BESLUIT van 14 november 1986 tot hernieuwde vaststelling van het
Besluit oproepingen en mededelingen verzoekschriftprocedure
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 23 juli 1986,
Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 336/686;
Gelet op artikel 429r van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering en artikel 414, eerste lid, van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek;
De Raad van State gehoord (advies van 6 oktober 1986,
nr.
W03.86.03.94);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 3 november
1986, nr. 451/686;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel I
Het Besluit oproepingen en mededelingen verzoekschriftprocedure van
24 oktober 1969, Stb. 470, wordt opnieuw vastgesteld als volgt:
Artikel 1
In zaken waarop de Twaalfde Titel van het Eerste Boek van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is, geschieden
oproepingen, mededelingen en zendingen op de wijze als in dit Besluit
bepaald, voorzover in de wet niet anders wordt voorgeschreven.
Artikel 2
Oproepingen, mededelingen en zendingen, bestemd voor verzoekers en
appellanten of voor in de desbetreffende instantie verschenen
belanghebbenden, geschieden door de griffier bij gewone brief, tenzij de
rechter anders bepaalt.
Artikel 3
Oproepingen, mededelingen en zendingen, bestemd voor in de
desbetreffende instantie niet verschenen belanghebbenden, geschieden
door de griffier bij aangetekende brief, tenzij de rechter anders
bepaalt.
Artikel 3a
De oproeping van belanghebbenden, bedoeld in de artikelen 482, eerste
lid, en 484, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
geschiedt bij gewone brief, tenzij de rechter-commissaris anders
bepaalt.
Artikel 4
Oproepingen, mededelingen en zendingen, bestemd voor een rechterlijke
autoriteit, het openbaar ministerie of de raad voor de
kinderbescherming, geschieden door de griffier bij gewone brief.
Artikel 5
Oproepingen, mededelingen en zendingen die bij brief geschieden,
vermelden de dag van de verzending. Deze vermelding geschiedt niet
slechts op de envelop.
Artikel 6
Indien de griffier een bij aangetekende brief verzonden stuk terug
ontvangt en hem blijkt dat de geadresseerde op de dag van verzending of
uiterlijk zes dagen nadien in de daartoe bestemde registers ingeschreven
stond op het op het stuk vermelde adres, dan verzendt hij het stuk
onverwijld bij gewone brief. In de overige gevallen waarin de griffier
het stuk terug ontvangt, verbetert de griffier, indien mogelijk, het op
het stuk vermelde adres en verzendt hij dit opnieuw bij aangetekende
brief.
Artikel 7
1. Oproepingen vermelden de plaats, de dag en het uur van de
terechtzitting. Zij worden zo spoedig mogelijk en ten minste zeven
dagen voor die dag verzonden, tenzij de rechter anders bepaalt.
2. De oproepingen, behalve die van de verzoeker of appellant,
gaan vergezeld van een afschrift van het verzoekschrift, tenzij een
oproeping op andere wijze dan bij brief of exploit geschiedt, of de
rechter anders bepaalt; in deze gevallen bevat de oproeping een korte
omschrijving van het verzoek.
Artikel 8
1. Tenzij de rechter anders bepaalt, geschiedt de oproeping van
een getuige die op verzoek van een door een procureur of advocaat
vertegenwoordigde partij zal worden gehoord, door een procureur of
advocaat, en die van andere getuigen door de griffier. De oproeping
wordt ten minste zeven dagen voor het verhoor verzonden bij
aangetekende brief.
2. Indien een ten verhore opgeroepen getuige niet verschijnt, kan
de rechter desverlangd of ambtshalve een dag bepalen waartegen de
getuige met inachtneming van een termijn van ten minste zeven dagen voor
het verhoor zal worden gedagvaard.
3. De rechter kan bevelen dat een bij dagvaarding opgeroepen doch
niet verschenen getuige door de openbare macht voor hem wordt gebracht
om aan zijn verplichting te voldoen.
Artikel 9
De oproeping van een getuige vermeldt de plaats, de dag en het uur
van het verhoor en maakt melding van de feiten waaromtrent bewijs moet
worden geleverd, alsmede van de gevolgen, verbonden aan het niet
verschijnen.
Artikel 10
De artikelen 8 en 9 zijn mede van toepassing op de oproeping van
deskundigen.
Artikel 11
Indien de behandeling van een zaak wordt aangehouden, blijft een
hernieuwde oproeping van diegenen, aan wie de dag en het uur reeds
mondeling ter terechtzitting zijn medegedeeld, achterwege.
Artikel 12
Dit Besluit kan worden aangehaald als: Besluit oproepingen,
mededelingen en zendingen verzoekschriftprocedure.
Artikel II
Dit Besluit treedt in werking tegelijk met de Wet van 18 juni 1986
houdende vereenvoudiging van verzending van stukken in het burgerlijk
procesrecht, Stb. 1985, 329.
Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan
afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
’s-Gravenhage, 14 november 1986
BEATRIX
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Uitgegeven de zevenentwintigste november 1986
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes