| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Brandweerwet 1985
BESLUIT
DRAAGBARE BLUSTOESTELLEN 1997
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 16 januari 1998, houdende regels over de
veiligheid en de deugdelijkheid van draagbare blustoestellen (Besluit
draagbare blustoestellen 1997)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken,
directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie
Brandweer en Rampenbestrijding, van 1 september 1997, nr. EB97/1121;
Gelet op artikel 17, eerste lid, van de
Brandweerwet 1985;
De Raad van State gehoord (advies van 27
oktober 1997, nr. W04.97.0579);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken, directoraat-generaal voor Openbare Orde en
Veiligheid, directie Brandweer en Rampenbestrijding, van 12 januari
1998, nr. EB97/2134;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties;
b. bewijs: bewijs van typekeuring;
c. houder: houder van een bewijs;
d. draagbaar blustoestel: een tot het bestrijden van brand
bestemd voorwerp dat door middel van eenvoudige handgrepen in
werking wordt gesteld en gehouden, waarvan de inrichting zodanig is
dat de bestrijding van brand geschiedt door middel van een zich in
het blustoestel bevindende vulling en waarvan de massa gebruiksklaar
niet meer bedraagt dan 20 kg;
e. vulling: de voor een draagbaar blustoestel bestemde blusstof
en de stof of de stoffen, bestemd tot uitdrijving van de blusstof
uit het draagbare blustoestel;
f. onafhankelijk keuringsinstituut: een instituut tot wiens
normale takenpakket het keuren van draagbare blustoestellen behoort
en dat voldoet aan de criteria, genoemd in onderdeel 1 van bijlage
IV van de richtlijn nr. 97/23/EG van de Raad van de Europese Unie
van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen
der lidstaten betreffende drukapparatuur (PbEG L 181);
g. NEN-EN 3-7+ A1: Draagbare blustoestellen, Deel 7,
Eigenschappen, prestatie-eisen en beproevingsmethoden, uitgegeven
door het Nederlands Normalisatie-Instituut zoals dit luidde in
augustus 2007;
h. NPR-CEN/TR 14922: Draagbare blustoestellen – Model
laboratorium – Rapport in overeenkomst met NEN-EN 3-7+A1,
uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals dit
luidde in januari 2006;
i. NEN 2033: Draagbare blustoestellen voor brandklasse D,
uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-Instituut, zoals dit
luidde in januari 2006.
§ 2. Bewijs van typekeuring
Artikel 2
Het is verboden draagbare blustoestellen met bijbehorende vullingen
die niet behoren tot een type, waarvoor Onze Minister een bewijs heeft
verleend, met het oog op gebruik in Nederland te vervaardigen, in te
voeren of te verhandelen.
Artikel 2a
Het verbod, bedoeld in artikel 2, geldt niet voor draagbare
blustoestellen voor zover deze bestemd zijn voor plaatsing aan boord van
schepen waarop richtlijn nr. 96/98/EG van de Raad van de Europese Unie
van 20 december 1996 inzake uitrusting van zeeschepen (PbEG 1997, L 46)
van toepassing is en zijn voorzien van het merk van overeenstemming,
weergegeven in bijlage D van die richtlijn.
Artikel 3
Voor elk type draagbaar blustoestel met bijbehorende vulling is een
afzonderlijk bewijs vereist. Het type wordt bepaald door de soort
vulling en de wijze, waarop het draagbare blustoestel in werking wordt
gesteld en gehouden.
Artikel 4
1. In afwijking van artikel 2 is het toegestaan draagbare
blustoestellen met bijbehorende vullingen in te voeren, indien de
draagbare blustoestellen uitsluitend:
a. zijn bestemd voor experimentele doeleinden,
b. zijn bestemd voor exposities,
c. zijn bestemd voor gebruik als monster bij een ingevolge dit
besluit te verrichten keuring, of
d. tijdelijk in Nederland verblijven zonder dat het oogmerk
aanwezig is deze met het oog op gebruik in Nederland te
verhandelen.
2. Degene die de draagbare blustoestellen als bedoeld in het eerste
lid invoert, meldt dit ten minste vier weken ervoor aan Onze Minister.
3. Bij de melding worden overgelegd:
a. een aanduiding van het type draagbare blustoestel met
bijbehorende vulling;
b. het adres van de fabrikant van het draagbare blustoestel en
van de fabrikant van de vulling;
c. een vermelding van de reden van invoer.
Artikel 5
De invoer van draagbare blustoestellen met bijbehorende vullingen kan
geschieden langs alle plaatsen waar de aangifte tot plaatsing onder de
douaneregeling in het vrije verkeer brengen, bedoeld in artikel 4,
zestiende lid, onder a, van de verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot vaststelling van
het Communautair douanewetboek (PbEG L 302), mag worden gedaan.
Artikel 6
1.Bij de aanvraag voor een bewijs worden de volgende bescheiden
overgelegd:
a. een gewaarmerkt afschrift van de inschrijving van de
indiener van de aanvraag in het handelsregister van de kamer van
koophandel en fabrieken in Nederland dan wel in het
handelsregister of in een daarmee vergelijkbaar register van zijn
land van herkomst, dat niet ouder is dan drie maanden voor
dagtekening van de aanvraag;
b. een technische beschrijving van het draagbare blustoestel;
c. een door een onafhankelijk keuringsinstituut gewaarmerkte
constructietekening van het draagbare blustoestel en de onderdelen
daarvan die niet groter is dan A3-formaat;
d. een fabriekscertificaat van de vulling;
e. een ontwerp-etiket of een ontwerp-transfer dat ingericht is
overeenkomstig en de gegevens bevat, genoemd in de NEN-EN 3-7+A1,
dan wel ingericht is op gelijkwaardige wijze en gegevens van
gelijke aard bevat;
f. een rapport van een onafhankelijk keuringsinstituut:
1°. dat totstandgekomen is overeenkomstig de procedure
zoals omschreven is in de NPR-CEN/TR 14922 dan wel een daaraan
gelijkwaardige procedure;
2°. dat opgesteld is overeenkomstig het model zoals
opgenomen is in de NPR-CEN/TR 14922 dan wel een model van
gelijke aard;
3°. waaruit blijkt dat het draagbare blustoestel voldoet
aan de eisen inzake veiligheid en deugdelijkheid, genoemd in
de NEN-EN 3-7+A1, dan wel een mate van veiligheid en
deugdelijkheid biedt die ten minste gelijk is aan de mate van
veiligheid en deugdelijkheid die beoogd is met de NEN-EN
3-7+A1, en
4°. waaruit blijkt dat het draagbare blustoestel voor
brandklasse D tevens voldoen aan de eisen in de NEN 2033 dan
wel aan eisen die ten minste gelijkwaardig zijn aan de eisen
van de NEN 2033.
2.Een draagbaar blustoestel biedt in ieder geval een mate van
veiligheid en deugdelijkheid die ten minste gelijk is aan de mate van
veiligheid en deugdelijkheid die beoogd is met de NEN-EN 3-7+A1 zoals
bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, onder 3°, indien het
draagbare blustoestel:
a. voldoet aan de eisen van de NEN-EN 3.7+A1 met uitzondering
van de technische eisen 4.5, 6.1 en 6.3 van de NEN-EN 3-7+A1, of
b. een kleinere vulling heeft dan in eis 6.4.2 of eis 6.4.3 van
de NEN-EN 3-7+A1, maar wel aan de minimum eis van 5A of 21B en de
overige eisen van de NEN-EN 3-7+A1voldoet, of
c. een vulling heeft die ligt tussen de in eis 6.4.2 of eis
6.4.3 van de NEN-EN 3-7+A1 genoemde waarden en voldoet aan de
overige eisen van de NEN-EN 3-7+A1. Voor dit blustoestel geldt in
dat geval de waarde van de naastliggende kleinere vulhoeveelheid.
3.Een aerosol blustoestel dat voldoet aan richtlijn nr. 75/324/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 mei 1975 betreffende
de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake
aërosols (PbEG L 147) biedt in ieder geval een mate van veiligheid en
deugdelijkheid die ten minste gelijk is aan de mate van veiligheid en
deugdelijkheid die beoogd is met de NEN-EN 3-7+A1 zoals bedoeld in het
eerste lid, onderdeel f, onder 3°, indien het aerosol blustoestel:
a. voldoet aan de eisen van de NEN-EN 3-7+A1, met uitzondering
van de eisen 4.6, 8 en 14 van de NEN-EN 3-7+A1, of
b. een kleinere vulling heeft dan in eis 6.4.2 of eis 6.4.3 van
de NEN-EN 3-7+A1, maar wel aan de minimum eis van 5A of 21B en de
overige eisen van de NEN-EN 3-7+A1 voldoet.
4.De bescheiden, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met f,
worden in tweevoud overgelegd.
5.Bij de aanvraag wordt aan het Rijk een bedrag van € 828,00
betaald. Dit bedrag wordt jaarlijks op 1 maart geïndexeerd conform de
door het Centraal bureau voor de statistiek bekendgemaakte afgeleide
consumentenprijsindex van het voorgaande jaar.
Artikel 7
1.Onze Minister beslist binnen acht weken na de ontvangst van de
aanvraag over de afgifte van een bewijs.
2.Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, eenmaal
met ten hoogste acht weken verlengen.
