St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Brandweerwet 1985

 

BESLUIT  NEDERLANDS  INSTITUUT  VOOR  BRANDWEER  EN  RAMPENBESTRIJDING

Tekst zoals deze geldt op 4 februari 2009

Verwijderd uit ons regelingenbestand

 

  
 

 

 
BESLUIT van 10 februari 1996, houdende regels ten aanzien van de taken en bevoegdheden en de openbaarheid van de vergaderingen van het bestuur, de verstrekking van bijdragen en de controle op het financieel beheer met betrekking tot het Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding alsmede de rechtspositie van het personeel van dit instituut

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Brandweer en Rampenbestrijding, van 16 oktober 1995, nr. EB95/2205;
     Gelet op de artikelen 18d, tweede en derde lid, en 18f van de Brandweerwet 1985, artikel 1, onderdeel a, van de Wet openbaarheid van bestuur en artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet Nationale ombudsman;
     De Raad van State gehoord (advies van 24 januari 1996, nr. W04.95.0562);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Brandweer en Rampenbestrijding, van 5 februari 1996, nr. EB96/248;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

§ 1. Begripsomschrijving

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken;

b. het instituut: het Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding, bedoeld in artikel 18a, eerste lid, van de Brandweerwet 1985;

c. het bestuur: het bestuur, bedoeld in artikel 18b, eerste lid, van de Brandweerwet 1985.

§ 2. De taken en bevoegdheden en de openbaarheid van de vergaderingen van het bestuur

Artikel 2

Een door het bestuur aan te wijzen lid of de directeur vertegenwoordigt het instituut in en buiten rechte.

Artikel 3

De vergaderingen van het bestuur zijn openbaar, behoudens in de gevallen waarin openbaarheid onevenredige benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen oplevert.

Artikel 4

Het bestuur stelt jaarlijks een plan op met betrekking tot het in de komende vijf jaren te voeren beleid, dat vóór 1 februari ter kennisneming aan Onze Minister wordt toegezonden.

Artikel 5

1. Het bestuur stelt met het oog op eisen van doelmatigheid en controle regels vast met betrekking tot de administratieve organisatie en het financieel beheer van het instituut.

2. Het bestuur wijst een accountant aan die wordt belast met het opstellen van de verklaring, bedoeld in artikel 10, eerste lid.

§ 3. Verstrekking van bijdragen en controle op het financieel beheer

Artikel 6

Onze Minister kent de leden van het bestuur een vergoeding toe voor hun werkzaamheden die ten laste komt van het instituut.

Artikel 7

Het bestuur besteedt een door Onze Minister te bepalen deel van de bijdrage, bedoeld in artikel 18e, eerste lid, eerste volzin, van de Brandweerwet 1985, aan de salariskosten van degenen die deelnemen aan de officiersopleidingen die met een rijksexamen als bedoeld in artikel 15 van de Brandweerwet 1985 worden afgesloten.

Artikel 8

1. Het bestuur dient jaarlijks vóór 1 februari bij Onze Minister een begroting in van de inkomsten en uitgaven voor het daarop volgende kalenderjaar en een meerjarenraming van de inkomsten en uitgaven voor de daarop volgende vier jaren.

2. Indien de begroting in de loop van het begrotingsjaar wordt bijgesteld, dient het bestuur de bijgestelde begroting bij Onze Minister in.

3. De begroting en de meerjarenraming worden opgesteld op basis van het stelsel van baten en lasten.

4. In de begroting:

a. wordt in ieder geval een overzicht gegeven van:

1°. de personeelskosten, waaronder een beschrijving van de aard en de waardering van de functies van het personeel, de stortingen in fondsen, de kapitaalslasten, de kosten van leveranties en diensten van derden, de lasten van belastingen en verzekeringen en de investeringen;

2°. de bijdrage, bedoeld in artikel 18e, eerste lid, eerste volzin, van de Brandweerwet 1985, waarbij wordt aangegeven welk deel van deze bijdrage wordt besteed aan de salariskosten, bedoeld in artikel 7, alsmede, voor zover van toepassing, de tijdelijke bijdrage, bedoeld in artikel 18e, eerste lid, tweede volzin, van genoemde wet, de kosten die bij de uitvoering van de taken of van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 18a, tweede of derde lid, van genoemde wet, bij derden in rekening worden gebracht en de overige inkomsten;

b. wordt het te voeren financiële beleid, zoveel mogelijk gekwantificeerd aan de hand van prestaties en geplande activiteiten, toegelicht;

c. worden de ramingcijfers van het begrotingsjaar en het lopende kalenderjaar alsmede de werkelijke cijfers van het voorafgaande kalenderjaar opgenomen.

Artikel 9

1. Het bestuur dient jaarlijks vóór 1 april bij Onze Minister de rekening en verantwoording in van de inkomsten en uitgaven van het daaraan voorafgaande kalenderjaar en de toelichting daarop.

