St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Brandweerwet 1985

 

EXAMENREGLEMENT  ADJUNCT-HOOFDBRANDMEESTER  1993

Tekst zoals deze geldt op 4 februari 2009

Verwijderd uit ons regelingenbestand

 

  
 

 

 
     De Minister van Binnenlandse Zaken;
     Gelet op artikel 15, eerste lid, van de Brandweerwet 1985;
     Gezien het advies van het curatorium Rijksbrandweeracademie van 29 juni 1993, nr. CRBA93/U6;

     Besluit:

 

 

Artikel 1

In deze ministeriële regeling wordt verstaan onder:

a. de opleiding: de opleiding adjunct-hoofdbrandmeester, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, onder 6, van het Besluit rijksexamen brandweeropleidingen;

b. de module: elke onderwijseenheid over een samenhangend deel van de leerstof, die zowel presentatie, verwerking als toetsing omvat en die flexibel programmeerbaar is in het systeem, waarvan het een onderdeel is;

c. het module-examen: elk examen ter afsluiting van een module, dat bestaat uit een schriftelijk deel, een praktisch deel, een projectopdracht of een combinatie daarvan;

d. het studiepunt: de eenheid, waarin de omvang van de module wordt uitgedrukt en die gemiddeld tien contact- of zelfstudie-uren vertegenwoordigt;

e. het bestuur: het bestuur van het Nederlands bureau brandweerexamens, genoemd in artikel 18g, eerste lid, van de Brandweerwet 1985;

f. de vrijstelling: een door het bestuur afgegeven verklaring, inhoudende dat de kandidaat voor de betreffende module over de vereiste kennis en vaardigheden beschikt;

g. de projectopdracht: de opdracht, niet zijnde een schriftelijk of praktisch deel, die een kandidaat moet verrichten in het kader van een module-examen.

Artikel 2

De opleiding bestaat uit negen modulen:

a. organisatie (verplichte module);

b. repressie (verplichte module);

c. operationeel management (verplichte module);

d. logistiek/technische dienst (keuze-module);

e. preventie (keuze-module);

f. preparatie/opleiding en oefening (keuze-module);

g. officier kleine brandweerorganisatie (keuze-module);

h. basis-repressie I (aanvullende module);

i. basis-repressie II (aanvullende module).

Artikel 3

1. De modulen, bedoeld in artikel 2, onderdelen a tot en met g, omvatten elk 20 studiepunten.

2. De module, bedoeld in artikel 2, onderdeel h, omvat 5 studiepunten.

3. De module, bedoeld in artikel 2, onderdeel i, omvat 30 studiepunten.

Artikel 4

1. Tot het module-examen repressie wordt toegelaten degene die:

a. in het bezit is van het certificaat van of de vrijstelling voor de module persoonlijke bescherming, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van het Examenreglement brandwacht, alsmede het certificaat van of de vrijstelling voor de module repressie keuze, bedoeld in artikel 2, onderdeel j, van het Examenreglement onderbrandmeester of de module repressie keuze, bedoeld in artikel 2, onderdeel g van het Examenreglement brandmeester, of

b. in het bezit is van het certificaat van de module, bedoeld in artikel 2, onderdeel i.

2. Tot het module-examen basis-repressie II wordt toegelaten degene die in het bezit is van het certificaat van of de vrijstelling voor de module, bedoeld in artikel 2, onderdeel h.

Artikel 5

1. Het module-examen organisatie bestaat uit een schriftelijk deel.

2. Het schriftelijk deel bestaat uit het beantwoorden van vragen en het schriftelijk uitwerken van opdrachten over de onderwerpen, bedoeld in deel A van de bij deze ministeriële regeling behorende bijlage.

3. Het cijfer voor het module-examen organisatie is gelijk aan het cijfer voor het schriftelijk deel, waarbij een half punt of meer naar boven en minder dan een half punt naar beneden wordt afgerond.

Artikel 6

1. Het module-examen repressie bestaat uit een praktisch deel.

2. Het praktisch deel bestaat uit het uitvoeren van opdrachten met betrekking tot praktische verrichtingen over de onderwerpen, bedoeld in deel B van de bij deze ministeriële regeling behorende bijlage.

3. Het cijfer voor het module-examen repressie is gelijk aan het cijfer behaald voor het praktische deel, waarbij een half punt of meer naar boven en minder dan een half punt naar beneden wordt afgerond.

