|
BESLUIT van 27 mei 1999 tot vaststelling van het Besluit risico’s
zware ongevallen 1999 en tot herziening van enkele andere besluiten in
verband met de uitvoering van Richtlijn nr. 96/82/EG van de Raad van de
Europese Unie van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de
gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 23 juli 1998,
nr. MJZ 98.0655984, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling
Wetgeving, mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 8.5, 8.22, derde lid,
8.44, 19.3, eerste lid, en 21.8 van de Wet milieubeheer, 5, eerste lid,
en 5a, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, 13 van de
Brandweerwet 1985 en 2c, 25a en 25b van de Wet
rampen en zware ongevallen, alsmede Richtlijn nr. 96/82/EG van de Raad
van de Europese Unie van 9 december 1996 betreffende de beheersing van
de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn
betrokken (PbEG L 10);
De Raad van State gehoord (advies van 28
augustus 1998, nr. W08.98.0384);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 19 mei 1999,
nr. MJZ99167397, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving,
mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Paragraaf 1. Begripsbepaling en werkingssfeer
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. inrichting: inrichting die tot een krachtens artikel 1.1,
derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort;
b. gevaarlijke stoffen: stoffen, mengsels of preparaten, genoemd
in bijlage I, deel 1, of behorend tot een categorie, genoemd in
bijlage I, deel 2, en aanwezig als grondstof, product, bijproduct,
residu of tussenprodukt, met inbegrip van stoffen, mengsels of
preparaten waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door
het onbeheersbaar worden van een industrieel chemisch proces
ontstaan;
c. opslag in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen: opslag
van verpakte gevaarlijke stoffen gedurende korte tijd en in
afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende
ontvanger, met inbegrip van het laden en lossen van die stoffen en
de overbrenging daarvan naar of van een andere tak van vervoer, voor
zover daadwerkelijk in aansluitend vervoer is voorzien en de
betrokken gevaarlijke stoffen in hun oorspronkelijke verpakking
blijven;
d. werkgever: werkgever, bedoeld in artikel 1, eerste en tweede
lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;
e. werknemer: werknemer, bedoeld in artikel 1, eerste en tweede
lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;
f. zwaar ongeval: gebeurtenis als gevolg van onbeheersbare
ontwikkelingen tijdens de bedrijfsuitoefening in een inrichting,
waardoor hetzij onmiddellijk, hetzij na verloop van tijd ernstig
gevaar voor de gezondheid van de mens binnen of buiten de inrichting
of voor het milieu ontstaat en waarbij een of meer gevaarlijke
stoffen zijn betrokken;
g. Onze Ministers: Onze Ministers van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
h. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is een
omgevingsvergunning te verlenen voor een inrichting waarop dit
besluit van toepassing is;
i. inspecteur: inspecteur bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van
de Wet milieubeheer;
j. veiligheidsrapport: rapport als bedoeld in artikel 10;
k. bijlage: bij dit besluit behorende bijlage;
l. installatie: technische eenheid binnen een inrichting waar
gevaarlijke stoffen worden vervaardigd, gebruikt, gebezigd, verwerkt
of opgeslagen; daartoe wordt mede gerekend alle uitrusting,
constructies, leidingen, machines, gereedschappen, eigen
spoorwegemplacementen, laad- en loskades, aanlegsteigers voor de
installatie, pieren, depots of soortgelijke, al dan niet drijvende
constructies, die nodig zijn voor de werking van de installatie;
m. het ADR: de op 30 september
1957 te Genève totstandgekomen Europese Overeenkomst betreffende
het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (Trb.
1959, 171);
n. plaatsgebonden risico: risico op een plaats buiten een
inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die
onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt
als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting
waarbij een of meer gevaarlijke stoffen betrokken zijn;
o. toezichthouder: de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde
lid, onderdeel d, van de Arbeidsomstandighedenwet.
Artikel 2
Dit besluit is niet van toepassing op:
a. inrichtingen in gebruik bij de krijgsmacht;
b. inrichtingen die krachtens artikel 1, onderdeel n, van de
Mijnbouwwet aangewezen zijn als mijnbouwwerken, met uitzondering van
inrichtingen waar chemische of thermische verwerkingsactiviteiten en
de daarmee verbandhoudende opslag van gevaarlijke stoffen
plaatsvinden;
c. inrichtingen voor het op of in de bodem brengen van
afvalstoffen om ze daar te laten, met uitzondering van inrichtingen
die in werking zijn voor het zich ontdoen van residuen, waaronder
residuvijvers of -bekkens, die gevaarlijke stoffen bevatten, in het
bijzonder indien zij worden gebruikt in verband met chemische of
thermische verwerking van mineralen;
d. inrichtingen die geheel of nagenoeg geheel zijn bestemd voor
de opslag in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen, al dan
niet in combinatie met andere stoffen en producten;
e. spoorwegemplacementen, voor zover zij geen onderdeel zijn van
een inrichting waarop dit besluit van toepassing is;
f. inrichtingen die krachtens artikel 1, onderdeel n, van de
Mijnbouwwet aangewezen zijn als mijnbouwwerken ten behoeve van het
opsporen en winnen van delfstoffen als bedoeld in artikel 1,
onderdeel a, van die wet, voorzover het opsporen en winnen van die
delfstoffen plaatsvindt op het continentaal plat, bedoeld in artikel
1, onderdeel c, van die wet.
Artikel 3
1. Indien de werkgever een ander is dan degene die de
inrichting drijft, is het bij en krachtens dit besluit bepaalde van
overeenkomstige toepassing op de werkgever voor zover het betreft de
bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de in het bedrijf,
de inrichting of een onderdeel daarvan werkzame werknemers.
2. De werkgever en degene die de inrichting drijft, geven
onverminderd hun eigen verantwoordelijkheid gezamenlijk en in overleg
uitvoering aan het bij en krachtens dit besluit bepaalde met betrekking
tot de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de in het
eerste lid bedoelde werknemers.
Paragraaf 2. Algemene bepalingen
Artikel 4
1. De in deze paragraaf gegeven voorschriften gelden ten
aanzien van inrichtingen waarin gevaarlijke stoffen krachtens
vergunning aanwezig mogen zijn of ten gevolge van het onbeheersbaar
worden van een industrieel chemisch proces kunnen worden gevormd:
a. in een hoeveelheid, gelijk aan of groter dan de in bijlage I,
deel 1, tweede kolom, dan wel bijlage I, deel 2, tweede kolom, bij de
desbetreffende stof of categorie vermelde hoeveelheid;
b. in kleinere dan de onder a bedoelde hoeveelheden, waarvan de som
na toepassing van de formule die in bijlage I, deel 3, is weergegeven,
gelijk is aan of groter is dan de daar genoemde waarde.
2. Indien een gevaarlijke stof of groep van gevaarlijke stoffen
genoemd in bijlage I, deel 1, tevens behoort tot een categorie genoemd
in bijlage I, deel 2, geldt voor de toepassing van het eerste lid de in
deel 1 bij die stof of groep van stoffen vermelde drempelwaarde.
Artikel 5
1. Degene die een inrichting drijft, treft alle maatregelen die
nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan
voor mens en milieu te beperken.
2. Degene die een inrichting drijft, heeft in de inrichting een
document voorhanden waarin het door hem gevoerde beleid ter voorkoming
van zware ongevallen, rekening houdend met de aanwezigheid en de omvang
van de risico's, is vastgelegd. Dit document bevat de algemene
doelstellingen en beginselen van het beleid inzake de beheersing van de
risico's van zware ongevallen. Degene die een inrichting drijft, als
bedoeld in artikel 8, mag het document opnemen in het
veiligheidsrapport.
3. Ten einde het in het tweede lid bedoelde beleid te bepalen en
uit te voeren, voert degene die een inrichting drijft, een
veiligheidsbeheerssysteem in. In het veiligheidsbeheerssysteem komen de
elementen, genoemd in bijlage II aan de orde.
4. Indien in de inrichting of een onderdeel daarvan of in de
werking van de inrichting of van dat onderdeel een verandering wordt
aangebracht die voor de risico's van een zwaar ongeval belangrijke
gevolgen kan hebben, draagt degene die de inrichting drijft, er voor
zorg dat het beleid ter voorkoming van zware ongevallen en het
veiligheidsbeheerssysteem opnieuw worden beoordeeld en indien nodig
worden herzien en dat het document, bedoeld in het tweede lid,
dienovereenkomstig wordt gewijzigd. Een zodanige beoordeling
onderscheidenlijk herziening vindt tevens plaats indien een verandering
in het veiligheidsinzicht daartoe aanleiding geeft.
5. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot
het tweede tot en met het vierde lid.
Artikel 6
1. Degene die de inrichting drijft, stelt het bevoegd gezag
onverwijld schriftelijk in kennis van:
a. iedere significante wijziging van de inrichting die betrekking
heeft op een of meer onderwerpen waaromtrent in of bij de aanvraag
gegevens zijn verstrekt als bedoeld in artikel 4.13, derde lid, onder
a tot en met d, van de Regeling omgevingsrecht, of waaromtrent in de
kennisgeving, bedoeld in artikel 26, eerste lid, gegevens zijn
verstrekt;
b. iedere significante wijziging van de processen waarbij een
gevaarlijke stof wordt gebruikt;
c. elke significante wijziging
van de inrichting die het risico van zware ongevallen ernstig zou
kunnen beïnvloeden;
d. de sluiting van een installatie.
2. Het bevoegd gezag zendt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk
binnen twee weken na ontvangst, een exemplaar van de kennisgeving,
bedoeld in het eerste lid, aan:
a. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer;
b. de inspecteur;
c. de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aangewezen toezichthouder;
d. gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel
of gedeeltelijk is gelegen, tenzij gedeputeerde staten het bevoegd
gezag zijn;
e. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting
geheel of gedeeltelijk is gelegen, tenzij burgemeester en wethouders
het bevoegd gezag zijn, en
f. het bestuur van de veiligheidsregio waarin de inrichting geheel
of gedeeltelijk is gelegen.
3. Indien de gegevens, bedoeld in het eerste lid, reeds op grond
van een ander wettelijk voorschrift aan het bevoegd gezag zijn
verstrekt, kan in de kennisgeving worden volstaan met een verwijzing
naar die gegevens.
Artikel 7
1. Het bevoegd gezag wijst op grond van de gegevens, bedoeld in
de artikelen 6, eerste lid, 10, eerste lid, 26, eerste lid, van dit
besluit en artikel 4.13, derde lid, van de Regeling omgevingsrecht,
inrichtingen of groepen inrichtingen aan ten aanzien waarvan de
risico's van een zwaar ongeval of de gevolgen daarvan ten gevolge van
de ligging van die inrichtingen ten opzichte van elkaar en de
aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in die inrichtingen groter kunnen
zijn dan op grond van de in die afzonderlijke inrichtingen aanwezige
hoeveelheden kan worden verwacht.
2. Van een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid stelt het
bevoegd gezag diegenen die de betrokken inrichtingen drijven, in kennis.
Het bevoegd gezag zendt een afschrift van die aanwijzing aan:
a. de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aangewezen toezichthouder;
b. burgemeester en wethouders van de gemeente of gemeenten waarin
de inrichtingen geheel of gedeeltelijk zijn gelegen, en
c. het bestuur van de
veiligheidsregio of de besturen van de veiligheidsregio's waarin de
inrichtingen geheel of gedeeltelijk zijn gelegen.
3. Degene die een inrichting drijft, als bedoeld in het eerste
lid, wisselt met diegenen die de andere op grond van het eerste lid
aangewezen inrichtingen drijven de gegevens uit die noodzakelijk zijn
voor de beoordeling van het in dat lid bedoelde risico. Hij houdt in
zijn beleid ter voorkoming van zware ongevallen, bedoeld in artikel 5,
tweede lid, en, voor zover van toepassing, in het intern noodplan,
bedoeld in artikel 22, en in het veiligheidsrapport rekening met de aard
en de omvang van de risico's van een zwaar ongeval bij de naburige
inrichtingen.
4. Het bevoegd gezag doet een aanwijzing als bedoeld in het
eerste lid voor de eerste maal uiterlijk vier jaar na de
inwerkingtreding van dit besluit en vervolgens tenminste om de vijf
jaar.
5. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot
het eerste en het derde lid.
Paragraaf 3. Veiligheidsrapport en intern noodplan
Artikel 8
1. De in deze paragraaf gegeven voorschriften gelden ten
aanzien van inrichtingen waarin gevaarlijke stoffen krachtens
vergunning aanwezig mogen zijn of ten gevolge van het onbeheersbaar
worden van een industrieel chemisch proces kunnen worden gevormd:
a. in een hoeveelheid, gelijk aan of groter dan de in bijlage I,
deel 1, derde kolom, dan wel bijlage I, deel 2, derde kolom, bij de
desbetreffende stof of categorie vermelde hoeveelheid;
b. in kleinere dan de onder a bedoelde hoeveelheden, waarvan de som
na toepassing van de formule die in bijlage I, deel 3, is weergegeven,
gelijk is aan of groter is dan de daar genoemde waarde.
2. Indien een gevaarlijke stof of groep van gevaarlijke stoffen
genoemd in bijlage I, deel 1, tevens behoort tot een categorie genoemd
in bijlage I, deel 2, geldt voor de toepassing van het eerste lid de in
deel 1 bij die stof of groep van stoffen vermelde drempelwaarde.
Artikel 9
Degene die een inrichting drijft, zorgt er voor dat in de inrichting
een veiligheidsrapport aanwezig is dat de actuele stand van zaken met
betrekking tot de veiligheid van de betrokken inrichting weergeeft.
Artikel 10
1. Een veiligheidsrapport bevat de gegevens en beschrijvingen,
bedoeld in bijlage III, op zodanige wijze dat wordt aangetoond dat:
a. een beleid ter voorkoming van zware ongevallen en een
veiligheidsbeheerssysteem is ingevoerd;
b. de gevaren van zware
ongevallen geïdentificeerd zijn en de nodige maatregelen zijn
getroffen om die te voorkomen en de gevolgen van dergelijke ongevallen
voor mens en milieu te beperken;
c. het ontwerp, de constructie, de exploitatie en het onderhoud van
alle met de werking van de inrichting samenhangende installaties,
opslagplaatsen, apparatuur en infrastructuur die samenhangen met de
gevaren van een zwaar ongeval binnen de inrichting voldoende veilig en
betrouwbaar zijn;
d. een intern noodplan, als bedoeld in artikel 22, is gemaakt.
2. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot
de in het eerste lid bedoelde gegevens en beschrijvingen.
3. Bij door Onze Ministers te stellen regels kan aan het bevoegd
gezag onder daarbij te stellen voorwaarden de bevoegdheid worden
verleend te besluiten dat het veiligheidsrapport geen betrekking behoeft
te hebben op een in de inrichting of een onderdeel daarvan aanwezige
stof, ten aanzien waarvan degene die de inrichting drijft ten genoegen
van het bevoegd gezag aantoont dat die stof onder zodanige
omstandigheden in de inrichting of het betrokken onderdeel aanwezig is,
dat deze geen gevaar voor een zwaar ongeval kan opleveren.
4. Het bevoegd gezag neemt zijn beslissing in overeenstemming
met:
a. de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aangewezen toezichthouder;
b. het bestuur van de veiligheidsregio waarin de inrichting geheel
of gedeeltelijk is gelegen.
5. Het bevoegd gezag zendt een exemplaar van een besluit, als
bedoeld in het vierde lid, aan Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
Artikel 11
1. De werkgever zorgt ervoor
dat de werknemers, de deskundigen, genoemd in artikel 13 van de
Arbeidsomstandighedenwet, en de deskundigen of arbodiensten, genoemd in
de artikelen 14 en 14a van de Arbeidsomstandighedenwet, desgewenst
kennis kunnen nemen van het veiligheidsrapport en de wijziging daarvan,
voorzover het betreft de onderdelen a, c, d, e, onder 1°, f, h tot en
met l, n, p en q van bijlage III, onder 1, voorzover die onderdelen
verband houden met de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van
de in het bedrijf of de inrichting of een deel daarvan werkzame
werknemers.
2. De werkgever voert over de onderdelen van het
veiligheidsrapport, genoemd in het eerste lid, en de wijziging daarvan,
voorafgaand aan de toezending aan het bevoegd gezag, bij het ontbreken
van een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, overleg met de
belanghebbende werknemers.
Artikel 12
De artikelen 15, 16 en 18 zijn niet van toepassing op de onderdelen
van een veiligheidsrapport die bij een aanvraag om een vergunning als
bedoeld in de artikelen 4.13, 4.17 of 4.19 van de Regeling
omgevingsrecht worden ingediend.
Artikel 13
1. Indien een aanvraag als
bedoeld in artikel 12 wordt ingediend, bevat het veiligheidsrapport mede
de gegevens, bedoeld in bijlage III, onder 1, onder e, 3°, en onder r.
Artikel 6.15, eerste en derde lid, van het Besluit omgevingsrecht is van
overeenkomstige toepassing op de gegevens, bedoeld in de eerste volzin.
2. Degene die een inrichting gaat drijven,
zendt voordat de inrichting of een onderdeel daarvan in werking wordt
gebracht, ter completering van de onderdelen van het veiligheidsrapport
bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, van de Regeling omgevingsrecht en
van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aan het bevoegd gezag de
gegevens die een veiligheidsrapport dient te bevatten en die nog niet
krachtens dat artikel en krachtens het eerste lid zijn verstrekt.
3. Degene die een inrichting drijft zendt telkens voordat een
verandering van de inrichting of van de werking daarvan of een
verandering van de installatie of van de werking daarvan wordt
aangebracht die voor de risico's van een zwaar ongeval belangrijke
gevolgen kan hebben aan het bevoegd gezag die onderdelen van het
veiligheidsrapport die nodig zijn voor de beoordeling van de risico's
die samenhangen met die verandering. Daartoe zendt hij, voor zover van
toepassing, ter completering van de onderdelen van het
veiligheidsrapport bedoeld in artikel 4.17 van de Regeling
omgevingsrecht en van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aan het
bevoegd gezag de gegevens die een veiligheidsrapport dient te bevatten
en die nog niet krachtens die artikelen en krachtens het eerste lid zijn
verstrekt.
4. De artikelen 16 tot en met 18 zijn van overeenkomstige
toepassing op de gegevens, bedoeld in het eerste lid.
5. De artikelen 15 tot en met 18 zijn van overeenkomstige
toepassing op de aanvullende gegevens, bedoeld in het tweede lid en het
derde lid, tweede volzin.
Artikel 14
1. Degene die een inrichting drijft, evalueert het
veiligheidsrapport tenminste eenmaal per vijf jaar en zendt daarna
onverwijld een bijgewerkt veiligheidsrapport aan het bevoegd gezag.
2. In afwijking van het eerste lid zendt degene die een
inrichting drijft op enig ander tijdstip op eigen initiatief dan wel op
verzoek van het bevoegd gezag een veiligheidsrapport aan het bevoegd
gezag, indien nieuwe feiten, nieuwe kennis over veiligheid of
ontwikkelingen in de kennis inzake de evaluatie van gevaren daartoe
aanleiding geven. Het bevoegd gezag doet dit verzoek na overleg met de
in artikel 6, tweede lid, onder b en c bedoelde ambtenaren en de onder d
tot en met f genoemde bestuursorganen.
3. Voor die onderdelen van het veiligheidsrapport die ten
opzichte van het vorige veiligheidsrapport niet zijn gewijzigd, kan
worden volstaan met een verwijzing naar het veiligheidsrapport waarin
die onderdelen volledig zijn opgenomen.
4. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot
de gegevens die in een geval als bedoeld in het derde lid in ieder geval
moeten worden overgelegd.
Artikel 15
1. Het bevoegd gezag tekent na ontvangst van een
veiligheidsrapport daarop onverwijld de datum van ontvangst aan.
2. Het zendt degene die het rapport heeft ingediend onverwijld
een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld.
3. Het bevoegd gezag zendt uiterlijk binnen twee weken het
veiligheidsrapport of de gewijzigde gedeelten daarvan, of, indien
toepassing is gegeven aan artikel 16, vierde lid, de aanvullingen op het
rapport, en elk verzoek krachtens artikel 14, tweede lid, aan:
a. de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aangewezen toezichthouder;
b. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting
geheel of gedeeltelijk is gelegen, tenzij burgemeester en wethouders
het bevoegd gezag zijn, en
c. het bestuur van de veiligheidsregio waarin de inrichting geheel
of gedeeltelijk is gelegen.
4. Het bevoegd gezag stelt het bestuursorgaan dat tot het
verlenen van de vergunning krachtens de Waterwet bevoegd is, in de
gelegenheid advies uit te brengen over die onderdelen van het
veiligheidsrapport, die betrekking hebben op de risico's voor een
oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 16
1. De in artikel 15, derde lid, genoemde bestuursorganen en de
daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
aangewezen toezichthouder, beoordelen het veiligheidsrapport en
stellen door tussenkomst van het bevoegd gezag degene die de
inrichting drijft, binnen zes maanden na de ontvangst van het
veiligheidsrapport schriftelijk in kennis van hun conclusies naar
aanleiding van het veiligheidsrapport.
2. De in het eerste lid bedoelde termijn kan eenmaal met ten
hoogste drie maanden worden verlengd. Van deze verlenging wordt door
tussenkomst van het bevoegd gezag mededeling gedaan aan degene die de
inrichting drijft.
3. De in het eerste lid bedoelde beoordeling vindt plaats nadat
onderzocht is of het veiligheidsrapport voldoet aan artikel 10, eerste
lid, aan bijlage III en aan het gestelde krachtens artikel 10, tweede
lid.
4. Indien een van de in het eerste lid bedoelde bestuursorganen
of de daar bedoelde toezichthouder van oordeel is dat het
veiligheidsrapport onvolledig is, verzoekt dat bestuursorgaan of die
toezichthouder, door tussenkomst van het bevoegd gezag, binnen acht
weken na de ontvangst van het veiligheidsrapport om aanvullende
inlichtingen te verstrekken binnen een bij het verzoek te stellen
termijn van ten hoogste zes weken. De in het eerste lid bedoelde termijn
van zes maanden wordt opgeschort met ingang van de dag dat het in de
eerste volzin bedoelde verzoek is gedaan tot de dag waarop de
aanvullende inlichtingen zijn verstrekt of de daarvoor gestelde termijn
ongebruikt is verstreken. Het bevoegd gezag stelt de in het eerste lid
bedoelde bestuursorganen en de daar bedoelde toezichthouder van het
verzoek in kennis.
5. Degene aan wie een verzoek als bedoeld in het vierde lid is
gedaan, is verplicht daaraan binnen de bij dat verzoek gestelde termijn
te voldoen.
6. Bij de conclusies, bedoeld
in het eerste lid, en het verzoek, bedoeld in het vierde lid, bewaakt en
bevordert het bevoegd gezag vanuit zijn coördinerende rol de
eenduidigheid, onderlinge samenhang en tijdigheid van die conclusies of
dat verzoek en neemt daartoe de noodzakelijke initiatieven.
Artikel 17
De stukken bedoeld in de artikelen 13, 14 en 16, vierde lid, worden
in zevenvoud ingediend. Op verzoek van het bevoegd gezag worden meer
exemplaren daarvan verstrekt.
Artikel 18
1. Uiterlijk twee weken nadat het bevoegd gezag de conclusies,
bedoeld in artikel 16, eerste lid, heeft bekendgemaakt, doet het
bevoegd gezag van deze conclusies en van het veiligheidsrapport
gelijktijdig mededeling door:
a. terinzagelegging;
b. kennisgeving in een of meer dag-, nieuws- of
huis-aan-huisbladen.
2. De mededeling strekt mede
ter voldoening aan de verplichting die ingevolge artikel 49, eerste lid,
van de Wet veiligheidsregio's rust op het bestuur van de
veiligheidsregio en ter voldoening aan de verplichting die ingevolge
artikel 7 van de Arbeidsomstandighedenwet rust op de daartoe door Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen toezichthouder.
3. Gedurende vier weken vanaf de dag waarop
het veiligheidsrapport ter inzage is gelegd, kunnen de stukken worden
ingezien op een tijd en plaats die bij de mededeling, bedoeld in het
eerste lid, is vermeld.
4. Gelijktijdig met de mededeling, bedoeld in het eerste lid,
zendt het bevoegd gezag een exemplaar van het veiligheidsrapport aan:
a. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting
geheel of gedeeltelijk is gelegen, tenzij burgemeester en wethouders
het bevoegd gezag zijn;
b. burgemeester en wethouders van de gemeenten waarvan het
grondgebied is gelegen binnen de lijn van 10-8 van het
plaatsgebonden risico, bedoeld in bijlage III, onder 2, onder c;
c. het bestuur van de veiligheidsregio waarin een gemeente als
bedoeld onder a of b is gelegen;
d. het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, en;
e. het bestuursorgaan dat bevoegd is tot verlening van de
vergunning krachtens de Waterwet.
5. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer zendt, indien de lijn van 10-8 van het plaatsgebonden
risico, bedoeld in bijlage III, onder 2, onder c, zich uitstrekt over
het grondgebied van een andere staat een exemplaar aan die staat. In
dat geval zendt hij tevens een exemplaar aan Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
6. In een geval als bedoeld in het vijfde lid, eerste volzin,
zendt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer, indien krachtens artikel 19.3 van de Wet milieubeheer
een tweede tekst is overgelegd, een exemplaar van deze tekst aan de
betrokken staat.
Artikel 19
Als gegevens als bedoeld in artikel 19.3, eerste lid, laatste volzin,
van de Wet milieubeheer worden persoonlijke gegevens aangewezen.
Artikel 20
1. Met betrekking tot een inrichting waarop dit besluit van
toepassing is beziet het bevoegd gezag telkens of de beperkingen
waaronder de vergunning is verleend, en de voorschriften die daaraan
zijn verbonden, aanpassing behoeven op grond van de in het
veiligheidsrapport genoemde maatregelen en op grond van de gegevens
met betrekking tot de risico's, bedoeld in bijlage III, onder 2, onder
b en c.
2. Indien het bestuur van de veiligheidsregio waarin de
inrichting is gelegen met het oog op de toepassing van het eerste lid
een advies heeft uitgebracht, betrekt het bevoegd gezag dat advies bij
de actualisering van de vergunning, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 21
1. Degene die een inrichting drijft, houdt een bijgewerkte
lijst van in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen bij en zorgt
er voor dat deze lijst door een ieder kan worden geraadpleegd. Indien
krachtens artikel 19.3 van de Wet milieubeheer een tweede tekst van
het veiligheidsrapport is overgelegd waar uit de beschrijving van de
stoffen ingevolge Bijlage III, eerste lid, onderdeel j, stoffen zijn
weggelaten, blijft vermelding van die stoffen op de lijst, bedoeld in
de eerste zin, achterwege.
2. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot
het eerste lid.
Artikel 22
1. Degene die een inrichting drijft, stelt een intern noodplan
op voor bij een zwaar ongeval binnen de inrichting ten uitvoer te
leggen maatregelen, gericht op het beperken en beheersen van zware
ongevallen en de gevolgen ervan voor de werknemers. Het intern
noodplan bevat tenminste de gegevens en beschrijvingen, bedoeld in
bijlage IV.
2. Degene die een
inrichting drijft draagt er zorg voor dat het intern noodplan tenminste
eens per drie jaar wordt geëvalueerd, beproefd en zonodig gewijzigd.
Bij de evaluatie wordt rekening gehouden met veranderingen die zich in
de inrichting hebben voorgedaan, en met nieuwe kennis en inzichten
omtrent de bij een zwaar ongeval te nemen maatregelen.
3. Het intern noodplan en de wijziging
daarvan worden, bij het ontbreken van een ondernemingsraad of
personeelsvertegenwoordiging, opgesteld met raadpleging van de
belanghebbende werknemers. Over het intern noodplan en de wijziging
daarvan worden tevens de werknemers geraadpleegd van andere werkgevers
die op basis van een langlopende overeenkomst tot aanneming van werk
mede in de inrichting werkzaam zijn.
4. De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers, de
bedrijfshulpverleners, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet, en
de externe hulpverleningsorganisaties, bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdeel e, van de wet, de deskundigen, genoemd in artikel 13 van de
Arbeidsomstandighedenwet, de deskundigen of arbodiensten, genoemd in de
artikelen 14 en 14a van de Arbeidsomstandighedenwet, en de werknemers
van andere werkgevers, die mede in de inrichting werkzaam zijn,
desgewenst kennis kunnen nemen van het intern noodplan.
5. Het intern noodplan wordt vastgesteld:
a. voor inrichtingen die na de inwerkingtreding van dit besluit
worden opgericht: voor de inbedrijfstelling er van;
b. voor inrichtingen die voor de inwerkingtreding van dit besluit
niet verplicht waren tot opstelling van een rapport inzake de externe
veiligheid op grond van de Wet milieubeheer of een
arbeidsveiligheidsrapport op grond van de Arbeidsomstandighedenwet:
binnen drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit;
c. voor andere inrichtingen: binnen twee jaar na de
inwerkingtreding van dit besluit.
Paragraaf 4. Verdere bepalingen, overgangs- en slotbepalingen
Artikel 23
1. Een inrichting of een onderdeel daarvan mag niet in werking
worden gebracht of gehouden, indien degene die de inrichting drijft
duidelijk onvoldoende maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van
zware ongevallen of ter beperking van de gevolgen daarvan, voor zover
het betreft de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de
in het bedrijf, de inrichting onderscheidenlijk het betrokken
onderdeel daarvan werkzame werknemers.
2. Ter zake van de naleving van het eerste lid kan een last onder
bestuursdwang worden opgelegd.
Artikel 24
1. Het bevoegd gezag stelt op grond van de gegevens, bedoeld in
de artikelen 6, eerste lid, 10, eerste lid, en 26, eerste lid, in
overeenstemming met de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aangewezen toezichthouder, en het bestuur van de
veiligheidsregio waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak is
gelegen, een zodanig inspectieprogramma vast dat daarmee een planmatig
en systematisch onderzoek van de in de inrichting gebruikte systemen
van technische, organisatorische en bedrijfskundige aard kan worden
uitgevoerd.
