|
REGELING van de Minister van Verkeer en Waterstaat,
houdende vrijstelling onder voorschriften van enige regelen met
betrekking tot zeilende passagiersschepen van het type skūtsje
(Regeling skūtsjes)
De Minister
van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikel 5a, eerste lid, van de
Binnenschepenwet;
Besluit:
Artikel 1
1. In deze regeling wordt verstaan onder
skūtsje: een zeilend passagiersschip:
a. met een lengte (L) van ten hoogste 22 m en een breedte (B)
van ten hoogste 4 m;
b. dat is gebouwd voor 1950; en
c. dat de kenmerken van de eerdere bestemming als vrachtschip heeft
behouden en waarvan het laadvermogen niet meer bedroeg dan 55 ton.
2. Deze regeling is van toepassing op de binnen de provincies
Friesland, Groningen en Drenthe gelegen wateren van de zones 3 en 4.
Artikel 2
Met inachtneming van de voorschriften van deze regeling is artikel
8.01 van bijlage VII van het Binnenschepenbesluit niet van toepassing op
skūtsjes.
Artikel 3
1. Aan beide zijden is over de volledige
lengte van de luikenkap een handrail aangebracht.
2. Op regelmatige afstanden zijn grijplijnen over de luikenkap
gespannen.
3. Op de boeiing zijn zetboorden geplaatst.
4. Voor elke zich aan boord bevindende persoon is een
reddingsvest aanwezig dat voldoet aan de Europese norm EN 395:1998 of EN
396:1998.
5. Tijdens de vaart is het dragen van een zwemvest verplicht. Dit
gebod is op een bord op een voor een ieder duidelijk zichtbare plaats
aangebracht. Artikel 13.01 van Bijlage II van het Binnenschepenbesluit
is niet van toepassing.
6. De luikenkap is voorzien van een markering van de grens waar
de hoogte van de giek boven het hoogste deel van de luikenkap ten minste
0,80 m bedraagt. In de nabijheid van deze markering is op een voor ieder
duidelijk zichtbare wijze een bord aangebracht met het opschrift: Niet
toegankelijk voor passagiers.
Artikel 4
In afwijking van artikel 5.05, eerste lid, van bijlage II van het
Binnenschepenbesluit zijn, bij gebruik van buitenboordmotoren,
brandstoftanks van deze motoren zodanig op of buiten het schip
geplaatst, dat ze niet kunnen verschuiven en brandstof zich niet in het
schip kan verzamelen.
Artikel 5
1. Bedrijfsmatig vervoer van passagiers
is uitsluitend toegestaan in de periode van 1 mei tot en met 30
september.
2. Een met passagiers ondernomen vaartocht bedraagt maximaal twee
en een half uur.
3. Het certificaat vermeldt de in het eerste en tweede lid
bedoelde voorschriften.
4. Naast de in artikel 12 van de Regeling vaartijden en
bemanningssterkte binnenvaart voorgeschreven minimumbemanning zijn twee
extra bemanningsleden aan boord die zijn voorzien van een dienstboekje.
Artikel 6
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 7
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling skūtsjes.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H. Peijs.
|