| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Binnenschepenwet
REGELING
GENEESKUNDIG ONDERZOEK VAARBEWIJZEN BINNENVAART
Tekst zoals deze geldt op
14 maart 2008
Vervallen
m.i.v. 30 maart 2008
|
|
|
De Minister van
Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikel 21 van de Binnenschepenwet en de artikelen 6, derde
lid, en 7, zesde lid, van het Besluit vaarbewijzen binnenvaart;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Divisie Scheepvaart: divisie Scheepvaart van de Inspectie Verkeer
en Waterstaat;
b. aanvrager: degene die in aanmerking wenst te komen voor de afgifte
van een vaarbewijs als bedoeld in artikel 16 van de Binnenschepenwet;
c. arts: de arts, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de
Binnenschepenwet;
d. deskundige: de deskundige, bedoeld in artikel 21, tweede lid, van
de Binnenschepenwet;
e. geneeskundig onderzoek: het onderzoek, bedoeld in artikel 21 van
de Binnenschepenwet;
f. geneeskundige verklaring: de verklaring, bedoeld in artikel 21,
eerste lid, van de Binnenschepenwet;
g. eigen verklaring: de verklaring, bedoeld in artikel 23, tweede
lid, van de Binnenschepenwet.
Artikel 2
1. Als artsen zijn aangewezen de in
Nederland gevestigde geneeskundigen die op grond van artikel 40, eerste
lid, van de Zeevaartbemanningswet zijn aangewezen.
2. Als deskundigen zijn aangewezen de medisch adviseur
scheepvaart van de Divisie Scheepvaart en diens plaatsvervanger.
Artikel 3
1. De aanvrager die een geneeskundige
verklaring wenst te verkrijgen, wendt zich voor een geneeskundig
onderzoek tot een arts, niet zijnde de behandelend arts van de
aanvrager.
2. De arts gaat niet tot een geneeskundig onderzoek over dan
nadat de aanvrager zich heeft gelegitimeerd.
Artikel 4
1. De arts verricht het geneeskundig
onderzoek met inachtneming van de keuringseisen en keuringsaanwijzingen,
opgenomen in bijlage I.
2. De arts vermeldt de uitslag van het geneeskundig onderzoek op
de geneeskundige verklaring, die is vastgesteld volgens het model,
opgenomen in bijlage II, en verstrekt de geneeskundige verklaring aan de
aanvrager.
Artikel 5
1. De arts verwijst de aanvrager voor een
deelonderzoek door naar een op grond van artikel 40, eerste lid, van de
Zeevaartbemanningswet aangewezen specialist, indien:
a. de aanvrager een gehoorapparaat draagt, een kunstlens heeft of
refractieve chirurgie heeft ondergaan, of
b. er twijfel bestaat omtrent het voldoen aan de in de bijlage I
opgenomen eisen ten aanzien van het gezichts- of gehoorvermogen.
2. Indien in bijlage I een specialistisch rapport is
voorgeschreven, verwijst de arts de aanvrager voor een deelonderzoek
door naar een specialist.
3. Indien de arts de aanvrager doorverwijst naar een specialist,
maakt hij daartoe gebruik van het formulier dat is vastgesteld volgens
het model, opgenomen in bijlage IV.
Artikel 6
1. De arts die na het geneeskundig
onderzoek van oordeel is dat de aanvrager ongeschikt is, deelt de
aanvrager mee dat een heronderzoek kan worden aangevraagd bij een van de
deskundigen.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, verzendt de arts een
bericht van afkeuring dat is vastgesteld volgens het model, opgenomen in
bijlage III, naar de medisch adviseur scheepvaart van het
Directoraat-Generaal. De medisch adviseur doet hiervan mededeling aan de
Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.
3. De aanvrager die een heronderzoek wenst, richt zich daarvoor
tot een deskundige onder toezending van de geneeskundige verklaring.
4. Ten aanzien van het heronderzoek zijn de artikelen 3, tweede
lid, en 4 van overeenkomstige toepassing.
5. Indien de deskundige na het heronderzoek van oordeel is dat de
aanvrager medisch ongeschikt is, doet hij hiervan mededeling aan de
Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.
Artikel 7
1. De deskundige verwijst de aanvrager
voor een deelonderzoek door naar een op grond van artikel 40, eerste
lid, van de Zeevaartbemanningswet aangewezen specialist, indien er
twijfel bestaat omtrent het voldoen aan de in de bijlage I opgenomen
eisen ten aanzien van het gezicht- of gehoorvermogen.
2. De deskundige kan de aanvrager voor een deelonderzoek
doorverwijzen naar een specialist.
Artikel 8
Indien nog geen heronderzoek heeft plaatsgevonden, is een
geneeskundige verklaring waarop is aangegeven dat de aanvrager geschikt
is en die is afgegeven nadat door een andere arts een geneeskundige
verklaring is afgegeven waarop is aangegeven dat de aanvrager ongeschikt
is, ongeldig.
Artikel 9
1. Indien de aanvrager van een klein
vaarbewijs in de gevallen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en
onder a, van het Besluit vaarbewijzen binnenvaart, een eigen verklaring
overlegt, maakt hij daartoe gebruik van het formulier dat is opgenomen
in bijlage V.
2. Indien de aanvrager van een groot vaarbewijs in de gevallen,
bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b tot en met e, van
het Besluit vaarbewijzen binnenvaart, een eigen verklaring overlegt,
maakt hij daartoe gebruik van het formulier dat is opgenomen in bijlage
VI.
3. Indien alle vragen van de eigen verklaring met ’nee’ zijn
beantwoord, stuurt de aanvrager de ingevulde en ondertekende eigen
verklaring in een gesloten enveloppe met daarop vermeld ’medisch
beroepsgeheim’ naar:
a. de Koninklijke Nederlandse Toeristenbond ANWB in het geval,
bedoeld in het eerste lid, en
b. de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen in het
geval, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 10
1. De eigen verklaring die op enige
afwijking wijst, wordt voorzien van een aantekening van een arts, niet
zijnde de behandelend arts van de aanvrager, waaruit de aard en de ernst
van de afwijking blijkt.
2. De arts verzendt de in het eerste lid bedoelde eigen
verklaring naar een deskundige. Voor de eigen verklaring die betrekking
heeft op het klein vaarbewijs worden als deskundigen tevens aangewezen
de keuringsartsen van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.
Artikel 11
1. In het geval, bedoeld in artikel 10,
eerste lid, verklaart de deskundige de aanvrager geschikt of ongeschikt.
In geval van twijfel kan de deskundige de aanvrager oproepen voor een
nader onderzoek. Indien nodig, kan de deskundige, onder gebruikmaking
van het formulier dat is vastgesteld volgens het model, opgenomen in
bijlage IV, de aanvrager doorverwijzen voor een deelonderzoek naar een
specialist.
2. In het geval, dat de deskundige de aanvrager geschikt
verklaart, verstrekt de deskundige, onder vermelding van deze uitslag,
de aanvrager een geneeskundige verklaring, die is vastgesteld volgens
het model, opgenomen in bijlage II.
3. In het geval, dat de deskundige de aanvrager ongeschikt
verklaart, zendt de deskundige de aanvrager een bericht van afkeuring,
dat is vastgesteld volgens het model, opgenomen in bijlage III, onder
mededeling van de mogelijkheid van heronderzoek.
4. De aanvrager die ongeschikt is verklaard en een heronderzoek
wenst, wendt zich tot een deskundige die niet de deskundige is die reeds
bij de beoordeling van de eigen verklaring was betrokken. Ten aanzien
van het heronderzoek is artikel 4 van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande, dat het heronderzoek kan bestaan uit het uitsluitend
beoordelen van de ter beschikking staande medische gegevens.
5. De deskundige doet van het ongeschikt verklaren van een
aanvrager mededeling aan:
a. de Koninklijke Nederlandse Toeristenbond ANWB, indien het de
aanvrage van een klein vaarbewijs betreft;
b. de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, indien het
de aanvrage van een groot vaarbewijs betreft.
Artikel 12
Onze Minister kan aanwijzingen geven ter uitvoering van de in deze
regeling opgenomen bepalingen.
Artikel 13
Het Keuringsbesluit vaarbewijzen binnenvaart wordt ingetrokken.
Artikel 14
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling geneeskundig onderzoek
vaarbewijzen binnenvaart.
Artikel 15
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 1999.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst, met uitzondering van de bijlagen II, III, IV, V en VI, die
ter inzage worden gelegd bij het Directoraat-Generaal Goederenvervoer,
Willem Witsenplein 6, 2596 BK Den Haag.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos.
Bijlage I. Keuringseisen en
keuringsaanwijzingen
§ 1. Algemene keuringsaanwijzingen
Inleiding
Van groot belang is vooral het tijdig herkennen en (laten) behandelen
van die aandoeningen die een duidelijk risicoverhogende factor
betekenen. In het algemeen dient de betrokkene om in aanmerking te komen
voor een geneeskundige verklaring vrij te zijn van enige afwijking,
ziekte of verwonding die een veilige uitoefening van de werkzaamheden
belemmert. Daarnaast mag de aanwezigheid van de betrokkene aan boord
geen gevaar opleveren voor de gezondheid van de overige opvarenden.
Overleg met de deskundige Indien er bij de beoordeling van de
geschiktheid twijfels rijzen, dient daarover overleg plaats te vinden
met de deskundige.
Specifieke werkzaamheden aan boord
Bij de keuring dient men zich terdege bewust te zijn van de
specifieke werkomstandigheden aan boord:
a. het werk aan boord vertoont onregelmatige fysieke en
psychische piekbelastingen;
b. het werk aan boord brengt een forse lichamelijke belasting met
zich mee, waarbij veel traplopen, het manoeuvreren rond obstakels en
beperkte bewegingsruimte met soms een ongunstige werkhouding extra
belasting van het bewegingsapparaat met zich mee brengen;
c. door de aard van de werkzaamheden is er niet altijd
gelegenheid om op regelmatige tijden te eten en te slapen.
Waakzaamheid en concentratievermogen
Het is in dit verband van belang dat men zich tevens realiseert dat
er aan boord vele werkzaamheden zijn waarbij langdurige concentratie is
vereist:
a. het navigeren, waarbij vooral voortdurend aandacht is geboden
tijdens het varen ’s nachts, bij mist en onder slechte
weersomstandigheden;
b. het werken met en het verantwoordelijk zijn voor het vervoer
van gevaarlijke stoffen;
c. het werken aan en in de buurt van werktuigen met bewegende
delen, zoals kranen, lieren, ankerspillen, etc.;
d. het uitvoeren van werkzaamheden aan elektrische leidingen en
stoomleidingen;
e. het verrichten van werkzaamheden op grote hoogte of in en om
diepe ruimen.
Geneesmiddelengebruik
Het is noodzakelijk te weten of de betrokkene geregeld gebruik maakt
van geneesmiddelen die het functioneren kunnen beïnvloeden, zoals
insuline en orale anti-diabetica, anti-epileptica, en
coumarine-derivaten. Het aangewezen zijn op het gebruik van
geneesmiddelen welke neveneffecten hebben in de zin van: duizeligheid,
verminderd concentratie- en reactievermogen, psychische stoornissen,
hypotensie en bradycardie kan een reden zijn voor ongeschiktheid. Indien
geneesmiddelen worden gebruikt in doseringen die zich met de veiligheid
van het varen laten verenigen (van patiënt tot patiënt verschillend,
maar voor één patiënt behoorlijk constant), moet bij de afgifte van
een geneeskundige verklaring worden overwogen of de betrokkene de
(bij)werkingen van het geneesmiddel begrijpt en de voorschriften van de
arts nauwgezet naleeft.
Uitgangspunten voor afkeuring
De medische maatstaven die zijn beschreven in § 2 tot en met § 5
dienen te worden gehanteerd bij de keuring voor een geneeskundige
verklaring. De geneeskundige of de medisch specialist laat zich bij een
beslissing tot afkeuring verder leiden door de navolgende algemene
richtlijnen: Medisch ongeschikt voor de binnenvaart zeevaart is de
persoon, die lijdt aan een ziekte, afwijking of verwonding:
a. waardoor een veilige uitoefening van de werkzaamheden
belemmerd kan worden;
b. waardoor betrokkene niet te allen tijde in staat is om
adequaat te handelen in geval van nood;
c. die tijdens de functie-uitoefening aan boord kan verergeren,
in die zin dat daardoor een onaanvaardbaar risico voor de gezondheid
of veiligheid van hemzelf of de overige opvarenden ontstaat, of
ernstige hinder voor andere personen aan boord, of
d. die een behandeling behoeft, waarbij voortdurend medisch
toezicht is vereist of waarbij acuut ingrijpen door een medicus
noodzakelijk kan worden. Indien sprake is van een algemene
ongeschiktheid, kan de deskundige onder nader te stellen voorwaarden
of beperkingen hiervan ontheffing verlenen.
§ 2. De lichamelijke geschiktheid
De aanvrager moet in staat zijn een gewicht van 20 kg te tillen.