Artikel 7

1. Het module-examen operationeel management bestaat uit een schriftelijk deel en een projectopdracht.

2. Het schriftelijk deel bestaat uit het beantwoorden van vragen en het schriftelijk uitwerken van opdrachten over de onderwerpen, bedoeld in deel C van de bij deze ministeriële regeling behorende bijlage.

3. De projectopdracht bestaat uit het uitvoeren van opdrachten met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in deel C van de bij deze ministeriële regeling behorende bijlage.

4. Het cijfer voor het module-examen operationeel management is gelijk aan het gemiddelde van het cijfer behaald voor het schriftelijk deel en het cijfer behaald voor de projectopdracht, waarbij een half punt of meer naar boven en minder dan een half punt naar beneden wordt afgerond.

Artikel 8

1. Het module-examen logistiek/technische dienst bestaat uit een projectopdracht.

2. De projectopdracht bestaat uit het uitvoeren van opdrachten met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in deel D van de bij deze ministeriële regeling behorende bijlage.

3. Het cijfer voor het module-examen logistiek/technische dienst is gelijk aan het cijfer behaald voor de projectopdracht, waarbij een half punt of meer naar boven en minder dan een half punt naar beneden wordt afgerond.

Artikel 9

1. Het module-examen preventie bestaat uit een schriftelijk deel en een projectopdracht.

2. Het schriftelijk deel bestaat uit het beantwoorden van vragen en het schriftelijk uitwerken van opdrachten over de onderwerpen, bedoeld in deel E van de bij deze ministeriële regeling behorende bijlage.

3. De projectopdracht bestaat uit het uitvoeren van opdrachten met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in deel E van de bij deze ministeriële regeling behorende bijlage.

4. Het cijfer voor het module-examen preventie is gelijk aan het gemiddelde van het cijfer behaald voor de projectopdracht en het cijfer behaald voor het schriftelijk deel, waarbij een half punt of meer naar boven en minder dan een half punt naar beneden wordt afgerond.

Artikel 10

1. Het module-examen preparatie opleiding en oefening bestaat uit een schriftelijk deel en een projectopdracht.

2. Het schriftelijk deel bestaat uit het beantwoorden van vragen en het schriftelijk uitwerken van opdrachten over de onderwerpen, bedoeld in deel F van de bij deze ministeriële regeling behorende bijlage.

3. De projectopdracht bestaat uit het uitvoeren van opdrachten met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in deel F van de bij deze ministeriële regeling behorende bijlage.

4. Het cijfer voor het module-examen preparatie/opleiding en oefening is gelijk aan het gemiddelde van het cijfer behaald voor de projectopdracht en het cijfer behaald voor het schriftelijk deel, waarbij een half punt of meer naar boven en minder dan een half punt naar beneden wordt afgerond.

Artikel 11

1. Het module-examen officier kleine brandweerorganisatie bestaat uit een schriftelijk deel en een projectopdracht.

2. Het schriftelijk deel bestaat uit het beantwoorden van vragen en het schriftelijk uitwerken van opdrachten over de onderwerpen, bedoeld in deel G van de bij deze ministeriële regeling behorende bijlage.

3. De projectopdracht bestaat uit het uitvoeren van opdrachten met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in deel G van de bij deze ministeriële regeling behorende bijlage.

4. Het cijfer voor het module-examen officier kleine brandweerorganisatie is gelijk aan het gemiddelde van het cijfer behaald voor de projectopdracht en het cijfer behaald voor het schriftelijk deel, waarbij een half punt of meer naar boven en minder dan een half punt naar beneden wordt afgerond.

Artikel 11a

1. Het module-examen basis-repressie I bestaat uit een praktisch deel.

2. Het praktisch deel bestaat uit het uitvoeren van opdrachten met betrekking tot praktische verrichtingen over de onderwerpen, bedoeld in deel H van de bij deze ministeriële regeling behorende bijlage.

3. Het cijfer voor het module-examen basis-repressie I is gelijk aan het cijfer voor het praktische deel, waarbij een half punt of meer naar boven en minder dan een half punt naar beneden wordt afgerond.

Artikel 12

1. Het module-examen basis-repressie II bestaat uit een schriftelijk deel en een praktisch deel.

2. Het schriftelijk deel bestaat uit het beantwoorden van vragen en het schriftelijk uitwerken van opdrachten over de onderwerpen, bedoeld in deel I van de bij deze ministeriële regeling behorende bijlage.

3. Het praktische deel bestaat uit het uitvoeren van opdrachten tot praktische verrichtingen over de onderwerpen, bedoeld in deel I van de bij deze ministeriële regeling behorende bijlage.