2. De rekening en verantwoording van de inkomsten en uitgaven bestaat uit een staat van baten en lasten, een balans en de toelichtingen daarop.

3. De staat van baten en lasten en de toelichting daarop:

a. geven een overzicht van de bijdrage, bedoeld in artikel 18e, eerste lid, eerste volzin, van de Brandweerwet 1985, waarbij wordt aangegeven welk deel van deze bijdrage is besteed aan de salariskosten, bedoeld in artikel 7;

b. geven aan op welke wijze, voor zover van toepassing, de tijdelijke bijdrage, bedoeld in artikel 18e, eerste lid, tweede volzin, van de Brandweerwet 1985, is besteed;

c. leggen een relatie met het beleid zoals dat bij de begroting, bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, is gepresenteerd;

d. doen melding van de prestaties die het gevolg zijn van de activiteiten en leggen een relatie met de gedane uitgaven en ontvangsten.

4. De balans en de toelichting daarop bevatten in ieder geval:

a. een overzicht van de feitelijke personeelssterkte, de investeringen, de reserves, de voorzieningen, de tijdelijke kredieten in rekening-courant en de gegeven opleidingen overeenkomstig het plan, bedoeld in artikel 4, waarbij een analyse plaatsvindt van de verschillen tussen voorgenomen en gerealiseerde prijzen en prestaties, alsmede een uiteenzetting over de stand, het verloop en een afwijking van de begroting, bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid;

b. de bestemming van de mogelijke winst dan wel de wijze waarop een mogelijk verlies wordt gedragen;

c. een overzicht van de aanwending of reservering van investeringen in huisvesting, indien registergoederen zijn vervreemd of bezwaard.

Artikel 10

1. De rekening en verantwoording van de inkomsten en uitgaven, bedoeld in artikel 9, eerste lid, gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2. Het instituut stelt de in het eerste lid bedoelde stukken algemeen verkrijgbaar.

3. Onze Minister kan nadere regels stellen over de aandachtspunten voor de accountantscontrole.

4. De door Onze Minister aangewezen ambtenaren kunnen een onderzoek verrichten naar de rechtmatigheid van het beheer en de juistheid van de verslaglegging daarover alsmede de doelmatigheid van het beheer, de organisatie en het beleid van het bestuur.

5. Het bestuur geeft aan de krachtens het vierde lid aangewezen ambtenaren desgevraagd inzage van de boeken en bescheiden en verstrekt alle inlichtingen die zij noodzakelijk achten voor de uitoefening van hun taak.

6. De krachtens het vierde lid aangewezen ambtenaren kunnen tevens op eigen initiatief informatie inwinnen bij de accountant die met de controle is belast.

Artikel 11

1. Onze Minister beslist vóór 1 oktober over de goedkeuring van de begroting van de inkomsten en uitgaven voor het daarop volgende kalenderjaar, de meerjarenraming van de inkomsten en uitgaven, bedoeld in artikel 8, eerste lid, en de rekening en verantwoording van de inkomsten en uitgaven, bedoeld in artikel 9, eerste lid.

2. Indien Onze Minister de begroting, bedoeld in het eerste lid, goedkeurt, stelt hij de bijdrage en, voor zover van toepassing, de tijdelijke bijdrage, bedoeld in artikel 18e, eerste lid, van de Brandweerwet 1985, onder voorbehoud van overeenkomstige vaststelling van de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, voorlopig vast en verstrekt hij daarover op kwartaalbasis voorschotten.

3. Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk over de goedkeuring van een bijstelling van de begroting, bedoeld in artikel 8, tweede lid. Hij kan de voorlopige bijdrage, bedoeld in het tweede lid, bijstellen indien de bijstelling van de begroting daartoe aanleiding geeft.

4. Onze Minister stelt aan de hand van de gegevens in de rekening en verantwoording van de inkomsten en uitgaven, bedoeld in artikel 9, eerste lid, vóór 1 oktober volgend op het kalenderjaar waarvoor de voorlopige bijdrage, bedoeld in het tweede en derde lid, is vastgesteld, de bijdrage definitief vast.

5. De definitieve bijdrage, bedoeld in het vierde lid, kan:

a. op een lager bedrag worden vastgesteld dan de voorlopige bijdrage, bedoeld in het tweede en derde lid, indien deze niet aan één van de taken van het instituut, bedoeld in artikel 18a, tweede lid, van de Brandweerwet 1985, is besteed;

b. op een ander bedrag worden vastgesteld dan de voorlopige bijdrage, bedoeld in het tweede en derde lid, in verband met:

1°. loon- en prijsmutaties die tot wijzigingen in de begrotingsartikelen in de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken hebben geleid;

2°. overige wijzigingen in de desbetreffende begrotingsartikelen in de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

6. Onze Minister verrekent het verschil tussen de definitieve bijdrage, bedoeld in het vierde lid, en de verstrekte voorschotten, bedoeld in het tweede lid, met het eerstvolgende voorschot.

§ 4. Rechtspositie van het personeel

Artikel 12

Voor de toepassing van de regels, bedoeld in artikel 18d, tweede lid, van de Brandweerwet 1985, treedt:

a. het bestuur in de plaats van Onze Minister, Onze Minister-President, de Raad van Ministers, Ons en Wij, voor zover het gaat om het uitoefenen van de aan hen in die regels toegekende bevoegdheden;

b. de directeur van het instituut in de plaats van het hoofd van dienst of van de diensteenheid;

c. het instituut in de plaats van het Rijk, het ministerie, het departement van algemeen bestuur, de Rijksdienst, de dienst en de regering;

d. de kas van het instituut in de plaats van 's Rijks kas.

Artikel 13

Waar in de regels, bedoeld in artikel 18d, tweede lid, van de Brandweerwet 1985, Onze Minister bevoegd is tot het stellen van regels of voorschriften in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken, dan wel het doen van een voordracht tezamen met Onze Minister-President en Onze Minister van Binnenlandse Zaken, is het bestuur bevoegd.

§ 5. Rechtspositie van de studenten

Artikel 14

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. de opleiding: de opleiding adjunct-hoofdbrandmeester, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, onder 6, van het Besluit rijksexamen brandweeropleidingen;

b. de student: degene die is aangesteld bij het instituut voor de duur van de opleiding.

Artikel 15

1. Het Algemeen Rijksambtenarenreglement is van overeenkomstige toepassing op de student met uitzondering van de artikelen 22 tot en met 26, 33a , 33b , 33g tot en met 34f , 55 tot en met 57, 71, 73, 75, 76, 79, 94a , 96 tot en met 97, 97b , 98, 98a , 99 tot en met 101, 103 tot en met 122.

2. Het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 is van overeenkomstige toepassing op de student met uitzondering van de artikelen 1, 4 tot en met 20, 22a tot en met 26 en bijlage A.

3. Het Verplaatsingskostenbesluit 1989 is niet van toepassing op de student.

Artikel 16

1. De student ontvangt een salaris op grond van salarisschaal 6, salarisnummer 2, zoals opgenomen in bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

2. De student ontvangt kosteloos de opleiding, dienstkleding en de bij zijn rang van adspirant-officier behorende onderscheidingstekenen met het oog op de activiteiten die zijn verbonden aan de opleiding.

Artikel 17

1. Behoudens in de door de directeur van het instituut aan te wijzen gevallen is de student voor de duur van de opleiding gehuisvest op het instituut.

2. De student is gehouden het door de directeur van het instituut vastgestelde studierooster na te leven.

Artikel 18

Het bestuur verleent aan de student eervol ontslag:

a. op zijn aanvraag met ingang van de datum die daarin is vermeld;

b. indien het in redelijkheid aannemelijk is dat hij niet in staat kan worden geacht de opleiding succesvol te voltooien, met ingang van de eerste dag van de maand na de datum waarop dit is vastgesteld.

§ 6. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 19

1. Onze Minister stelt op 1 januari 1996 voor het begrotingsjaar 1996 de bijdrage en, voor zover van toepassing, de tijdelijke bijdrage, bedoeld in artikel 18e, eerste lid, van de Brandweerwet 1985, onder voorbehoud van overeenkomstige vaststelling van de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, voorlopig vast en verstrekt daarover op kwartaalbasis voorschotten.

2. Het bestuur kan binnen vier weken na de inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag indienen tot bijstelling van de voorlopige bijdrage, bedoeld in het eerste lid.

3. Artikel 11, derde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20

Archiefbescheiden van de Staat die in beheer zijn bij de Rijksbrandweeracademie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, gaan met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit over naar het instituut, voor zover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

Artikel 21

Het Rechtspositiebesluit adspirant-beroepsbrandweerofficieren wordt ingetrokken, met dien verstande dat artikel 8 van dit besluit van toepassing blijft op de adspirant-beroepsbrandweerofficieren die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn aangevangen met de studie, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Regeling Rijksbrandweeracademie, zoals het luidde voor de inwerkingtreding van de wet van 6 december 1995, houdende wijziging van de Brandweerwet 1985 in verband met de oprichting van het Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding (Stb. 1995, 601).

Artikel 22

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 23

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 24

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1996.

Artikel 25

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 10 februari 1996

 

BEATRIX

 

De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal

 

Uitgegeven de zevenentwintigste februari 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager

 

 

 

 

    
 

x

   

home | de wet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting AB. Alle rechten voorbehouden.
x