BESLUIT van 18 juni 1979, houdende bepalingen omtrent de meting van
binnenvaartuigen
WIJ
JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 15
augustus 1978, Directoraat-Generaal van Scheepvaart, nr. J/S 23196;
Gelet op de op 15 februari 1966 te Genève ondertekende Overeenkomst
nopens de meting van binnenvaartuigen met Bijlage en Protocol van
Ondertekening, goedgekeurd door de Staten-Generaal op 14 september 1967
(Trb. 1967, 43);
Mede gelet op de Wet van 10 maart 1979, Stb.
1979, 171, inzake de
berekening van de kosten voor de meting van binnenvaartuigen;
De Raad van State gehoord (advies van 13 september 1978,
nr. 16);
Gezien het nader rapport van de voornoemde Minister van 8 juni 1979.
Directoraat-Generaal van Scheepvaart, nr. J/S 22174;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Begripsbepalingen
Voor de toepassing van het in dit besluit bepaalde wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. Scheepsmetingsdienst: de Scheepsmetingsdienst, ingesteld bij
Koninklijk besluit van 11 december 1933 (Stb. 682);
c. Overeenkomst: de op 15 februari 1966 te Genève ondertekende
en op 14 september 1967 goedgekeurde Overeenkomst nopens de meting
van binnenvaartuigen, met Bijlage en Protocol van Ondertekening (Trb.
1967, 43);
d. binnenvaartuigen: alle vaartuigen, welke tot de vaart op de
binnenwateren worden gebruikt of bestemd zijn, zomede die, welke
belanghebbenden als zodanig doen of hebben doen meten;
e. belanghebbende: de eigenaar van het binnenvaartuig of degene
die namens de eigenaar optreedt;
f. verplaatsing: de in kubieke meters uitgedrukte
waterverplaatsing van een binnenvaartuig tussen het vlak van
inzinking van het ledige binnenvaartuig in zoet water en het vlak
van de grootste toegelaten diepgang;
g. maximum toelaatbare waterverplaatsing: de in kubieke meters
uitgedrukte waterverplaatsing van een binnenvaartuig tot het vlak
van de grootste toegelaten diepgang;
h. vlak van inzinking van het ledige vaartuig: het vlak
overeenkomende met het bepaalde in artikel 4 van dit besluit;
i. vlak van de grootste toegelaten diepgang: het vlak dat kan
worden aangebracht door de onderzijden van de door de
Scheepsmetingsdienst aangebrachte ijkmerken, in overeenstemming met
het bepaalde in artikel 5 van dit besluit;
j. meetbrief: de meetbrief, afgegeven door de
Scheepsmetingsdienst overeenkomstig de bepalingen van dit besluit,
dan wel afgegeven door de administratie van een andere Staat,
aangesloten bij de Overeenkomst;
k. ligger: het register waarin de Scheepsmetingsdienst, onder een
eigen volgnummer, elke meetbrief inschrijft die hij uitreikt, zomede
de datum van de uitreiking, de naam of de kenspreuk van het vaartuig
en de andere gegevens waardoor een binnenvaartuig kan worden
geïdentificeerd.
Artikel 2. Doel van de meting
1. De meting van binnenvaartuigen heeft ten doel de
verplaatsing vast te stellen, evenals, indien nodig, een deel van de
verplaatsing in samenhang met de inzinking. De meting van
binnenvaartuigen, bestemd of ingericht voor het vervoer van goederen,
heeft tevens ten doel het mogelijk te maken het gewicht van de lading
volgens de inzinking te bepalen.
2. Voor binnenvaartuigen die niet zijn bestemd of ingericht voor
het vervoer van goederen worden, behalve de verplaatsing, bovendien de
maximum toelaatbare waterverplaatsing en de waterverplaatsing in ledige
toestand bepaald.
Artikel 3. Uitvoering van de meting
1. De meting geschiedt overeenkomstig het bepaalde bij of
krachtens dit besluit.
2. Voor de meting van een binnenvaartuig worden de maten aan het
vaartuig zelf gemeten. Het te meten deel van het binnenvaartuig is het
deel dat begrepen is tussen het vlak van de grootste toegelaten diepgang
en het vlak van inzinking van het ledige vaartuig.
3. Bij het meten van lengten en breedten worden de onderdelen van
centimeters, wanneer deze vijf millimeter of meer bedragen, voor een
centimeter gerekend en anders verwaarloosd.