4. Het cijfer voor het module-examen basis-repressie II is gelijk aan het gemiddelde van het cijfer behaald voor het schriftelijk deel en het cijfer behaald voor het praktische deel, waarbij een half punt of meer naar boven en minder dan een half punt naar beneden wordt afgerond.

Artikel 13

1. Overeenkomstig artikel 9, vijfde lid, van het Algemeen brandweerexamenreglement 1994 wordt het diploma adjunct-hoofdbrandmeester afgegeven, indien de kandidaat in het bezit is van certificaten van of vrijstellingen voor de verplichte modules, bedoeld in artikel 2, onderdelen a tot en met c, en ten minste één van de keuze-modules, bedoeld in artikel 2, onderdelen d tot en met g, alsmede van:

a. het certificaat van of de vrijstelling voor de module basis-repressie II, bedoeld in artikel 2, onderdeel i; in combinatie met:

1º. een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een opleiding die is verbonden aan een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of een overeenkomstig getuigschrift, dat respectievelijk is verkregen, of op grond van artikel 16.2, eerste lid, van voornoemde wet kan worden geacht te zijn verkregen, op grond van voornoemde wet; of

2º. een getuigschrift of diploma van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een andere opleiding, dat naar het oordeel van het bestuur vergelijkbaar is met een getuigschrift als bedoeld onder 1°; of

b. het diploma onderbrandmeester, bedoeld in artikel 5 van het Examenreglement onderbrandmeester, of het diploma brandmeester, bedoeld in artikel 5 van het Examenreglement brandmeester, of een aan één van beide diploma's gelijkwaardig diploma, in alle gevallen in combinatie met:

1º. ten minste een diploma van een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel c, d of e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, of een overeenkomstig diploma, dat respectievelijk is verkregen, of op grond van artikel 12.2.1 van voornoemde wet kan worden geacht te zijn verkregen, op grond van voornoemde wet; of

2º. een rapport van een psychologische test waarin verklaard wordt dat de kandidaat beschikt over ten minste een werk- en denkniveau dat vergelijkbaar is met het werk- en denkniveau dat is vereist voor de verkrijging van een diploma als bedoeld onder 1°.

2. Het rapport, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2°, is opgesteld door een bij het Nederlands Instituut van Psychologen aangesloten psycholoog. Het rapport is gebaseerd op een General Aptitude Test Battery en opgesteld conform de richtlijnen van het Nederlands Instituut van Psychologen.

3. Het certificaat van of de vrijstelling voor de keuze-module preventie, bedoeld in artikel 2, onderdeel e, kan alleen voor het diploma adjunct-hoofdbrandmeester meetellen als het certificaat van of de vrijstelling voor de keuze-module preventie, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van het Examenreglement brandmeester, niet heeft meegeteld of zal meetellen voor de verkrijging van het diploma brandmeester.

4. Het derde lid geldt niet voor kandidaten die:

a. op 1 augustus 1997 reeds in het bezit waren van het certificaat van of de vrijstelling voor de keuze-module preventie, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van het Examenreglement brandmeester, of dit certificaat of deze vrijstelling al hadden laten meetellen voor het diploma brandmeester, bedoeld in artikel 5 van het Examenreglement brandmeester;

b. vóór 1 augustus 1998 hebben deelgenomen aan een deelexamen van de keuze-module preventie, bedoeld in artikel 2, onderdeel e; en

c. vóór 1 augustus 2002 hun diploma adjunct-hoofdbrandmeester behalen.

Artikel 13a

Het diploma adjunct-hoofdbrandmeester wordt voorts, in afwijking van artikel 9, vijfde lid, van het Algemeen brandweerexamenreglement 1994, afgegeven, indien de kandidaat:

a. in het bezit is van certificaten van of vrijstellingen voor de verplichte modulen, bedoeld in artikel 2, onderdelen a tot en met c, en ten minste één van de keuzemodulen, bedoeld in artikel 2, onderdelen d tot en met g; en

b. in juni 1999 door het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 1° en 2°, van het Besluit brandweerpersoneel, bij een gemeentelijke of regionale brandweer was aangesteld in ten minste de rang van adjunct-hoofdbrandmeester; en

1º. op 13 juni 1991 was aangesteld in ten minste de rang van brandmeester; of

2º. op 13 juni 1998 was aangesteld in de functie van commandant of ondercommandant in vrijwillige dienst en beschikte over ten minste het diploma onderbrandmeester.

 

Artikel 14 [Vervallen per 01-08-1998]

Artikel 15

Het Examenreglement adjunct-hoofdbrandmeester wordt ingetrokken.

Artikel 16

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 1993.

Artikel 17

Deze regeling wordt aangehaald als: Examenreglement adjunct-hoofdbrandmeester 1993.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

De Minister van Binnenlandse Zaken,
C.I. Dales
.

 

 

Bijlage, behorende bij het Examenreglement adjunct-hoofdbrandmeester 1993

 

Deel A, examenprogramma module organisatie

Opleidingsniveau: adjunct-hoofdbrandmeester

Nr. leerdoel

Inhoud

Gedragsniveau

weegfactor

1.

Hoofdlijnen van de wettelijke regelingen op het terrein van de brandweerzorg en de rampenbestrijding

i+t

2

2.

De plaats van de brandweer binnen de gemeentelijke en regionale organisatie

i

2

3.

De plaats van de brandweer binnen de gemeentelijke en regionale organisatie bij repressief optreden

i

2

4.

Hoofdlijnen van de organisatie van de rampenbestrijding

i+t

2

5.

Organisatie
– in historisch perspectief
– structuren
– cultuur
– de ontwikkeling van de brandweerorganisatie

i

2

Deel B, examenprogramma module repressie

Opleidingsniveau: adjunct-hoofdbrandmeester

Module: repressie

no. leerdoel

inhoud

gedragsniveau

weegfactor

Optreden als officier van dienst

1.

Zelfstandig leiding kunnen geven bij de brandbestrijding van beperkte omvang met maximaal 4 bluseenheden en ondersteunende eenheden en bij hulpverlening in dezelfde orde van grootte

t

3

2.

Toepassen van standaardprocedures bij het optreden met gevaarlijke stoffen.

t

3

3.

Inschatten of specialisten (ROGS/WVD) moeten worden ingezet voor advisering

t

3

4.

Optreden bij ongevallen met gevaarlijke stoffen waarvoor standaardprocedures niet toereikend zijn, in afwachting van de komst van de ROGS

t

3

5.

Opstarten van de coördinatie van de hulpverlenende diensten in het CTPI en COPI.

i+t

2

6.

Inzicht hebben in de mogelijkheden en beperkingen van materieel bij repressief optreden aan de hand van kengetallen

i+t

2

7.

Handhaven van optimale arbeidsomstandigheden tijdens en na repressief optreden

i+t

2

8.

Evalueren en rapporteren naar aanleiding van het brandweeroptreden

t

2

9.

(Laten) verzorgen van nazorg

t

2

Opmerking: stralingsdeskundigheid op niveau 5B wordt verondersteld.

Deel C, examenprogramma module operationeel management

Opleidingsniveau: adjunct-hoofdbrandmeester

Nr. leerdoel

Inhoud

Gedragsniveau

Weegfactor

1.

Financieel beheer
– regelgeving ten aanzien van financieel beheer
– financiële verhoudingen Rijk, gemeenten en andere openbare lichamen
– begroting en jaarrekening
– budgettering

i+t

2

2.

Personeel
– arbeidsverhoudingen en -regelingen
– instrumenten voor personeelsbeleid
– personeel en cultuur
– emancipatie

i

2

3.

Beleid
– begripsaanduiding, strategisch, taktisch en operationeel beleid
– beleidsbewustzijn
– relatie overheid en burger

i

2

4.

Planning en controlling
– begripsaanduidingen
– middelen en procedures van planning en controlling
– de relatie van de verschillende planningsniveaus en afstemming
– werkverdeling en afstemming
– cultuur van planning en controlling

t

3

5.

Organisatie
– begripsaanduiding
– organisatievormen/modellen
– presentie en representatie van de organisatie
– hiërarische structuur
– de brandweer in combinatie met andere

i

2

6.

Infomatiebeleid
– administratieve organisatie
– informatiebeleid en -voorziening
– informatiesystemen en -stromen
– automatisering
– gebruik van computers

i

3

7.

Managementvaardigheden
– algemeen (waaronder gespreks- en vergadertechnieken, schriftelijke vaardigheden)
– specifiek (waaronder onderhandelen, conflicthantering, leiderschapsstijlen)

t+s2

3

Deel D, examenprogramma module logistiek/technische dienst

Opleidingsniveau: adjunct-hoofdbrandmeester

Nr. leerdoel

Inhoud

Gedragsniveau

weegfactor

1.

