|
BESLUIT van 17 januari 1990, houdende regels betreffende
bedrijfsbrandweren
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 12 juli
1989, nr. Eproj.88/87/5, directoraat-generaal voor Openbare Orde en
Veiligheid, directie Brandweer;
Gelet op artikel 13, tweede lid, van de
Brandweerwet 1985 (Stb. 1985, 87);
Gehoord de
Brandweerraad;
De Raad van
State gehoord (advies van 7 november 1989, nr. W04.89.0436);
Gezien het
nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 10 januari
1990, nr. Eproj.88/87/7, directoraat-generaal voor Openbare Orde en
Veiligheid, directie Brandweer;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt
verstaan onder:
- a.
- de
bedrijfsbrandweer: de organisatie van mensen en middelen die
tot doel heeft het bestrijden van branden en ongevallen op
het terrein van de inrichting;
- b.
- het rapport:
het rapport inzake de bedrijfsbrandweer, bedoeld in artikel
3, eerste lid.
- c.
- het
veiligheidsrapport: het rapport, bedoeld in artikel
10 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999.
Artikel 2
Voor een aanwijzing
als inrichting die over een bedrijfsbrandweer moeten beschikken,
komen slechts in aanmerking:
- a.
- inrichtingen
waarop paragraaf 2
van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van
toepassing is;
- b.
- inrichtingen
met installaties waarop Hoofdstuk
2, Afdeling 2, van het Arbeidsomstandighedenbesluit
van toepassing is voor zover het betreft:
- 1°.
- inrichtingen
die geheel of nagenoeg geheel zijn bestemd voor de
opslag in verband met vervoer van in die afdeling
genoemde stoffen, al dan niet in combinatie met andere
stoffen en producten;
- 2°.
- spoorwegemplacementen
voor zover zij geen onderdeel zijn van een inrichting
waarop het Besluit
risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is;
- c.
- inrichtingen,
bedoeld in artikel 15,
onderdeel b, van de Kernenergiewet,
behoudens in de gevallen dat artikel
44 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen
van toepassing is;
- d.
- inrichtingen,
waarin radioactieve stoffen voorhanden zijn, worden bereid
dan wel toegepast, bedoeld in artikel
29, eerste lid, van de Kernenergiewet, niet zijnde
inrichtingen als bedoeld in de onderdelen a
en b van dit artikel;
- e.
- inrichtingen,
waarin vaste stoffen of vloeistoffen voorhanden zijn, die
bij verhitting tot brandgevaarlijke situaties kunnen leiden
en waarvan de totale verbrandingsenergie meer bedraagt dan
46.1011 kJ.
Artikel 3
| 1. |
Alvorens tot
aanwijzing over te gaan, verzoeken burgemeester en
wethouders het hoofd of de bestuurder van de inrichting,
waarvan zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat deze in
geval van brand of ongevallen een bijzonder gevaar voor
de openbare veiligheid kan vormen, binnen drie maanden
na ontvangst van het verzoek aan hen een rapport inzake
de bedrijfsbrandweer over te leggen, dat de volgende
gegevens bevat:
| a. |
een
algemene beschrijving van de inrichting, van de
daarin voorkomende stoffen en de eigenschappen
van deze stoffen;
|
| b. |
een
algemene beschrijving van de processen die in de
inrichting plaatsvinden;
|
| c. |
de
geloofwaardige incidentscenario’s dat wil
zeggen een beschrijving van de aard, de omvang,
het verloop in de tijd en de bestrijding of de
beheersing van een brand of een ongeval op het
terrein van de inrichting,
| 1°. |
die
gegeven de aard van een installatie of
de inrichting, rekening houdend met de
daarin aangebrachte preventieve
voorzieningen, als zeer reëel en
typerend wordt geacht,
|
| 2°. |
waarbij
schade aan gebouwen of personen in de
omgeving van de inrichting kan ontstaan,
en
|
| 3°. |
waarbij
van preventieve of repressieve
maatregelen duidelijk effect verwacht
mag worden, waardoor escalatie daarvan
wordt voorkomen;
|
|
| d. |
de
maatgevende incidentscenario’s dat wil zeggen
de geloofwaardige incidentscenario's, bedoeld in
onderdeel c, die
bepalend zijn voor de omvang en de uitrusting
van de bedrijfsbrandweer;
|
| e. |
een
beschrijving van de organisatie van de nodig
geachte bedrijfsbrandweer, waaronder de omvang
van het personeel en het materieel.
|
|
| 2. |
Het eerste lid
is niet van toepassing indien voor de inrichting een
veiligheidsrapport moet worden ingediend.
|
| 3. |
Indien
gegevens als bedoeld in het eerste lid reeds zijn
opgenomen in een of meer arbeidsveiligheidsrapporten als
bedoeld in artikel
2.2b van het Arbeidsomstandighedenbesluit of een
veiligheidsrapport als bedoeld in artikel
10 van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999,
kan in het rapport worden volstaan met een verwijzing
naar de desbetreffende gegevens.
|
| 4. |
Burgemeester
en wethouders zenden een exemplaar van het rapport aan:
| a. |
de
daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aangewezen toezichthouder,
bedoeld in artikel
1, derde lid, onderdeel d, van de
Arbeidsomstandighedenwet;
|
| b. |
het
bestuur van de regionale brandweer in wier
grondgebied de inrichting is gelegen;
|
| c. |
het
bestuursorgaan dat overeenkomstig artikel
8.2 van de Wet milieubeheer bevoegd is
een vergunning voor de desbetreffende inrichting
te verlenen, tenzij burgemeester en wethouders
dat bestuursorgaan zijn;
|
| d. |
Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat, indien de
inrichting is gelegen op of deel uitmaakt van
een luchtvaartterrein als bedoeld in artikel
1, onderdeel g, van de Luchtvaartwet;
|
| e. |
Onze
Minister van Defensie, indien de inrichting is
gelegen op of deel uitmaakt van een bij de
krijgsmacht ingebruik zijnd terrein.
|
|
| 5. |
Burgemeester
en wethouders kunnen het hoofd of de bestuurder van de
inrichting verzoeken hen aanvullende gegevens te
verschaffen.
|
Artikel 4
- 1.
- Indien burgemeester en
wethouders van oordeel zijn dat de inrichting waarvoor zij
ingevolge artikel 3, eerste lid, een rapport of ingevolge
artikel 3, tweede lid, een veiligheidsrapport hebben
ontvangen in geval van brand of ongevallen bijzonder gevaar
kan opleveren voor de openbare veiligheid, wijzen zij, met
inachtneming van de bij dit besluit behorende bijlage, de
inrichting aan die binnen een door hen te stellen termijn
over een bedrijfsbrandweer dient te beschikken.
- 2.
- Burgemeester en wethouders
gaan niet over tot het aanwijzen van een inrichting dan
nadat de in artikel 3, vierde lid, bedoelde functionarissen
door hen in de gelegenheid zijn gesteld advies ter zake uit
te brengen en nadat het hoofd of de bestuurder van de
inrichting door hen is gehoord.
- 3.
- Burgemeester en wethouders
kunnen inrichtingen aanwijzen die gezamenlijk over een
bedrijfsbrandweer dienen te beschikken. Het tweede lid is
van overeenkomstige toepassing.
- 4.
- Burgemeester en wethouders
maken de aanwijzing, bedoeld in het eerste en derde lid,
bekend aan de in artikel 3, vierde lid, bedoelde
functionarissen.
- 5.
- Burgemeester en wethouders
kunnen in de aanwijzing, bedoeld in het eerste en derde lid,
slechts eisen stellen aan:
- a.
- het
opleidingsniveau en de geoefendheid van het personeel
van de bedrijfsbrandweer;
- b.
- de
voorzieningen inzake bluswater, melding, alarmering en
verbindingen;
- c.
- het
blusmaterieel;
- d.
- de
beschermende middelen;
- e.
- de
alarmering van en samenwerking met de gemeentelijke
brandweer en andere hulpverleningsorganisaties;
- f.
- de omvang
van het personeel en het materieel van de
bedrijfsbrandweer.
Het tweede lid is
van overeenkomstige toepassing.
- 6.
- Burgemeester en wethouders
houden bij het vaststellen van de eisen, bedoeld in het
vijfde lid, rekening met de eisen die ter zake aan de
inrichting worden gesteld bij of krachtens de Brandweerwet
1985 en andere wetten.
Artikel 5
- 1.
- Na wijziging of uitbreiding
van een aangewezen inrichting dan wel verandering van de
daarin gebezigde processen die in betekenende mate
consequenties hebben voor de inhoud van het rapport, dient
het hoofd of de bestuurder van die inrichting zo spoedig
mogelijk een dienovereenkomstig gewijzigd rapport aan
burgemeester en wethouders over te leggen.
- 2.
- Het eerste lid is niet van
toepassing indien voor de inrichting een veiligheidsrapport
dan wel een met die wijziging of uitbreiding verband
houdende wijziging of bijwerking van dat rapport moet worden
ingediend.
- 3.
- Artikel 3, derde tot en met
vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
- 4.
- Indien het gewijzigde rapport,
het veiligheidsrapport of de wijziging daarvan daartoe
aanleiding geven, kunnen burgemeester en wethouders de
aanwijzing, bedoeld in artikel 4, eerste dan wel derde lid,
intrekken dan wel met inachtneming van de bij dit besluit
behorende bijlage de eisen, bedoeld in artikel 4, vijfde
lid, wijzigen.
- 5.
- Burgemeester en wethouders
bepalen bij het vaststellen van de gewijzigde eisen, bedoeld
in het vierde lid, een termijn waarbinnen aan die eisen moet
zijn voldaan.
- 6.
- Artikel 4, tweede, vierde en
zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6
- 1.
- Na wijziging van de omgeving
van een aangewezen inrichting die in betekenende mate
consequenties heeft voor de maatgevende incidentscenario's,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d,
dan wel voor de scenario's voor een mogelijk zwaar ongeval
op het terrein van de inrichting, bedoeld in bijlage
III, onder 1. l, van het Besluit risico's zware ongevallen
1999, kunnen burgemeester en wethouders de
aanwijzing, bedoeld in artikel 4, eerste dan wel derde lid,
intrekken dan wel met inachtneming van de bij dit besluit
behorende bijlage de eisen, bedoeld in artikel 4, vijfde
lid, wijzigen.