4. Bij het meten van hoogten worden de onderdelen van centimeters
tot op een tiende centimeter in aanmerking genomen.
5. Bij de berekening worden breuken van duizendste delen, wanneer
deze vijf tienduizendste of meer bedragen, voor een duizendste gerekend
en anders verwaarloosd.
6. Bij de eindberekening van de verplaatsing worden onderdelen
van een kubieke decimeter verwaarloosd.
Artikel 4. Vlak van inzinking van het ledige vaartuig
1. Het vlak van inzinking van het ledige vaartuig, is het vlak
overeenkomende met het wateroppervlak indien:
a. het vaartuig geen brandstof of verplaatsbare ballast aan boord
heeft doch slechts de uitrusting, de proviand en de bemanning die
normaal aan boord zijn als het vaartuig vaart; alsmede het water, dat
niet door gebruikelijke middelen uit het ruim kan worden verwijderd;
de drinkwatervoorraad mag echter 0,5% van de grootste verplaatsing van
het vaartuig niet aanzienlijk overschrijden;
b. de werktuigen, ketels, pijpleidingen en installaties, nodig voor
de voortstuwing of voor de noodzakelijke hulpwerktuigen, zomede voor
verwarming of koeling, het water, de olie of de andere vloeistoffen
bevatten waarvan zij in gewone omstandigheden worden voorzien om
dienst te kunnen doen;
c. het vaartuig zich in zoet water bevindt, dat wil zeggen in water
met een soortelijk gewicht gelijk aan 1.
2. Indien het vaartuig zich bij de meting niet in de toestand,
omschreven in het eerste lid van dit artikel, bevindt, of niet in
omstandigheden die leiden tot dezelfde inzinking en ongeveer dezelfde
trimligging, moet het verschil in belasting en het verschil in
soortelijk gewicht van het water in aanmerking worden genomen bij het
maken van de berekeningen.
3. De gewichten aan boord die behoren bij de ledige inzinking
moeten in de meetbrief worden vermeld.
Artikel 5. Vlak van de grootste toegelaten diepgang
1. Het vlak van de grootste toegelaten diepgang is het vlak,
vastgesteld overeenkomstig de voor dat binnenvaartuig geldende regels
van het Binnenschepenbesluit.
2. Voor binnenvaartuigen waarop de Binnenschepenwet niet van
toepassing is, wordt het vlak van de grootste toegelaten diepgang
vastgesteld overeenkomstig bijlage II bij het Binnenschepenbesluit.
3. Voor binnenvaartuigen die bestemd zijn voor het vervoer van
goederen kan op verzoek van de belanghebbende het vlak van de grootste
toegelaten diepgang ten hoogste tien procent van de gemiddelde
laadhoogte lager worden gesteld dan in het eerste of tweede lid bepaald.
4. In bijzondere gevallen kan op verzoek van de belanghebbende
het vlak van de grootste toegelaten diepgang meer dan tien procent van
de gemiddelde laadhoogte lager worden gesteld, mits ten genoegen van het
Hoofd van de Scheepsmetingsdienst wordt aangetoond dat de grootste
diepgang waarop het schip zal kunnen varen geringer is dan de diepgang,
bepaald volgens het derde lid.
5. Voor binnenvaartuigen die niet zijn bestemd noch ingericht
voor het vervoer van goederen kan op verzoek van de belanghebbende het
vlak van de grootste toegelaten diepgang lager worden gesteld dan in het
eerste en tweede lid bepaald.
Artikel 6. Aanvraag voor meting
De meting, hermeting of controlemeting wordt uitgevoerd op aanvraag
van de belanghebbende bij het Hoofd van de Scheepsmetingsdienst.
Artikel 7. Eisen ten aanzien van de meting
1. De ligplaats van het te meten binnenvaartuig of van het
binnenvaartuig waarvan de meting gecontroleerd dient te worden, moet
zijn ten genoegen van de ambtenaar van de Scheepsmetingsdienst in
stil, bij voorkeur zoet water en zodanig, dat het vaartuig van alle
zijden toegankelijk is.
