BESLUIT van 25 augustus 2006, houdende regels ter zake van de
behandeling van klachten over de raad voor de kinderbescherming door een
externe klachtencommissie (Besluit externe klachtencommissie raad
voor de kinderbescherming)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 8 juni
2006, Directie Wetgeving,
nr. 5424309/06/6;
Gelet op artikel 239, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek;
De Raad van State gehoord (advies van 27 juli 2006, nr.
W03.06.0195/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van
22 augustus 2006 Directie Wetgeving, nr. 5436001/06/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
b. algemeen directeur: de algemeen directeur, bedoeld in artikel
1, tweede lid, van het Organisatiebesluit raad voor de
kinderbescherming 2006;
c. raad: de raad voor de kinderbescherming, bedoeld in artikel
238, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 2
Eenieder heeft het recht om over de wijze waarop een medewerker van
de raad zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander
heeft gedragen, schriftelijk een klacht in te dienen bij de
klachtencommissie, bedoeld in artikel 15.
Artikel 3
1. Alvorens een klacht aan de klachtencommissie voor te leggen,
dient de klager over de gedraging een klacht in bij de raad, tenzij de
klacht betrekking heeft op de wijze van klachtbehandeling door de
raad.
2. Indien naar het oordeel van de klachtencommissie ten aanzien
van de in het klaagschrift bedoelde gedraging voor de klager de
mogelijkheid openstaat de klacht in te dienen bij de raad of bij Onze
Minister indien het een klacht tegen de algemeen directeur betreft,
wijst zij de klager onverwijld op deze mogelijkheid en draagt zij het
klaagschrift over, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend,
aan de raad dan wel Onze Minister ter afhandeling, tenzij de klager
kenbaar heeft gemaakt dat het klaagschrift aan hem moet worden
teruggezonden. Het tijdstip van ontvangst bij de klachtencommissie is
bepalend voor de vraag of het klaagschrift tijdig is ingediend.
Artikel 4
1. De klager kan zijn klacht binnen zes weken nadat de raad
zijn beslissing heeft genomen of ingevolge artikel 9:11 van de
Algemene wet bestuursrecht had behoren te nemen, aan de
klachtencommissie voorleggen. Een klacht die na afloop van deze
termijn is ingediend, kan alsnog in behandeling worden genomen indien
redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim
is geweest.
2. De klachtencommissie bevestigt onverwijld de ontvangst van het
klaagschrift schriftelijk. In deze bevestiging is de mededeling
opgenomen dat de klager zich bij de behandeling van de klacht kan doen
bijstaan door een raadsman of een vertrouwenspersoon.
3. Indien de klacht verband houdt met een aangelegenheid waarover
de raad een verzoek bij de rechter heeft ingediend of de rechter
adviseert en de rechter over die aangelegenheid nog geen beslissing
heeft genomen, stelt de raad na ontvangst van bericht door de
klachtencommissie, de rechter onverwijld schriftelijk in kennis van het
indienen van de klacht bij de klachtencommissie.
Hoofdstuk 2. De behandeling van de klacht
Artikel 5
1. Het klaagschrift is ondertekend door de klager en bevat in
ieder geval:
a. de naam en het adres van de klager;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de gedraging waartegen de klacht is
gericht, een aanduiding van de medewerker van de raad die zich aldus
heeft gedragen en een aanduiding van degene jegens wie de gedraging
heeft plaatsgevonden, indien deze niet de klager is;
d. de gronden van het klaagschrift;
e. de wijze waarop de klacht bij de raad is ingediend, en zo
mogelijk de bevindingen van het onderzoek naar de klacht door de raad,
zijn oordeel daarover alsmede de eventuele conclusies die de raad
hieraan heeft verbonden.
2. Indien het klaagschrift in een vreemde taal is gesteld en een
vertaling voor een goede behandeling van de klacht noodzakelijk is,
draagt de klager zorg voor een vertaling.
3. Indien niet is voldaan aan de in dit artikel gestelde
vereisten, stelt de klachtencommissie de klager in de gelegenheid het
verzuim binnen een door haar daartoe gestelde termijn te herstellen.
Artikel 6
De klachtencommissie is niet bevoegd een klacht te behandelen die
betrekking heeft op een gedraging van de algemeen directeur.
Artikel 7
De klachtencommissie is niet verplicht de klacht te behandelen
indien:
a. het klaagschrift niet voldoet aan de vereisten, bedoeld in
artikel 5;
b. de klacht kennelijk ongegrond is;
c. het belang van de klager bij onderzoek door de
klachtencommissie dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk
onvoldoende is;
d. de klager een ander is dan degene jegens wie de gedraging
heeft plaatsgevonden;
e. de klacht betrekking heeft op een gedraging waartegen bezwaar
kan worden gemaakt, waartegen een bezwaarprocedure aanhangig is of
waartegen beroep kan worden ingesteld;
f. de klacht betrekking heeft op een gedraging waartegen door de
klager bezwaar had kunnen worden gemaakt of waartegen door de klager
beroep had kunnen worden ingesteld;
g. niet is voldaan aan het vereiste van artikel 3, eerste lid;
h. een klacht, dezelfde gedraging betreffende, bij de
klachtencommissie in behandeling is of, behoudens indien een nieuw
feit of een nieuwe omstandigheid bekend is geworden en zulks tot een
ander oordeel over de bedoelde gedraging zou hebben kunnen leiden,
door haar is afgedaan.
Artikel 8
Indien de klachtencommissie op grond van de artikelen 6 of 7 de
klacht niet in behandeling neemt, deelt zij dit onder vermelding van de
redenen zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de klager mee. De
kennisgeving vermeldt tevens binnen welke termijn de klager een
verzoekschrift bij de Nationale ombudsman kan indienen.
Artikel 9
1. De klachtencommissie beoordeelt de klacht. Indien zij de
klacht van eenvoudige aard acht, kan zij beslissen dat de voorzitter
van de klachtencommissie de klacht zelfstandig behandelt
overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 13.
2. De voorzitter kan de zaak te allen tijde verwijzen naar de
klachtencommissie. Van die verwijzing wordt schriftelijk mededeling
gedaan aan de klager alsmede aan degene op wiens gedraging de klacht
betrekking heeft.
Artikel 10
1. De klachtencommissie stelt de klager, degene op wiens
gedraging de klacht betrekking heeft alsmede de raad in de gelegenheid
hun zienswijze naar voren te brengen.
2. Bij de behandeling van de klacht door de klachtencommissie kan
zowel de klager als degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft
zich door een raadsman of vertrouwenspersoon doen bijstaan.
Artikel 11
1. Binnen een door de klachtencommissie te bepalen termijn
worden ten behoeve van de beoordeling van de klacht de onder de raad,
degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft, en bij anderen
berustende stukken aan haar overgelegd nadat zij hiertoe schriftelijk
een verzoek heeft gedaan. De klachtencommissie kan ook bij andere
personen mondeling of schriftelijk inlichtingen inwinnen.
2. Degenen die ingevolge het eerste lid verplicht zijn stukken
over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het
overleggen van stukken of het geven van inlichtingen weigeren of de
klachtencommissie mededelen dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen
van de stukken of de inlichtingen.
3. De klachtencommissie beslist of de in het tweede lid bedoelde
weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming
gerechtvaardigd is.
4. Indien de klachtencommissie heeft beslist dat de weigering
gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.
Artikel 12
1. De klachtencommissie onderzoekt de klacht en geeft haar
bevindingen en haar oordeel binnen zes weken of, indien de zienswijze,
bedoeld in artikel 10, eerste lid, mondeling naar voren is gebracht,
binnen tien weken na ontvangst van het klaagschrift.
2. De klachtencommissie kan de afhandeling van de klacht voor ten
hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk
mededeling gedaan aan de klager, aan degene op wiens gedraging de klacht
betrekking heeft en aan de raad.
Artikel 13
1. De klachtencommissie stelt de klager en degene op wiens
gedraging de klacht betrekking heeft schriftelijk en gemotiveerd in
kennis van de bevindingen van het onderzoek naar de klacht en haar
oordeel daarover. De kennisgeving vermeldt tevens binnen welke termijn
de klager een verzoekschrift bij de Nationale ombudsman kan indienen.
2. Een afschrift van haar bevindingen en oordeel zendt de
klachtencommissie aan Onze Minister en aan de raad.
3. Indien de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond is bevonden,
deelt de raad binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen en het
oordeel van de klachtencommissie schriftelijk aan klager mee of en zo
ja, welke gevolgen de raad hieraan binnen de organisatie verbindt. Een
afschrift van deze mededeling wordt gezonden aan de klachtencommissie.
4. Indien de rechter nog geen beslissing heeft genomen in de
aangelegenheid waarmee de klacht verband houdt, zendt de raad de rechter
onverwijld de bevindingen en het oordeel van de klachtencommissie,
tenzij de klager hiertegen gemotiveerd zijn bedenkingen kenbaar heeft
gemaakt dan wel redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze
bevindingen geen invloed zullen hebben op de aangelegenheid waarover de
rechter nog moet beslissen. In deze gevallen deelt de raad de rechter
schriftelijk mee dat op de klacht is beslist. Op verzoek van de rechter
stelt de raad de rechter in kennis van de inhoud van de klacht en van de
bevindingen van het onderzoek naar de klacht en het oordeel daarover van
de klachtencommissie.