3.Onze Minister doet van de afgifte van een bewijs mededeling in de
Nederlandse Staatscourant.
Artikel 8
1.Onze Minister verleent het bewijs voor vijf jaar.
2.Het bewijs omvat:
a. een etiket of een transfer dat voorzien is van het
rijkskeurmerk, bedoeld in de bij dit besluit behorende bijlage, en
bestemd is om te worden aangebracht op het draagbare blustoestel;
b. een door Onze Minister gewaarmerkt exemplaar van de
technische beschrijving en de constructietekening van het
draagbare blustoestel en de onderdelen daarvan en van het
fabriekscertificaat van de vulling.
3.De houder bewaart de bescheiden, bedoeld in het tweede lid, in
ongeschonden staat. Hij is gehouden deze op eerste aanwijzing van Onze
Minister te tonen.
Artikel 9
1.Op aanvraag van de houder wijzigt Onze Minister een bewijs.
2.De artikelen 6, eerste lid, onder b tot en met f, vierde en
vijfde lid, 7, eerste lid, en 8, derde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
3.Het bewijs, bedoeld in het eerste lid, omvat een door Onze
Minister gewaarmerkt exemplaar van de bij de wijzigingsaanvraag
overgelegde technische beschrijving en constructietekening van het
gewijzigde onderdeel of de gewijzigde onderdelen van het draagbare
blustoestel.
4.Onze Minister doet van de wijziging van een bewijs mededeling in
de Nederlandse Staatscourant.
Artikel 10
1.Op aanvraag van de houder schrijft Onze Minister een bewijs over
op naam van een derde, die schriftelijk de wens te kennen heeft
gegeven houder te willen worden.
2.Onze Minister schrijft het bewijs binnen acht weken over.
3.Onze Minister doet van de overschrijving mededeling in de
Nederlandse Staatscourant.
Artikel 11
De wijziging, bedoeld in artikel 9, en de overschrijving, bedoeld in
artikel 10, brengen geen verandering in de termijn waarvoor het bewijs
is verleend.
§ 3. Dwang- en strafbepalingen
Artikel 12
1.Onze Minister kan het bewijs van de houder intrekken, indien:
a. de houder niet overeenkomstig het bewijs draagbare
blustoestellen met bijbehorende vullingen met het oog op gebruik
in Nederland vervaardigt, invoert of verhandelt;
b. de houder niet voldoet aan artikel 8, derde lid.
2.Onze Minister doet van de intrekking mededeling in de Nederlandse
Staatscourant.
Artikel 13
Als strafbare feiten, bedoeld in artikel 64, derde lid, van de Wet
veiligheidsregio’s, worden aangemerkt:
a. het zonder bewijs met het oog op gebruik in Nederland
vervaardigen, invoeren of verhandelen van draagbare blustoestellen
met bijbehorende vullingen;
b. het invoeren van draagbare blustoestellen met bijbehorende
vullingen als bedoeld in artikel 4, zonder melding ervan aan Onze
Minister;
c. het met het oog op gebruik in Nederland vervaardigen, invoeren
of verhandelen van draagbare blustoestellen met bijbehorende
vullingen die niet zijn voorzien van de opschriften, bedoeld in
artikel 8, tweede lid, onder a.
§ 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 14
De bewijzen die zijn afgegeven vóór de datum van inwerkingtreding
van dit besluit blijven geldig gedurende de termijn waarvoor zij zijn
verleend.
Artikel 15
Het Besluit draagbare blustoestellen wordt ingetrokken.
Artikel 15a
Dit besluit berust op artikel 30, eerste lid, van de Wet
veiligheidsregio’s.
Artikel 16
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 17
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit draagbare blustoestellen
1997.
Artikel 18 [Vervallen per 04-02-1998]
Artikel 19 [Vervallen per 04-02-1998]
Artikel 20 [Vervallen per 04-02-1998]
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 16 januari 1998
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
Uitgegeven de derde februari 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Bijlage, behorende bij artikel
8, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit draagbare blustoestellen 1997
Het rijkskeurmerk is ingericht naar het volgende model:

1. In de binnenste ellips wordt het rangnummer vermeld, met een
cijferhoogte van 6 mm.
2. In de buitenste ellips worden de volgende zaken vermeld, met een
letter- en cijferhoogte van 3 mm:
- bovenin: het derde en vierde cijfer van het jaar en de maand
van afgifte van het bewijs van typekeuring in twee cijfers
(bijvoorbeeld 85-04);
- links de "B" van "Besluit draagbare
blustoestellen";
- rechts het jaartal van het Besluit draagbare blustoestellen;
- onderin de letters "BZ" van "Binnenlandse
Zaken".
|
|
|