2. Degene die de meting heeft aangevraagd, is gehouden gedurende
de meting alle voorschriften van de ambtenaar van de
Scheepsmetingsdienst met betrekking tot de ligging van het vaartuig op
het vlak van inzinking van het ledige vaartuig en de eventuele
verplaatsing van losse voorwerpen op te volgen, de nodige hulp te
verschaffen bij de meting en bij het aanbrengen van de ijkmerken of de
ijkplaten en daartoe een deugdelijke roeiboot met ten minste twee man
beschikbaar te stellen.
Artikel 8. Afgifte en model van de meetbrief
1. Zo spoedig mogelijk na de meting, doch uiterlijk de zevende
werkdag daarna, verstrekt het Hoofd van de Scheepsmetingsdienst de
meetbrief aan hem, die de meting heeft aangevraagd.
2. De meetbrief moet overeenstemmen met het van toepassing zijnde
model als aangegeven in bijlage 1 van dit besluit.
3. Op de meetbrief worden de zones als bedoeld in bijlage I bij
het Binnenschepenbesluit, waarin het binnenvaartuig bestemd is te varen,
vermeld.
Artikel 9. Erkenning van meetbrieven
Een meetbrief, afgegeven door een bureau van meting van een andere
Staat aangesloten bij de Overeenkomst, wordt gelijkgesteld aan een
meetbrief afgegeven door de Scheepsmetingsdienst overeenkomstig de
bepalingen van dit besluit.
Artikel 10. IJkschalen
Binnenvaartuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, kunnen bij
meting of hermeting van ijkschalen worden voorzien, indien de
belanghebbende een schriftelijk verzoek daartoe indient.
Artikel 11. Geldigheidsduur van de meetbrief
De geldigheidsduur van een meetbrief is ten hoogste vijftien jaar, te
rekenen van de datum van afgifte. De geldigheidsduur van de meetbrief
kan telkenmale worden verlengd:
a. indien het een binnenvaartuig betreft dat bestemd is voor het
vervoer van goederen voor een periode van ten hoogste tien jaar;
b. indien het een ander binnenvaartuig betreft voor een periode
van ten hoogste vijftien jaar.
De vervaldatum wordt op de meetbrief vermeld.
Artikel 12. Verlenging geldigheidsduur meetbrief
1. De geldigheidsduur van een meetbrief wordt op verzoek van de
belanghebbende verlengd, indien bij een controlemeting blijkt dat de
gegevens van de meetbrief nog juist zijn. Teneinde te kunnen
vaststellen of de gegevens van de meetbrief nog juist zijn moeten de
volgende afmetingen van het binnenvaartuig worden gecontroleerd:
a. de lengte en de breedte, alsmede de inzinking van het ledige
vaartuig ter plaatse van elk ijkmerk;
b. ingeval het vaartuig blijvende vervormingen heeft: enkele
breedten aan de hand van de laatste staat van meting, om na te gaan of
de vervormingen vóór of na de laatste meting zijn ontstaan.
2. Van de uitkomst van de controle en van de datum waarop de
geldigheidsduur van de meetbrief is verlengd, houdt het Hoofd van de
Scheepsmetingsdienst aantekening in de staat van meting en in de ligger.
3. Tenzij het betreffende bij de Overeenkomst aangesloten land
zulks niet toestaat kan de geldigheidsduur van een door een van zijn
bureaus van meting afgegeven meetbrief voor een vaartuig, bestemd voor
het vervoer van goederen, worden verlengd, overeenkomstig het bepaalde
in dit besluit.
4. Van de uitkomst van de controle van een in het buitenland
gemeten binnenvaartuig alsmede van de datum waarop de geldigheidsduur
van een dergelijke meetbrief is verlengd, moet kennis worden gegeven aan
het Hoofd van de Scheepsmetingsdienst. Laatstgenoemde geeft daarna aan
zijn ambtgenoot in het andere land hiervan kennis door middel van het
formulier als aangegeven in bijlage 3 van dit besluit.
Artikel 13. Vervallen van de meetbrief
De meetbrief vervalt:
a. door het verstrijken van de geldigheidsduur als vermeld in
artikel 11;
b. wanneer het binnenvaartuig een verbouwing ondergaat, die van
invloed is op de ligging van het vlak van inzinking van het ledige
vaartuig, op de verplaatsing dan wel op de in de meetbrief vermelde
afmetingen;
c. wanneer het binnenvaartuig, bestemd voor het vervoer van
goederen, van bestemming verandert, zodat het gaat behoren tot een
vaartuig, niet bestemd voor het vervoer van goederen, of omgekeerd;
d. wanneer in de meetbrief één of meer wijzigingen zijn
aangebracht door daartoe niet bevoegde personen;
e. wanneer aan het binnenvaartuig andere veranderingen dan wel
blijvende beschadigingen zijn aangebracht, waardoor de omschrijving
in de meetbrief niet meer juist is;
f. wanneer de meetbrief niet meer volledig aanwezig is.
Artikel 14. Intrekken van de meetbrief
1. Indien aan een ambtenaar van de Scheepsmetingsdienst blijkt,
dat zich ten aanzien van een in Nederland geregistreerd binnenvaartuig
één der gevallen, voorzien in artikel 13, onder a tot en met f
voordoet, is hij verplicht de meetbrief in te trekken.
2. Het Hoofd van de Scheepsmetingsdienst houdt van de intrekking
aantekening in de ligger.
3. Indien één der gevallen voorzien in artikel 13, onder a
tot en met f zich voordoet ten aanzien van een in het buitenland
geregistreerd binnenvaartuig, dient zulks te worden gemeld aan het Hoofd
van de Scheepsmetingsdienst. Laatstgenoemde dient zijn ambtgenoot van
het betreffende land waar het vaartuig is geregistreerd, hiervan te
verwittigen. In de meetbrief van het betreffende binnenvaartuig wordt
een verklaring gehecht als vastgesteld door het Hoofd van de
Scheepsmetingsdienst.
Artikel 15. Controle van de meetbrief
1. Een binnenvaartuig is, wanneer het zich op de Nederlandse
binnenvaarwegen bevindt, verplicht zich te onderwerpen aan een
inspectie door ambtenaren van de Scheepsmetingsdienst.
2. De in het eerste lid bedoelde inspectie heeft als enig doel
vast te stellen:
a. dat het schip is voorzien van een geldige meetbrief;
b. dat de voornaamste kenmerken van het binnenvaartuig in
overeenstemming zijn met de gegevens vermeld op de meetbrief.
3. Indien uit de inspectie blijkt dat de voornaamste kenmerken
van het binnenvaartuig afwijken van die vermeld op de meetbrief, dan
dient te worden gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van
dit besluit.
4. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met
medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden
zonder toestemming van de bewoner. Zij beschikken niet over de
bevoegdheid, genoemd in artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 16. Hermeting op grond van veronderstelde foutieve meting
1. De belanghebbende, die met de uitkomst van de meting van
zijn vaartuig geen genoegen neemt, kan binnen zes maanden na de
afgifte van de meetbrief bij het Hoofd van de Scheepsmetingsdienst
hermeting verzoeken. De hermeting is beslissend.
2. De hermeting en zonodig de vernieuwing van de ijkmerken of de
ijkplaten geschieden kosteloos, indien het verschil met de eerste meting
meer bedraagt dan:
1. procent voor de verplaatsingscijfers van maximaal 500 kubieke
meter;
5. kubieke meter voor de verplaatsingscijfers van meer dan 500
kubieke meter tot maximaal 2000 kubieke meter;
0,25 procent voor de verplaatsingscijfers van meer dan 2000 kubieke
meter.
Het verschil wordt bepaald over eenzelfde laadhoogte.
Het Hoofd van de Scheepsmetingsdienst geeft in deze gevallen een
nieuwe meetbrief af, waarin de onderscheidingstekenen en het volgnummer
van inschrijving in de ligger van de eerste meetbrief worden
overgenomen.
3. Is het verschil met de eerste meting gelijk aan of minder dan
de percentages of het aantal kubieke meters, vermeld in het tweede lid
van dit artikel dan wordt de eerste meting als juist aangemerkt en moet
de belanghebbende voor de hermeting de kosten betalen welke voor een
normale meting in rekening worden gebracht, zomede de reis- en
verblijfkosten van de ambtenaren van de Scheepsmetingsdienst
overeenkomstig de daarvoor geldende vergoedingsregeling en de reiskosten
van de werkman die genoemde ambtenaren vergezelt voor het verrichten van
de met de hermeting samenhangende werkzaamheden.
Artikel 17. Richtlijnen bij hermeting
1. De belanghebbende is gehouden bij hermeting de bij de vorige
meting behorende meetbrief aan de ambtenaar van de
Scheepsmetingsdienst, die de hermeting zal verrichten, af te geven.