Artikel 14
De raad draagt zorg voor registratie van de bij de klachtencommissie
ingediende schriftelijke klachten en van de bevindingen en het oordeel
van de klachtencommissie. De geregistreerde klachten en de gevolgen,
bedoeld in artikel 13, derde lid, die daaraan door de raad worden
verbonden, worden jaarlijks in geanonimiseerde vorm gepubliceerd.
Hoofdstuk 3. De klachtencommissies
Artikel 15
1. Er zijn vijf klachtencommissies. Elke commissie behandelt de
klachten over gedragingen van de medewerker van de raad, werkzaam op
het landelijk bureau of in de regio, bedoeld in artikel 2, van het
Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming 2006, waarvoor zij
bevoegd is.
2. De bevoegdheidsverdeling van de klachtencommissies is de
volgende. Er is een klachtencommissie voor de:
a. regio Friesland en Flevoland en regio Groningen en Drente;
b. regio Overijssel en regio Gelderland;
c. regio Utrecht, regio Amsterdam, regio Noord-Holland, het
landelijk bureau en de Landelijke directie met uitzondering van de
algemeen directeur;
d. regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord en Midden, regio
Rotterdam-Rijnmond en regio Zuid-Holland Zuid en Zeeland;
e. regio Oost-Brabant, regio Midden- en West-Brabant en regio
Limburg.
3. Van de klachtencommissie mogen geen lid worden:
a. medewerkers van de raad en
b. personen die werkzaam zijn geweest voor de raad indien minder
dan drie jaar is verstreken nadat hun dienstverband bij de raad is
beëindigd.
4. De klachtencommissie bestaat uit de volgende leden:
a. een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters,
zijnde rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, door Onze
Minister benoemd, op voordracht van de Raad voor de rechtspraak,
gehoord de rechtbank waar de voorzitter of plaatsvervangende
voorzitter werkzaam is;
b. een lid en een of meer plaatsvervangende leden, deskundig op het
terrein van jeugdzorg of jeugdwelzijn en betrokken bij de
maatschappelijke ontwikkelingen binnen de jeugdbescherming, door Onze
Minister benoemd op voordracht van het provinciebestuur of op
gemeenschappelijke voordracht van de provinciebesturen van de
provincies waarin het betreffende regiogebied is gelegen;
c. een lid en een of meer plaatsvervangende leden, deskundig op het
terrein van jeugdzorg of jeugdwelzijn en betrokken bij de
maatschappelijke ontwikkelingen binnen de jeugdbescherming, benoemd
door Onze Minister.
5. De voorzitter en de leden van de klachtencommissie worden
benoemd voor de tijd van zes jaar. Zij kunnen aansluitend op die termijn
éénmaal voor een gelijke termijn worden herbenoemd. Zij zijn bevoegd
als plaatsvervangend lid van de klachtencommissie in een ander
regiogebied op te treden.
6. Aan de voorzitter en aan een lid wordt op eigen verzoek
tussentijds ontslag verleend.
7. Een lid kan door Onze Minister worden ontslagen wegens
ongeschiktheid, onbekwaamheid of andere zwaarwegende gronden. Omtrent
het voornemen tot ontslag wordt de betrokkene door of namens Onze
Minister gehoord.
Artikel 16
1. Onverminderd artikel 9 houdt de klachtencommissie zitting en
beslist met drie leden. De voorzitter wijst de leden aan.
2. Onze Minister voegt aan elke klachtencommissie een secretaris
toe. De secretaris is bevoegd als plaatsvervangend secretaris in een
ander regiogebied op te treden.
Artikel 17
1. De voorzitter van de klachtencommissie bepaalt in overleg
met de secretaris plaats, dag en uur van de zittingen.
2. De voor de klachtencommissie bestemde stukken worden ingediend
bij haar secretaris.
Artikel 18
1. De leden van de klachtencommissie ontvangen een vergoeding
voor reis- en verblijfkosten. Voor het deelnemen aan een zitting ter
behandeling van klachten ontvangen zij een vacatiegeld overeenkomstig
de door Onze Minister te stellen regels.
2. Aan de secretaris wordt voor zijn werkzaamheden een
afzonderlijke vergoeding toegekend tot een nader door Onze Minister te
bepalen bedrag.
Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 19
Het Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming wordt
ingetrokken.
Artikel 20
De op het moment van inwerkingtreding van dit besluit in de
klachtencommissies zitting hebbende leden, blijven daarin zitting houden
voor de duur van hun benoeming.
Artikel 21
Klaagschriften die voor de inwerkingtreding van dit besluit bij de
klachtencommissie zijn ontvangen, worden door de klachtencommissie
behandeld met toepassing van het voor de inwerkingtreding van dit
besluit geldende recht.
Artikel 22
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 23
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit externe klachtencommissie
raad voor de kinderbescherming.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 25 augustus 2006
BEATRIX
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de negentiende september 2006
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner