passagiersschepen een afzonderlijk tijdschema vast.
Artikel 35
Het eerste onderzoek
van bunkerstations die op 1 februari 2002 in bedrijf zijn
vindt plaats voor 1 februari 2007.
Artikel 36
Mits voorzieningen
zijn getroffen, die naar het redelijk oordeel van de
inspecteur-generaal voldoende waarborg bieden voor de
veiligheid van het schip en de opvarenden, dan wel naar het
redelijk oordeel van de inspecteur-generaal in overeenstemming
met de ingevolge artikel 27,
eerste lid, van de Binnenschepenwet, door Onze Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren
voldoende waarborg bieden voor de veiligheid, de gezondheid en
het welzijn in verband met de arbeid aan boord, zijn bij het
onderzoek van bestaande vrachtschepen, sleepboten en duwboten
niet van toepassing:
- a.
- de regelen
opgenomen in de tweede kolom van de tabel van artikel
13.01 van bijlage II;
- b.
- de regelen
van artikel 7.03, zesde lid, van bijlage II, mits wordt
voldaan aan het gestelde in artikel 13.02 van bijlage II
en behoudens het bepaalde in artikel 37; en
- c.
- de regelen
van artikel 11.16 van bijlage II met betrekking tot het
hekwerk, mits wordt voldaan aan het gestelde in artikel
13.03 van bijlage II en behoudens het bepaalde in artikel
37.
Artikel 37
Bij het onderzoek
van bestaande vrachtschepen, sleepboten en duwboten zijn
gedurende vijf jaren vanaf de datum van het eerste onderzoek,
bedoeld in artikel 32, niet van toepassing de regelen
opgenomen in de eerste kolom van de tabel van artikel
13.01 van bijlage II.
Artikel 38
Bij het onderzoek
van bestaande vrachtschepen, sleepboten en duwboten zijn
gedurende drie jaren vanaf de datum van het eerste onderzoek,
bedoeld in artikel 32, niet van toepassing de regelen van de
artikelen 8.01 tot en met 8.14 van bijlage II.
Artikel 39
Bij het onderzoek
van bestaande vrachtschepen, sleepboten en duwboten zijn
gedurende één jaar vanaf de datum van het eerste onderzoek,
bedoeld in artikel 32, niet van toepassing de regelen van
bijlage II, niet genoemd in de artikelen 36, 37 en 38.
Artikel 40
In afwijking van het
bepaalde in de artikelen 36 tot en met 39 zijn de regelen van
artikel 11.01, tweede, vierde en vijfde lid, van bijlage II
bij het onderzoek van bestaande schepen van toepassing.
Artikel 41
In afwijking van het
bepaalde in artikel 39 zijn bij het onderzoek van bestaande
vrachtschepen, sleepboten en duwboten, die op 1 juni 1985
zijn ingericht voor het voeren van het schip door een persoon
met behulp van radar, de regelen van hoofdstuk 9 van bijlage
II van toepassing.
Artikel 42
- 1.
- Bij het
onderzoek van bestaande passagiersschepen, veerboten en
zeilende passagiersschepen zijn de regelen opgenomen in de
tweede kolom van de tabel van artikel 11.02 van bijlage
III niet van toepassing, mits voorzieningen zijn
getroffen, die naar het redelijk oordeel van de
inspecteur-generaal voldoende waarborg bieden voor de
veiligheid van het schip en de opvarenden, dan wel naar
het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal in
overeenstemming met de ingevolge artikel
27, eerste lid, van de Binnenschepenwet, door Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen
ambtenaren voldoende waarborg bieden voor de veiligheid,
de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan
boord en met inachtneming van het bepaalde in het volgende
lid.
- 2.
- De regelen van
hoofdstuk 2, van de artikelen 3.01, eerste lid, 3.02,
derde en vierde lid, 3.03, tweede en derde lid, 4.06 en
van hoofdstuk 8 van bijlage III zijn bij het onderzoek van
bestaande passagiersschepen, veerboten en zeilende
passagiersschepen niet van toepassing behoudens het
bepaalde in de artikelen tot en met 11.06 van bijlage III.
- 3.
- Bij het
onderzoek van bestaande passagiersschepen, veerboten en
zeilende passagiersschepen zijn met betrekking tot de
regelen van de artikelen 7.02, eerste en tweede lid, en
7.04 van bijlage III de overgangsbepalingen van de
artikelen 11.07 en 11.08 van bijlage III van toepassing.
Artikel 43
Bij het onderzoek
van bestaande passagiersschepen, veerboten en zeilende
passagiersschepen zijn gedurende vijf jaren vanaf de datum van
het eerste onderzoek de regelen opgenomen in de eerste kolom
van de tabel van artikel
11.02 van bijlage III niet van toepassing.
Artikel 44
Bij het onderzoek
van bestaande passagiersschepen zijn gedurende één jaar
vanaf de datum van het eerste onderzoek, bedoeld in artikel
34, de regelen van bijlage III, niet genoemd in de artikelen
42, eerste en tweede lid, en 43, niet van toepassing.
Artikel 45
Bij verbouwing van
een bestaand schip en bij vervanging van onderdelen of van de
uitrusting van een bestaand schip zijn de regelen van bijlage
II en III onverkort van toepassing op hetgeen verbouwd of
vervangen wordt.
Artikel 46
- 1.
- De
inspecteur-generaal kan niet toepassing van regelen
toestaan bij het eindigen van de termijnen, bedoeld in de
artikelen 37, 38, 39, 41, 43 en 44 en bij toepassing van
de artikelen 36, 40, 42 en 45, indien toepassing van deze
regelen in de praktijk niet uitvoerbaar blijkt of
onevenredig hoge kosten met zich meebrengt.
- 2.
- De in het eerste
lid bedoelde niet toepassing van regelen wordt slechts
toegestaan, mits voorzieningen zijn getroffen, die naar
het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal voldoende
waarborg bieden voor de veiligheid van het schip en de
opvarenden, dan wel naar het redelijk oordeel van de
inspecteur-generaal in overeenstemming met de ingevolge artikel
27, eerste lid, van de Binnenschepenwet, door Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen
ambtenaren voldoende waarborg bieden voor de veiligheid,
de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan
boord.
Artikel 47
Bij regeling van
Onze Minister in overeenstemming met de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, dan wel van de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met Onze Minister
kunnen nadere regelen worden gegeven ter uitvoering van dit
besluit.
Artikel 48
Dit besluit treedt
in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 49
Dit besluit kan
worden aangehaald als "Binnenschepenbesluit".
Lasten en bevelen, dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
Tavarnelle, 16 juli 1987
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat a.i.,
R.W. de Korte
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. de Koning
Uitgegeven de twaalfde november 1987
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Bijlage
I van het Binnenschepenbesluit
Lijst van
binnenwateren van het communautaire net,
ingedeeld in de zones 1, 2, 3 en 4
Nederland
Zone
2:
| - |
Dollard,
|
| - |
Eems,
|
| - |
Waddenzee
met inbegrip van de verbindingen met
de Noordzee,
|
| - |
IJsselmeer
met inbegrip van het Markermeer en het
IJmeer, met uitzondering van de
Gouwzee,
|
| - |
Nieuwe
Waterweg en het Scheur,
|
| - |
Calandkanaal
ten westen van de Beneluxhaven,
|
| - |
Breediep,
Beerkanaal en de op het Beerkanaal
aansluitende havens,
|
| - |
Hollandsch
Diep,
|
| - |
Haringvliet
en Vuile Gat met inbegrip van de
waterwegen tussen Goeree-Overflakkee
enerzijds en Voorne-Putten en Hoeksche
Waard anderzijds,
|
| - |
Volkerak,
|
| - |
Krammer,
|
| - |
Grevelingenmeer
en Brouwershavensche Gat met inbegrip
van de waterwegen tussen
Schouwen-Duiveland enerzijds en
Goeree-Overflakkee anderzijds,
|
| - |
Keten,
Mastgat, Zijpe, Krabbenkreek,
Oosterschelde en Roompot met inbegrip
van de waterwegen tussen Walcheren,
Noord-Beveland en Zuid-Beveland
enerzijds en Schouwen-Duiveland en
Tholen anderzijds, met uitzondering
van het Schelde-Rijnkanaal,
|
| - |
Schelde,
Westerschelde en de zeemonding daarvan
met inbegrip van de waterwegen tussen
Zeeuwsch-Vlaanderen enerzijds en
Walcheren en Zuid-Beveland anderzijds,
met uitzondering van het
Schelde-Rijnkanaal.
|
Zone
3:
| - |
Sneekermeer,
Koevordermeer, Heegermeer, Fluessen,
Slotermeer, Tjeukemeer.
|
| - |
Beulakkerwijde,
Belterwijde, Ramsdiep, Zwartemeer,
Ketelmeer,
|
| - |
Veluwemeer,
Eemmeer, Gooimeer,
|
| - |
Alkmaardermeer,
Gouwzee, Buiten-IJ, Afgesloten IJ,
Noordzeekanaal, Havens van IJmuiden,
|
| - |
Havengebied
van Rotterdam, Europoort, Calandkanaal
en Hartelkanaal,
|
| - |
Nieuwe
Maas,
|
| - |
Oude
Maas, Noord, Beneden Merwede, Nieuwe
Merwede, Dordtsche Kil, Boven Merwede,
|
| - |
Waal,
Bijlandsch Kanaal, Boven Rijn,
Pannerdensch Kanaal, Neder Rijn, Lek,
|
| - |
Geldersche
IJssel,
|
| - |
Amsterdam-Rijnkanaal,
|
| - |
Veerse
meer,
|
| - |
Schelde-Rijnkanaal
vanaf de landsgrens tot aan de
uitmonding in het Volkerak,
|
| - |
Amer,
Bergsche Maas,
|
| - |
Maas
beneden Venlo.
|
Zone
4:
| - |
Alle
overige rivieren, kanalen en meren,
niet genoemd onder de zones 2 en 3.
|
België
Zone
3:
| - |
Zeeschelde
beneden Antwerpen.
|
Zone
4:
| - |
Alle
overige waterwegen, niet genoemd onder
de zone 3.
|
Bondsrepubliek
Duitsland
Zone
1:
| - |
Ems:
van de verbindingslijn tussen de oude
vuurtoren van Delfzijl en de
lichtopstand van Knock zeewaarts tot
54°30" noorderbreedte en
6°45" oosterlengte, met
inachtneming van het
Samenwerkingsverdrag Ems-Dollard.
|
Zone
2:
| - |
Ems:
van de verbindingslijn van de
haveningang naar Papenburg over de Ems,
tussen het Diemer Schöpfwerk en de
dijksluis bij Halte tot aan de
verbindingslijn tussen de oude
vuurtoren van Delfzijl en de
lichtopstand van Knock, met
inachtneming van het
Samenwerkingsverdrag Ems-Dollard,
|
| - |
Jade:
binnenwaarts van de verbindingslijn
tussen de vuurtoren Schillighörn en
de kerktoren van Langwarden,
|
| - |
Weser:
van de spoorbrug in Bremen tot aan de
verbindingslijn tussen de kerktorens
van Langwarden en van Cappel met de
zijarm Schweiburg, met inbegrip van de
zijarmen Kleine Weser, Rekumer-Loch en
de rechter zijarm,
|
| - |
Elbe:
van de onderste grens van de haven van
Hamburg tot de verbindingslijn tussen
de Kugelbake bij Döse en de
noordwestelijke punt van het Hohes
Ufer (Dieksand) met de zijrivieren
Este, Lühe, Schwinge, Oste, Pinnau,
Krückau en Stör (telkens van de
vloedkering tot aan de monding) en met
inbegrip van de Zij-Elbe,
|
| - |
Meldorfer
Bucht: binnenwaarts van de
verbindingslijn van de noordwestelijke
punt van het Hohes Ufer (Dieksand) tot
het westelijke havenhoofd Büsum,
|
| - |
Flensburger
Förde: binnenwaarts van de
verbindingslijn tussen de vuurtoren
Kekenis en Birknack,
|
| - |
Eckernförder
Bucht: binnenwaarts van de
verbindingslijn van Bocknis-Eck tot de
noordoostelijke punt van het vasteland
bij Dänisch Nienhof,
|
| - |
Kieler
Förde: binnenwaarts van de
verbindingslijn tussen de vuurtoren
van Bülk en het marinegedenkteken
Laboe,
|
| - |
Leda:
van de ingang tot de voorhaven van de
zeesluis van Leer tot aan de monding,
|
| - |
Hunte:
van de haven Oldenburg en van 200 m
beneden de Amalienbrug in Oldenburg
tot aan de monding,
|
| - |
Lesum:
van de spoorbrug in Bremen-Burg tot
aan de monding,
|
| - |
Este:
van de afsluiting bij Buxtehude tot
aan de vloedkering Este,
|
| - |
Lühe:
van de molen 250 m boven het viaduct
op de Marschdamm in Horneburg tot aan
de vloedkering Lühe,
|
| - |
Schwinge:
van de voetgangersbrug beneden het
Güldensternbastion in Stade tot aan
de vloedkering Schwinge,
|
| - |
Freiburger-Hafenpriel:
van de sluizen bij Freiburg/Elbe tot
aan de monding,
|
| - |
Oste:
van Mühlenwehr Bremervörde tot aan
de vloedkering Oste,
|
| - |
Pinnau:
van de spoorbrug in Pinneberg tot aan
de vloedkering Pinnau,
|
| - |
Krückau:
van de watermolen in Elmshorn tot aan
de vloedkering Krückau,
|
| - |
Stör:
van Pegel Rensing tot aan de
vloedkering Stör,
|
| - |
Eider:
van het Gieselaukanaal tot aan de
vloedkering Eider,
|
| - |
Nord-Ostsee-Kanal:
van de verbindingslijn tussen de
havenhoofden in Brunsbüttel tot aan
de verbindingslijn tussen de
toegangsbakens in Kiel-Holtenau met
Schirnauer See, Bergstedter See,
Audorfer See, Obereidersee met Enge,
Achterwehrer Schiffahrtskanal en
Flemhuder See,
|
| - |
Trave:
van de spoorbrug en de Holstenbrug (Stadttrave)
in Lübeck tot aan de verbindingslijn
van de beide uiterste havenhoofden bij
Travemünde met de Pötenitzer Wiek en
de Dassower See,
|
| - |
Schlei:
binnenwaarts van de verbindingslijn
van de havenhoofden Schleimünde.
|
Zone
3:
| - |
Donau:
van Kelheim (km 414,60) tot aan de
Duits-Oostenrijkse grens,
|
| - |
Rhein:
van de Duits-Zwitserse grens tot aan
de Duits-Nederlandse grens,
|
| - |
Elbe:
van de uitmonding van het
Elbe-Seiten-Kanaal tot aan de
ondergrens van de haven van Hamburg.
|
Zone
4:
| - |
Alle
overige waterwegen, niet genoemd onder
de zones 1, 2, en 3.
|
Frankrijk
Zone
2:
| - |
Seine:
stroomafwaarts van de Jeanne
d’Arc-Brug in Rouen,
|
| - |
Garonne
en Gironde: stroomafwaarts van de
stenen brug te Bordeaux,
|
| - |
Rhône:
stroomafwaarts van de
Trinquetaille-brug te Arles en verder
naar Marseille.
|
Zone
4:
| - |
Alle
overige waterwegen, niet genoemd onder
de zones 2 en 3.
|
Italië
Zone
4:
| - |
Po:
van Piacenza tot aan de monding,
|
| - |
Milaan-Cremona-Pokanaal:
het op de Po aansluitende gedeelte van
15 km,
|
| - |
De
Mincio-rivier: van Mantova, Governolo
tot de Po,
|
| - |
Waterweg
van Ferrara: van de Po (Pontelagoscuro),
Ferrara tot Porto Garibaldi,
|
| - |
Kanalen
van Brondolo en Valle: van de Po di
Levante tot de Laguna di Venezia,
|
| - |
Kanaal
Fissero - Tartaro - Canalbianco: van
de Adriatische Zee tot de Po di
Levante,
|
| - |
Litoranea
Veneta: van de Laguna di Venezia tot
Grado.
|
Zweden
Zone
2:
| - |
Trollhätte
kanal en Göta älv,
|
| - |
Vänern,
|
| - |
Södertälje
kanal,
|
| - |
Mälaren,
|
| - |
Falsterbo
kanal,
|
| - |
Sotenkanalen.
|
Zone
4:
| - |
Alle
overige rivieren, kanalen en meren,
niet genoemd onder de zones 2 en 3.
|
Oostenrijk
Zone
3:
| - |
Donau:
van de Oostenrijks-Duitse grens tot
aan de Oostenrijks-Tsjechische grens.
|
Polen
Zone
1:
| – |
Het
deel van de Pomorska-baai ten zuiden
van de lijn tussen Nord Perd op het
eiland Rugen en de vuurtoren Niechorze,
|
| – |
het
deel van de Gdańska-baai ten
zuiden van de lijn tussen de vuurtoren
Hel en het baken dat de toegang tot de
haven van Baltijsk markeert.
|
Zone
2:
| – |
Szczecin-baai,
|
| – |
Kamień-baai,
|
| – |
Wisla-baai,
|
| – |
Puck-baai,
|
| – |
Wloclawski-reservoir,
|
| – |
Śniardwy-meer,
|
| – |
Niegocin-meer,
|
| – |
Mamry-meer.
|
Zone
3:
| – |
Biebrza
vanaf de monding van het
Augustowskikanaal tot de monding van
de Narwia,
|
| – |
Brda
vanaf de verbinding met het
Bydgoski-kanaal in Bydgoszcz tot de
monding van de Wisla,
|
| – |
Bug
vanaf de monding van de Muchawiec tot
de monding van de Narwia,
|
| – |
Dąbie-meer
tot de grens met de binnenzee,
|
| – |
Augustowski-kanaal
vanaf de verbinding met de Biebrza tot
de staatsgrens, samen met de meren die
langs dit kanaal liggen,
|
| – |
Bartnicki-kanaal
vanaf het Ruda Woda-meer tot het Bartężek-meer,
samen met het Bartężek-meer,
|
| – |
Bydgoski-kanaal,
|
| – |
Elbląski-kanaal
vanaf het Druzno-meer tot het
Jeziorakmeer en het Szeląg
Wielki-meer, samen met die meren en
met de meren die langs het kanaal
liggen, en een zijkanaal in de
richting van Zalewo vanaf het
Jeziorak-meer tot en met het
Ewingi-meer,
|
| – |
Gliwicki-kanaal
samen met het Kędzierzyński-kanaal,
|
| – |
Jagielloński-kanaal
vanaf de verbinding met de Elbląg
tot de Nogat,
|
| – |
Lączański-kanaal,
|
| – |
Ślesiński-kanaal
met de meren langs de loop van dit
kanaal en het Goplomeer,
|
| – |
Żerański-kanaal,
|
| – |
Martwa
Wisla vanaf de Wisla in Przegalina tot
de grens met de binnenzee,
|
| – |
Narew
vanaf de monding van de Biebrza tot de
monding van de Wisla, samen met het
Zegrzyński-meer,
|
| – |
Nogat
vanaf de Wisla tot de monding van de
Wislabaai,
|
| – |
(bovenloop
van de) Noteæ-rivier vanaf het
Goplo-meer tot de verbinding met het
Górnonotecki-kanaal en de
(benedenloop van de) Noteæ vanaf de
verbinding met het Bydgoski-kanaal tot
de monding van de Warta,
|
| – |
Nysa
Lużycka vanaf Gubin tot de
monding van de Odra,
|
| – |
Odra
vanaf Racibórz tot de verbinding met
de oostelijke Odra die overgaat in de
Regalica vanaf de
Klucz-Ustowo-doorsteek, samen met die
rivier en de zijtakken ervan naar het
Dąbie-meer, alsmede een zijtak
van de Odra vanaf de sluis van
Opatowice tot de sluis in Wroclaw,
|
| – |
westelijke
Odra vanaf een dam in Widuchowa (704,1
km van de Odra) tot een grens met de
binnenzee, samen met de zijtakken en
de Klucz-Ustowo-doorsteek die de
oostelijke met de westelijke Odra
verbindt,
|
| – |
Parnica
en de Parnica-doorsteek vanaf de
westelijke Odra tot een grens met de
binnenzee,
|
| – |
Pisa
vanaf het Roś-meer tot de monding
van de Narew,
|
| – |
Szkarpawa
vanaf de Wisla tot de monding van de
Wislabaai,
|
| – |
Warta
vanaf de baai van Ślesiński
tot de monding van de Odra,
|
| – |
Wielkie
Jeziora Mazurskie-systeem, dat de
meren omvat die worden verbonden door
de rivieren en kanalen die de
hoofdroute uitmaken tussen het Roś-meer
(inclusief) in Pisz en het Węgorzewski-kanaal
(inclusief dat kanaal) in Węgorzewo,
samen met de volgende meren:
Seksty,
Mikolajskie, Talty, Taltowisko, Kotek,
Szymon, Szymoneckie, Jagodne, Boczne,
Tajty, Kisajno, Dargin, Labap,
Kirsajty en Święcajty, samen
met het Giżycki-, het Niegociński-
en het Piękna Góra-kanaal,
alsmede een zijtak vanaf het Ryńskie-meer
(inclusief) in Ryn tot het Nidzkiemeer
(tot 3 km, waar een grens is getrokken
met het reservaat van het Nidzkie-meer),
samen met de volgende meren: Beldany,
Guzianka Mala en Guzianka Wielka,
|
| – |
Wisla
vanaf de monding van de Przemsza tot
de verbinding met het Lązański-kanaal
en vanaf de monding van dat kanaal in
Skawina tot de monding van de Wisla
tot aan de baai van Gdańsk, met
uitsluiting van het
Wloclawski-reservoir.
|
Zone
4:
– Alle
overige waterwegen, niet genoemd onder zones
1, 2 en 3.
Tsjechië
Zone
2:
– Dam
Lipno-meer.
Zone
3:
| – |
Labe:
van de sluis Ústí nad Labem-Střekov
tot de sluis Lovosice,
|
| – |
Dam-meren:
Baška, Brnĕnská (Kníničky),
Horka (Stráž pod Ralskem),
Hracholusky, Jesenice, Nechranice, Olešná,
Orlík, Pastviny, Plumov, Rozkoš, Seč,
Skalka, Slapy, Trĕlicko, Žermanice,
|
| – |
Panden:
Oleksovice, Svĕt, Velké Dářko.
|
Zone
4:
– Alle
overige waterwegen, niet genoemd onder zones
1, 2 en 3.
Hongarije
Zone
3:
| – |
Donau:
van rkm 1812 tot rkm 1433,
|
| – |
Donau
Moson: van rkm 14 tot rkm 0,
|
| – |
Donau
Szentendre: van rkm 32 tot rkm 0,
|
| – |
Donau
Ráckeve: van rkm 58 tot rkm 0,
|
| – |
Tisza
(rivier): van rkm 685 tot rkm 160,
|
| – |
Dráva
(rivier): van rkm 198 tot rkm 70,
|
| – |
Bodrog
(rivier): van rkm 51 tot rkm 0,
|
| – |
Kettős
Körös (rivier): van rkm 23 tot rkm
0,
|
| – |
Hármas
Körös (rivier): van rkm 91 tot rkm
0,
|
| – |
Sió-kanaal:
van rkm 23 tot rkm 0,
|
| – |
Velence-meer,
|
| – |
Fertő-meer.
|
Zone
4:
– Alle
overige waterwegen, niet genoemd onder zones 2
en 3.
Slowakije
Zone
3:
– Donau:
van Devín (km 1880,26) tot de
Slowaaks-Hongaarse grens.
Zone
4:
– Alle
overige waterwegen, niet genoemd onder zone 3.
Litouwen
Zone
4:
– Het
volledige Litouwse waterwegennet.
Bulgarije
Zone
3:
– Donau:
van rkm 845,650 tot rkm 374,100.
Roemenië
Zone
3:
| – |
Donau:
van de grens tussen Servië en
Montenegro en Roemenië (km 1075) tot
de Zwarte Zee op de Sulina-arm,
|
| – |
Donau-Zwarte
Zee-kanaal (64,410 km lengte): van de
verbinding met de Donau op km 299,300
van de Donau te Cernavodă
(respectievelijk km 64 en km 410 van
het kanaal), tot de haven van
Constanta Zuid – Agigea (km «0»
van het kanaal),
|
| – |
kanaal
Poarta Albă-Midia Năvodari
(34,600 km lengte): van de verbinding
met het Donau-Zwarte Zee-kanaal op km
29 en km 410 te Poarta Albă
(respectievelijk km 27 en km 500 van
het kanaal) naar de haven van Midia
(km «0» van het kanaal).
|
Zone
4:
– Alle
overige waterwegen, niet genoemd onder zone 3.
Bijlage
II. van het Binnenschepenbesluit
Technische regelen
voor vrachtschepen, sleepboten en duwboten
Inhoudsopgave
|
Hoofdstuk
1
|
Algemeen
|
|
1.01.
|
Toepassing
van de regelen
|
|
Hoofdstuk
2
|
Scheepsbouwkundige
eisen
|
|
2.01.
|
Algemene
regel
|
|
2.02.
|
Scheepsromp
|
|
2.03.
|
Verwarmings-,
kook- en koelinstallaties
|
|
2.04.
|
Verwarming
met vloeibare brandstoffen met een
vlampunt boven 55°C
|
|
2.05.
|
Verwarming
met vaste brandstof
|
|
2.06.
|
Machinekamers,
ketelruimen en bunkers
|
|
Hoofdstuk
3
|
Stuurinrichting
en stuurhuis
|
|
3.01.
|
Algemene
regelen
|
|
3.02.
|
Vermogen
van de stuurinrichting
|
|
3.03.
|
Algemene
regelen voor de constructie
|
|
3.04.
|
Mechanisch
gedreven stuurinrichtingen
|
|
3.05.
|
Inschakeling
van de tweede aandrijving
|
|
3.06.
|
Handaandrijving
|
|
3.07.
|
Hand-hydraulische
aandrijving
|
|
3.08.
|
Hydraulische
aandrijving
|
|
3.09.
|
Electrische
aandrijving
|
|
3.10.
|
Roerpropeller-
en Voith-Scheneiderinstallaties
|
|
3.11.
|
Afstandsbediening
|
|
3.12.
|
Roerstandaanwijzer
|
|
3.13.
|
Hulpstuurinrichting
|
|
3.14.
|
Vrij
uitzicht vanuit het stuurhuis
|
|
3.15.
|
Geluidsniveau
in het stuurhuis
|
|
3.16.
|
Electrisch
gedeelte van de stuurinrichtingen
|
|
3.17.
|
Neerlaatbare
stuurhuizen
|
|
Hoofstuk
4
|
Vrijboord,
veiligheidsafstand en diepgangsschalen
|
|
4.01.
|
Definities
|
|
4.02.
|
Veiligheidsafstand
|
|
4.03.
|
Vrijboord
|
|
4.04.
|
Inzinkingsmerken
|
|
4.05.
|
Diepgangsschalen
|
|
Hoofdstuk
5
|
Werktuigbouwkundige
eisen
|
|
5.01.
|
Algemene
regelen
|
|
5.02.
|
Veiligheid
|
|
5.03.
|
Voortstuwingsinstallaties
|
|
5.04.
|
Uitlaatgassenleidingen
van motoren
|
|
5.05.
|
Tanks,
bunkers en pijpleidingen
|
|
5.06.
|
Lensinrichtingen
|
|
5.07.
|
Inrichting
voor het verzamelen van afgewerkte olie
|
|
5.08.
|
Lieren
|
|
5.09.
|
Door
schepen voortgebracht geluid
|
|
Hoofdstuk
6
|
Electrische
installaties
|
|
6.01.
|
Algemene
regelen
|
|
6.02.
|
Bescherming
tegen aanraking en water
|
|
6.03.
|
Bescherming
tegen explosie
|
|
6.04.
|
Aarding
|
|
6.05.
|
Ten
hoogste toegestane spanningen
|
|
6.06.
|
Verdeelsystemen
|
|
6.07.
|
Walaansluiting
|
|
6.08.
|
Stroomlevering
aan andere schepen
|
|
6.09.
|
Generatoren
en motoren
|
|
6.10.
|
Accumulatoren
|
|
6.11.
|
Schakelinrichtingen
|
|
6.12.
|
Noodstopschakelaars
|
|
6.13.
|
Installatiemateriaal
|
|
6.14.
|
Kabels
|
|
6.15.
|
Verlichtingsinstallaties
|
|
6.16.
|
Navigatieverlichting
|
|
6.17.
|
Noodkrachtbron
|
|
Hoofdstuk
7
|
Uitrusting
|
|
7.01.
|
Ankergerei
|
|
7.02.
|
Overige
uitrusting
|
|
7.03.
|
Brandbestrijdingsmiddelen
|
|
7.04.
|
Bijboten
|
|
7.05.
|
Reddingboeien
en reddingvesten
|
|
Hoofstuk
8
|
Vloeibaar-gasinstallaties
voor huishoudelijk gebruik
|
|
8.01.
|
Algemene
regelen
|
|
8.02.
|
Installatie
|
|
8.03.
|
Gasflessen
|
|
8.04.
|
Opstelling
en inrichting van de flessenkast
|
|
8.05.
|
Reserveflessen
en lege flessen
|
|
8.06.
|
Drukregelaars
|
|
8.07.
|
Druk
|
|
8.08.
|
Buisleidingen
en flexibele leidingen
|
|
8.09.
|
Distributienet
|
|
8.10.
|
Gebruiksapparaten
en de opstelling daarvan
|
|
8.11.
|
Ventilatie
en afvoer der verbrandingsgassen
|
|
8.12.
|
Gebruiks-
en veiligheidsinstructies
|
|
8.13.
|
Keuring
|
|
8.14.
|
Wijze
van keuring
|
|
8.15.
|
Aantekening
in het certificaat
|
|
Hoofstuk
9
|
Bijzondere
inrichting van het stuurhuis met het oog
op het voeren van een schip met behulp
van radar door één persoon
|
|
9.01.
|
Algemene
regel
|
|
9.02.
|
Regelen
betreffende de bouw
|
|
9.03.
|
Radarinstallatie
en bochtaanwijzer
|
|
9.04.
|
Installaties
voor het tonen en voeren van
navigatie-lichten en het geven van
geluidsseinen
|
|
9.05.
|
Installaties
voor het besturen van het schip en het
bedienen van de voortstuwingswerktuigen
|
|
9.06.
|
Installatie
voor het bedienen van de hekankers
|
|
9.07.
|
Telefooninstallaties
|
|
9.08.
|
Alarminstallatie
|
|
9.09.
|
Andere
controle-instrumenten
|
|
9.10.
|
Aantekening
in het certificaat
|
|
Hoofdstuk
10
|
Bijzondere
regelen voor schepen die zijn bestemd om
deel uit te maken van een duwstel, een
sleep of een gekoppeld samenstel
|
|
10.01.
|
Duwboten
|
|
10.02.
|
Duwbakken
|
|
10.03.
|
Motorschepen
en sleepboten, die geschikt zijn om te
duwen
|
|
10.04.
|
Proeven
met duwstellen
|
|
10.05.
|
Schepen
die geschikt zijn om te slepen
|
|
10.06.
|
Schepen
die geschikt zijn om een gekoppeld
samenstel voort te bewegen
|
|
Hoofdstuk
11
|
Hygiëne
en veiligheid van verblijven en
arbeidsplaatsen
|
|
11.01.
|
Algemene
bepalingen
|
|
11.02.
|
Ligging
en inrichting van verblijven
|
|
11.03.
|
Grootte
van verblijven
|
|
11.04.
|
Leidingen
in verblijven
|
|
11.05.
|
Toegangen,
deuren en trappen van verblijven
|
|
11.06.
|
Vloeren,
wanden en plafonds van verblijven
|
|
11.07.
|
Verwarming
en ventilatie van verblijven
|
|
11.08.
|
Daglicht
en verlichting van verblijven
|
|
11.09.
|
Meubilair
in verblijven
|
|
11.10.
|
Keukens,
eetruimten en proviandbergplaatsen
|
|
11.11.
|
Sanitaire
installaties
|
|
11.12.
|
Drinkwaterinstallaties
|
|
11.13.
|
Veiligheid
van arbeidsplaatsen in het algemeen
|
|
11.14.
|
Toegankelijkheid
van arbeidsplaatsen
|
|
11.15.
|
Afmetingen
van arbeidsplaatsen
|
|
11.16.
|
Beveiliging
tegen vallen
|
|
11.17.
|
Toegangen,
deuren en trappen van arbeidsplaatsen
|
|
11.18.
|
Vloeren,
wanden, plafonds, ramen en schijnlichten
van arbeidsplaatsen
|
|
11.19.
|
Ventilatie
en verwarming van arbeidsplaatsen
|
|
11.20.
|
Daglicht
en verlichting van arbeidsplaatsen
|
|
11.21.
|
Bescherming
van arbeidsplaatsen tegen geluid en
trillingen
|
|
Hoofdstuk
12
|
Aanvullende
regelen voor schepen bij gebruik op de
binnenwateren van de zones 2 en 3
|
|
12.01.
|
Schepen,
duwstellen en gekoppelde samenstellen
met een grootste lengte van meer dan 86
m
|
|
12.02.
|
Vrijboord,
veiligheidsafstand en inzinkingsmerken
|
|
12.03.
|
Extra
uitrustingseisen
|
|
12.04.
|
Bijzondere
regelen voor schepen die zijn bestemd om
deel uit te maken van een duwstel of een
sleep
|
|
Hoofdstuk
13
|
Overgangsbepalingen
|
|
13.01.
|
Tabel
|
|
13.02.
|
CO2-blusinstallaties
|
|
13.03.
|
Relingen
langs gangboord
|
Hoofdstuk
1. Algemeen
Artikel
1.01. Definities
In
deze bijlage wordt verstaan onder: lengte Lwl:
de lengte gemeten op het vlak van de grootste
inzinking.
Artikel
1.02. Toepassing van de regelen
1.
Vrachtschepen, sleepboten en duwboten die
worden gebruikt op de binnenwateren van de
zones 2 en 3 moeten voldoen aan de regelen van
de hoofdstukken 2 tot en met 13 van deze
bijlage.
2.
Vrachtschepen, sleepboten en duwboten die
worden gebruikt op de binnenwateren van zone 4
moeten voldoen aan de regelen van de
hoofdstukken 2 tot en met 11 en 13 van deze
bijlage.
3.
Door Onze Minister wordt in de Staatscourant
mededeling gedaan van aanvullende regelen, die
op grond van het bepaalde in artikel 5 van
richtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 4 oktober 1982 tot
vaststelling van de technische voorschriften
voor binnenschepen, door de Bondsrepubliek
Duitsland, door Frankrijk en door Zweden zijn
vastgesteld.
4.
Vrachtschepen, sleepboten en duwboten die
worden gebruikt op de in de Bondsrepubliek
Duitsland gelegen binnenwateren van de zones 1
en 2 en de op in Frankrijk en Zweden gelegen
binnenwateren van zone 2 moeten voldoen aan de
in het derde lid bedoelde aanvullende regelen.
Hoofdstuk
2. Scheepsbouwkundige eisen
Artikel
2.01. Algemene regel
De
schepen moeten volgens goed scheepsbouwgebruik
zijn gebouwd. Hun stabiliteit moet voldoende
zijn voor het gebruik waarvoor zij zijn
bestemd.
Artikel
2.02. Scheepsromp
1.
De scheepsromp moet voldoende sterk zijn,
teneinde bestand te zijn tegen alle
belastingen die onder normale omstandigheden
op de romp worden uitgeoefend. Wanneer het
schip is voorzien van een certificaat of een
desbetreffende verklaring van een erkend
onderzoekingsbureau of wanneer een voldoende
veiligheid kan worden aangetoond door
overlegging van een sterkteberekening, wordt
de sterkte van de scheepsromp voldoende
geacht.
2.
De waterinlaten en -uitlaten, alsmede de
daarop aansluitende pijpleidingen, moeten
zodanig zijn uitgevoerd dat elk ongewenst
binnendringen van water in het schip
onmogelijk is.
3.
De volgende waterdichte schotten, die reiken
tot tegen het dek of, wanneer er geen dek is,
tot aan de bovenkant van het scheepsboord,
moeten zijn aangebracht:
| a. |
een
aanvaringsschot op een redelijke
afstand van de voorsteven;
|
| b. |
een
achterpiekschot op een redelijke
afstand van de achtersteven.
|
Op
schepen met een lengte van 25 m of minder mag
het achterpiekschot achterwege worden gelaten.
4.
Verblijven, machinekamers en ketelruimen,
alsmede de eventueel daarbij behorende
werkplaatsen, moeten waterdicht van de
laadruimen zijn gescheiden.
5.
Elke waterdichte afdeling die tijdens de vaart
gewoonlijk niet luchtdicht is afgesloten, moet
afzonderlijk kunnen worden gelensd.
6.
Verblijven mogen zich niet voor het
aanvaringsschot bevinden. Verblijven moeten
van de machinekamers en ketelruimen gasdicht
zijn gescheiden. Zij moeten rechtstreeks vanaf
het dek toegankelijk zijn. Indien een
dergelijke toegang niet aanwezig is, moet een
extra nooduitgang direct naar het dek leiden.
7.
De in het derde en vierde lid voorgeschreven
schotten en andere begrenzingen van ruimten
mogen niet van openingen zijn voorzien.
Behalve in het aanvaringsschot zijn evenwel
mangaten toegestaan, mits de mangatdeksels
waterdicht met bouten zijn bevestigd. Deuren
in het achterpiekschot, doorvoeringen van
assen, pijpleidingen enzovoort zijn slechts
toegestaan wanneer zij zodanig zijn
uitgevoerd, dat de doelmatigheid van de
betrokken schotten en andere begrenzingen niet
nadelig wordt beïnvloed.
8.
In afwijking van het vijfde en zevende lid mag
de achterpiek met een machinekamer in
verbinding staan door middel van een
zelfsluitende aftapinrichting die gemakkelijk
toegankelijk is.
Artikel
2.03. Verwarmings-, kook- en koelinstallaties
1.
Verwarmings-, kook- en koelinstallaties met
hun toebehoren moeten zodanig zijn uitgevoerd
en opgesteld dat zij, ook bij oververhitting,
geen gevaar opleveren. Zij moeten zodanig zijn
gemonteerd, dat zij niet kunnen omvallen of
onopzettelijk verschoven kunnen worden.
2.
Wanneer de in het eerste lid bedoelde
installaties met vloeibare brandstoffen
werken, mogen alleen brandstoffen met een
vlampunt boven 55° C worden gebruikt.
3.
In afwijking van het tweede lid mogen
kookapparaten en van pitbranders voorziene
verwarmings- en koelapparaten, die op
handelspetroleum werken, worden gebruikt in de
verblijven en het stuurhuis, mits de inhoud
van hun reservoir niet groter is dan 12 liter.
4.
De in het eerste lid bedoelde installaties
mogen niet zijn opgesteld in opslagruimten of
machinekamers, waarin stoffen van de
categorieën K1n, K1s
of K2 van de klasse IIIa
van het ANDR (Stb.
1977, 371) zijn opgeslagen of worden gebruikt.
5.
De voor de verbranding noodzakelijke
luchttoevoer moet gewaarborgd zijn.
Ventilatoren voor de luchtverversing mogen
niet van een afsluitinrichting zijn voorzien,
tenzij op grond van andere ter zake geldende
bepalingen een dergelijke inrichting is
voorgeschreven.
6.
Verwarmings- en kookapparaten moeten
deugdelijk op de afvoergassenleidingen zijn
aangesloten. Koelapparaten die op vloeibare
brandstoffen werken, moeten eveneens van een
afvoergassenleiding zijn voorzien.
Afvoergassenleidingen
moeten zich in goede staat bevinden en van
doelmatige windkappen zijn voorzien.
Schoorstenen
moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat
verstopping door verbrandingsprodukten wordt
voorkomen en dat zij gereinigd kunnen worden.
Er mogen geen afvoergassenleidingen door de in
het vierde lid bedoelde ruimten en
machinekamers zijn gevo erd.
Artikel
2.04. Verwarming met vloeibare brandstoffen
met een vlampunt boven 55° C
1.
Alle apparaten moeten zonder de hulp van
andere brandbare vloeistoffen kunnen worden
aangestoken.
Zij
moeten zijn aangebracht boven een metalen
lekbak van voldoende grootte, waarin per
ongeluk uitstromende brandstof kan worden
opgevangen. De inhoud van deze lekbak mag niet
minder dan 2 liter en de randhoogte niet
minder dan 0,02 m bedragen.
De
apparaten moeten zijn voorzien van
inrichtingen die bij eventueel uitdoven van de
vlam de brandstoftoevoer automatisch
afsluiten. Indien de brandstoftank gescheiden
is van het apparaat, mag deze tank niet hoger
zijn geplaatst dan volgens de
gebruiksaanwijzing door de fabrikant is
toegestaan. Deze tank moet zodanig zijn
geplaatst, dat zij tegen ontoelaatbare
verwarming is beschermd. De brandstoftoevoer
moet vanaf het dek kunnen worden onderbroken.
Brandstoftanks met een inhoud van meer dan 12
liter dienen buiten de verblijven te zijn
opgesteld.
2.
Indien een apparaat in de machinekamer is
opgesteld moet een bord met
bedieningsvoorschriften zijn aangebracht.
In
de machinekamer moeten kachels met een
verdampingsbrander boven een oliedichte bak
waarvan de bovenrand tenminste 0,10 m boven de
vloerplaat uitsteekt, zijn opgesteld. De
hoogte van deze bak moet tenminste 0,20 m
bedragen. De onderkant van de brander moet
hoger dan de bovenrand van de lekbak liggen.
3.
Indien een apparaat in een machinekamer is
opgesteld, moeten de luchttoevoeren voor het
apparaat en voor de motoren zodanig zijn, dat
het apparaat en de motoren onafhankelijk van
elkaar doelmatig en veilig kunnen
functioneren. Indien nodig dienen gescheiden
luchttoevoerkokers aanwezig te zijn.
4.
Elk apparaat met natuurlijke trek moet zijn
voorzien van een inrichting die terugslag van
de trek verhindert.
Apparaten
met kunstmatige trek moeten zijn voorzien van
een inrichting die de toevoer van brandstof
automatisch afsluit, wanneer de voor de
verbranding noodzakelijke luchttoevoer wordt
onderbroken.
5.
Centrale verwarmingsapparaten met
verstuivingsbranders moeten bovendien aan de
volgende eisen voldoen:
| a. |
bij
het in bedrijf stellen moet de
ventilator eerst afzonderlijk
functioneren, zodat de
verbrandingsruimte goed wordt
geventileerd;
|
| b. |
de
brandstoftoevoer moet door een
thermostatische regelaar worden
geregeld;
|
| c. |
de
ontsteking moet, al of niet door een
waakvlam, automatisch geschieden;
|
| d. |
de
ventilator en de inspuitpomp moeten
buiten de opstellingsruimte op een
gemakkelijk toegankelijke plaats
kunnen worden afgezet;
|
| e. |
de
kachel dient zodanig te zijn
opgesteld, dat een uit de
verbrandingsruimte terugslaande vlam
geen andere delen van de
machinekamerinstallatie kan bereiken.
|
6.
Hete-luchtverwarmingsapparaten die in de
machinekamer zijn opgesteld, moeten de
verwarmingslucht van buiten de machinekamer
aanzuigen.
Artikel
2.05. Verwarming met vaste brandstof
1.
Verwarmingsapparaten die op vaste brandstof
werken, moeten zodanig zijn opgesteld op een
metalen plaat met opstaande randen, dat
gloeiende brandstof of hete as niet buiten
deze plaat kan geraken. Deze regel geldt niet,
wanneer het apparaat is opgesteld in een
speciaal daartoe bestemde ruimte die van
onbrandbare materialen is gebouwd.
2.
Verwarmingsketels die op vaste brandstof
werken, moeten zijn voorzien van
thermostatische regelaars voor de toevoer van
de verbrandingslucht.
3.
In de nabijheid van elk verwarmingsapparaat
moeten middelen waarmee de hete as kan worden
afgekoeld, aanwezig zijn.
Artikel
2.06. Machinekamers, ketelruimen en bunkers
1.
Machinekamers en ketelruimen moeten zodanig
zijn ingericht, dat het toezicht op en het
onderhoud van de daarin aanwezige installaties
gemakkelijk en zonder gevaar kunnen worden
uitgevoerd.
2.
Brandstofbunkers en smeerolietanks mogen met
de verblijven geen gemeenschappelijke schotten
hebben.
3.
Schotten, dekken en deuren van machinekamers,
ketelruimen en bunkers moeten van staal of een
ander met betrekking tot onbrandbaarheid
gelijkwaardig materiaal zijn gemaakt.
4.
Machinekamers, ketelruimen en andere ruimten,
waarin brandbare of giftige gassen kunnen
vrijkomen, moeten voldoende kunnen worden
geventileerd.
5.
Trappen en ladders, die toegang geven tot
machinekamers, ketelruimen en bunkers moeten
vast zijn aangebracht en van staal of een
ander met betrekking tot sterkte en
onbrandbaarheid gelijkwaardig materiaal zijn
vervaardigd.
6.
Machinekamers en ketelruimen moeten twee
uitgangen hebben. Een van deze uitgangen mag
als nooduitgang zijn uitgevoerd.
7.
Het ten hoogste toegelaten niveau van de
geluidsdruk in de machinekamers bedraagt 110
dB(A). De meetpunten dienen te worden gekozen
met inachtneming van de noodzakelijke
bedieningswerkzaamheden tijdens het normale
bedrijf van de installaties.
Indien
het niveau van de geluidsdruk in een
machinekamer meer dan 90 dB(A) bedraagt, moet
bij elke toegang tot die ruimte een duidelijk
geformuleerde waarschuwing zijn aangebracht.
Hoofdstuk
3. Stuurinrichting en stuurhuis
Artikel
3.01. Algemene regelen
1.
Elk schip moet zijn voorzien van een
betrouwbaar werkende stuurinrichting - waartoe
eventueel ook een boegbesturingsinstallatie
wordt gerekend - die een goede bestuurbaarheid
garandeert. Hierbij moet rekening worden
gehouden met het gebruik waarvoor het schip is
bestemd en met de hoofdafmetingen van het
schip.
2.
De stuurinrichting moet zodanig zijn
uitgevoerd, dat het roer niet onvoorzien van
stand kan veranderen.
3.
De functies van de bedieningsorganen en
signaleringen in het stuurhuis moeten door
symbolen of opschriften duidelijk zijn
aangegeven.
Artikel
3.02. Vermogen van de stuurinrichting
De
stuurinrichting moet, wat haar vermogen
betreft, aan de volgende eisen voldoen:
| a. |
indien
de stuurinrichting is voorzien van een
handaandrijving, moet een omwenteling
van het handstuurwiel overeenkomen met
een roeruitslag van tenminste 3°;
|
| b. |
indien
de stuurinrichting is voorzien van een
mechanische aandrijving, moet bij de
maximale indompeling van het roer en
bij volle snelheid van het schip een
gemiddelde hoeksnelheid van het roer
van 4° per seconde over het volledige
bereik van de mogelijke roeruitslag
kunnen worden bereikt;
|
| c. |
indien
de stuurinrichting is voorzien van een
hulpstuurinrichting als bedoeld in
artikel 3.13, moet bij de maximale
indompeling van het roer en bij volle
snelheid van het schip een gemiddelde
hoeksnelheid van het roer van 3° per
seconde over het bereik van de
roeruitslag van 30° stuurboord tot
30° bakboord kunnen worden bereikt;
|
| d. |
indien
de tweede aandrijving van een
mechanisch gedreven stuurinrichting
een handaandrijving is, moet het schip
met behulp van deze handaandrijving
met verminderde snelheid een
aanlegplaats kunnen bereiken.
|
Artikel
3.03. Algemene regelen voor de constructie
1.
De gehele stuurinrichting moet zodanig zijn
ontworpen, gebouwd en uitgevoerd dat ook bij
een permanente slagzij tot 15° en een
omgevingstemperatuur tot 40° C een
betrouwbare werking is gewaarborgd.
2.
De onderdelen van de stuurmachine moeten
zodanige afmetingen hebben en zodanig zijn
uitgevoerd, dat alle krachten die bij het
normale bedrijf op de machine worden
uitgeoefend, kunnen worden opgenomen. Teneinde
abnormale van buitenaf op het roer werkende
krachten zo goed mogelijk te kunnen opnemen,
mag de stuurmachine zelf in dat opzicht niet
het zwakste onderdeel van de stuurinrichting
zijn. Een stuurmachine die volgens de regelen
van een erkend onderzoekingsbureau is gebouwd,
kan als voldoende sterk worden beschouwd.
Artikel
3.04. Mechanisch gedreven stuurinrichtingen
1. Indien het schip is uitgerust met een mechanisch gedreven
stuurinrichting, moet bij het uitvallen van de aandrijving onmiddellijk
een voldoende bestuurbaarheid worden verzekerd door een tweede
onafhankelijke aandrijving.
2. Mechanisch gedreven stuurinrichtingen moeten zijn voorzien van een
beveiliging tegen overbelasting die het door de aandrijving uitgeoefende
koppel begrenst.
3. Het onopzettelijk uitschakelen of uitvallen van de mechanische
aandrijving moet door een optisch en akoestisch signaal in het stuurhuis
worden gemeld.
4. Indien een handstuurwiel aanwezig is, moet een inrichting het
meedraaien van dat wiel ten gevolge van de mechanische aandrijving
kunnen verhinderen.
Artikel 3.05. Inschakeling van de tweede aandrijving
1. Indien de tweede aandrijving van de stuurinrichting bij het uitvallen
van de hoofdaandrijving niet automatisch wordt ingeschakeld, moet het
inschakelen onmiddellijk en op eenvoudige wijze met de hand, bij elke
willekeurige stand van het roer, kunnen worden uitgevoerd. Daartoe mogen
niet meer dan twee handelingen die door een enkele persoon uitgevoerd
kunnen worden, nodig zijn.
2. Het inschakelen moet binnen 5 seconden gebeurd kunnen zijn. Vanaf de
stuurstelling moet duidelijk waarneembaar zijn welke inrichting in
bedrijf is.
Artikel 3.06. Handaandrijving
1. Indien de tweede onafhankelijke aandrijving een handaandrijving is,
moet deze bij uitschakelen of uitvallen van de mechanische aandrijving
automatisch worden ingeschakeld of onmiddellijk vanaf de stuurstelling
kunnen worden ingeschakeld. Klauwkoppelingen zijn daarbij slechts
toegestaan, indien daarop tijdens het koppelen geen draaimoment wordt
uitgeoefend.
2. Tijdens het automatisch inschakelen van de handaandrijving moet bij
elke stand van het roer terugslag van het handstuurwiel verhinderd zijn.
Artikel 3.07. Hand-hydraulische aandrijving
1. Een hand-hydraulisch gedreven stuurinrichting is een inrichting
waarbij de stuurmachine door een direct door het handstuurwiel
aangedreven pomp (stuurwielpomp) wordt bekrachtigd.
2. Indien een hand-hydraulisch gedreven stuurinrichting de enige
stuurinrichting is, wordt zij niet beschouwd als een "mechanisch
gedreven stuurinrichting" in de zin van artikel 3.04, waarvoor een
tweede onafhankelijke aandrijving vereist is, mits aan de volgende
regelen is voldaan:
| a. |
de
afmetingen, constructie en aanleg van
de pijpleidingen moeten zodanig zijn,
dat beschadiging door mechanische
invloeden of brand is uitgesloten;
|
| b. |
door
de constructie van de stuurwielpomp
moet een onberispelijke werking zijn
gewaarborgd.
|
Artikel 3.08. Hydraulische aandrijving
1. Indien de hoofdaandrijving en de tweede aandrijving beide hydraulisch
zijn, moet voor elke van deze twee aandrijvingen een onafhankelijk
aangedreven pomp beschikbaar zijn. Daartoe zijn onder anderen de
volgende combinaties mogelijk:
| a. |
hoofdpomp
gedreven door hoofdmotor en tweede
pomp electrisch gedreven;
|
| b. |
hoofdpomp
vanuit electrisch hoofdnet gedreven en
tweede pomp vanuit electrisch noodnet;
|
| c. |
hoofdpomp
door generator I gedreven en tweede
pomp door generator II.
|
2. Indien de tweede pomp wordt aangedreven door een hulpmotor die
gedurende de vaart niet continu in bedrijf is, moet een bufferinrichting
de aandrijving van de tweede pomp gedurende de tijd van de
startprocedure van de hulpmotor mogelijk maken.
3. Indien de hoofdaandrijving hydraulisch en de twee aandrijving
hand-hydraulisch is, moet het leidingsysteem van de handaandrijving
onafhankelijk van de hoofdaandrijving zijn. De bediening van de
hoofdaandrijving moet onafhankelijk van de stuurwielpomp kunnen
geschieden.
4. Pijpleidingen, kleppen, schuiven, bedieningsorganen enzovoort van elk
van de twee inrichtingen moeten onafhankelijk van elkaar zijn. Indien
echter een onafhankelijke werking van beide systemen op andere wijze is
gewaarborgd, mogen zij gemeenschappelijke componenten hebben.
Artikel 3.09. Electrische aandrijving
1. Indien zowel de hoofdaandrijving als ook de tweede aandrijving
electrisch zijn, moeten de voeding en bediening van de tweede
aandrijving onafhankelijk van de hoofdaandrijving zijn. Elk van beide
inrichtingen moet een eigen aandrijfmotor hebben.
2. Indien de voeding van de tweede aandrijving afhankelijk is van een
hulpmotor die gedurende de vaart niet continu in bedrijf is, moet een
bufferinrichting de voeding van de tweede aandrijfmotor gedurende de
tijd van de startprocedure van de hulpmotor mogelijk maken.
Artikel 3.10. Roerpropeller- en Voith-Schneider-installaties
1. Indien de afstandsbediening van roerpropeller- of
Voith-Schneider-installaties electrisch, hydraulisch of pneumatisch is,
moeten vanaf de stuurstelling tot de propellerinstallatie twee
onafhankelijke bedieningssystemen aanwezig zijn.
2. Bij twee of meer van elkaar onafhankelijke propellerinstallaties kan
het tweede onafhankelijke bedieningssysteem achterwege blijven, mits het
schip bij uitvallen of storing van één der installaties voldoende
bestuurbaar blijft.
Artikel 3.11. Afstandsbediening
Inrichtingen voor afstandsbediening moeten, ook wanneer zij zich buiten
het stuurhuis bevinden, vast zijn ingebouwd. Zij moeten, indien zij
uitgeschakeld kunnen worden, zijn voorzien van een aanwijzing die
duidelijk aangeeft of de betrokken inrichting "aan" of
"uit" is. De opstelling van de bedieningsorganen en de
bediening moeten overeenkomen met de functie daarvan.
Artikel 3.12. Roerstandaanwijzer
De stand van het roer moet vanaf de stuurstelling duidelijk zichtbaar
zijn. Indien nodig moet een betrouwbare roerstandaanwijzer bij de
stuurstelling aanwezig zijn.
Artikel 3.13. Hulpstuurinrichting
1. Een hulpstuurinrichting is een mechanisch gedreven hulpinrichting die
voor de bekrachtiging van een handgedreven hoofdstuurinrichting is
ingebouwd.
2. Indien een hulpstuurinrichting wordt toegepast, dient de verbinding
tussen de hoofdstuurinrichting en de hulpstuurinrichting zodanig te
zijn, dat bij het handsturen geen aanzienlijke vergroting van de op het
stuurwiel uit te oefenen kracht nodig is.
3. Een hulpstuurinrichting moet bovendien aan de volgende regelen
voldoen:
| a. |
de
hulpstuurinrichting moet vanaf de
stuurstelling bij elke willekeurige
stand van het roer in- en
uitgeschakeld kunnen worden. Het moet
duidelijk zijn aangegeven of de
inrichting "aan" of
"uit" is;
|
| b. |
de
electrische, hydraulische en
pneumatische verbindingscomponenten
tussen de hulpstuurinrichting en de
handgedreven hoofdstuurinrichting
moeten zodanig zijn, dat bij wegvallen
van spanning of druk de mogelijkheid
tot onmiddellijke bediening van de
hoofdstuurinrichting niet nadelig
wordt beïnvloed. Ook andere storingen
in de hulpstuurinrichting mogen niet
het uitvallen of blokkeren van de
hoofdstuurinrichting tot gevolg
hebben;
|
| c. |
de
bestaande en de nieuw ingebouwde
onderdelen van de hulpstuurinrichting
moeten voldoen aan de voor
stuurinrichtingen in dit hoofdstuk
vastgelegde regelen.
|
4. De goede werking van de roerstandaanwijzer moet zowel bij het gebruik
van de hoofd- als ook de hulpstuurinrichting gewaarborgd zijn.
Artikel 3.14
1. Het uitzicht vanaf het stuurhuis moet naar alle zijden voldoende vrij
zijn.
2. De dode hoek voor de boeg van het lege schip met halve voorraden en
zonder ballast mag voor de roerganger niet meer dan 250 m zijn. Optische
hulpmiddelen als bedoeld in artikel
1.09 van het Binnenvaartpolitiereglement ter verkleining van de
dode hoek worden bij het onderzoek niet in aanmerking genomen.
3.
| a. |
Het
vrije gezichtsveld vanaf de plaats
waar de roerganger zich gewoonlijk
bevindt moet ten minste 240° van de
horizon bedragen. Daarvan moet een
gezichtsveld van ten minste 140°
binnen de voorste halve cirkel liggen.
|
| b. |
In
de normale zichtas van de roerganger
mogen zich geen vensterstijlen,
steunen of opbouwen bevinden.
|
| c. |
Indien,
ook in het geval van een vrij
zichtveld van 240° of meer, geen
voldoende vrij uitzicht naar achteren
is gewaarborgd, kan de
inspecteur-generaal andere maatregelen
eisen, zoals de inbouw van optische
hulpmiddelen.
|
4. Door adequate hulpmiddelen moet zijn gewaarborgd, dat onder alle
weersomstandigheden door de voorruiten helder zicht mogelijk is.
5. In stuurhuizen gebruikte ruiten moeten een minimale
lichtdoorlaatbaarheid van 75% hebben.
Artikel 3.15. Geluidsniveau in het stuurhuis
Tijdens het normale bedrijf mag het niveau van de geluidsdruk,
veroorzaakt door het eigen geluid van het schip, in het stuurhuis ter
hoogte van het hoofd van de roerganger niet hoger zijn dan 70 dB (A).
Artikel 3.16. Electrisch gedeelte van de stuurinrichtingen
1. Het nominale vermogen van de electromotoren moet zijn afgeleid van
het maximale koppel van de stuurmachine. Voor electro-hydraulische
installaties moet het nominale vermogen van de electromotoren worden
bepaald aan de hand van de grootste opbrengst van de pompen en de
maximale druk in de stuurinrichting (de druk waarop de
veiligheidskleppen zijn afgesteld), waarbij rekening moet worden
gehouden met het rendement van de pomp.
2. De elektromotoren moeten tenminste aan de volgende regelen voldoen:
| a. |
voor
stuurmachines met intermitterende
belasting:
| - |
motoren
van electro-hydraulische
aandrijvingen, alsmede de
bijbehorende omvormers, moeten
voor continubedrijf met een
belastingperiode en een
inschakelduur van 15% zijn
ontworpen; de duur van een
arbeidsperiode moet daarbij op
10 minuten worden gesteld;
|
| - |
motoren
voor de directe aandrijving
van een stuurinrichting moeten
voor het belaste bedrijf en
een inschakelduur van 15%,
waarbij de invloed van de
zwaardere belasting gedurende
de versnellingsperiode wordt
verwaarloosd, zijn ontworpen;
daarbij moet de duur van een
arbeidsperiode op 10 minuten
worden gesteld;
|
|
| b. |
voor
stuurmachines met constante belasting:
| - |
de
motoren moeten voor continu
bedrijf van onbeperkte duur
zijn ontworpen.
|
|
3. Hoofd- en stuurstroomkringen mogen alleen tegen kortsluiting zijn
beveiligd. De stuurstroomkringen moeten zijn beveiligd met een
veiligheid van ten hoogste twee maal de nominale stroom van de
stuurstroomkring, evenwel met een veiligheid van tenminste 6 A nominaal.
4. De hoofdstroomkringen voor de voeding van de electromotoren moeten
als volgt zijn beveiligd:
| a. |
bij
toepassing van smeltveiligheden moet
de waarde van de smeltveiligheid twee
trappen hoger dan de nominale stroom
van de electromotor zijn gekozen. Bij
motoren voor kortstondige of
intermitterende belasting mag de
veiligheid echter niet meer dan 160%
van het nominale vermogen bedragen;
|
| b. |
de
kortsluitbeveiliging mag bij
toepassing van maximaalschakelaars op
niet meer dan tien maal de nominale
stroom van de electromotor zijn
ingesteld.
|
5. Wanneer in maximaalschakelaars thermische uitschakelinrichtingen
aanwezig zijn, moeten deze buiten bedrijf zijn gesteld, dan wel op twee
maal de nominale stroom van de electromotor zijn ingesteld.
6. Voor het electrische gedeelte van de stuurinrichtingen moeten de
volgende signaleringen aanwezig zijn:
| a. |
een
groene lamp die aangeeft of het
aggregaat in bedrijf is;
|
| b. |
een
rode lamp die gaat branden wanneer de
stuurinrichting uitvalt, onopzettelijk
wordt uitgeschakeld, wanneer de
electromotor wordt overbelast en/of
bij draaistroom-installaties
fase-uitval plaatsvindt. Bij het
branden van de rode lamp moet
tegelijkertijd een akoestisch signaal
worden gegeven. De signalering voor de
fase-uitval mag achterwege blijven,
wanneer de voeding uitsluitend via
maximaalschakelaars geschiedt.
|
7. De voeding van een electrische roerstandaanwijzer moet onafhankelijk
zijn van andere verbruikers.
Artikel 3.17. Neerlaatbare stuurhuizen
1. Indien een stuurhuis kan worden neergelaten, moet een inrichting
aanwezig zijn die de toegang van personen tijdens het neerlaten of
opheffen van het stuurhuis verhindert.
2. Wanneer de mogelijkheid bestaat, dat personen onder een stuurhuis met
een mechanische neerlaat-inrichting kunnen geraken, moet bij het
neerlaten automatisch een akoestisch waarschuwingssignaal worden
gegeven. Dit signaal moet tijdig in werking komen opdat de gevarenzone
veilig kan worden verlaten.
3. Indien een mechanische neerlaatinrichting uitvalt, moet het stuurhuis
op een andere wijze veilig kunnen worden neergelaten.
Hoofdstuk 4. Vrijboord, veiligheidsafstand en diepgangschalen
Artikel 4.01. Definities
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
| a. |
lengte:
de grootste lengte van de romp, roer
en boegspriet niet inbegrepen;
|
| b. |
midscheeps:
het midden van de lengte;
|
| c. |
spatwater-
en regendicht: een zodanige uitvoering
van constructiedelen en inrichtingen,
dat zij onder normale omstandigheden
slechts een onbeduidende hoeveeldheid
water doorlaten.
|
Artikel 4.02. Veiligheidsafstand
De veiligheidsafstand moet tenminste bedragen:
| a. |
voor
openingen en deuren, die tenminste
spatwater- en regendicht kunnen worden
gesloten, uitgezonderd ruimluiken:
0,15 m;
|
| b. |
voor
openingen en deuren, die niet
tenminste spatwater- en regendicht
kunnen worden gesloten, uitgezonderd
ruimluiken: 0,20 m;
|
| c. |
voor
ruimluiken die tenminste spatwater- en
regendicht kunnen worden gesloten:
0,30 m;
|
| d. |
voor
ruimluiken die niet tenminste
spatwater- en regendicht kunnen worden
gesloten, dan wel niet gesloten zijn
(open ruim): 0,50 m.
|
Artikel 4.03. Vrijboord
Het vrijboord dient zodanig te zijn, dat aan de regelen betreffende de
veiligheidsafstand kan worden voldaan. Het vrijboord mag niet negatief
zijn.
Artikel 4.04. Inzinkingsmerken
1. Het vlak van de grootste inzinking moet zodanig zijn vastgesteld, dat
aan de regelen betreffende de veiligheidsafstand en het vrijboord wordt
voldaan.
2. Het vlak van de grootste inzinking moet zijn aangegeven door
duidelijk zichtbare en onuitwisbare inzinkingsmerken.
3. De inzinkingsmerken bestaan uit een rechthoek met een lengte van 0,30
m en een hoogte van 0,04 m, waarvan de basis horizontaal is en samenvalt
met het vlak van de grootste inzinking. Deze merken mogen met de
inzinkingsmerken volgens hoofdstuk 12, artikel 12.02.5, zijn
gecombineerd.
4. Elk schip moet tenminste drie paar inzinkingsmerken hebben, waarvan
één paar midscheeps en de twee andere paren op ongeveer een zesde van
de lengte achter de voorsteven, respectievelijk vóór de achtersteven
moeten zijn aangebracht.
Evenwel kan
| - |
voor
schepen waarvan de lengte minder dan
40 meter bedraagt, met twee paar
merken worden volstaan die op ongeveer
een vierde van de lengte achter de
voorsteven, respectievelijk vóór de
achtersteven zijn aangebracht;
|
| - |
voor
schepen die niet bestemd zijn voor het
vervoer van goederen, met één paar
merken worden volstaan die ongeveer
midscheeps zijn geplaatst.
|
5. De inzinkingsmerken die na een nieuw onderzoek niet meer geldig zijn,
moeten onder toezicht van of vanwege de inspecteur-generaal worden
verwijderd of als ongeldig worden gekenmerkt.
Indien door welke oorzaak ook een inzinkingsmerk is verdwenen, mag dit
slechts worden vervangen onder toezicht van of vanwege de
inspecteur-generaal.
6. Indien het schip is gemeten overeenkomstig het Metingsbesluit
Binnenvaartuigen 1978 (Stb. 1979, 358)
en de ijkmerken op dezelfde hoogte liggen als de inzinkingsmerken,
gelden deze ijkmerken als inzinkingsmerken.
Artikel 4.05. Diepgangsschalen
1. Elk schip waarvan de diepgang 1 meter of meer kan bedragen, moet aan
het achterschip aan beide zijden van een diepgangsschaal zijn voorzien.
Extra diepgangsschalen zijn toegestaan.
2. Het nulpunt van iedere diepgangsschaal moet loodrecht onder de schaal
liggen in een vlak, evenwijdig aan het vlak van de grootste inzinking,
dat door het laagste punt van de romp of, indien aanwezig, van de kiel
gaat.
Vanaf het vlak door de waterlijn bij ledig schip tot 10 cm boven het
vlak van de grootste inzinking moet de diepgangsschaal loodrecht boven
het nulpunt en gemeten vanaf dit nulpunt in decimeters zijn ingedeeld.
De indeling moet door ingehakte, ingeslagen of opgelaste merken zijn
aangebracht en in de vorm van goed zichtbare, afwisselend in twee
verschillende kleuren geschilderde verticale stroken zijn aangeduid. De
indeling gemeten vanaf het nulpunt moet naast de schaal tenminste bij
elke vijfde decimeter, alsmede aan het boveneinde, door cijfers zijn
aangegeven.
3. De beide achterste ijkschalen die ter toepassing van het Metingsbesluit
Binnenvaartuigen 1978 (Stb. 1979, 358)
zijn aangebracht, kunnen als diepgangsschalen dienst doen, mits zij
overeenkomstig het gestelde in het tweede lid zijn ingedeeld en van
cijfers zijn voorzien.
Hoofdstuk 5. Werktuigbouwkundige eisen
Artikel 5.01. Algemene regelen
1. Alle machines alsmede de bijbehorende installaties moeten vakkundig
zijn ontworpen, uitgevoerd en geïnstalleerd.
2. Stoomketels en andere drukvaten alsmede hun toebehoren moeten voldoen
aan de regelen van een erkend onderzoekingsbureau.
3. Er mogen geen hoofd- of hulpmotoren die brandstoffen met een vlampunt
beneden 55° C gebruiken, zijn geïnstalleerd. Motoren die brandstoffen
met een vlampunt beneden 55° C gebruiken, zijn evenwel toegelaten voor
de aandrijving van ankerlieren, draagbare motorpompen en bijboten.
4. Startinrichtingen die brandstoffen met een vlampunt beneden 55° C
gebruiken, zijn toegelaten.
5. Voortstuwingsmotoren bestemd om te worden gemonteerd in dan wel
gemonteerd in binnenschepen als bedoeld in artikel
1, onderdeel l, van het Besluit typekeuring luchtverontreiniging
trekkers en motoren voor mobiele machines, voldoen voor wat
betreft luchtverontreiniging aan het bepaalde in dat besluit.
Artikel 5.02. Veiligheid
1. Machines moeten zodanig zijn ingericht en opgesteld, dat zij
voldoende toegankelijk zijn voor de bediening en het onderhoud en zij de
personen die met die werkzaamheden zijn belast, niet in gevaar brengen.
2. Hoofdmotoren, hulpmotoren en stoomketels, alsmede hun toebehoren,
moeten voorzien zijn van beschermende inrichtingen.
3. Motoren voor het aandrijven van pers- of zuigventilatoren moeten ook
buiten de ruimte waarin deze motoren zijn opgesteld, uitgeschakeld
kunnen worden.
Artikel 5.03. Voortstuwingsinstallaties
1. De voortstuwingsorganen, zoals schroeven en raderen, moeten op
betrouwbare en snelle wijze aangezet, gestopt en van vooruit op
achteruit en andersom gezet kunnen worden.
2. Wanneer de voortstuwingsinstallatie tijdens de vaart niet vanuit het
stuurhuis wordt bediend, moet als verbinding tussen het stuurhuis en de
machinekamer een betrouwbare telegraaf met terugmelding zijn
aangebracht.
Artikel 5.04. Uitlaatgassenleidingen van motoren
1. Uitlaatgassenleidingen die door de verblijven of het stuurhuis gaan,
moeten in die ruimten zijn voorzien van een voldoende gasdichte
ommanteling. De ruimte tussen de uitlaatgassenleiding en de ommanteling
moet met de buitenlucht in verbinding staan.
2. Uitlaatgassen moeten volledig naar buitenboord worden afgevoerd. Het
binnendringen van uitlaatgassen in de verschillende ruimten van het
schip moet door doelmatige maatregelen zijn verhinderd. Uitlaatgassen
van de hoofdmotoren mogen niet zijwaarts door de scheepshuid worden
afgevoerd.
3. Uitlaatgassenleidingen moeten voldoende gekoeld of warmte-isolerend
bekleed zijn.
4. Indien uitlaatgassenleidingen langs of door brandbare materialen
lopen, moeten deze materialen door een isolerende plaat of andere
inrichtingen zodanig zijn beschermd, dat een doelmatige isolatie is
gewaarborgd.
Artikel 5.05. Tanks, bunkers en pijpleidingen
1. Vloeibare brandstoffen moeten zijn opgeslagen in hecht aan de
scheepsromp bevestigde tanks of in bunkers.
2. Deze tanks en bunkers, alsmede hun pijpleidingen en andere
toebehoren, moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat zich geen brandstof of
dampen onopzettelijk in het inwendige van het schip kunnen verspreiden.
3. Vulleidingen van tanks en bunkers voor vloeibare brandstoffen moeten
aan het dek uitmonden, met uitzondering van die der dagtanks.
Vulopeningen moeten afsluitbaar zijn en duidelijk kunnen worden
onderscheiden van de vulopeningen voor andere vloeistoffen. Tanks en
bunkers moeten zijn voorzien van een ontluchtingsleiding die bovendeks
in de buitenlucht moet uitmonden en zodanig moet zijn ingericht, dat
daardoor geen regen- of buiswater kan binnendringen.
4. Uitgaande leidingen van tanks of bunkers voor vloeibare brandstoffen
moeten onmiddellijk aan de tanks of bunkers van een afsluitinrichting
zijn voorzien. Bovendien moeten de leidingen die vloeibare brandstoffen
direct naar motoren, ketels of verwarmingsapparatuur voeren, vanaf het
dek kunnen worden gesloten. Brandstofleidingen mogen niet blootgesteld
zijn aan de schadelijke invloeden van warmte en moeten over hun volle
lengte gecontroleerd kunnen worden.
5. Peilglazen van tanks en bunkers voor vloeibare brandstoffen moeten
doelmatig zijn beschermd tegen beschadigingen en zijn voorzien van
zelfsluitende kranen. Het boveneinde van de peilglazen moet naar de tank
of bunker zijn teruggevoerd.
6. Tanks en bunkers voor vloeibare brandstoffen moeten zijn voorzien van
afsluitbare openingen voor reiniging en inspectie.
7. Tanks en bunkers voor vloeibare brandstoffen, die onmiddellijk aan de
voortstuwingsmotoren zijn aangesloten, moeten zijn voorzien van een
inrichting waardoor zowel optisch als akoestisch in het stuurhuis wordt
aangegeven, wanneer de hoeveelheid brandstof in de tank of bunker niet
meer voldoende is voor een veilige voortzetting van de vaart.
8. Pijpleidingen voor gevaarlijke gassen of gevaarlijke vloeistoffen, in
het bijzonder de leidingen die onder zodanige druk staan, dat een
eventuele lekkage gevaar voor personen kan opleveren, mogen niet in de
verblijven zijn aangebracht.
Deze regel is niet van toepassing op:
| a. |
leidingen
voor stoom of voor hydraulische
systemen, mits zij binnen een metalen
mantelpijp zijn aangebracht en
|
| b. |
leidingen
van vloeibaar-gasinstallaties voor
huishoudelijk gebruik.
|
Artikel 5.06. Lensinrichtingen
1. Elke waterdichte afdeling die tijdens de vaart gewoonlijk niet
luchtdicht is afgesloten, moet afzonderlijk kunnen worden gelensd.
2. Op bemande schepen met een eigen mechanische voortstuwingsinrichting
met een vermogen van meer dan 225 kW en op schepen met een laadvermogen
van meer dan 350 ton moeten twee onafhankelijk van elkaar werkende
lenspompen aanwezig zijn, waarvan tenminste één door een motor wordt
aangedreven.
Op de overige bemande schepen moet tenminste een lenspomp aanwezig zijn.
Deze lenspomp mag handgedreven zijn.
3. De waterdichte afdelingen moeten op een hoofdlensleiding zijn
aangesloten. Voor waterdichte afdelingen met een lengte van minder dan 4
m mag worden volstaan met een aansluiting op een handlenspomp.
Een waterdichte afdeling die is voorzien van een buiten die afdeling
bedienbare dompelpomp van voldoende capaciteit, behoeft niet op de
hoofdlensleiding te zijn aangesloten.
4. De hoofdlensleiding moet een inwendige diameter (d) hebben van
tenminste:
[ Illustratie Verwijderd ]
(in mm) De aftakking naar de afzonderlijke lenskorven moeten een
inwendige diameter (da) hebben van tenminste:
[ Illustratie Verwijderd ]
(in mm) De waarde van da behoeft niet boven die van d uit te gaan.
In deze formules betekent:
L: de lengte van het schip tussen de loodlijnen, in m;
B: de breedte van het schip op de spanten, in m;
H: de holte in de zijde van het schip tot aan het hoofddek, in m;
l: de lengte van de desbetreffende waterdichte afdeling, in m.
5. De capaciteit van de motorlenspomp moet tenminste 0,1.d2 l/min
bedragen.
De capaciteit van de tweede lenspomp moet tenminste 0,1.da2 l/min
bedragen, waarbij da betrekking heeft op de langste waterdichte
afdeling.
De capaciteit van een handlenspomp die voor slechts één afdeling is
bestemd, moet tenminste 0,1.da2 l/min bedragen, waarbij da betrekking
heeft op de desbetreffende afdeling.
6. Er zijn alleen zelfaanzuigende lenspompen toegestaan.
7. In iedere afdeling met een vlakke bodem en een breedte van meer dan 5
m moet zich zowel aan stuurboord als ook aan bakboord tenminste een
lenskorf bevinden. In machinekamers met een lengte van meer dan 5 m
moeten zich tenminste twee lenskorven bevinden.
8. De achterpiek mag door middel van een zelfsluitende aftapinrichting
die gemakkelijk toegankelijk is, via de machinekamer worden gelensd.
9. De aftakkingen van de lensleiding naar de afzonderlijke afdelingen
moeten via een vastzetbare terugslagklep of een gelijkwaardige
inrichting aan de hoofdlensleiding zijn aangesloten. Afdelingen of
andere ruimten, die als ballasttanks dienen, behoeven slechts via een
afsluiter aan het lenssysteem te zijn aangesloten.
Artikel 5.07. Inrichting voor het verzamelen van afgewerkte olie
De inrichtingen voor het lenzen van de vullings van de machinekamer
moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat bij het lenzen olie of door olie
verontreinigd water dat zich in de vullings zou kunnen bevinden, aan
boord wordt gehouden. Daartoe moet een dynamische olieafscheider zijn
aangebracht op de persleiding van de lenspomp, dan wel moet iedere
lenskorf door een statische olieafscheider zijn omsloten. Deze
installaties moeten van een door de inspecteur-generaal goedgekeurd type
zijn. Hun capaciteit moet in overeenstemming zijn met die van de
lenspomp.
Artikel 5.08. Lieren
1. Voor ankers met een gewicht van meer dan 50 kg moeten ankerlieren
aanwezig zijn.
2. Lieren die zijn geconstrueerd om zowel met de hand als ook mechanisch
te worden aangedreven, dienen zodanig te zijn uitgevoerd, dat de
mechanische aandrijving het handaandrijvingsmechanisme niet in werking
kan stellen.
Artikel 5.09. Door schepen voortgebracht geluid
1. Het door een varend schip voortgebracht geluid, in het bijzonder de
door het aanzuigen van lucht en door de uitlaat van de motoren
veroorzaakte geluiden, moeten met daartoe geschikte middelen worden
gedempt.
2. Bij het normale toerental der motoren mag het niveau van het door het
schip voortgebrachte geluid, gemeten op 25 m afstand zijdelings van de
scheepswand, niet meer bedragen dan 75 dB(A).
Hoofdstuk 6. Electrische installaties
Artikel 6.01. Algemene regelen
1. Indien door dit hoofdstuk niet wordt voorzien in regelen voor
bepaalde onderdelen van een installatie, wordt de veiligheid als
voldoende beschouwd, wanneer die onderdelen zijn vervaardigd volgens
Europese normen of voorschriften, die onder vergelijkbare omstandigheden
van toepassing zijn.
2. Aan boord moeten bescheiden aanwezig zijn waarin zijn opgenomen:
| - |
overzichtschema’s
(hoofdschakelbord, noodschakelbord,
verdeelkasten),
|
| - |
gegevens
betreffende de vermogens van de
electrische apparaten en
|
| - |
soort
en doorsnede van de kabels.
|
Deze bescheiden moeten zijn voorzien van een stempel door de
inspecteur-generaal.
3. De installaties moeten zodanig zijn ontworpen, gebouwd en uitgevoerd
dat zij ook bij een permanente slagzij van het schip tot 15° en een
omgevingstemperatuur tot 40° C onberispelijk functioneren.
Artikel 6.02. Bescherming tegen aanraking en water
De minimum beschermingsgraad van de permanent geïnstalleerde delen van
de installaties moet in overeenstemming zijn met de plaats van
opstelling volgens de onderstaande tabel.
|
Plaats
van opstelling
|
Minimum
beschermingsgraad (volgens IEC-publ.
529)
|
|
|
generatoren
|
motoren
|
transformatoren
|
schakelborden en
verdeelkasten, schakelapparatuur
|
installatiemateriaal
|
verlichting
|
|
Dienstruimten,
machinekamers, stuurmachinekamers
|
IP
22
|
IP
22
|
IP
22 (*2)
|
IP
22 (*1) (*2)
|
IP
44
|
IP
22
|
|
Laadruimten
|
|
|
|
|
IP
55
|
IP
55
|
|
Ruimten
voor accumulatoren, verven en lampen
|
|
|
|
|
|
IP
44 en (Ex) (*3)
|
|
Open
dek, open stuurstanden
|
|
IP
55
|
|
IP
55
|
IP
55
|
IP
55
|
|
Gesloten
stuurhuis
|
|
IP
22
|
IP
22
|
IP
22
|
IP
22
|
IP
22
|
|
Verblijven,
behalve sanitaire en vochtige ruimten
|
|
|
|
IP
22
|
IP
20
|
IP
20
|
|
Sanitaire
en vochtige ruimten
|
|
IP
44
|
IP
44
|
IP
44
|
IP
55
|
IP
44
|
(*2) Indien het apparaat zelf niet aan de minimum beschermingsgraad
voldoet, moet de plaats van opstelling de minimum beschermingsgraad
volgens de tabel hebben.
(*1) Voor apparaten met grote warmteontwikkeling: IP 12.
(*3) Erkend volgens electrische inrichting, bijvoorbeeld volgens
IEC-publ. 79.
Artikel 6.03. Bescherming tegen explosie
In ruimten waarin zich brandbare gassen of gasmengsels kunnen ophopen
(bijvoorbeeld accumulatorenruimten, ruimten voor opslag van licht
ontvlambare stoffen), zijn slechts erkend veilige electrische
inrichtingen (voldoende veilig voor gebruik in een gegeven
explosiegevaarlijke omgeving) toegestaan. In deze ruimten mogen geen
schakelaars voor verlichting en voor andere electrische apparaten zijn
geïnstalleerd.
Artikel 6.04. Aarding
1. Voor installaties met spanningen boven 50 V is aarding noodzakelijk.
2. De bij het normale bedrijf niet onder spanning staande metalen delen
die voor aanraking toegankelijk zijn, zoals fundaties en omhulsels van
machines, apparaten en verlichtingen, moeten afzonderlijk zijn geaard,
voor zover zij niet door hun bevestiging electrisch geleidend met de
scheepsromp zijn verbonden.
3. De omhulsels van verplaatsbare en draagbare apparaten moeten door
middel van een extra ader die bij het normale bedrijf geen stroom voert
en die in de voedingskabel is opgenomen, zijn geaard. Deze regel is niet
van toepassing bij het gebruik van een beschermingstransformator en voor
apparaten waarvan de omhulsels bestaan uit isolatiemateriaal (dubbel
geïsoleerd).
4. De doorsnede van de aardleiding moet ten minste gelijk zijn aan de
halve doorsnede van de stroomgeleider.
Indien echter de doorsnede van de stroomgeleider 16 mm2 of minder
bedraagt, moet de doorsnede van de aardleiding gelijk zijn aan die van
de stroomgeleider.
De doorsnede van gescheiden, niet in de kabel opgenomen, aangelegde
aardleidingen moet ten minste 4 mm2 bedragen.
Artikel 6.05. Ten hoogste toegestane spanningen
1. De spanningen mogen de volgende waarden niet overschrijden:
|
Soort
van de installatie
|
Ten
hoogste toegestane spanning bij
|
|
|
gelijkstroom
|
wisselstroom
|
draaistroom
|
|
a.
|
Kracht-
en verwarmingsinstallaties met
inbegrip van de wandcontactdozen voor
algemeen gebruik
|
250
V
|
250
V
|
500
V
|
|
b.
|
Installaties
voor verlichting, communicatie en
signalering met inbegrip van de
wandcontactdozen voor algemeen gebruik
|
250
V
|
250
V
|
–
|
|
c.
|
Wandcontactdozen
voor de voeding van apparaten die bij
het gebruik in de hand worden gehouden
en die op het open dek of in nauwe of
vochtige ruimten – met uitzondering
van ketels of tanks – worden
gebruikt:
|
|
|
|
|
|
1.
Algemeen.
|
50
V (*1)
|
50
V (*1)
|
–
|
|
|
2. Met een
beschermingstransformator die slechts één apparaat voedt.
|
–
|
250 V
|
–
|
|
|
De beide leidingen van de
secundaire stroomkring moeten van de massa geïsoleerd zijn.
|
|
|
|
|
|
3. Bij gebruik van apparaten
die dubbel geïsoleerd zijn uitgevoerd.
|
250 V
|
250 V
|
–
|
|
d.
|
Wandcontactdozen
voor de voeding van apparaten die bij
gebruik in de hand worden gehouden en
die in ketels of tanks worden
gebruikt.
|
50
V (*1)
|
50
V (*1)
|
–
|
(*1) Indien deze spanning vanuit een net met een hogere spaning wordt
verkregen, moet een galvanische scheiding toegepast zijn.
2. Met inachtneming van noodzakelijke veiligheidsmaatregelen zijn hogere
spanningen toegestaan:
| a. |
voor
krachtinstallaties waarvan het
vermogen zulks vereist;
|
| b. |
voor
speciale installaties, bijvoorbeeld
radio-installaties en
onstekingsinrichtingen
|
Artikel 6.06. Verdeelsystemen
De volgende verdeelsystemen zijn toegestaan:
| - |
Voor
gelijkstroom en 1-fase wisselstroom:
| a. |
twee
geleiders waarvan één is
geaard;
|
| b. |
één
geleider met teruggeleiding
via de scheepsromp, alleen
voor plaatselijk begrensde
installaties (bijvoorbeeld
startinstallatie van een
verbrandingsmotor en
kathodische
corrosiebescherming);
|
| c. |
twee
geleiders geïsoleerd van de
scheepsromp.
|
|
| - |
Voor
draaistroom (3-fase wisselstroom):
| a. |
vier
geleiders met geaard sterpunt
zonder teruggeleiding via de
scheepsromp;
|
| b. |
drie
geleiders geïsoleerd van de
scheepsromp.
|
|
Systemen met geaard sterpunt en teruggeleiding via de scheepsromp zijn
toegestaan, echter niet voor eindstroomkringen.
De toepassing van andere systemen kan door de inspecteur-generaal worden
toegestaan.
Artikel 6.07. Walaansluiting
1. De voedingskabel van de wal naar het boordnet moet vast zijn
aangesloten (bijvoorbeeld door middel van vaste klemmen of
contactstekerinrichtingen). De kabelverbindingen mogen niet op trek
kunnen worden belast.
2. De scheepsromp moet bij een aansluitspanning van meer dan 50 V
doelmatig kunnen worden geaard. De aardaansluiting moet duidelijk
gekenmerkt zijn.
3. De schakelinrichting van de walaansluiting moet zodanig vergrendeld
kunnen worden, dat parallelbedrijf van de boordnetgeneratoren met de
walvoeding wordt vermeden.
4. De walaansluiting moet tegen kortsluiting en overbelasting zijn
beveiligd.
5. Het onder spanning staan van de walaansluiting moet op het
hoofdschakelbord worden aangegeven.
6. Teneinde bij gelijkstroom de polariteit en bij draaistroom de
fasenvolgorde van de walvoeding met die van het boordnet te kunnen
vergelijken, moet een aanwijsinrichting zijn geïnstalleerd.
7. Bij de walaansluiting moet met een opschrift zijn aangegeven:
| a. |
de
te treffen maatregelen voor het tot
stand brengen van de walaansluiting;
|
| b. |
stroomsoort,
nominale spanning en bij wisselstroom
bovendien de frequentie.
|
Artikel 6.08. Stroomlevering aan andere schepen
1. Indien aan andere schepen stroom wordt geleverd, moet daarvoor een
afzonderlijke aansluitinrichting aanwezig zijn. Deze inrichting moet
duidelijk te onderscheiden zijn van de in artikel 6.07 bedoelde
walaansluiting. Indien spanningen van meer dan 50 V of stroomsterkten
van meer dan 16 A worden geleverd, moet zijn gewaarborgd dat de
aansluiting alleen in spanningloze toestand tot stand kan worden
gebracht.
2. De kabelverbinding mag niet op trek kunnen worden belast.
Artikel 6.09. Generatoren en motoren
1. Generatoren, motoren en hun aansluitkasten moeten voor inspecties,
metingen en reparaties toegankelijk zijn. Zij moeten zodanig zijn
opgesteld, dat geen water of olie bij de wikkelingen kunnen komen.
2. Generatoren die worden aangedreven door de hoofdmotor, de schroefas
of een ook voor andere doeleinden bestemd hulpaggregaat, moeten voor de
onder bedrijfsomstandigheden optredende toerentalvariaties geschikt
zijn.
Artikel 6.10. Accumulatoren
1. Accumulatoren moeten zodanig zijn opgesteld, dat zij toegankelijk
zijn en niet kunnen verschuiven tengevolge van de scheepsbewegingen.
Zij mogen niet zijn opgesteld op plaatsen waar zij aan overmatige hitte,
extreme koude, buiswater of dampen zijn blootgesteld. Zij mogen niet in
het stuurhuis, verblijven en laadruimen zijn opgesteld. Dit laatste
geldt echter niet voor accumulatoren in draagbare apparatuur.
2. Accumulator-batterijen die worden geladen met een vermogen van meer
dan 2,0 kW (berekend uit de maximale laadstroom en de nominale spanning
van de batterij), moeten in een speciale ruimte zijn ondergebracht. Bij
opstelling aan dek is het voldoende wanneer zij in een kast zijn
geplaatst. Accumulator-batterijen die worden geladen met een vermogen
van 2,0 kW of minder, mogen onderdeks in een kast of kist zijn
geplaatst. Zij mogen ook open in de machinekamer of een andere goed
geventileerde ruimte zijn geplaatst, mits zij zijn beschermd tegen
vallende voorwerpen en druipwater.
3. De binnenzijde van alle voor batterijen bestemde ruimten, kasten of
kisten, alsmede rekken en andere onderdelen moeten tegen de schadelijke
inwerking van electrolyt zijn beschermd.
4. Gesloten ruimten, kasten en kisten, waarin batterijen zijn opgesteld,
moeten doelmatig kunnen worden geventileerd. De luchttoevoer aan de
onderzijde en de luchtafvoer aan de bovenzijde moeten zodanig zijn, dat
een goede afvoer van de gassen is gewaarborgd. De ventilatiekanalen
mogen geen inrichtingen (bijvoorbeeld afsluitinrichtingen) bevatten die
de vrije doorgang van de lucht belemmeren.
5. De vereiste hoeveelheid lucht (Q) in m3 per
uur moet worden berekend volgens de formule:
Q = 0,11 ∗ l ∗ n
In deze formule betekent:
l: 25% van de maximale stroom van de laadinrichting in A;
n: het aantal cellen.
6. Bij natuurlijke ventilatie moet de doorsnede van de ventilatiekanalen
zo groot zijn, dat bij een luchtsnelheid van 0,5 m/s de vereiste
luchthoeveelheid wordt opgebracht.
De doorsnede moet echter voor loodbatterijen tenminste 80 cm2 en voor
alkalische batterijen tenminste 120 cm2 bedragen.
7. Bij mechanische ventilatie moet bij voorkeur een afzuigventilator
worden gebruikt. De motor van de ventilator mag zich niet in de gas- of
luchtstroom bevinden.
De ventilator moet zodanig zijn uitgevoerd, dat geen vonkvorming bij
aanraking van de waaier met het ventilatorhuis en geen electrostatische
opladingen kunnen optreden.
8. Op de deuren of deksels van ruimten, kasten of kisten voor
accumulatoren moet een rookverbodsymbool met een diameter van tenminste
10 cm, overeenkomstig het teken, bedoeld in artikel
3.32, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement zijn
aangebracht.
Artikel 6.11. Schakelinrichtingen
1. Schakelborden
| a. |
Alle
apparaten, schakelaars, veiligheden en
instrumenten in schakelborden moeten
overzichtelijk gerangschikt en ten
behoeve van het onderhoud en reparatie
toegankelijk zijn. De aansluitklemmen
voor spanningen tot en met 50 V en die
voor spanningen boven 50 V moeten van
elkaar gescheiden zijn aangebracht en
doelmatig zijn gekenmerkt.
|
| b. |
Op
de schakelborden moeten naamplaatjes
voor alle schakelaars en apparaten met
de aanduiding van de stroomkring zijn
aangebracht. Veiligheden moeten met de
nominale stroomsterkte en de
stroomkring zijn aangeduid.
|
| c. |
Indien
zich achter de deuren apparaten met
een bedrijfsspanning van meer dan 50 V
bevinden, moeten de onder spanning
staande delen van deze apparaten
zodanig zijn opgesteld of afgeschermd
dat onvoorzien aanraken bij geopende
deuren wordt voorkomen.
|
| d. |
De
materialen van schakelborden moeten
mechanisch sterk, duurzaam, moeilijk
ontvlambaar en niet hygroscopisch
zijn.
|
2. Schakelaars, beveiligingen
| a. |
Generator-
en afgaande groepen moeten in elke
niet geaarde geleider tegen
kortsluiting en overbelasting
beveiligd zijn.
Daartoe
kunnen schakelinrichtingen met
kortsluit- en overbelastingbeveiliging
of smeltveiligheden worden gebruikt.
Stroomkringen van de electrische
aandrijving van stuurinrichtingen,
alsmede de stuurstroomkringen van
stuurinrichtingen, mogen alleen tegen
kortsluiting zijn beveiligd.
Indien
schakelaars met thermische
uitschakelinrichtingen worden
toegepast, moeten de thermische
uitschakelinrichtingen buiten bedrijf
zijn gesteld of op tweemaal de
nominale stroom zijn afgesteld.
|
| b. |
De
afgaande groepen van het
hoofdschakelbord van meer dan 16 A
moeten van last- of
maximaalschakelaars zijn voorzien.
|
| c. |
Verbruikers
die voor de voortstuwing, de
stuurinrichting, de navigatie en de
beveiligingssystemen noodzakelijk
zijn, alsmede de verbruikers met een
nominale stroom van meer dan 16 A,
moeten via afzonderlijke stroomkringen
worden gevoed.
|
| d. |
Schakelinrichtingen
moeten volgens hun nominale stroom,
hun thermische en dynamische sterkte,
alsmede hun schakelvermogen worden
gekozen.
Schakelaars
moeten alle onder spanning staande
geleiders gelijktijdig schakelen. De
stand moet duidelijk te onderscheiden
zijn.
|
| e. |
Smeltveiligheden
moeten van het gesloten type zijn en
uit een keramisch of gelijkwaardig
materiaal bestaan. Zij moeten zonder
aanrakingsgevaar voor personen kunnen
worden vervangen.
|
3. Meet- en controle-inrichtingen
| a. |
Voor
generator-, batterij- en
verdeelstroomkringen moeten meet- en
controle-inrichtingen aanwezig zijn,
voor zover dit voor een veilig bedrijf
van de installatie noodzakelijk is.
|
| b. |
Niet-geaarde
netten met een spanning boven 50 V
moeten van een doelmatige
aardfoutcontrole-inrichting zijn
voorzien.
|
4. Opstelling van schakelborden
| a. |
Schakelborden
moeten in goed toegankelijke en goed
geventileerde ruimten zijn opgesteld.
Zij moeten zodanig zijn geplaatst, dat
zij tegen waterschade en mechanische
beschadigingen zijn beschermd.
Pijpleidingen
en ventilatiekokers moeten zodanig
zijn geplaatst, dat de schakelborden
bij lekkages geen gevaar lopen. Indien
de ligging in de nabijheid van
schakelborden niet vermeden kan
worden, mogen de pijpen aldaar geen
losneembare koppelingen hebben.
|
| b. |
Kasten
of nissen waarin open
schakelinrichtingen zijn
ondergebracht, moeten uit moeilijk
ontvlambaar materiaal bestaan, dan wel
door een bekleding van metaal of een
ander niet brandbaar materiaal zijn
beschermd.
|
| c. |
Bij
spanningen boven 50 V moeten vóór de
bedieningszijde van het
hoofdschakelbord isolerende roosters
of matten liggen. Op de voorzijde van
de borden mogen geen onder spanning
staande delen zijn aangebracht.
|
Artikel 6.12. Noodstopschakelaars
Voor oliebranderinstallaties, brandstofpompen, brandstofseparatoren en
machinekamerventilatoren moeten buiten de opstellingsruimten
noodstopschakelaars aanwezig zijn, voor zover niet op andere wijze een
snelle afsluiting van brandstof- en luchttoevoer buiten de
opstellingsruimten mogelijk is.
Artikel 6.13. Installatiemateriaal
1. Kabelinvoeren van apparaten moeten passend zijn voor de afmetingen en
het type van de aan te sluiten kabels.
2. Bij stroomsterkten van meer dan 16A moeten de wandcontactdozen
zodanig met een schakelaar worden vergrendeld, dat noch het insteken
noch het uittrekken van de stekker mogelijk is wanneer de contactbussen
van de contactdoos onder spanning staan.
3. Wandcontactdozen van verdeelsystemen met van elkaar afwijkende
spanningen of frequenties moeten van verschillende uitvoering zijn.
4. Schakelaars moeten alle niet-geaarde geleiders van een stroomkring
gelijktijdig schakelen. In stroomkringen van de verlichting voor
verblijven mogen echter eenpolige schakelaars zijn toegepast.
Artikel 6.14. Kabels
1. Kabels moeten moeilijk ontvlambaar zijn en van een waterdichte en
oliebestendige mantel zijn voorzien.
In verblijven kan de toepassing van andere kabeltypen worden toegestaan,
mits zij doelmatig zijn beschermd en brandvertragende eigenschappen
hebben.
2. Voor kracht- en verlichtingsinstallaties moeten de aders der kabels
een doorsnede van tenminste 1,5 mm2 hebben.
3. Metalen bewapeningen en mantels van kabels mogen voor het normale
bedrijf niet als geleider of aardleiding dienen.
4. Metalen bewapeningen en mantels van kabels van kracht- en
verlichtingsinstallaties moeten aan tenminste een der einden zijn
geaard.
5. De doorsnede der geleiders moet in overeenstemming zijn met het
toelaatbare spanningsverlies alsmede met de ten hoogste toegestane
geleidertemperatuur (stroombelastbaarheid).
6. Kabels moeten tegen het gevaar van mechanische beschadigingen zijn
beschermd.
7. De bevestiging der kabels moet zodanig zijn, dat eventuele
belastingen op trek binnen de toelaatbare grenzen blijven.
8. Doorvoeringen van kabels door schotten of dekken mogen de sterkte,
dichtheid en brandwerende eigenschappen van de schotten of dekken niet
nadelig beïnvloeden.
Artikel 6.15. Verlichtingsinstallaties
1. Verlichtingsarmaturen moeten zodanig zijn aangebracht, dat brandbare
voorwerpen of constructiedelen niet door de uitgestraalde warmte in
brand kunnen geraken.
2. Verlichtingsarmaturen op het open dek moeten zodanig zijn geplaatst,
dat de waarneembaarheid van de navigatielichten niet nadelig wordt
beïnvloed.
3. Indien in een machinekamer of een ketelruim twee of meer lichtpunten
zijn aangebracht, moeten deze over tenminste twee stroomkringen zijn
verdeeld.
Artikel 6.16. Navigatieverlichting
1. Het schakelbord voor de navigatieverlichting moet in het stuurhuis
zijn aangebracht. Dit bord moet door een aparte kabel vanaf het
hoofdschakelbord worden gevoed.
2. Elk navigatielicht moet vanaf het navigatieschakelbord afzonderlijk
gevoed kunnen worden. Zij moeten bovendien afzonderlijk beveiligd zijn
en afzonderlijk kunnen worden geschakeld.
3. Voor zover de controle der navigatielichten niet rechtstreeks vanuit
het stuurhuis mogelijk is, moeten ter controle van deze lichten op het
schakelbord in het stuurhuis stroomaanwijslampen óf gelijkwaardige
inrichtingen zijn aangebracht. Het uitvallen van de controle-inrichting
mag de werking van de bijbehorende navigatielichten niet nadelig
beïnvloeden.
4. Dicht bijeen geplaatste, bij elkaar behorende navigatielichten mogen
gemeenschappelijk worden gevoed, beveiligd en geschakeld. De
controle-inrichting moet dan echter het uitvallen van één van de
lichten kunnen signaleren.
Artikel 6.17. Noodkrachtbron
1. Indien een noodkrachtbron is voorgeschreven, moet deze aan de
volgende regelen voldoen.
2. Als noodkrachtbron is toegestaan:
| a. |
een
aggregaat met een eigen van de
hoofdmotor onafhankelijke
brandstofvoorziening en onafhankelijk
koelsysteem.
Dit
aggregaat moet bij uitvallen van het
hoofdnet automatisch aanlopen en
binnen 30 seconden de
stroomvoorziening automatisch kunnen
overnemen, dan wel, indien het zich
bevindt in de onmiddellijke nabijheid
van het stuurhuis of een andere
plaats, waar voortdurend vakpersoneel
aanwezig is, met de hand kunnen worden
gestart, of
|
| b. |
een
accumulatorbatterij die bij uitvallen
van het hoofdnet automatisch de
stroomvoorziening overneemt en in
staat is de in het vijfde lid bedoelde
installaties gedurende de
voorgeschreven tijd zonder
tussentijdse oplading en zonder
ontoelaatbaar spanningsverlies te
voeden.
De
voor de noodkrachtvoorziening
benodigde bedrijfsduur wordt bepaald
naar gelang van het gebruiksdoel van
het schip of drijvende werktuig, maar
mag niet minder dan 30 minuten
bedragen.
|
3. Noodaggregaten, noodbatterijen en de daarbij behorende
schakelinrichtingen mogen in de machinekamer, mits zo hoog mogelijk,
zijn opgesteld.
4. Storingen in het hoofdnet mogen de bedrijfszekerheid van de
noodinstallatie niet beïnvloeden.
5. De noodkrachtbron moet in staat zijn tenminste de volgende
installaties gelijktijdig te voeden, voor zover de aanwezigheid van deze
installaties is voorgeschreven en zij niet van een eigen stroombron zijn
voorzien:
| a. |
navigatielichten,
|
| b. |
installaties
voor geluidseinen,
|
| c. |
noodverlichting,
|
| d. |
radiotelefonieinstallatie,
|
| e. |
algemene
alarminstallatie, respectievelijk een
daartoe geschikte
luidsprekerinstallatie,
|
| f. |
noodschijnwerpers,
|
| g. |
sprinklerinstallatie,
|
| h. |
overige
veiligheidsinstallaties.
|
Hoofdstuk 7. Uitrusting
Artikel 7.01. Ankergerei
1. Schepen die voor het vervoer van goederen zijn bestemd, met
uitzondering van zeeschipbakken, moeten zijn uitgerust met één of twee
boegankers, waarvan het totale gewicht P in kg wordt berekend met de
volgende formule:
P = C ∗ B ∗ T.
In deze formule betekent:
B: de grootste breedte van het schip, in m;
T: de grootst toegelaten diepgang van het schip, in m;
C: een coëfficiënt, te bepalen aan de hand van de onderstaande tabel.
|
Laadvermogen
|
C
|
|
t/m
200 t
|
30
|
|
201
t/m 400 t
|
45
|
|
401
t/m 650 t
|
55
|
|
651
en meer t
|
60
|
2. Motorschepen moeten met een hekanker zijn uitgerust waarvan het
gewicht 25% van het gewicht P bedraagt.
Sleepschepen moeten met één of twee hekankers zijn uitgerust waarvan
het totale gewicht uitgedrukt in een percentage van P aan de hand van de
onderstaande tabel wordt bepaald.
|
Laadvermogen
|
%
van P
|
|
t/m
400 t
|
25
|
|
401
t/m 650 t
|
30
|
|
651
t/m 1000 t
|
35
|
|
1001
en meer t
|
50
|
3. Geen hekanker behoeven te hebben:
| - |
schepen
waarvoor het volgens de voorgaande
leden berekende gewicht van het
hekanker minder dan 100 kg bedraagt;
|
| - |
duwbakken.
|
4. Sleepboten moeten zijn uitgerust met één of twee boegankers waarvan
het totale gewicht gelijk is aan P zoals berekend volgens het eerste
lid, waarbij voor de coëfficiënt C de waarde 30 moet worden genomen.
Sleepboten behoeven geen hekankers te hebben.
5. Duwboten moeten zijn uitgerust met één of twee hekankers waarvan
het totale gewicht P in kg wordt berekend met de volgende formule:
P = 29.S
In deze formule betekent:
S: de grootste ingedompelde dwarsdoorsnede van het duwstel, in m2;
voor S behoeft geen grotere waarde dan 138 m2 te
worden ingevuld.
Het oppervlak van de grootst toegelaten ingedompelde dwarsdoorsnede moet
worden vermeld in het certificaat.
Duwboten behoeven geen boegankers te hebben.
6. Sleepboten en motorschepen, die zijn bestemd voor het voortbewegen
van een duwstel kunnen volstaan met de ankers, zoals bepaald volgens het
eerste tot en met het vierde lid.
7. Indien het in het eerste tot en met het zesde lid voorgeschreven
totale gewicht over twee ankers is verdeeld, mag het gewicht van het
lichtste anker niet minder dan 45% van het voorgeschreven totale gewicht
bedragen.
8. De volgens het eerste tot en met het zevende lid berekende
ankergewichten mogen worden verminderd bij toepassing van bijzondere
ankertypen met verhoogde houdkracht.
Het percentage van de gewichtsvermindering voor de verschillende
ankertypen wordt door de inspecteur-generaal vastgesteld.
9. Gietijzeren ankers zijn niet toegestaan.
10. Elk anker moet zijn voorzien van een ankerketting. Elk van de
boegankerkettingen moet tenminste de volgende lengte hebben:
| - |
voor
schepen met een lengte van 30 m of
minder: 40 m;
|
| - |
voor
schepen met een lengte van meer dan 30
m, doch minder dan 50 m: de lengte van
het schip, vermeerderd met 10 m;
|
| - |
voor
schepen met een lengte van 50 m of
meer: 60 m.
|
Elk van de hekankerkettingen moet een lengte hebben van tenminste 40 m.
11. De minimum breeksterkte van een ankerketting wordt met behulp van de
volgende formules berekend:
| - |
bij
ankers van 1 t/m 500 kg:
R
= 350.Pa
|
| - |
bij
ankers van 501 t/m 2000 kg:
[
Illustratie Verwijderd ]
|
| - |
bij
ankers van meer dan 2000 kg:
R
= 250.Pa
In
deze formules betekent:
R:
de minimaal vereiste breeksterkte van
de ketting, in newton;
Pa:
het conform het eerste t/m zevende lid
bepaalde theoretische gewicht van het
betreffende anker.
|
12. Het gebruik van trossen of kabels in plaats van ankerkettingen is
toegestaan, mits zij dezelfde breeksterkte hebben als de kettingen en
hun lengte 20% meer bedraagt dan de voorgeschreven kettinglengte.
13. Voor schepen die alleen zijn bestemd voor het gebruik op de
binnenwateren van zone 4, kan de inspecteur-generaal, afhankelijk van de
aard van het schip en het gebruiksdoel, niet toepassing van regelen van
het eerste tot en met het twaalfde lid toestaan, mits naar zijn redelijk
oordeel de veiligheid van het schip en de opvarenden voldoende
gewaarborgd is.
Artikel 7.02. Overige uitrusting
1. De overige uitrusting moet tenminste omvatten:
| a. |
de
nodige apparaten en inrichtingen voor
het voeren van navigatielichten en
optische tekens, alsmede voor het
geven van geluidsseinen, zoals
voorgeschreven in de vigerende
politie- en vaarreglementen;
|
| b. |
noodlichten,
onafhankelijk van het elektrische
hoofdnet, om eventueel de lichten te
vervangen die door de vigerende
politie- en vaarreglementen zijn
voorgeschreven voor stilliggende,
vastgevaren of gezonken schepen;
|
| c. |
trossen
en touwen, i
| | |