- 2.
- Burgemeester en wethouders
bepalen bij het vaststellen van de gewijzigde eisen, bedoeld
in het eerste lid, een termijn waarbinnen aan die eisen moet
zijn voldaan.
- 3.
- Artikel 4, tweede, vierde en
zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7
Indien met betrekking
tot een zelfde inrichting naast een rapport tevens een of meer
arbeidsveiligheidsrapporten als bedoeld in artikel
2.2b van het Arbeidsomstandighedenbesluit, moeten worden
ingediend, dienen de onderscheidene bestuursorganen bij wie de
betrokken rapporten moeten worden ingediend, hun activiteiten
met betrekking tot de beoordeling van die rapporten zoveel
mogelijk op elkaar af te stemmen.
Artikel 8
Op een inrichting die
is gelegen op of deel uitmaakt van een bij de krijgsmacht in
gebruik zijnd terrein, voor zover er gegevens in het geding zijn
waarvan de geheimhouding door het belang van de veiligheid van
de staat is geboden, zijn de artikelen 1 tot en met 7 van
toepassing met dien verstande dat:
- a.
- Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in plaats van
burgemeester en wethouders optreedt in de artikelen 3,
eerste, en vierde lid, aanhef en onderdeel c, en vijfde lid,
4, 5, eerste, vierde en vijfde lid, 6, eerste en tweede lid,
en 9;
- b.
- Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een exemplaar
van het rapport, naast de in artikel 3, vierde lid, genoemde
functionarissen en bestuursorganen, zendt aan burgemeester
en wethouders van de gemeente waarin een inrichting als
bedoeld in de aanhef van dit artikel is gelegen.
Artikel 9
- 1.
- Totdat het hoofd of de
bestuurder van een inrichting ingevolge artikel
28 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999
voor de eerste keer een veiligheidsrapport heeft ingediend,
kunnen burgemeester en wethouders hem in afwijking van
artikel 3, tweede lid, verzoeken een rapport over te leggen.
- 2.
- In een geval als bedoeld in
artikel 5, eerste lid, dient het hoofd of de bestuurder,
bedoeld in het eerste lid, in afwijking van artikel 5,
tweede lid, een gewijzigd rapport over te leggen.
Artikel 10
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de dag waarop artikel
13 van de Brandweerwet 1985 in werking treedt.
Artikel 11
Dit besluit kan worden
aangehaald als: Besluit bedrijfsbrandweren.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting
in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en
aan de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 17 januari 1990
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse
Zaken,
C.I.
Dales
Uitgegeven de twintigste
februari 1990
De Minister van Justitie,
E.M.H.
Hirsch Ballin
Bijlage behorende
bij het Besluit bedrijfsbrandweren
inhoud
|
1.
|
Inleiding
|
|
1.1
|
Achtergrond
en doel
|
|
1.2
|
Opzet
|
|
2
|
Selectiemodel
voor inrichtingen
|
|
2.1
|
Algemene
model opzet
|
|
2.2
|
Uitvoering
eerste selectiestap
|
|
2.3
|
Voorbeelden
|
|
2.3.1
|
Voorbeeld
1
|
|
2.3.2
|
Voorbeeld
2
|
|
2.3.3
|
Voorbeeld
3
|
|
2.4
|
Waardering
schaderisico omgeving
|
|
3
|
Beschrijving
inrichtingen
|
|
3.1
|
Installaties
|
|
3.1.1
|
Algemene
gegevens installatie
|
|
3.1.2
|
Brandbestrijdingsgegevens
van de installatie
|
|
3.2
|
Bedrijfsbrandweer
|
|
3.2.1
|
Alarmering
|
|
3.2.2
|
Opkomst en
inzet
|
|
3.3
|
De
organisatie van de brandweer in het bedrijf
|
|
4
|
Toetsing
|
|
5
|
Samenvatting
werkwijze
|
|
Literatuur
|
|
Appendixen
|
|
Referentiescenario’s
en voorbeelden
|
|
Begrippenlijst
|
|
Aanwijzingssysteem
AVR
|
|
Grenswaarden
EVR
|
|
Stralingsbelasting
bij brand
|
|
Drukbelasting
bij ontplofbare stoffen
|
1. INLEIDING
1.1 Achtergrond en
doel
In artikel
13 van de Brandweerwet 1985 is aan burgemeester en
wethouders respectievelijk de Minister van Binnenlandse
Zaken, voor zover het gaat om een inrichting als bedoeld in
artikel 8, de bevoegdheid toebedeeld de aanwezigheid van een
bedrijfsbrandweer die aan bepaalde eisen inzake personeel en
materieel moet voldoen, voor te schrijven voor inrichtingen
die in geval van brand of ongevallen bijzonder gevaar kunnen
opleveren voor de openbare veiligheid.
Onder de woorden
"bijzonder gevaar voor de openbare veiligheid"
dient te worden begrepen een situatie waarbij er naar het
oordeel van burgemeester en wethouders respectievelijk de
Minister van Binnenlandse Zaken als gevolg van
geloofwaardige incidentscenario’s binnen de inrichting,
een schade in de omgeving van die inrichting kan ontstaan
die duidelijk groter is dan de schade die optreedt door
mogelijke ongevallen in de betrokken omgeving zelf en waarop
de overheidsbrandweer is berekend.
Het Besluit
bedrijfsbrandweren geeft in artikel 1 de kring van
inrichtingen aan die voor een aanwijzing als
bedrijfsbrandweerplichtig in aanmerking komen.
De onderhavige
bijlage heeft tot doel richting te geven aan het proces van
selecteren, beoordelen en aanwijzen van inrichtingen. De
algemene uitgangspunten die zijn gehanteerd, zijn de
volgende:
| a. |
De te
hanteren selectiemethodiek dient te voldoen aan de
doelstelling dat op een relatief eenvoudige,
eenduidige wijze en in samenhang met overige
veiligheidswetgeving, mogelijk van belang zijnde
inrichtingen worden geselecteerd. In de
geselecteerde verzameling inrichtingen mogen nog in
beperkte mate inrichtingen vóórkomen die nader
bezien niet getoetst behoeven te worden, doch er
mogen geen werkelijk relevant zijnde inrichtingen
worden "gemist". Het selectiesysteem is
daardoor conservatief van aard, waar tegenover staat
dat het relatief eenvoudig van opzet is.
|
| b. |
De
beschouwing dient landelijk gezien op een uniforme
wijze te geschieden; vergelijkbare situaties dienen
ook tot vergelijkbare behandeling te leiden.
|
| c. |
Er dient,
voor zover van toepassing, aansluiting te bestaan
met overige veiligheidswetgeving, waarmee
inrichtingen van doen hebben. In dat, verband kan
met name worden genoemd de Arbeidsomstandighedenwet
en de Wet
Milieubeheer. In het kader van deze wetten
worden (zullen) inrichtingen (worden) getoetst in
verband met onder meer het verplichten tot het
opstellen van een arbeidsveiligheidsrapport dan wel
tot het doen van een rapportage inzake de
veiligheidsrisico’s voor de omgeving. Overigens
worden aan inrichtingen in het kader van de Wet
Milieubeheer eisen gesteld in verband met het
voldoen aan normen inzake de veiligheid voor de
omgeving, zoals in paragraaf 2.1. is genoemd. In het
Besluit risico’s zware ongevallen is een
duidelijke relatie tussen externe
veiligheidswetgeving en de
arbeidsveiligheidswetgeving gelegd.
|
| d. |
De
selectie dient betrekking te hebben op situaties,
waarbij naast bijzonder gevaar er ook sprake is van
de daadwerkelijke mogelijkheid tot gevaarbeperking
door repressie. Naast het bestrijden van
brandgevaarlijke situaties kan hierbij gedacht
worden bijvoorbeeld aan situaties waarbij het
verminderen van de omvang van toxische wolken
mogelijk is door afdekken met schuim of door het
afschermen met nevelgordijnen.
|
| e. |
Ten
aanzien van preventieve en repressieve voorzieningen
voor inrichtingen, waarbij (brand) gevaarlijke
situaties voor de omgeving kunnen ontstaan, zijn
diverse richtlijnen en aanbevelingen uitgegeven in
de afgelopen jaren. In dit verband kunnen onder meer
worden genoemd publicaties van de Commissie
Preventie van Rampen (CPR) en van het Nationaal
Brandpreventie Instituut (NBPI). Hierop is zoveel
mogelijk aangesloten.
|
| f. |
Er wordt
van uitgegaan dat bij de bepaling van de personeels-
en materieelssterkte van de brandweer van de
gemeente waarin de inrichting is gelegen, rekening
is gehouden met de methodiek uit de Handleiding
brandweerzorg, zoals neergelegd in de circulaire van
de Minister van Binnenlandse Zaken van 17 juni 1992,
nr. EB92/1352.
|
1.2 Opzet
De opzet van de
leidraad valt in twee stappen uiteen:
| - |
welke
inrichtingen komen in aanmerking om beoordeeld te
worden (selectie)?;
|
| - |
aan de
hand van welke gegevens kunnen de inrichtingen
worden beoordeeld?
|
In hoofdstuk 2
wordt het selectiemodel beschreven, de opzet van het
selectiemodel en vervolgens de wijze waarop het doorlopen
kan worden. In hoofdstuk 3 wordt een model gegeven voor de
wijze waarop de inrichtingen kunnen worden beschreven en
welke gegevens bekend dienen te zijn voor een verdere
beoordeling.