2. Het Hoofd van de Scheepsmetingsdienst houdt van deze afgifte
en van de hermeting aantekening in de ligger.
3. Indien het een meetbrief betreft, die in het buitenland is
afgegeven, wordt de meetbrief toegezonden aan het Hoofd van de
Scheepsmetingsdienst. Laatstgenoemde geeft daarna aan zijn ambtgenoot in
het andere land hiervan kennis door middel van het formulier zoals
vastgesteld in bijlage 4 van het besluit onder bijvoeging van de
ingetrokken meetbrief.
Artikel 18. Wijziging naam of kenspreuk
1. In geval van wijziging van de naam of kenspreuk van een
binnenvaartuig wordt op schriftelijke mededeling van de belanghebbende
de nieuwe naam of de nieuwe kenspreuk op de meetbrief aangetekend door
een ambtenaar van de Scheepsmetingsdienst.
2. Het Hoofd van de Scheepsmetingsdienst maakt van deze
aantekening melding in de ligger.
3. Indien het een binnenvaartuig betreft dat in het buitenland is
gemeten, geeft het Hoofd van de Scheepsmetingsdienst aan zijn ambtgenoot
in het andere land van deze aantekening kennis door middel van het
formulier zoals vastgesteld in bijlage 2 van dit besluit.
4. De in het eerste lid van dit artikel bedoelde aantekening en
wordt gedagtekend, ondertekend en van het stempel van de
Scheepsmetingsdienst voorzien.
Artikel 19. Andere wijzigingen in de meetbrief
1. Onverminderd het in artikel 13, onder a tot en met f
bepaalde, kunnen veranderingen ten aanzien van het vaartuig anders dan
bedoeld in artikel 18, op de meetbrief worden aangetekend. De
aantekening geschiedt op aanvraag van de belanghebbende door een
ambtenaar van de Scheepsmetingsdienst.
2. Het Hoofd van de Scheepsmetingsdienst maakt, indien nodig, van
deze aantekening melding in de ligger.
3. Indien het een binnenvaartuig betreft dat in het buitenland is
gemeten, is een schriftelijke machtiging van het land dat de meetbrief
heeft afgegeven nodig voor het aanbrengen van een zodanige aantekening.
Zonder deze schriftelijke machtiging is een aantekening in de meetbrief
eveneens mogelijk, echter voorlopig, met een geldigheid van niet meer
dan drie maanden. Een dergelijke aantekening dient in de daarvoor
bestemde rubriek in de meetbrief te worden gewaarmerkt, waarbij tevens
de duur van de voorlopige geldigheid dient te worden vermeld.
Het Hoofd van de Scheepsmetingsdienst geeft aan zijn ambtgenoot in
het andere land van de aantekening kennis.
4. Voor de in het eerste lid van dit artikel bedoelde aantekening
worden kosten gerekend volgens het krachtens artikel 12c, derde lid, van
de Binnenschepenwet vastgestelde tarief.
Artikel 20. Afschriften en uittreksels van meetbrieven
Wanneer een meetbrief geheel of gedeeltelijk verloren is geraakt of
versleten is, kan de belanghebbende aan het Hoofd van de
Scheepsmetingsdienst een afschrift verzoeken, dat hem tegen betaling van
de kosten volgens het krachtens artikel 12c, derde lid, van de
Binnenschepenwet vastgestelde tarief wordt verstrekt. De versleten
meetbrief of het restant van een meetbrief wordt bij het verzoek
overgelegd.
Op verzoek van belanghebbende kunnen eveneens uittreksels van
meetbrieven worden verstrekt tegen betaling van de kosten volgens het
krachtens artikel 12c, derde lid, van de Binnenschepenwet vastgestelde
tarief.
Artikel 21. Onderhoud van ijkmerken en ijkplaten
1. De ijkmerken of de ijkplaten moeten door of vanwege de
belanghebbende worden onderhouden, zodat zij steeds duidelijk
zichtbaar zijn.
2. Zijn één of meer ijkmerken of ijkplaten verloren geraakt,
versleten of onzichtbaar geworden, dan worden deze, mits de meetbrief
nog geldig is, op verzoek van belanghebbende door een ambtenaar van de
Scheepsmetingsdienst door nieuwe vervangen tegen betaling van de kosten
volgens het krachtens artikel 12c, derde lid, van de Binnenschepenwet
vastgestelde tarief.