2. Bij een inspectie wordt in ieder geval gecontroleerd of
hetgeen in de inrichting wordt aangetroffen in overeenstemming is met de
verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 5, 6, 10 en 26,
teneinde na te gaan of:
a. degene die de inrichting drijft kan aantonen dat hij passende
maatregelen heeft getroffen om zware ongevallen te voorkomen;
b. degene die de inrichting drijft kan aantonen dat hij in passende
middelen heeft voorzien om de gevolgen van zware ongevallen op en
buiten het bedrijfsterrein te beperken;
c. de verstrekte gegevens en informatie de situatie in de
inrichting trouw weergeven.
3. Na iedere inspectie als
bedoeld in het tweede lid stelt het bestuursorgaan dat, of de aangewezen
toezichthouder die de inspectie heeft uitgevoerd een rapport op dan wel,
indien de inspectie door meer dan één bestuursorgaan, al dan niet
tezamen met de aangewezen toezichthouder, is uitgevoerd, stellen deze
een gezamenlijk rapport op. Een exemplaar van het rapport wordt gezonden
aan degene die de inrichting drijft. Indien het rapport daartoe
aanleiding geeft, wordt dit binnen een redelijke termijn na de inspectie
met degene die de inrichting drijft, besproken.
4. Binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit besluit stelt
het bevoegd gezag voor de eerste maal een inspectieprogramma vast als
bedoeld in het eerste lid.
5. Een inspectie als bedoeld in het tweede lid wordt met
betrekking tot een inrichting waarop paragraaf 3 van toepassing is,
tenminste eenmaal per jaar uitgevoerd.
6. Het vijfde lid is niet van toepassing indien het bevoegd gezag
het in het eerste lid bedoelde inspectieprogramma heeft vastgesteld op
grond van een systematische evaluatie van de gevaren van zware
ongevallen.
7. Bij het opstellen van het
gezamenlijk rapport, bedoeld in het derde lid, bewaakt en bevordert het
bevoegd gezag vanuit zijn coördinerende rol de eenduidigheid en
onderlinge samenhang van het gezamenlijk rapport en tijdige toezending
van dat rapport aan degene die de inrichting drijft en neemt daartoe de
noodzakelijke initiatieven.
Artikel 25
1. Handelen of nalaten in
strijd met het krachtens artikel 48, zesde lid, van de Wet
veiligheidsregio's in de artikelen 13, eerste lid, 14, eerste en tweede
lid, 16, vijfde lid, en 21, eerste lid, bepaalde, is een strafbaar feit
als bedoeld in artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische
delicten.
2. Handelen of nalaten in strijd met het
krachtens artikel 6, eerste lid, tweede zin, van de
Arbeidsomstandigenhedenwet in de artikelen 3, tweede lid, 5, eerste tot
en met vierde lid, 6, eerste lid, 7, derde lid, 9, 11, 13, tweede en
derde lid, 14, eerste en tweede lid, 16, vijfde lid, 17, 21, eerste lid,
22, eerste tot en met vierde lid, 23, 26, eerste lid, 27, eerste en
derde lid, 28, eerste, tweede en vierde lid, en het krachtens artikel 29
bepaalde, is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1, onder
3° van de Wet op de economische delicten.
Artikel 26
1. Binnen een jaar na de inwerkingtreding
van dit besluit zendt degene die een inrichting drijft, als bedoeld in
artikel 4, een kennisgeving aan het bevoegd gezag. Deze kennisgeving
bevat de volgende gegevens:
a. het adres van de inrichting;
b. de naam of de handelsnaam van degene die de inrichting drijft en
zijn adres;
c. de naam en de functie van de met de feitelijke leiding van de
inrichting belaste persoon, indien deze een ander is dan degene die de
inrichting drijft;
d. de aard van de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen;
e. per stof genoemd in bijlage I, deel 1, en per categorie stoffen
en preparaten genoemd in bijlage I, deel 2:
1°. de maximale hoeveelheid waarvoor
vergunning is verleend dan wel, indien de vergunning hierin niet
voorziet, de hoeveelheid behorend bij de vergunde maximale capaciteit
van de inrichting;
2°. de hoeveelheid die bij een normale
bedrijfsvoering in de inrichting aanwezig is;
3°. de fysische vorm van de betrokken
gevaarlijke stof of stoffen;
f. met het oog op de vaststelling van domino-effecten: voor
gevaarlijke stoffen behorend tot de categorie ontplofbaar,
ontvlambaar, licht ontvlambaar of zeer licht ontvlambaar, bedoeld in
bijlage I, deel 2:
1°. een aanduiding van het grootste
insluitsysteem;
2°. de maximale hoeveelheid van de
betrokken gevaarlijke stof die daarin aanwezig kan zijn;
3°. een aanduiding van de betrokken
gevaarlijke stof alsmede een aanduiding van de categorie waartoe die
stof behoort;
4°. de plaats van het insluitsysteem in de
inrichting;
5°. de druk en de temperatuur van de
betrokken stoffen en preparaten in het insluitsysteem;
g. de activiteiten die in de inrichting worden uitgeoefend;
h. de met de onmiddellijke omgeving van de inrichting samenhangende
omstandigheden die een zwaar ongeval kunnen veroorzaken of de gevolgen
daarvan ernstiger kunnen maken.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde gegevens op grond van een
ander wettelijk voorschrift schriftelijk aan het bevoegd gezag zijn
verstrekt op een tijdstip, niet eerder dan 5 jaar voorafgaande aan het
in het eerste lid genoemde tijdstip, en ten aanzien van de onderwerpen
waarop die gegevens betrekking hebben geen wijzigingen zijn opgetreden,
kan worden volstaan met een schriftelijke mededeling aan het bevoegd
gezag, waarin naar die gegevens wordt verwezen.
