| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Boek 1 Burgerlijk
Wetboek (Boek 1 BW)
BESLUIT
HUWELIJKSGOEDERENREGISTER 1969
Tekst zoals deze geldt op
4 februari 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 26 november 1969, houdende regelen betreffende de wijze
van inrichting en raadpleging van het huwelijksgoederenregister, bedoeld
in artikel 116 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 24 september
1969, stafafdeling Wetgeving nieuw Burgerlijk Wetboek, nr. 373/669;
Gelet op artikel 116, alsmede de artikelen 86, 90, 104, 105, 106,
110, 112, 178, 189 en 196 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
De Raad van State gehoord (advies van 22 oktober 1969, nr. 41);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 21
november 1969, stafafdeling Wetgeving nieuw Burgerlijk Wetboek, nr.
490/669;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. Wanneer een inschrijving wordt verlangd in het
huwelijksgoederenregister, moeten de volgende stukken aan de griffier
worden overgelegd:
a. ter inschrijving van bepalingen in huwelijkse voorwaarden of in
voorwaarden van een geregistreerd partnerschap: een authentiek
afschrift of uittreksel van de akte waarbij die bepalingen zijn
vastgesteld;
b. ter inschrijving van een rechterlijke uitspraak als bedoeld in
de artikelen 86 en 91 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: een
authentiek afschrift van de uitspraak;
c. ter inschrijving van de eis tot opheffing van de gemeenschap,
bedoeld in artikel 110 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: het
exploit van dagvaarding;
d. ter inschrijving van een rechterlijke uitspraak als bedoeld in
de artikelen 112 en 173 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: een
authentiek afschrift van de uitspraak alsmede, in het eerste geval, de
verklaring van de griffier, strekkende tot bewijs dat tegen de
uitspraak door geen wettig middel kan worden opgekomen;
2. Van een verklaring houdende afstand van een
huwelijksgemeenschap of een gemeenschap van een geregistreerd
partnerschap bedoeld in de artikelen 104 en 105 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek, maakt de griffier een akte op, die degene die
afstand doet in persoon of bij gevolmachtigde ondertekent.
3. 3. Van een verklaring van de echtgenoten dat de scheiding van
tafel en bed heeft opgehouden te bestaan, als bedoeld in artikel 176 van
Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, maakt de griffier een akte op, die de
echtgenoten in persoon of bij gevolmachtigde ondertekenen.
4. Indien de in de leden 2 en 3 genoemde gevolmachtigde niet
advocaat of notaris is, moet een authentieke of onderhandse volmacht
worden overgelegd. Een onderhandse volmacht wordt aan de akte gehecht.
Artikel 2
Een verlenging overeenkomstig artikel 106 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek van de termijn voor het doen van afstand wordt door
de griffier ambtshalve in het register aangetekend.
Artikel 3
1. Voor elk echtpaar of elk geregistreerd paar te wiens aanzien
een inschrijving geschiedt, wordt een kaart en zo nodig een omslag
aangehouden, vermeldende naam en voornamen van de man en van de vrouw
dan wel van de beide personen, alsmede plaats en datum van de
huwelijksvoltrekking of het geregistreerd partnerschap dat is
aangegaan.
2. Op de kaart worden de inschrijvingen, met vermelding van hun
dagtekening, aangebracht en door de griffier ondertekend.
3. In het omslag worden de stukken, genoemd in artikel 1, eerste
lid onder a, b en d, tweede en derde lid, bewaard.
4. De kaarten dragen een nummer en worden gerangschikt in
alfabetische volgorde naar de geslachtsnaam van de man, indien het een
geregistreerd paar betreft, wordt de geslachtsnaam gekozen van die
persoon wiens geslachtsnaam op grond van alfabetische volgorde het eerst
in aanmerking komt. Het nummer van de kaart wordt op het omslag
aangebracht.
Artikel 4
De griffier is verplicht aan ieder kosteloos inzage van het register
te verstrekken. Hij is voorts verplicht om - met inachtneming van het
bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken bepaalde - aan
ieder een uittreksel uit het register te verstrekken.
Artikel 5
Ons Besluit van 15 september 1956, Stb. 1956, 480, wordt
ingetrokken.
Artikel 6
1. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1970.
2. Het kan worden aangehaald als Besluit
Huwelijksgoederenregister 1969.
Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering
van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en
waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 26 november 1969
JULIANA
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
Uitgegeven de vierde december 1969
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
|
|
|