§ 3. Het gezichtsvermogen
Van een voldoende gezichtsvermogen kan
geen bewijs worden afgegeven wanneer de aanvrager lijdt aan een
waarschijnlijk voortschrijdende oogziekte, waardoor de voor het
gezichtsvermogen wezenlijke oogdelen zijn aangetast en die, naar het
zich laat aanzien, binnen afzienbare tijd tot een aanmerkelijke
vermindering van het gezichtsvermogen zal leiden.
a.
Gezichtsscherpte bij daglicht
Deze bedraagt bij het beste oog, met of zonder optische hulpmiddelen (kontaktlenzen,
bril), tenminste 0,8.
Met één oog zien is toegestaan.
b.
Nachtblindheid
Alleen in twijfelgevallen te onderzoeken. Contrast 1:2.
c.
Gewenning aan de duisternis
Alleen in twijfelgevallen te onderzoeken. Het resultaat mag niet meer
dan een log-eenheid van de normaalkromme afwijken.
d.
Gezichtsveld
Afwijkingen in het gezichtsveld van het oog met de beste
gezichtsscherpte, met of zonder optische hulpmiddelen, zijn niet
toegestaan. In geval van twijfel dient perimetrisch onderzoek verricht
te worden.
e.
Motiliteit
Onbelemmerde beweeglijkheid van beide ogen; geen dubbelzien.
f.
Kleurenonderscheidingsvermogen
Het kleurenonderscheidingsvermogen wordt als voldoende beschouwd wanneer
de gegadigde voldoet aan de Farnsworth Panel D15 test, de test van
Ishihara volgens de platen 1 tot en met 15, of een andere als
gelijkwaardig erkende test. Bij het onderzoek van het
kleurenonderscheidingsvermogen met de kaart van Hardy, Rand en Rittler
(H.R.R.) is een ’mild’ afwijking en met de kaarten van het Tokyo
Medical College is een ’second degree’ afwijking toegestaan. In
geval van twijfel onderzoeken met de anomaloscoop, waarbij met genoemde
testmethode een gelijkwaardige uitkomst bereikt moet worden.
§ 4. Het gehoorvermogen
a. a. Het gehoor wordt als voldoende
beschouwd wanneer door een aanvrager fluisteren, met of zonder
gehoorapparaat, met elk oor afzonderlijk, onder afsluiting van het
andere oor duidelijk verstaan wordt:
— op een afstand van 3 meter,
indien de aanvrager 25 jaar of jonger is;
— op een afstand van 2 meter,
indien de aanvrager ouder dan 25 jaar is.
b. Bij het vermoeden van een toenemend
gehoorverlies, alsmede in geval van twijfel moet een toon- of
spraakaudiogram gemaakt worden.
c. Het gehoorverlies van het beste oor
mag gemiddeld niet meer dan 40 dB bedragen voor de frequenties 500,
1000 en 2000 Hz.
§ 5. Ziekten of lichamelijke gebreken
1. Aandoeningen die gepaard gaan met bewustzijns- of
evenwichtsstoornissen
a. Recidiverende toestanden van verlaagd bewustzijn, al of niet onder
invloed van medicamenten, drugs of alkohol, zijn een reden voor
blijvende ongeschiktheid.
b. Alle vormen van epilepsie en narcolepsie zijn een reden voor
algemene ongeschiktheid.
c. Noctambulisme is een reden voor algemene ongeschiktheid.
d. Aandoeningen die gepaard gaan met evenwichtsstoornissen of
aanvallen van draaiduizeligheid zijn een reden voor blijvende
ongeschiktheid.
2. Aandoeningen of laesies van het centrale of perifere
zenuwstelsel, gepaard gaande met duidelijke functionele stoornissen; in
het bijzonder organische aandoeningen van de hersenen of het ruggenmerg
en de daarbij optredende restverschijnselen, functionele stoornissen na
schedel- of hersenletsel, en cerebrale doorbloedingsstoornissen
a. Systeemziekten van het centrale zenuwstelsel, zoals multiple
sclerose en de ziekte van Parkinson, zijn, afhankelijk van het stadium
waarin de ziekte verkeert, een reden voor algemene ongeschiktheid.
b. Posttraumatische en postoperatieve restverschijnselen: een gunstig
specialistisch rapport is vereist.
c. Ieder cerebrovasculair accident, inclusief TIA’s in de anamnese:
een gunstig specialistisch rapport is vereist.
3. Geestesziekten
a. Psychosen in de anamnese met een duidelijk recidief-risico zijn
een reden voor blijvende ongeschiktheid.
b. Bipolaire stoornissen in de anamnese zijn een reden voor blijvende
ongeschiktheid.
c. Persoonlijkheidsstoornissen zoals onaangepaste gedragingen,
agressiviteit, prikkelbaarheid, fanatisme, querulantisme en
geldingszucht, zijn in het algemeen een reden voor blijvende
ongeschiktheid.
d. Depressies die niet onder het begrip bipolaire stoornissen vallen:
een gunstig specialistisch rapport is vereist.
e. Overige psychiatrische stoornissen: een gunstig specialistisch
rapport is vereist.
4. Suikerziekte met niet goed instelba-re, aanzienlijke
schommelingen van de bloedglucose-waarden
Insuline Afhankelijke Diabetes Mellitus (IADM) die niet goed
instelbaar is of gepaard gaat met hypoglykemieën, is een reden voor
blijvende ongeschiktheid.
5. Manifeste endocriene stoornissen
Voor goedkeuring is een gunstig specialistisch rapport vereist,
waaruit blijkt, dat redelijkerwijs geen acute problemen zijn te
verwachten.
6. Ernstige aandoeningen van de bloedvormende orgaansystemen
Voor goedkeuring is een gunstig specialistisch rapport vereist,
waaruit blijkt, dat redelijkerwijs geen acute problemen zijn te
verwachten.
7. Astmatische bronchitis met aanvallen
Asthma bronchiale met ernstige longfunctiestoornissen is een reden
voor blijvende ongeschiktheid.
8. Aandoeningen of veranderingen in het hart of de bloedsomloop
met beperking van de belastbaarheid in absolute, respectievelijk
relatieve zin
a. Klepafwijkingen en congenitale hartgebreken: een gunstig
specialistisch rapport is vereist.
b. Hartritmestoornissen: voor goedkeuring is een gunstig
specialistisch rapport vereist, waaruit blijkt, dat redelijkerwijs geen
acute problemen zijn te verwachten. Een pacemaker is een reden voor
algemene ongeschiktheid.
c. Aandoeningen van het myocard, resulterend in een duidelijk
verminderde ergometrisch bepaalde belastbaarheid van het hart, zijn een
reden voor blijvende ongeschiktheid.
d. Angina pectoris: voor goedkeuring is een gunstig specialistisch
rapport vereist, waaruit blijkt, dat redelijkerwijs geen acute problemen
zijn te verwachten.
e. Hypertensie, waarbij ook na behandeling de systolische druk meer
dan 220 mm Hg, of de diastolische druk meer dan 120 mm Hg bedraagt, is
een reden voor blijvende ongeschiktheid.
9. Aandoeningen of gevolgen na een ongeval die leiden tot een
aanzienlijke bewegingsbeperking, verlies of sterke vermindering van de
kracht in een der ledematen die voor de uit te oefenen arbeid van belang
zijn
a. Bovenste extremiteiten: de functie van armen en handen moet
voldoende zijn voor de bediening van het roer, de motor en de andere
voor de navigatie en veilige vaart benodigde apparatuur. In geval van
verminking of amputatie is een goed functionerende prothese toegestaan,
eventueel onder aanpassing van de bovengenoemde bedieningsorganen.
b. Onderste extremiteiten: in geval van verminking of amputatie is
een goed functionerende prothese toegestaan.
c. In noodgevallen moet de aanvrager zonder hulp van anderen, in hoog
tempo, zijn weg kunnen vinden via trappen en (vlucht)gangen.
10. Chronisch alcoholisme, verslaving aan verdovende middelen of
andere vormen van verslaving
a. Chronisch alcoholisme, hetzij voortdurend, hetzij gedurende
bepaalde perioden, is een reden voor algemene ongeschiktheid.
b. Verslaving aan verdovende, opwekkende of andere psychotrope
stoffen in de anamnese in de laatste vijf jaar is een reden voor
algemene ongeschiktheid.
Bijlage II
[Ligt ter inzage bij het Directotaat-Generaal Goederenvoevoer te Den
Haag]
Bijlage III
[Ligt ter inzage bij het Directotaat-Generaal Goederenvoevoer te Den
Haag]
Bijlage IV
[Ligt ter inzage bij het Directotaat-Generaal Goederenvoevoer te Den
Haag]
Bijlage V
[Ligt ter inzage bij het Directotaat-Generaal Goederenvoevoer te Den
Haag]
Bijlage VI
[Ligt ter inzage bij het Directotaat-Generaal Goederenvoevoer te Den
Haag]
|
|
|