3. Op een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid of een
mededeling als bedoeld in het tweede lid, is artikel 6, tweede lid, van
overeenkomstige toepassing. Indien overeenkomstig het tweede lid wordt
verwezen naar eerder verstrekte gegevens, draagt het bevoegd gezag
tevens zorg voor de verzending van die gegevens.
4. De in het eerste lid, onder f, bedoelde gegevens behoeven niet
te worden verstrekt indien ten genoegen van het bevoegd gezag wordt
aangetoond dat voor een verhoging van de risico's, bedoeld in artikel 7,
eerste lid, niet behoeft te worden gevreesd.
5. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot
het eerste lid.
Artikel 27
1. Degene die op het tijdstip waarop dit besluit in werking
treedt, een inrichting drijft, als bedoeld in artikel 4, stelt binnen
een jaar na dat tijdstip voor de eerste keer het document, bedoeld in
artikel 5, tweede lid, op.
2. Het eerste lid is eveneens van toepassing indien het document
wordt opgenomen in het veiligheidsrapport.
3. Degene die op het tijdstip waarop dit besluit in werking
treedt, een inrichting drijft, als bedoeld in artikel 8, stelt binnen
drie maanden na dat tijdstip voor de eerste keer de stoffenlijst,
bedoeld in artikel 21, op.
Artikel 28
1. Degene die op het tijdstip, waarop dit besluit in werking
treedt, een inrichting drijft als bedoeld in artikel 8, waarop
paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen dan wel artikel
5 van de Arbeidsomstandighedenwet op de dag voorafgaande aan de
inwerkingtreding van dit besluit niet van toepassing was, zendt
uiterlijk 3 februari 2002 een veiligheidsrapport aan het bevoegd
gezag.
2. Degene die op het tijdstip, waarop dit besluit in werking
treedt, een inrichting drijft, als bedoeld in artikel 8, waarop
paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen dan wel artikel 5
van de Arbeidsomstandighedenwet op de dag voorafgaande aan de
inwerkingtreding van dit besluit van toepassing was, zendt uiterlijk 3
februari 2001 een veiligheidsrapport aan het bevoegd gezag.
3. Indien op degene die een inrichting drijft het tweede lid van
toepassing is en deze op enig tijdstip in de periode van vijf jaar
direct voorafgaande aan de dag van de indiening van het
veiligheidsrapport heeft zorggedragen voor:
a. opstelling of wijziging van een arbeidsveiligheidsrapport als
bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet, zoals dat op de
dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit luidde, en
voor verzending ervan aan de daartoe aangewezen toezichthouder, of
b. de indiening van een rapport inzake de externe veiligheid als
bedoeld in artikel 4 van het in het tweede lid genoemde besluit,
is artikel 14, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing
voor zover de in het arbeidsveiligheidsrapport onderscheidenlijk de in
het rapport inzake de externe veiligheid opgenomen gegevens en
beschrijvingen voldoen aan hetgeen bij en krachtens dit besluit is
bepaald omtrent de inhoud van het veiligheidsrapport.
4. Indien bij de verzending
van het veiligheidsrapport aan het bevoegd gezag met toepassing van het
derde lid is verwezen naar een arbeidsveiligheidsrapport als bedoeld in
artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet of naar een rapport inzake de
externe veiligheid als bedoeld in artikel 4 van het in het tweede lid
genoemde besluit, worden de in die rapporten vervatte gegevens waarnaar
is verwezen ter voldoening aan de verplichting, bedoeld in artikel 14,
eerste lid, geëvalueerd en wordt een bijgewerkt veiligheidsrapport
aan het bevoegd gezag gezonden binnen vijf jaar nadat de gegevens
waarnaar verwijzing heeft plaatsgevonden werden verzonden aan de daartoe
aangewezen toezichthouder onderscheidenlijk binnen vijf jaar nadat die
gegevens werden verzonden aan het bevoegd gezag.
Artikel 29
Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
worden regels gesteld met betrekking tot de gegevens die diegene die een
inrichting drijft na een zwaar ongeval verstrekt aan de aangewezen
toezichthouder en met betrekking tot het door hem uit te oefenen
toezicht.
Artikel 30 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 31
Het Besluit risico's zware ongevallen wordt ingetrokken.
Artikel 32 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 33 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 34
Dit besluit berust mede op de artikelen 31, vierde lid, 48, zesde
lid, 49, eerste lid, en 61, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio's.
Artikel 35
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden gesteld.
Artikel 36
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit risico's zware ongevallen
1999.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 27 mei 1999
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J.P.
Pronk
De Staatssecretaris van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
G.M. de
Vries
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.F.
Hoogervorst
Uitgegeven de zeventiende juni
1999
De Minister van Justitie,
A.H.
Korthals Bijlagen
niet opgenomen
|