2. Selectiemodel
voor inrichtingen
2.1 Algemene model
opzet
De selectie
geschiedt in twee stappen:
| - |
een eerste
globale selectie op basis van een algemene
toepassing van vóórkomende stofhoeveelheden en
dergelijke;
|
| - |
een
tweede, nadere selectie op basis van de inrichtings-
en omgevingssituatie.
|
In figuur 2.1.
staat schematisch de opzet van het selectiemodel
weergegeven. De basislijst van waaruit de selectie
plaatsvindt zijn de inrichtingen met een Wet
milieubeheervergunning. De eerste globale selectie vindt
plaats, indien inrichtingen voldoen aan één van de
volgende voorwaarden:
| - |
de
inrichting is verplicht een rapport inzake de
externe veiligheid op te stellen (EVR-plichtig);
|
| - |
de
inrichting dient een arbeidsveiligheidsrapport op te
stellen (AVR-plichtig);
|
| - |
het
betreft nucleaire inrichtingen of een instituut voor
nucleair onderzoek vallend onder brandklasse 1;
|
| - |
het
betreft een inrichting waar brandbare vaste stoffen
of brandbare vloeistoffen met een vlampunt hoger dan
21 °C boven een grenshoeveelheid vóórkomen.
|
In principe zijn
met deze "zeef" alle potentieel relevante
inrichtingen geselecteerd, waar sprake kan zijn van
bijzonder gevaar door dan wel:
| - |
toxische
stoffen (AVR, EVR);
|
| - |
brandgevaarlijke
stoffen (AVR, EVR);
|
| - |
ontplofbare
stoffen (AVR);
|
| - |
radioactieve
stoffen (brandklasse-indeling).
|
Er is één
categorie van inrichtingen die naast deze categorieën nog
aanleiding kan geven tot een bijzonder gevaar voor de
omgeving. Dit is de categorie van inrichtingen waar grote
hoeveelheden brandbare stoffen voorkomen. Hierbij kan worden
gedacht aan een bulkopslag van olieproducten, grote opslagen
van brandbare vaste stof (hout, plastics, rubber en
dergelijke). Daar waar sprake is van vloeistoffen: stoffen
met een vlampunt > 21 °C.
Analoog aan de
gehanteerde grenswaarden EVR en AVR (appendixen 3 en 4) is
er als eerste selectiecriterium een grenswaarde gehanteerd
uitgaande van een totaal aanwezige verbrandingsenergie
inhoud in de inrichting. Als grenswaarde voor deze
stofcategorie wordt aangehouden 100.000 tonolie-equivalenten
gebaseerd op een verbrandingswarmte van 46.103 kJ/kg.
De tweede
selectiestap betreft de toetsing aan criteria voor de
risicobelasting van de omgeving van de inrichting. Het
resultaat van deze selectiestap kan zijn dat eerder
geselecteerde inrichtingen alsnog afvallen, indien de te
verwachten belasting niet tot bijzonder gevaar aanleiding
geeft. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen:
| - |
stralingsbelasting
ten gevolge van brand;
|
| - |
brandende
gaswolk in geval van brandgevaarlijke stoffen;
|
| - |
concentratiebelasting
ten gevolge van dispersie toxische stoffen;
|
| - |
piekoverdrukbelasting
ten gevolge van explosie.
|
Figuur 2.1 Schema
selectiemodel
[ Illustratie Verwijderd ]
2.2 Uitvoering
eerste selectiestap
Bij de eerste
selectie wordt getoetst of een inrichting aan één van de
volgende voorwaarden voldoet:
| - |
is er een
EVR-plicht voor de inrichting?
|
| - |
is er een
AVR-plicht voor de inrichting?
|
| - |
betreft
het een nucleaire inrichting van brandklasse 1?
|
| - |
betreft
het een inrichting met opslag van brandbare stoffen
(olieproducten, rubbers, kunststofproducten, hout en
dergelijke) met een totale verbrandingsenergie van
deze producten van meer dan 46.1011 kJ?
|
Indien aan geen
van deze voorwaarden wordt voldaan, wordt de inrichting niet
geselecteerd.
2.3 Voorbeelden
Hier volgt een
aantal voorbeelden van de voorkomende categorieën
inrichtingen.
2.3.1 Voorbeeld 1
Benzine-opslag
150.000 ton.
Eerste
selectiestap
| - |
EVR-systeem:
algemene grenswaarde voor vloeistoffen met een
vlampunt < 21 °C: 100.000 ton.
|
Volgens het
EVR-systeem wordt de installatie geselecteerd.
2.3.2 Voorbeeld 2
Ammoniakopslag 500
ton.
Eerste
selectiestap
| - |
EVR-systeem:
grenswaarde ammoniakopslag 600 ton.
|
Volgens het
EVR-systeem vindt geen selectie plaats.
| - |
AVR-systeem:
omstandigheidsfactor 0.01 ∗ 7, de
gecorrigeerde hoeveelheid wordt daarmee 500 ∗
0.7 = 350 ton; de grenswaarde is 5 ton, gecorrigeerd
met bij voorbeeld faseringsfactor 400 wordt de
gehanteerde grenswaarde 2000 ton.
|
Volgens het
AVR-systeem wordt de installatie thans niet geselecteerd.
Resultaat eerste
selectiestap: geen selectie.
2.3.3 Voorbeeld 3
Waterstoffluoride-opslag
500 ton.
Eerste
selectiestap
| - |
EVR-systeem:
grenswaarde 50 ton.
|
Volgens het
EVR-systeem wordt de inrichting geselecteerd.
2.4 Waardering
schaderisico omgeving
Het mogelijke
schaderisico voor de omgeving is afhankelijk van de
kwetsbaarheid van de omgeving of de uitbreidingsmogelijkheid
in de omgeving. Indien er sprake is van mogelijk
schaderisico in de omgeving blijft het bedrijf geselecteerd.
Afhankelijk van dit schaderisico zullen aan de bestrijding
meer of minder hoge eisen worden gesteld.
Onder schade wordt
verstaan:
| - |
persoonlijk
letsel: gewonden, doden (acute persoonlijke schade);
|
| - |
directe
materiële schade: beschadiging aan gebouwen en
dergelijke.
|
Omdat de aard van
de schade-effecten in hoofdlijnen te onderscheiden is in
brandeffecten en in toxische-effecten én omdat de potentiële
reikwijdte van deze beiden zeer verschilt, wordt voorgesteld
het volgende onderscheid te maken in omgevingssituaties:
| - |
Ten
aanzien van brandeffecten (brandbare,
brandgevaarlijke stoffen):
|
∗. hoog
schaderisico
Van een hoog
schaderisico is sprake indien brandeffecten leiden tot een
stralingsbelasting hoger dan 10 kW/m2
bij omgevingsbebouwing.
∗. beperkt
schaderisico
Van een beperkt
schaderisico is sprake indien brandeffecten leiden tot een
stralingsbelasting lager dan 10 kW/m2
doch hoger dan 3 kW/m2 bij de
omgevingsbebouwing.
∗. gering
schaderisico
Van een gering
schaderisico is sprake indien brandeffecten leiden tot een
stralingsbelasting lager dan 3 kW/m2
doch hoger dan 1 kW/m2 bij de
omgevingsbebouwing.
∗. geen
schaderisico
Hiervan is sprake
indien de stralingsbelasting bij de omgevingsbebouwing lager
is dan 1 kW/m2. Het bedrijf is dan
niet meer geselecteerd.
In appendix 5
staan enige relaties weergegeven ontleend aan NBPI- en
CPR-publicaties die gebruikt kunnen worden ter vaststelling
van de belastingniveaus (zie literatuurlijst, nrs. 2 en 16).
| - |
Ten
aanzien van overdrukeffecten (ontplofbare stoffen):
|
∗. hoog
schaderiscio
Van een hoog
schaderisico is sprake indien ter plaatse van de bebouwing
in de omgeving de piekoverdruk waarbij ruitbreuk optreedt,
wordt overschreden (0,03 bar).
Als richtlijn voor
de afstand vanaf de installatie tot waar overschrijding van
de 0,03 bar piekoverdruk optreedt, kan de relatie volgens de
brochure "Bestrijding van ongevallen waarbij
ontplofbare stoffen betrokken zijn" (zie
literatuurlijst nr. 8 en appendix 6) R = 24 w1/3 worden
gehanteerd. Hierin is w de hoeveelheid ontplofbare stof (kg)
en R de afstand (m) installatie/bebouwing in meters.
∗. geen
schaderisico
Hiervan is sprake
indien de piekoverdruk lager is dan 0,03 bar bij de
omgevingsbebouwing. Het bedrijf is dan niet meer
geselecteerd.
| - |
Ten
aanzien van toxische-effecten (toxische stoffen):
|
∗. hoog
schaderisico
Van een hoog
schaderisico is sprake indien zich bij de bebouwing in de
omgeving concentratiebelastingen kunnen voordoen die tot
reversibel letsel aanleiding kunnen geven. Als richtlijn kan
hier gebruik worden gemaakt van concentratieniveaus zoals
genoemd in de Handleiding voor de schatting van
schadegebieden bij ongevallen met brandbare en giftige
stoffen ("gewond contour"); zie literatuurlijst
nr. 10.
∗. beperkt
schaderisico
Van beperkt
schaderisico is sprake indien zich bij de bebouwing in de
omgeving concentratiebelastingen kunnen voordoen van
tenminste 1/5 van het hiervoor genoemde concentratieniveau.
∗. geen
schaderisico
Hiervan is sprake
indien concentraties bij de bebouwing lager zijn dan 1/5 van
het genoemde concentratieniveau of lager dan de EPEL-waarde.
Het bedrijf is dan niet meer geselecteerd.
De bovenstaande
schaderisicowaardering is van toepassing in combinatie met
de vastgestelde scenario's. Dit houdt in dat afhankelijk van
de inrichting van de installaties en de preventieve
voorzieningen de hoeveelheid stof betrokken bij de
scenario’s veel geringer kunnen zijn dan de hoeveelheden
waarop de selectie in de eerste selectiestap heeft
plaatsgevonden.
In tabel 2.2. is
de waardering van het schaderisico samengevat.
Tabel 2.2
Waardering schaderisico
|
Waardering
schaderisico
|
Belasting
bij omgevingsbebouwing
|
|
| |
Brandeffecten
|
Overdrukeffecten
|
Toxische
effecten
|
|
hoog
|
> 10
kW/m2
|
> 0,03
bar
|
reversibel
letsel
|
|
beperkt
|
3-10 kW/m2
|
> EPEL∗
|
|
|
gering
|
1-3 kW/m2
|
|
|
|
geen
|
< 1
kW/m2
|
< 0,03
bar
|
< EPEL∗
|
∗ of andere
vergelijkbare waarden
3. Beschrijving
inrichtingen
De beschrijving
van de inrichting dient die gegevens te bevatten op grond
waarvan kan worden beoordeeld of er voldoende
brandweervoorzieningen aanwezig zijn. Bij de beoordelingen
dienen de volgende aspecten te worden beschouwd:
| - |
welke zijn
de installaties die tot selectie hebben geleid en
wat zijn de gevaren voor de omgeving?;
|
| - |
welke zijn
de ongevalsscenario’s waarop de capaciteit van de
brandweervoorzieningen is gebaseerd, zijn deze
scenario’s reëel en is deze capaciteit toereikend
voor deze scenario's?;
|
| - |
is de
brandweerorganisatie dusdanig dat een adequaat
optreden verwacht mag worden in de voorziene
ongevalssituaties?
|
3.1 Installaties
In principe worden
alle installaties die tot selectie zouden hebben geleid,
beschreven. In gevallen waarbij dit tot een zeer omvangrijke
rapportage van een groot aantal gelijksoortige installaties
zou leiden, zou volstaan kunnen worden met het beschrijven
van die installaties die tot de meest omvangrijke
brandweerinzet aanleiding geven (zogenaamde maatgevende
incidentscenario's); dit onder verwijzing naar de overige
installaties waar een soortgelijke of kleinere inzet van
toepassing is. De volgende gegevens dienen daarbij te worden
opgegeven.
3.1.1 Algemene
gegevens installatie
| - |
Installatielocatie;
minimale afstand tot het hek; brandrisico omgeving;
|
| - |
Installatie
typering; proces, opslag, handling/transport;
|
| - |
Stofnaam;
|
| - |
Gevaarseffect:
|
∗.
brandbaar;
∗.
brandgevaarlijk;
∗. toxisch;
∗.
ontplofbaar;
∗.
radioactief;
| - |
Verschijningsvorm/fasetoestand:
|
∗.
vloeistof;
∗. tot
vloeistof verdicht gas;
∗. vaste
stof;
∗.
poeder/vaste deeltjes;
∗. gas;
| - |
Stofhoeveelheid
in de installatie.
|
3.1.2
Brandbestrijdingsgegevens van de installatie
| - |
Voorziene
scenario('s); gerefereerd kan worden aan
scenariotabel, appendix 1.
|
| - |
Voorziene
effecten; gerefereerd kan worden aan scenariotabel,
appendix 1.
|
| - |
Blus-/bestrijdingscapaciteit
en doelstelling; gerefereerd kan worden aan
scenariotabel, appendix 1. Hierbij dienen ook
opkomsttijd, inzetduur en hoeveelheden blusmiddelen
te worden aangegeven.
|
Voor zover er
sprake is van scenario’s en voorziene effecten die leiden
tot een kleinere bluscapaciteit en een minder vergaande
doelstelling dan in de scenariotabel ( appendix 1) genoemd,
dient dit te worden toegelicht, bij voorbeeld onder
verwijzing naar preventieve voorzieningen en dergelijke.
Bij de
beschrijving van de mogelijk geachte schade-ontwikkeling
zijn de volgende punten van belang:
| - |
Kunnen de
beschreven effecten aanleiding geven tot (verdere)
aantasting van de installatie of omliggende
installaties waardoor uitbreiding mogelijk zou
zijn?;
|
| - |
Indien dit
mogelijk is, op welke wijze wordt dit eventueel
voorkomen door preventieve of repressieve
voorzieningen?;
|
| - |
Zijn in
dat geval de benodigde middelen toereikend?;
voldoende capaciteit en voldoende snel.
|
Op deze wijze
wordt de omvang van de geloofwaardig geachte
incidentscenario’s vastgesteld.
De volgende
criteria worden gehanteerd voor mogelijke uitbreiding:
| - |
effectafstand
in geval van explosie: 0,2 bar piekoverdruk;
|
| - |
effectafstand
in geval van brand: vlamcontact of vlamoverslag,
warmtebelasting 10 kW/m2.
|
Voor installaties
of bebouwing die binnen deze grenzen vallen, wordt
aangenomen dat dit kan leiden tot een nieuw ongevalsscenario
dat voor die betreffende installatie geldt, tenzij
aangetoond wordt dat door middel van preventieve en/of
repressieve maatregelen deze belasting kan worden voorkomen
of gereduceerd.
Voorbeelden
| 1. |
Voor een
gegeven tankopslag wordt tankbrand als maatgevend
incidentscenario beschouwd. De tankbrand leidt tot
aanstraling van omliggende tanks. Het scenario
blijft beperkt tot een tankbrand wanneer tenminste
de watercapaciteit voor het koelen van de
aangestraalde oppervlakken in voldoende mate
aanwezig is en ook snel genoeg ingezet kan worden.
Zo niet dan zal als maatgevend incidentscenario een
groter scenario aangehouden moeten worden bij
voorbeeld tankputbrand.
|
| 2. |
Voor een
procesinstallatie wordt brand van de grootste
component maatgevend geacht. De overige
installatie-onderdelen kunnen als onaangetast worden
beschouwd indien er een voldoende
bluswatercapaciteit tijdig inzetbaar is. Zo niet dan
zullen andere installatiedelen onderdeel van het
maatgevende incidentscenario kunnen zijn.
|
3.2
Bedrijfsbrandweer
Hierin wordt een
beschrijving gegeven van de wijze van alarmering en van
bestrijding voor de genoemde maatgevende installaties in
paragraaf 3.1.2. De beschrijving vindt zoveel mogelijk
plaats in de vorm van:
| - |
wat zijn
de opkomst-/inzettijden die daarvoor gelden.
|
In het kort zijn
hieronder een aantal aandachtspunten toegelicht.
3.2.1 Alarmering
Op welke wijze
geschiedt alarmering; wanneer, door wie of wat en aan wie.
3.2.2 Opkomst en
inzet
Op welke wijze
geschiedt de opkomst en inzet van mensen en materieel:
| - |
welke
onderdelen (mensen/materieel) worden
opgeroepen/ingezet;
|
| - |
waar
worden deze ingezet;
|
| - |
hoe worden
deze opgeroepen en hoe komen zij ter plaatse;
|
| - |
welke zijn
de opkomst-/inzettijden die daarvoor gelden;
|
| - |
wie heeft
de operationele leiding.
|
Indien bijstand
van buiten wordt gevraagd:
| - |
wanneer
wordt bijstand gevraagd; op basis van welke
afspraak, op wiens initiatief;
|
| - |
aan wie
wordt bijstand gevraagd;
|
| - |
wat voor
bijstand wordt gevraagd;
|
| - |
wat zijn
de opkomst-inzettijden die daarvoor gelden;
|
| - |
hoe is de
commandovoering in dit geval geregeld.
|
3.3 De organisatie
van de brandweer in het bedrijf
Hierin wordt
beschreven op welke wijze de brandweerorganisatie is
opgebouwd.
De volgende punten
dienen beschreven te worden:
| - |
organisatieschema
ingevuld met taken en verantwoordelijkheden en
personen;
|
| - |
welke
opleiding hebben de personen;
|
| - |
hoe is de
training geregeld;
|
| - |
schema van
beschikbare middelen; aard (blusmiddel,
stationair/mobiel), aantallen, capaciteit;
|
| - |
hoe is het
onderhoud geregeld;
|
| - |
hoe is de
alarmering en opkomst geregeld (voor zover nog niet
beschreven onder 3.2.);
|
| - |
hoe is de
communicatie binnen het bedrijf en met externe
diensten/instanties geregeld.
|
4 . Toetsing
De toetsing die
uiteindelijk plaatsvindt, geschiedt aan de hand van de
gegevens genoemd in hoofdstuk 3. De volgende punten zijn
daarbij aan de orde:
| - |
Zijn de
maatgevende incidentscenario’s waarop de
brandweervoorzieningen zijn gebaseerd, voldoende
onderbouwd? Als van minder ernstige scenario’s dan
beschreven in de referentietabel ( appendix 1) wordt
uitgegaan, is dat dan verklaarbaar op grond van
getroffen veiligheidsmaatregelen?
|
| - |
Zijn de
opgegeven middelen en mensen toereikend voor de
gehanteerde scenario’s en kan de aangegeven wijze
van bestrijding worden gerealiseerd met de bestaande
organisatie?
|
| - |
Mag
verwacht worden dat er sprake is van een voldoende
vaardigheid en uitrusting ten aanzien van de te
bestrijden situaties op grond van opleiding,
training en onderhoud?
|
Naast de toetsing
aan de hand van overlegde gegevens kan toetsing overigens
plaatsvinden door middel van controle ter plaatse van de
onder 3.1. tot en met 3.3. genoemde punten.
5. Samenvatting
werkwijze
In onderstaand
schema is de selectie, scenariokeuze en capaciteitsbepaling
weergegeven.
[ Illustratie Verwijderd ]
1
[ Illustratie Verwijderd ]
2
[ Illustratie Verwijderd ]
3
[ Illustratie Verwijderd ]
4
[ Illustratie Verwijderd ]
Literatuur
| 1. |
Adviesgroep
AVIV, Selectie en beschrijving van representatieve
ongevalsscenario's, 1985.
|
| 2. |
Commissie
Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen, LPG
Afleveringsinstallatie voor motorvoertuigen, CPR 8-1
|
| 3. |
Commissie
Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen,
Vloeibare aardolieprodukten, bovengrondse opslag
kleine installaties, CPR 9-2
|
| 4. |
Commissie
Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen,
Vloeibare aardolieprodukten, bovengrondse opslag
grote installaties, CPR 9-3
|
| 5. |
Commissie
Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen,
Chlooropslag en gebruik, CPR 10
|
| 6. |
Commissie
Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen,
Methoden voor het berekenen van fysische effekten,
CPR 14
|
| 7. |
F. P.
Lees, Loss prevention in the process industries,
1983, Buttersworths London
|
| 8. |
Ministerie
van Binnenlandse Zaken, directie Brandweer/inspectie
voor het brandweerwezen, Bestrijding van ongevallen
waarbij ontplofbare stoffen betrokken zijn, 1985
|
| 9. |
Ministerie
van Binnenlandse Zaken, directie Brandweer/inspectie
voor het brandweerwezen, Ongevalsbestrijding
gevaarlijke stoffen, 1986
|
| 10. |
Ministerie
van Binnenlandse Zaken, directie Brandweer/inspectie
voor het brandweerwezen en Provinciale Waterstaat
Zuid-Holland, Handleiding voor de schatting van
schadegebieden bij ongevallen met brandbare en
giftige stoffen, 1988
|
| 11. |
Ministerie
van Binnenlandse Zaken, directie Brandweer/inspectie
voor het brandweerwezen, Leidraad risico-opleverende
industriële activiteiten, 1988
|
| 12. |
Ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
directoraat-generaal van de Arbeid, Leidraad
betreffende het aanwijzingssysteem, 1982
|
| 13. |
National
Fire Protection Association, Fire protection
handbook, 1976, NFPA Boston
|
| 14. |
Nederlands
Brandpreventie Instituut, Brandbeveiliging
procesindustrie, 1982
|
| 15. |
Nederlands
Brandpreventie Instituut, Brandbeveiliging
industrieterreinen
|
| 16. |
Nederlands
Brandpreventie Instituut, Brandbeveiliging van
opslag in de buitenlucht, 1985
|
| 17. |
Schwartz
Dr. Evon, Handbuch der Feuer- und Explosionsgefahr,
1964, Feuerschutzverlag Ph. L. Jung München
|
| 18. |
Stuurgroep
Richtlijnen Veiligheid Procesindustrie (RIVEPRO),
Checklist, 1974
|
Appendix 1.
Referentiescenario’s en voorbeelden
Overzicht
basisscenario’s installaties
De onderstaande
tabel geeft een overzicht van scenario’s die voor de
beoordeling van bedrijfsbrandweervoorzieningen als
richtinggevend worden beschouwd.
Voor elke
installatie worden bijbehorende scenario’s genoemd, zie
tabel 1. Afhankelijk van de omgeving wordt van elk van de
scenario’s de bestrijdingsdoelstelling en de
bluscapaciteit genoemd, tabel 2.
Voor zover
bluscapaciteiten zijn vermeld, zijn deze ontleend aan CPR-
of NBPI-publicaties. Ten aanzien van
bestrijdingsdoelstellingen is onderscheid gemaakt in:
- -
- beheersen
en beperken van uitbreiding van het scenario is niet
toegestaan en zo snel mogelijke beëindiging is gewenst
uit het oogpunt van risico’s voor de omgeving;
- -
- beperken;
indien het scenario niet verder uitbreidt, is de
veiligheid voor de omgeving dan voldoende gewaarborgd?
Noodgedwongen zijn
de bestrijdingsdoelstellingen gebaseerd op een globale
karakterisering van de omgeving.
Tabel 1:
Overzicht van toepassing zijnde scenario’s (nummers
verwijzen naar tabel 2)
| stof |
opslag |
installatie
transport overslag |
proces |
| brandbaar |
|
|
|
| –
vloeistof |
1, 2,
3 |
5 |
4 |
| –
gas |
8, 9 |
8 |
4, 8 |
| –
vast |
7 * |
|
|
| toxisch
** |
|
|
|
| –
vloeistof |
10 |
10 |
10 |
| –
gas |
11 |
11 |
11 |
| radioactief |
12, 13 |
12, 13 |
12, 13 |
| toxisch
bij brand |
** |
** |
** |
* vooral
preventieve voorzieningen en brandbeveiligingsmaatregelen
die grote brandontwikkeling voorkomen
** alleen van
toepassing voor die stoffen waarbij repressieve
maatregelen mogelijk zijn
Tabel 2:
Referentiescenario's
Brandbare
vloeistoffen (K1-, K2- en verwarmde K3-produkten)
| Scenario |
Bestrijdingsdoelstelling
en capaciteit water |
Van
toepassing in risicogebied (brandschaderisico) |
| 1
tankbrand * |
1.1
beperken tot tank; |
beperkt |
| |
1000
1/m/uur x strekkende meter aangestraald
tankoppervlak (omliggende tanks) 1 l/m2/min x
aangestraald oppervlak van andere bebouwing (bij
15 m afstand) |
|
| |
1.2
beheersen + beperken; |
hoog |
| |
als
1.1 + 6 l/m2/min x tankoppervlak (mobiele
installatie) ** |
|
| 2
tankputbrand |
2.1
beperken tot tankput; |
beperkt |
| |
als
1.1 |
|
| |
2.2
beheersen + beperken; |
hoog |
| |
als
1.1 + 6 l/m2/min x tankputoppervlak (mobiele
installatie) ** |
|
| 3
rim-fire (tank met drijvend dak uitgerust met
detectie op het dak) |
3.1
beperken + blussen 6 l/min x omtrek tank |
hoog
of beperkt |
| Scenario |
Bestrijdingsdoelstelling
en capaciteit water |
Van
toepassing in risicogebied (brandschaderisico) |
| 4
brand procesinstallatie |
4.1
beperken tot installatie; |
beperkt |
| |
als
1.1 |
|
| |
4.2
beheersen + beperken; |
hoog |
| |
als
1.1 + 6 l/m2/min x brandoppervlak (mobiele
installatie) ** |
|
| 5
leidingbrand |
5.1
beperken tot leiding *** (bij grote lekkages); |
beperkt |
| |
als
1.1 |
|
| |
5.2
beheersen + beperken; |
hoog |
| |
als
1.1 + 6 l/m2/min x plasoppervlak (mobiele
installatie) ** |
|
| 6
brand bij overslag |
6.1
beperken tot overslagplaats **; |
beperkt |
| |
als
bij 1.1 |
|
| |
als
bij 5.2 |
hoog |
* Bij
innerfloaters met inertgasdeken + detectie wordt geen
scenario beschouwd.
** Bij
stationaire installatie 4 l/m2/min x oppervlak.
*** In het
algemeen mag worden aangenomen dat betrokken
systeemonderdelen door middel van afsluiters kunnen
worden geďsoleerd.
Bij
onverwarmde K3-vloeistoffen wordt als scenario
gehanteerd het kunnen beheersen/bestrijden van een brand
buiten de tank zodanig dat de K3-opslag niet wordt
aangetast.
Brandbare
gassen
| Scenario |
Bestrijdingsdoelstelling
en capaciteit water |
Van
toepassing in risicogebied (brandschaderisico) |
| fakkel |
7.1
beperken tot tank door preventieve maatregelen
(afstand, afscherming) |
hoog
of beperkt |
| 8
gaswolkdispersie |
8.1
beperking dampvorming |
hoog
of beperkt |
| 9
oververhitting tengevolge van omgevingsbrand |
9.1
koelen; |
hoog
of beperkt |
| |
10
l/m2/min x aangestraald tankoppervlak (indien
geen andere preventieve maatregelen zijn genomen
als hittebeschermende coatings,
stralingsschermen, sproeiinstallatie en
dergelijke) |
|
Brandbare
vaste stoffen
Het
beheersen/bestrijden van branden in een vroegtijdig
stadium vóórdat de opslageenheid geheel door brand
wordt aangetast; bluscapaciteit 1 l/m2/min
* brandend oppervlak.
Ontplofbare
stof
Het
beheersen/beperken van branden in een vroegtijdig
stadium voordat de installatie wordt aangetast.
Toxische
vloeistoffen
| Scenario |
Bestrijdingsdoelstelling
en capaciteit water |
Van
toepassing in risicogebied (schaderisico) |
| 10
lekkage algemeen |
10.1
beperken dampvorming; |
hoog
of beperkt |
| |
afdekken
met schuim, oplossen in water, bij stoffen waar
dit kan, stoppen van lekkage |
|
Toxische
gassen
| Scenario |
Bestrijdingsdoelstelling
en capaciteit water |
Van
toepassing in risicogebied (brandschaderisico) |
| 11
lekkage algemeen |
11.1
beperken dampwolk; |
hoog
of beperkt |
| |
afscherming
door nevelgordijnen, bij stoffen waar dit kan,
stoppen van lekkage |
|
Radioactieve
stoffen
Betreft
nucleaire installaties en inrichtingen voor nucleair
onderzoek vallende onder brandklasse I.
| Scenario |
Bestrijdingsdoelstelling
en capaciteit water |
Van
toepassing in risicogebied (brandschaderisico) |
| 12
brand in bedrijfsruimten binnen
stralingscontrolegebied |
12.1
blussen met aauwezige middelen van binnenbranden |
altijd |
| 13
brand in bedrijfsruimten buiten
stralingscontrolegebied |
13.1
beheersen en beperken |
altijd |
Voorbeeldbeschrijving:
1. Scenario
installatiebrand:
- -
- brandoppervlak
1.000 m2;
- -
- aangestraald
oppervlak omliggende bebouwing 1.800 m2
geveloppervlak, 300 m opslagtanks;
- -
- bestrijding
gericht op beperken, vervolgens blussen;
- -
- capaciteit
in volgorde van inzet:
*. koeling ter
voorkoming van verdere uitbreiding, motorspuit 2 * 1.200
l/min., aangesloten op 2 hydranten (bedrijfsbrandweer).
*.
bluscapaciteit gefaseerde blussing, 2 motorspuiten 1.600
l/min., aangesloten op 2 hydranten (ondersteuning van
buiten).
Totale
capaciteit 5.600 l/min.
2.
Bestrijdingsorganisatie
tijd
0 minuten -
melding door de operator volgens meldingsprocedure aan
de portier;
1 minuut -
alarmering van de bevelvoerder/brandweerploeg en anderen
volgens bedrijfsnoodplan, opkomsttijd 4 minuten;
3 minuten -
alarmering van de overheidsbrandweer volgens
bedrijfsnoodplan, opkomsttijd 8 minuten;
7 minuten -
inzet van de bluscapaciteit 2 * 1.200 l/min. na 7
minuten;
15 minuten -
inzet van de bluscapaciteit 2 * 1.600 l/min. na 15
minuten;
- -
- coördinatie
van de bestrijding overeenkomstig de gemaakte
afspraken.
3.
Bedrijfsbrandweerorganisatie
Samenstelling
van de bedrijfsbrandweer:
- -
- een
bevelvoerder en een vijfmansploeg (totaal 18
personen);
- -
- leiding
van de bestrijdingsoperatie bij het hoofd
veiligheidsdienst (oproepbaar).
Opleiding:
modules ...
Oefening/training:
- per jaar * oefeningen op het terrein volgens scenario
A, B of C;
- -
- eens
per Y jaar een training bij ...
*** [1] ***
[2]
Appendix 2.
Begrippenlijst
- -
- het AVR: het
arbeidsveiligheidsrapport, bedoeld in artikel
5 van de Arbeidsomstandighedenwet (Stb.
1980, 664);
- -
- het
AVR-systeem: het aanwijzingssysteem, zoals vermeld in de
leidraad betreffende het aanwijzingssysteem van het
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, aan de
hand waarvan installaties die voor een
arbeidsveiligheidsrapport in aanmerking komen, worden
aangewezen;
- -
- een
bijzonder gevaar voor de openbare veiligheid: een situatie
waarbij er naar het oordeel van burgemeester en wethouders
als gevolg van geloofwaardige incidentscenario’s binnen
de inrichting, een schade in de omgeving van die
inrichting kan ontstaan die duidelijk groter is dan de
schade die optreedt door mogelijke ongevallen in de
betrokken omgeving zelf en waarop de overheidsbrandweer is
berekend;
- -
- brandbare
stoffen: vaste stoffen of vloeistoffen (zoals onverwarmde
K3-producten, rubber, kunststofproducten en hout) die als
gevolg van hun ontstekingstemperatuur of vlampunt alleen
bij verhitting tot brandgevaarlijke situaties aanleiding
kunnen geven;
- -
- brandgevaarlijke
stoffen: vloeistoffen of gassen (K0-, K1-, K2-producten en
verwarmde K3-producten) die als gevolg van de
omstandigheden waaronder zij zich in de
installatie/inrichting bevinden, aanleiding kunnen geven
tot brandbare damp/gaswolken (concentraties hoger dan
onder explosiegrens);
- -
- een
bedrijfsbrandweer: een organisatie van mensen en middelen
met als doel het gecoördineerd bestrijden van branden en
ongevallen op het terrein van de inrichting;
- -
- het EVR: het
rapport inzake de externe veiligheid, bedoeld in artikel 4
van het Besluit risico’s zware ongevallen (Stb.
1988, 432);
- -
- het
EVR-systeem: het selectiesysteem van grenswaarden op grond
waarvan inrichtingen die voor een EVR in aanmerking komen,
worden geselecteerd;
- -
- een
geloofwaardig incidentscenario: een beschrijving van de
aard, de omvang, het verloop in de tijd en de bestrijding
of de beheersing van een brand of een ongeval op het
terrein van de inrichting:
- a.
- die
gegeven de aard van een installatie of de inrichting,
rekening houdend met de daarin aangebrachte
preventieve voorzieningen, als zeer reëel en typerend
wordt geacht;
- b.
- waarbij
schade aan gebouwen of personen in de omgeving van de
inrichting kan ontstaan, en
- c.
- waarbij
van preventieve of repressieve maatregelen duidelijk
effect verwacht mag worden, waardoor escalatie daarvan
wordt voorkomen;
- -
- een
incident: een ongewenste gebeurtenis, brand of ongeval op
het terrein van een inrichting, waarbij schade aan
gebouwen en personen in de omgeving van die inrichting kan
ontstaan;
- -
- een
incidentscenario: een beschrijving van de aard, de omvang
en het verloop in de tijd van een incident en de
bestrijding daarvan;
- -
- een
maatgevend incidentscenario: een geloofwaardig
incidentscenario dat bepalend is voor de omvang en de
uitrusting van de bedrijfsbrandweer;
- -
- ontplofbare
stoffen: stoffen (zoals springstoffen en munitie) die
onder bepaalde omstandigheden tot snel verlopende
chemische reacties aanleiding kunnen geven die gepaard
gaan met piekoverdruk;
- -
- de
opkomsttijd: de tijd, gerekend vanaf de melding, waarop de
bestrijdingseenheid ter plaatse is van het incident;
- -
- de
selectiemethodiek: de methodiek waarmee naar verwachting
relevante inrichtingen worden geselecteerd met het oog op
een nadere beschouwing inzake de noodzaak van een
bedrijfsbrandweer.
Appendix 3.
Aanwijzingssysteem AVR
Schema voor de
berekening van de aanwijzings(sub)factor per stof en per
procesomstandigheid
[Raadpleeg
voor dit plaatje het gedrukte Staatsblad, 1990/80.]
Voorbeelden
aanwijzingssysteem; één grenswaarde per installatie
| Installatie |
Stoffen |
Inhoud
(103 kg) (Q) |
Procestemp.
(°C) |
Atm.
kookpunt van de stof (°C) |
Omstan-
digheidsfactor (O) |
Q
corr. (103 kg) (Q x O) |
Grenswaarde
(103 kg) (G) |
Aanwij-
zingsfactor (Q x O): G |
Aangewezen
bij faseringsfactor 400, ja/nee |
| Drukopslag,
buiten |
chloor |
500 |
25 |
–
34 |
0,01
x 7 |
35 |
0,3 |
116,7 |
nee |
| Gekoelde
atm. opslag, buiten |
chloor |
1.000 |
–
34 |
–
34 |
0,01
x 2 |
20 |
0,3 |
66,7 |
nee |
| Produktie-installatie |
chloor |
5 |
50 |
–
34 |
9 |
45 |
0,3 |
|
|
| buiten |
chloor |
15 |
–
5 |
–
34 |
5 |
75 |
0,3 |
400,0 |
ja |
| Produktie-installatie |
fosgeen |
binnen
0,8 |
25 |
8 |
3
x 10 |
24 |
0,04 |
|
|
| binnen/buiten |
fosgeen |
buiten
0,1 |
25 |
8 |
3 |
0,3 |
0,04 |
807,5 |
ja |
| Opslagtank,
buiten |
benzine
(*1) |
20.000 |
25 |
85 |
0,01
x 0,4 |
80 |
10 |
8 |
nee |
| Drukopslag,
buiten |
propaan |
2.000 |
25 |
–
42 |
0,01
x 8 |
160 |
10 |
16 |
nee |
| Gekoelde
atm. |
methaan |
50.000 |
–162 |
–162 |
0,01
x 4 |
2.000 |
10 |
200 |
nee |
| opslag,
buiten |
(LNG) |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Produktie-installatie,
buiten |
etheen |
200 |
–
30 |
–104 |
10 |
2.000 |
10 |
|
|
| |
ethaan |
100 |
80 |
–
88 |
10 |
1.000 |
10 |
|
|
| |
propeen |
10 |
30 |
–
47 |
9 |
90 |
10 |
|
|
| |
propeen |
10 |
–
35 |
–
47 |
3 |
30 |
10 |
417 |
ja |
| |
propaan |
100 |
100 |
–
42 |
10 |
1.000 |
10 |
|
|
| |
butaan |
5 |
90 |
–
1 |
10 |
50 |
10 |
|
|
(*1) Stel
begintemp. kooktraject = 85°C.
Tabel
3: Voorbeelden aanwijzingssysteem;
verschillende grenswaarden per installatie
| Installatie |
Stoffen |
Inhoud
(103 kg) (Q) |
Procestemp.
(°C) |
Atm.
kookpunt van de stof (°C) |
Omstan-
digheidsfactor (O) |
Q
corr. (103 kg) (Q x O) |
Grenswaarde
(103 kg) (G) |
Aanwij-
zingsfactor (Q x O): G |
Aangewezen
bij faseringsfactor 400, ja/nee |
| Produktieinstallatie,
buiten |
chloor |
10 |
55 |
–
34 |
10 |
0,3 |
– |
|
|
| |
chloorwaterstof |
0,5 |
55 |
–
85 |
10 |
0,5 |
– |
tox:
343,3 |
nee
(*1) |
| |
etheen |
60 |
55 |
–104 |
10 |
– |
10 |
brandb.:
60,0 |
|
| Produktieinstallatie,
buiten |
ammoniak |
40 |
100 |
–
33 |
10 |
5 |
10 |
|
|
| |
blauwzuur |
1,5 |
100 |
26 |
8 |
0,03 |
– |
|
|
| |
acrylnitril |
5 |
40 |
77 |
0,6 |
2 |
10 |
tox:
481,5 |
ja |
| |
propeen |
20 |
25 |
–
47 |
8 |
– |
10 |
brandb.:
66,3 |
|
| |
propeen |
10 |
100 |
–
47 |
10 |
– |
10 |
|
|
(*1) De resultaten
van de toxische en brandbare stoffen mogen niet worden
gesommeerd.
Appendix 4.
Grenswaarden EVR
Richtlijn van de
Raad der Europese Gemeenschappen van 5 augustus 1982, nr.
82/501/EEG (Pb EG 1982, L 230)
Bijlage II.
Opslag in andere dan de in bijlage I bedoelde installaties
("afzonderlijke opslag")
Onderstaande
hoeveelheden gelden per installatie of per groep
installaties van een zelfde fabrikant wanneer de afstand
tussen de installaties niet groot genoeg is om in
voorzienbare omstandigheden te vermijden dat de risico’s
van zware ongevallen groter worden. In elk geval gelden deze
hoeveelheden per groep installaties van een zelfde fabrikant
indien de afstand tussen de installaties minder dan ongeveer
500 meter bedraagt.
|
Stoffen of
categorieën van stoffen
|
Hoeveelheid
(t)≥
|
| |
|
Voor de
toepassing van de artikelen 3 en 4
|
Voor de
toepassing van artikel 5
|
|
1.
|
Ontvlambaar
gas in de zin van de bijlage IV, sub c), i)
|
50
|
300
(∗1)
|
|
2.
|
Licht
ontvlambare vloeistoffen in de zin van bijlage IV,
sub c), ii)
|
10 000
|
100 000
|
|
3.
|
Acrylonitril
|
350
|
5 000
|
|
4.
|
Ammoniak
|
60
|
600
|
|
5.
|
Chloor
|
10
|
200
|
|
6.
|
Zwaveldioxide
|
20
|
500
|
|
7.
|
Ammoniumnitraat
|
500
(∗2)
|
5 000
(∗2)
|
|
8.
|
Natriumchloraat
|
25
|
250
(∗2)
|
|
9.
|
Vloeibare
zuurstof
|
200
|
2 000
(∗2)
|
(∗1) De
Lid-Staten kunnen artikel 5 toepassen vanaf 500 ton als
voorlopige maatregel, en wel tot de herziening van bijlage
11 als bedoeld in artikel 19.
(∗2) voor
zover de staat waarin deze stof verkeert hieraan
eigenschappen verleent die het risico van een zwaar ongeval
zouden kunnen opleveren.
Bijlage III.
Lijst van stoffen voor de toepassing van artikel 5
Onderstaande
hoeveelheden gelden per installatie of per groep
installaties van een zelfde fabrikant wanneer de afstand
tussen de installaties niet groot genoeg is om in
voorzienbare omstandigheden te vermijden dat de risico’s
van zware ongevallen groter worden. In elk geval gelden deze
hoeveelheden per groep installaties van een zelfde fabrikant
indien de afstand tussen de installa- ties minder dan
ongeveer 500 meter bedraagt.
| |
Benaming
|
Hoeveelheid
(≥)
|
CAS-nr.
|
EEG-nr.
|
|
1.
|
4-Aminobifenyl
|
1 kg
|
92-67-1
|
|
|
2.
|
Benzidine
|
1 kg
|
92-87-5
|
612-042-00-2
|
|
3.
|
Benzidinezouten
|
1 kg
|
|
|
|
4.
|
Dimethylnitrosamine
|
1 kg
|
62-75-9
|
|
|
5.
|
2-Naftylamine
|
1 kg
|
91-59-8
|
612-022-00-3
|
|
6.
|
Beryllium
(poederen/ofverbindingen)
|
10 kg
|
|
|
|
7.
|
Dichloormethylether
|
1 kg
|
542-88-1
|
603-046-00-5
|
|
8.
|
1,3-Propaansulton
|
1 kg
|
1120-71-4
|
|
|
9.
|
2,3,7,8-tetrachloordibenzo-p-dioxine
(TCDD)
|
1 kg
|
1746-01-6
|
|
|
10.
|
Arseenpentoxide,
arseen(V)zuur en zouten daarvan
|
500 kg
|
|
|
|
11.
|
Arseentrioxide,
arsenig(111)zuuren zouten daarvan
|
100 kg
|
|
|
|
12.
|
Arseenwaterstof(arsine)
|
10 kg
|
7784-42-1
|
|
|
13.
|
N,N-Dimethylcarbamoylchloride
|
l kg
|
79-44-7
|
|
|
14.
|
N-Chloorformylmorfoline
|
1 kg
|
15159-40-7
|
|
|
15.
|
Kooloxychloride
(fosgeen)
|
20 t
|
75-44-5
|
006-002-00-8
|
|
16.
|
Chloor
|
50 t
|
7782-50-5
|
017-001-00-7
|
|
17.
|
Zwavelwaterstof
|
50 t
|
7783-06-04
|
016-001-00-4
|
|
18.
|
Acrylnitril
(vinylcyanide)
|
200 t
|
107-13-1
|
608-003-00-4
|
|
19.
|
Cyaanwaterstof
|
20 t
|
74-90-8
|
006-006-00-X
|
|
20.
|
Kooldisulfide
(zwavelkoolstof)
|
200 t
|
75-15-0
|
006-003-00-3
|
|
21.
|
Broom
|
500 t
|
7726-95-6
|
035-001-00-5
|
|
22.
|
Ammoniak
|
500 t
|
7664-41-7
|
007-001-00-5
|
|
23.
|
Acetyleen
(ethyn)
|
50 t
|
74-86-2
|
601-015-00-0
|
|
24.
|
Waterstof
|
50t
|
1333-74-0
|
001-001-00-9
|
|
25.
|
Ethyleenoxyde
|
50 t
|
75-21-8
|
603-023-00-X
|
|
26.
|
Propyleenoxyde
|
50 t
|
75-56-9
|
603-055-00-4
|
|
27.
|
Acetoncyaanhydrine
|
200 t
|
75-86-5
|
608-004-00-X
|
|
28.
|
2-Propenal
(acroleďne)
|
200 t
|
107-02-8
|
605-008-00-3
|
|
29.
|
2-Propen-lol
(allylalcohol)
|
200 t
|
107-18-6
|
603-015-00-6
|
|
30.
|
Allylamine
|
200 t
|
107-11-9
|
612-046-00-4
|
|
31.
|
Antimoonwaterstof(stibine)
|
100 kg
|
7803-52-3
|
|
|
32.
|
Ethyleenimine
|
50 t
|
151-56-4
|
613-001-00-1
|
|
33.
|
Formaldehyde
(minimaal 90%)
|
50 t
|
50-00-0
|
605-001-01-2
|
|
34.
|
Fosforwaterstof
(fosfine)
|
100 kg
|
7803-51-2
|
|
|
35.
|
Methylbromide
(monobroommethaan)
|
200 t
|
74-83-9
|
602-002-00-3
|
|
36.
|
Methylisocyanaat
|
1 t
|
624-83-9
|
615-001-00-7
|
|
37.
|
Stikstofoxydes
|
50 t
|
11104-93-1
|
|
|
38.
|
Natriumseleniet
|
100 kg
|
10102-18-8
|
|
|
39.
|
Bis-(2-chloorethyl)sulfide
|
1 kg
|
505-60-2
|
|
|
40.
|
Phosazetim
|
100 kg
|
4104-14-7
|
015-092-00-8
|
|
41.
|
Tetraethyllood
|
50 t
|
78-00-2
|
|
|
42.
|
Tetramethyllood
|
50t
|
75-74-1
|
|
|
43.
|
Promurit
(3,4-dichloorfenyl azathioureum)
|
100 kg
|
5836-73-7
|
|
|
44.
|
Chloorfenvinfos
|
100 kg
|
470-90-6
|
015-071-00-3
|
|
45.
|
Crimidine
|
100 kg
|
535-89-7
|
613-004-00-8
|
|
46.
|
Monochloormethylether
|
1 kg
|
107-30-2
|
|
|
47.
|
Cyaanfosforzuur
dimethylamide
|
1 t
|
63917-41-9
|
|
|
48.
|
Carbofenothion
|
100 kg
|
786-19-6
|
015-044-00-6
|
|
49.
|
Dialifos
|
100 kg
|
10311-84-9
|
015-88-00-6
|
|
50.
|
Cyanthoate
|
100 kg
|
3734-95-0
|
015-070-00-8
|
|
51.
|
Amiton
|
1 kg
|
78-53-5
|
|
|
52.
|
Oxydisulfoton
|
100 kg
|
2497-07-6
|
015-096-00-X
|
|
53.
|
0,0-Diethyl-S-(ethylsulfinylmethyl)thiofosfaat
|
100 kg
|
288-05-8
|
|
|
54.
|
0,0-diethyl-S-(ethylsulfonylmethyl)thiophosfaat
|
100 kg
|
288-06-9
|
|
|
55.
|
Disulfotou
|
100 kg
|
298-04-4
|
015-060-00-3
|
|
56.
|
Demetou
|
100 kg
|
8065-48-3
|
|
|
57.
|
Phoraat
|
100 kg
|
298-02-2
|
015-033-00-6
|
|
58.
|
0,0-diethyl-S-(ethylthiomethyl)thiophosfaat
|
100 kg
|
2600-69-3
|
|
|
59.
|
0,0-diethyl-S-(isopropylthiomethyl)dithiofosfaat
|
100 kg
|
78-52-4
|
|
|
60.
|
Pyrazoxon
|
100 kg
|
108-34-9
|
015-023-00-1
|
|
61.
|
Fensulfothiou
|
100 kg
|
115-90-2
|
015-090-00-7
|
|
62.
|
Paraoxou
(0,0-diethyl-0-(4-nitrofeuyl)fosfaat
|
100 kg
|
311-45-5
|
|
|
63.
|
Parathiou
|
100 kg
|
56-38-2
|
015-034-00-1
|
|
64.
|
Azinfos-ethyl
|
100 kg
|
2642-71-9
|
015-056-00-1
|
|
65.
|
0.0-diethyl-S-(propylthiomethyl)dithiofosfaat
|
100 kg
|
3309-68-0
|
|
|
66.
|
Thiouazine
|
100 kg
|
297-97-2
|
|
|
67.
|
Carbofuraau
|
100 kg
|
1563-66-2
|
006-026-00-9
|
|
68.
|
Fosfamidon
|
100 kg
|
13171-21-6
|
015-022-00-6
|
|
69.
|
Tirpate(0-[[(2,4-dimethyl-1,3-dithiolau-2-yl)methyleen]im
ino]–N-methyl-carbonaat)
|
100 kg
|
26419-73-8
|
|
|
70.
|
Mevinfos
|
100 kg
|
7786-34-7
|
015-020-00-5
|
|
71.
|
Parathiou-methyl
|
100 kg
|
298-00-0
|
015-035-00-7
|
|
72.
|
Azinfos-methyl
|
100 kg
|
86-50-0
|
015-039-00-9
|
|
73.
|
Cycloheximide
|
100 kg
|
66-81-9
|
|
|
74.
|
Difacinon
|
100 kg
|
82-66-6
|
|
|
75.
|
Tetramethyleendisulfotetramine
|
1 kg
|
80-12-6
|
|
|
76.
|
EPN
|
100 kg
|
2104-64-
|
015-036-00-2
|
|
77.
|
45-Fluorboterzuur
|
1 kg
|
462-23-7
|
|
|
78.
|
4-Fluorboterzure
zouten
|
1 kg
|
|
|
|
79.
|
4-Fluorboterzure
esters
|
1 kg
|
|
|
|
80.
|
4-Fluorboterzuuramides
|
1 kg
|
|
|
|
81.
|
4-Fluorcrotonzuur
|
1 kg
|
37759-72-1
|
|
|
82.
|
Fluorcrotonzure
zouten
|
1 kg
|
|
|
|
83.
|
Fluorcrotonzure
esters
|
1 kg
|
|
|
|
84.
|
Fluorcrotouzuuramides
|
1 kg
|
|
|
|
85.
|
Monofluorazijnzuur
|
1 kg
|
144-49-0
|
607-081-00-7
|
|
86.
|
Monofluorazijnzure
zouten
|
1 kg
|
|
|
|
87.
|
Monofluorazijnzure
esters
|
1 kg
|
|
|
|
88.
|
Monofluorazijnzuuramides
|
1 kg
|
|
|
|
89.
|
Fluenetil
|
100 kg
|
4301-50-2
|
607-078-00-0
|
|
90.
|
4-Fluor-2-hydroxyboterzuur
|
1 kg
|
|
|
|
91.
|
4-Fluor-2-hydroxyboterzurezouten
|
1 kg
|
|
|
|
92.
|
4-Fluor-2-Hydroxyboterzureesters
|
1 kg
|
|
|
|
93.
|
4-Fluor-2-hydroxyboterzuuramides
|
1 kg
|
|
|
|
94.
|
Fluorwaterstof
|
50t
|
7664-39-3
|
009-002-00-6
|
|
95.
|
Hydroxyacetonitril
(glycolzuurnitril)
|
100 kg
|
107-16-4
|
|
|
96.
|
1,2,3,7,8,9-Hexachloordibenzo-p-dioxine
|
100 kg
|
19408-74-3
|
|
|
97.
|
Isodrin
|
100 kg
|
465-73-6
|
602-050-00-4
|
|
98.
|
Hexamethylfosfortriamide
|
1 kg
|
680-31-9
|
|
|
99.
|
Juglon
(5-hydroxy-1,4-naftochinon)
|
100 kg
|
481-39-0
|
|
|
100.
|
Warfarin
|
100 kg
|
81-81-2
|
607-056-00-0
|
|
101.
|
4,4-Methyleen-bis-(2-chlooraniline)
|
10 kg
|
101-14-4
|
|
|
102.
|
Ethion
|
100 kg
|
563-12-2
|
015-047-00-2
|
|
103.
|
Aldicarb
|
100 kg
|
116-06-3
|
006-017-00-X
|
|
104.
|
Nikkeltetracarbonyl
|
10 kg
|
13463-39-3
|
028-001-00-1
|
|
105.
|
Isobenzan
|
100 kg
|
297-78-9
|
602-053-00-0
|
|
106.
|
Pentaboraan
|
100 kg
|
19624-22-7
|
|
|
107.
|
1-Propeeu-2-chloor-1,3-dioldiacetaat
|
10 kg
|
10118-72-6
|
|
|
108.
|
Propyleenimine
|
50t
|
75-55-8
|
|
|
109.
|
Zuurstofdifluoride
|
10 kg
|
7783-41-7
|
|
|
110.
|
Zwavelchloride
|
1 t
|
10545-99-0
|
016-013-00-X
|
|
111.
|
Seleenhexafluoride
|
10 kg
|
7783-79-1
|
|
|
112.
|
Seleenwaterstof
|
10 kg
|
7783-07-5
|
|
|
113.
|
TEPP
|
100 kg
|
107-49-3
|
015-025-00-2
|
|
114.
|
Sulfotep
|
100 kg
|
3689-24-5
|
015-027-00-3
|
|
115.
|
Dimefox
|
100 kg
|
115-26-4
|
015-061-00-9
|
|
116.
|
Tricyclohexylstannyl-IH-1,2,4-triazool
|
100 kg
|
41083-11-8
|
|
|
117.
|
Triethyleenmelamine
|
10 kg
|
51-18-3
|
|
|
118.
|
Kobalt
(Poederen/ofverbindingen)
|
100 kg
|
|
|
|
119.
|
Nikkel
(poederen/ofverbindingen)
|
100 kg
|
|
|
|
120.
|
Anabasine
|
100 kg
|
494-52-0
|
|
|
121.
|
Telluurhexafluoride
|
100 kg
|
7783-80-4
|
|
|
122.
|
Trichloormethylsulfenylchloride
|
100 kg
|
594-42-3
|
|
|
123.
|
1,2-dibroomethaan
|
50t
|
106-93-4
|
602-010-00-6
|
|
124.
|
Ontvlambare
stoffen in de zin van bijlage IV, c), i)
|
200 t
|
|
|
|
125.
|
Ontvlambare
stoffen in de zin van bijlage IV, c), ii)
|
50 000
t
|
|
|
|
126.
|
Diazodinitrofenol
|
10 t
|
7008-81-3
|
|
|
127.
|
Diglycoldinitraat
|
10 t
|
693-21-0
|
603-033-00-4
|
|
128.
|
Zouten van
dinitrofenol
|
50 t
|
|
609-017-00-3
|
|
129.
|
1-Guanyl-4-Nitrosaminoguanyl-1-tetrazeen
|
lot
|
109-27-3
|
|
|
130.
|
Hexanitrodifenylamine
|
50 t
|
131-73-7
|
612-018-00-1
|
|
131.
|
Hydrazinenitraat
|
50 t
|
13464-97-6
|
|
|
132.
|
Nitroglycerine
|
10 t
|
55-63-0
|
603-034-00-X
|
|
133.
|
Pentaerytritoltetranitraat
|
50 t
|
78-11-5
|
603-035-00-5
|
|
134.
|
Cyclotrimethyleentrinitramine
|
50 t
|
121-82-4
|
|
|
135.
|
Trinitroanaline
|
50 t
|
26952-42-1
|
|
|
136.
|
2,4,6-Trinitroanisool
|
50 t
|
606-35-9
|
609-011-00-0
|
|
137.
|
Trinitrobenzeen
|
50 t
|
2377-32-6
|
609-005-00-8
|
|
138.
|
Trinitrobenzoëzuur
|
50 t
|
35860-50-5
|
129-66-8
|
|
139.
|
Trinitrochloorbenzeen
|
50 t
|
28260-61-9
|
610-004-00-X
|
|
140.
|
Trinitrofenylmethylnitramine
|
50 t
|
479-45-8
|
612-017-00-6
|
|
141.
|
2,4,6-Trinitrofenol
(Pibrinezuur)
|
50 t
|
88-89-1
|
609-009-00-X
|
|
142.
|
Trinitrokresol
|
50 t
|
28905-71-7
|
609-012-00-6
|
|
143.
|
2,4,6-Trinitrofenetool
|
50 t
|
4732-14-3
|
|
|
144.
|
Trinitroresorcinol
|
50 t
|
82-71-3
|
609-018-00-9
|
|
145.
|
2,4.6-Trinitrotolueen
|
50 t
|
118-96-7
|
609-008-00-4
|
|
146.
|
Ammoniumnitraat
(∗1)
|
5 000
t
|
6484-52-2
|
|
|
147.
|
Nitrocellulose
(met meer dan 12,6% stikstof)
|
100 t
|
9004-70-0
|
603-037-00-6
|
|
148.
|
Zwaveldioxyde
|
1 000
t
|
7446-09-05
|
016-011-00-9
|
|
149.
|
Zoutzuur
(tot vloeistof verdicht gas)
|
20 t
|
7647-01-0
|
017-002-00-2
|
|
150.
|
Ontvlambare
stoffen in de zin van bijlage IV, c, iii)
|
200 t
|
|
|
|
151.
|
Natriumchloraat
(∗1)
|
20 t
|
7775-09-9
|
017-005-00-9
|
|
152.
|
t.
Butylperoxyacetaat (concentratie ≥ 70%)
|
50 t
|
107-71 -1
|
|
|
153.
|
t.
Butylperoxy-iso-butyraat (concentratie ≥ 80%)
|
50 t
|
109-13-7
|
|
|
154.
|
t.
Butylperoxymaleaat (concentratie ≥ 80%)
|
50 t
|
1931-62-0
|
|
|
155.
|
t.
Butylperoxy-iso-propylcarbonaat (concentratie
≥ 80%)
|
50 t
|
2372-21-6
|
|
|
156.
|
Dibenzylperoxydicarbonaat
(concentratie ≥ 90%)
|
50 t
|
2144-45-8
|
|
|
157.
|
2,2-Bis-(t.
Butylperoxy) butaan (concentratie ≥ 70%)
|
50 t
|
2167-23-9
|
|
|
158.
|
1,1-is-(t.
Butylperoxy) cyclohexaan (concentratie ≥ 80%)
|
0 t
|
300686-8
|
|
|
159.
|
Di-s-butylperoxydicarbonaat
(concentratie ≥ 80%)
|
50 t
|
19910-65
-7
|
|
|
160.
|
2,2-dihydroperoxypropaan
(concentratie ≥ 30%)
|
50 t
|
2614-76-8
|
|
|
161.
|
Di-n-propylperoxydicarbonaat
(concentratie ≥ 80%)
|
50 t
|
16066-38
-9
|
|
|
162.
|
3,3,6,6,9,9-Hexamethyl-1,2,4,5-tetroxacyclononaan
(concentratie ≥ 75%)
|
50 t
|
22397-33-7
|
|
|
163.
|
Methylethylketonperoxyde
(concentratie ≥ 60%)
|
50 t
|
1338-23-4
|
|
|
164.
|
Methyl-iso-butylketonperoxyde
concentratie ≥ 60%)
|
50 t
|
37206-20-5
|
|
|
165.
|
Perazijnzuur
(concentratie ≥ 60%)
|
50 t
|
79-21-0
|
607-094-00-8
|
|
166.
|
Loodazide
|
50 t
|
13424-46-9
|
082-003-00-7
|
|
167.
|
Loodtrinitroresorcinolaat
|
50 t
|
15245-44-0
|
609-019-00-4
|
|
168.
|
Kwikfulminaat
|
10 t
|
20820-45-5
628-86-4
|
080-005-00-2
|
|
169.
|
Cyclotetramethyleentatranitramine
|
50 t
|
2691-41-0
|
|
|
170.
|
2,2',4,4',6,6'-Hexanitrostilbeen
|
50 t
|
20062-22-0
|
|
|
171.
|
1,3,5-riamino-2,4,6-trinitrobenzeen
|
50 t
|
3058-38-6
|
|
|
172.
|
GlycoldiTitraat
|
10 t
|
628-96-6
|
603-032-00-9
|
|
173.
|
Ethylnitraat
|
50 t
|
625-58-1
|
007-007-00-8
|
|
174.
|
Natriumpicramaat
|
50 t
|
831-52-7
|
|
|
175.
|
Bariumazide
|
50 t
|
18810-58-7
|
|
|
176.
|
Di-iso-butyrylperoxyde
(concentratie ≥ 50%)
|
50 t
|
3437-∗4-1
|
|
|
177.
|
Diethylperoxydicarbonaat
(concentratie ≥ 30%)
|
50 t
|
14666-78-5
|
|
|
178.
|
t.
Butylperoxypivaloaat (concentratie ≥ 77%)
|
50 t
|
927-07-1
|
|
(1) Voor zover de
staat waarin deze stof verkeert hieraan eigenschappen
verleent die het risico van een zwaar ongeval zouden kunnen
opleveren.
N.B.:
De EEG-nummers zijn die van Richtlijn 67/548/EEG, met
inbegrip van de wijzigingen daarop.
Voetnoten:
|