Inzicht in de opbouw en samenstelling van materieel, gebouwen en materiaal

i

3

2.

Verwerven en beheren van gebouwen, materieel en middelen

i+t

2

3.

inzicht in de mogelijkheden tot geautomatiseerd beheer/managementondersteuning

i

2

4.

Logistiek beheer ten behoeve van grootschalig optreden

t

3

Deel E, examenprogramma module preventie

OPLEIDINGSNIVEAU: adjunct-hoofdbrandmeester

MODULE: preventie

no. leerdoel

inhoud

gedragsniveau

weegfactor

Verklaren van brandpreventie-begrippen

1.

Weergeven van de functionele achtergronden bij de brandveiligheidseisen.

i

2

2.

Weergeven van de functionele achtergronden bij de bepalingsmethoden.

i

1

3.

Beschrijven van de uitwerking van de bepalingsmethoden voor zover dit voor de beoordelingspraktijk van belang is.

i

1

4.

Beschrijven van de technische werkingsprincipes van brandpreventievoorzieningen.

   

Toepassen wet- en regelgeving

5.

Noemen van de samenhang tussen de verschillende op de brandprevetie betrekking hebbende wetten, verordeningen en normen.

i

1

6.

Beschrijven van de opzet van de Woningwet, het Bouwbesluit, de (model) Bouwverordening, en hieruit voortvloeiende consequenties voor de brandveiligheidsregelgeving.

i

2

7.

Toepassen van de eisen op brandveiligheidsgebied, voortvloeiend uit het Bouwbesluit, de (model) Bouwverordening, en de (delen van) normen waarnaar wordt verwezen (b.v. woningen en woongebouwen) in een gegeven situatie.

t

3

8.

Beschrijven van de werking en de inhoud van de (model) Bouwverordening en de Brandbeveiligingsverordening.

i

2

9.

Toepassen van de eisen op brandveiligheidsgebied voortvloeiend uit de wet Milieubeheer in een gegeven situatie.

t

2

10.

Toepassen van de eisen voortvloeiend uit de Brandbeveiligingsverordening, alsmede de (delen van) normen en richtlijnen waarnaar wordt verwezen in een gegeven situatie.

t

3

Uitvoeren brandpreventieve werkzaamheden

11.

Beoordelen van de aanvragen van bouw- en gebruiksvergunningen in een gegeven situatie

t

3

12.

Opstellen van concept-brandbeveiligingsvoorwaarden in een brandpreventie-advies

t

3

13.

Verstrekken van inlichtingen op brandpreventief gebied.

t

2

14.

Uitvoeren van preventiecontroles.

t

3

15.

Toetsen van een ontruimingsplan in een gegeven situatie.

t

1

Deel F, examenprogramma preparatie/opleiding en oefening

Opleidingsniveau: adjunct-hoofdbrandmeester

Nr. leerdoel

Inhoud

Gedragsniveau

Weegfactor

1.

Opleidingen

t

3

2.

Oefeningen

t

3

3.

Preparatieve concepten

t

2

4.

Het verzorgingsgebied

t

1

5.

Procedures en plannen

t

3

Deel G, examenprogramma module officier kleine brandweerorganisatie

OPLEIDINGSNIVEAU: adjunct-hoofdbrandmeester

MODULE: officier kleine brandweerorganisatie

no. leerdoel

inhoud

gedragsniveau

weegfactor

1.

Relatie tot gemeentebestuur

i

3

2.

Relaties binnen de gemeentelijke organisatie

i+t

3

3.

Voorbereiden, uitvoeren en verantwoorden van beleid ten aanzien van de brandweerorganisatie

t

3

4.

Het beheren van de brandweerorganisatie

t

3

5.

Inzicht in verwerven en beheren van materieel, gebouwen en materiaal

i

3

6.

Inzicht in risico's van instellingen, bedrijven en dergelijke, ook in relatie tot andere soorten gevaarsopleverende activiteiten zoals transport

i

3

7.

Bouwconstructies in relatie tot brandveiligheid

i

3

8.

Installaties ten behoeve van brandpreventie

i+t

3

9.

Regionale samenwerking

i

3

10.

Public Relations en voorlichting

t

3

Deel H, examenprogramma module basis-repressie I

Opleidingsniveau: adjunct-hoofdbrandmeester

Module: basis-repressie I

no leerdoel

inhoud

gedragsniveau

weegfactor

Veilig optreden

1.

Een gevaarlijke situatie als zodanig herkennen en de juiste maatregelen nemen ten behoeve van de eigen veiligheid en die van het slachtoffer en hierbij
– in noodsituaties het slachtoffer verplaatsen;
– nagaan wat er met het slachtoffer is gebeurd;
– het slachtoffer gerust stellen.

t+m2

2

Verlenen van eerste en levensreddende hulp

2.

Bedreven zijn in het verlenen van levensreddende hulp bij:
– bewustzijnsstoornissen;
– ademhalingsstoornissen;
– uitwendige bloedingen;
– circulatiestoornissen

t+m2

3

3.

Bedreven zijn in het verlenen van levensreddende hulp in geval van verdrinking en onderkoeling

t+m2

3

4.

Verlenen van eerste en levensreddende hulp bij:
– shock;
– uitwendige wonden;
– brandwonden;
– botbreuken;
– oogletsel;
– vergiftigingen

t+m2

3

Adembescherming gebruiken

5.

Bedreven zijn in het gebruik van adembeschermende middelen en overige persoonlijke beschermingsmiddelen

t+m2

3

6.

De werking van het ademluchtmasker kennen

k3

2

7.

Bedreven zijn in de regulering van de ademhaling tijdens inzet

m2

3

8.

Bedreven zijn in het gebruik van het ademluchtmasker met inachtneming van de algemene gedragsregels voor de ademluchtmaskerdrager

t+m2

3

9.

Bedreven zijn in het gebruik van het ademluchtmasker bij het bestrijden van brand en bij het opsporen en bevrijden van in gevaar verkerende mensen en dieren

t+m2

3

Handelen bij gevaarlijke stoffen

10.

Herkennen van de gevaarlijke stoffen, en het noemen van de juiste maatregelen voor de persoonlijke veiligheid

k2

2

Arbeidsomstandighedenwet toepassen

11.

Kennen van de procedure voor persoonlijke ontsmetting

k3

2

12.

Aangeven van de relatie tussen de persoonlijke veiligheid, gezondheid en welzijn en werkomstandigheden, waaronder de persoonlijke dosisregistratie

t

3

13.

Opnoemen van de rechten en plichten in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet

k3

2

14.

Veilig en gezond werken in relatie tot werkomstandigheden en werktechnieken

t+m2

3

N.B.: De leerdoelen 1 tot en met 4 zijn identiek aan de leerdoelen uit het examenprogramma van de module levensreddende handelingen op het niveau brandwacht. De leerdoelen 5 tot en met 14 zijn identiek aan de leerdoelen uit het examenprogramma van de module persoonlijke bescherming op het niveau brandwacht.

Deel I, examenprogramma module basis-repressie II

Opleidingsniveau: adjunct-hoofdbrandmeester

no. leerdoel

inhoud

gedragsniveau

weegfactor

1.

De werkwijze en middelen bij repressief optreden

p+m1

1

2.

De wijze van verbranding van stoffen, de ontwikkeling van brand, de blussende werking van gangbare blusstoffen en de principes van de hierbij te gebruiken apparatuur

i+t

2

3.

Het ten behoeve van het radden van mens of dier zelfstandig leiding kunnen geven aan één bluseenheid en een ondersteunend voertuig bij brandbestrijding alsmede bij hulpverlening respectievelijk rampenbestrijding

t+s2

3

4.

Het kunnen herkennen van (situaties met) gevaarlijke stoffen en het kunnen leiding geven bij een inzet waarbij gevaarlijke stoffen (dreigen) vrij (te) komen, in afwachting van de komst van de officier van dienst

i+t+s2

3

Deel J

Code

Betekenis

 

Kennis

k1

kunnen opzoeken

k2

kunnen herkennen

k3

uit het hoofd kunnen noemen

i

inzicht
– kunnen noemen van consequenties/gevolgen
– kunnen formuleren in eigen woorden

t

toepassen
kunnen gebruiken van standaardbegrippen, -principes, -regels, -methoden en -technieken

p

probleem oplossen
kunnen kiezen of ontwikkelen van andere dan standaardbegrippen, -principes, -regels, -methoden en -technieken

 

motorische vaardigheden

m1

kunnen verrichten van motorische/zintuiglijke vaardigheden

m2

bedreven zijn in bepaalde motorische/zintuiglijke vaardigheden

 

sociale vaardigheden

s1

beschikken over bepaalde sociale vaardigheden

s2

beheersen van bepaalde sociale vaardigheden

 

 

 

 

    
 

x

   

home | de wet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x