| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Boek 2 Burgerlijk
Wetboek (Boek 2 BW)
BESLUIT
JAARREKENING BANKEN
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 10 mei 1993, houdende bepalingen voor de balans, de
winst- en verliesrekening en de toelichtingen daarop van banken
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie, mede namens
Onze Minister van Financiën, van 29 januari 1993, Stafafdeling
Wetgeving Privaatrecht, nr. 303967/93/6;
Gelet op de Richtlijn nr. 86/635/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de
geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële
instellingen (PbEG L372), alsmede op artikel 417 van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek;
Gezien het advies van De Nederlandsche Bank N.V.;
De Raad van State gehoord (advies van 15 april 1993,
nr.
W03.93.0058);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 29
april 1993, nr. 363307/93/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1. Voorschriften omtrent de balans en de toelichting daarop
Artikel 1
1.Onder de activa worden afzonderlijk opgenomen:
a. de kas, de tegoeden op girorekeningen en de onmiddellijk
opeisbare tegoeden bij centrale banken in landen waar de bank een
vestiging heeft;
b. de waardepapieren uitgegeven door publiekrechtelijke
lichamen met een oorspronkelijke looptijd van ten hoogste twee
jaar, die herfinancierbaar zijn bij de centrale bank;
c. de vorderingen;
d. de verhandelbare, uitgegeven waardepapieren met een vaste of
van de rentestand afhankelijke rente;
e. de aandelen en andere niet-vastrentende waardepapieren;
f. de deelnemingen;
g. de immateriële activa, op overeenkomstige wijze als bepaald
in artikel 365 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
h. de materiële vaste activa;
i. de overige activa;
j. de van aandeelhouders opgevraagde stortingen;
k. de overlopende activa.
2.Onder de passiva worden afzonderlijk opgenomen:
a. de schulden, al dan niet in verhandelbare schuldbewijzen
belichaamd;
b. de overlopende passiva, voor zover zij niet onder de
schulden zijn vermeld;
c. de voorzieningen, op de wijze bepaald in artikel 374 leden
1, 2 en 4 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
d. de achtergestelde schulden;
e. het eigen vermogen, op overeenkomstige wijze als bepaald in
artikel 373 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
3.Buiten de balanstelling worden opgenomen de voorwaardelijke
schulden en de onherroepelijke toezeggingen die tot een kredietrisico
kunnen leiden.
Artikel 2
1.Vermogens die de bank in eigen naam voor rekening van een ander
niet afgescheiden van haar eigen activa en passiva beheert, worden
onder de desbetreffende balansposten opgenomen.
2.Indien bij een verkoop van activa teruglevering tegen een
bepaalde prijs is bedongen, wordt de bij verkoop ontvangen prijs als
schuld tegenover deze activa opgenomen en wordt in de toelichting het
bedrag van de overgedragen activa vermeld.
3.Deviezentermijntransacties, termijntransacties ter beurze en
terugkoopbedingen bij de uitgifte van obligaties of andere
vastrentende waardepapieren worden in geen geval als een verkoop van
activa met beding van teruglevering aangemerkt.
4.Tot zekerheid ontvangen activa worden slechts op de balans
opgenomen, indien het gereed geld betreft.
Artikel 3
1. Onder de vorderingen worden afzonderlijk opgenomen:
a. vorderingen op banken, met inbegrip van de bij een koop van
activa door de bank betaalde prijs, indien teruglevering tegen een
bepaalde prijs is bedongen en met afzonderlijke vermelding van de
onmiddellijk opeisbare vorderingen;
b. vorderingen op klanten, niet zijnde banken, met inbegrip van
de bij een koop van activa door de bank betaalde prijs, indien
teruglevering tegen een bepaalde prijs is bedongen.
2. Onder banken als bedoeld in het eerste lid worden verstaan:
a. binnen het grondgebied van de Europese Unie gevestigde
banken die zijn toegelaten het bedrijf van bank uit te oefenen;
b. buiten het grondgebied van de Europese Unie gevestigde
banken;
c. centrale banken of andere volkenrechtelijke of
publiekrechtelijke banken.
3. Onder waardepapieren met een vaste of van de rentestand
afhankelijke rente worden vermeld die uitgegeven door
publiekrechtelijke lichamen en door anderen. Deze waardepapieren
worden tevens onderscheiden naar gelang zij al dan niet als vaste
activa worden aangemerkt, onder vermelding van de maatstaf ter
onderscheiding die hiervoor is gebruikt, alsmede naar gelang zij al
dan niet zijn opgenomen in een prijscourant van een beurs. Opgegeven
wordt het bedrag dat opeisbaar wordt tijdens het boekjaar volgend op
dat waarop de jaarrekening betrekking heeft.
4. Eigen waardepapieren met een vaste of van de rentestand
afhankelijke rente die de bank houdt of doet houden, mogen niet worden
geactiveerd, tenzij deze waardepapieren niet als vaste activa worden
aangemerkt, zij in omloop zijn gebracht en niet achtergesteld zijn, en
het handel betreft. Het bedrag van deze waardepapieren wordt alsdan
vermeld.
5. Onderscheiden naar de in lid 1 bedoelde groepen van vorderingen
en naar de in lid 3, eerste volzin, bedoelde waardepapieren worden
aangegeven de al dan niet in schuldbewijzen belichaamde vorderingen op
groepsmaatschappijen en die op andere rechtspersonen en
vennootschappen die een deelneming hebben in de bank of waarin de bank
een deelneming heeft.
6. Vermeld wordt welke van de vorderingen, bedoeld in lid 1, onder
a en b, en welke van de waardepapieren, bedoeld in lid 3, telkens
zoals nader onderscheiden op grond van lid 5, achtergesteld zijn.
7. De in lid 5 bedoelde uitsplitsing wordt eveneens vermeld bij de
activa, bedoeld in artikel 1 lid 1, onder b.
8. Vermeld wordt tot welk bedrag de looptijd van vorderingen op
klanten onbepaald is. Bij de overige vorderingen op klanten alsmede
bij de niet onmiddellijk opeisbare vorderingen op banken wordt
aangegeven tot welk bedrag de resterende looptijd tot aan elke
aflossing:
a. drie maanden of korter is;
b. langer is dan drie maanden, maar niet langer dan een jaar;
c. langer is dan een jaar, maar niet langer dan vijf jaar;
d. langer is dan vijf jaar.
Artikel 4
1. Onder de deelnemingen worden afzonderlijk opgenomen:
a. de deelnemingen in groepsmaatschappijen met afzonderlijke
vermelding van de deelnemingen in groepsmaatschappijen die bank
zijn als bedoeld in artikel 3 lid 2;
b. de overige deelnemingen met afzonderlijke vermelding van de
deelnemingen in banken als bedoeld in artikel 3 lid 2.
2. Onderscheiden naar de in arikel 1 lid 1, onder e, bedoelde groep
en naar de in lid 1 bedoelde groepen van deelnemingen worden
aangegeven de al dan niet in een prijscourant van een beurs opgenomen
waardepapieren. De aandelen en andere niet-vastrentende waardepapieren
worden tevens onderscheiden naar gelang zij al dan niet als vaste
activa worden aangemerkt, onder vermelding van de maatstaf ter
onderscheiding die hiervoor is gebruikt.
Artikel 5
1.Onder de materiële vaste activa worden afzonderlijk vermeld de
terreinen en gebouwen voor eigen gebruik.
2.Tenzij de bestanddelen van de overige activa van ondergeschikte
betekenis zijn op het geheel van de activa, worden zij naar aard en
omvang toegelicht.
Artikel 6
1. Onder schulden worden afzonderlijk opgenomen:
a. de schulden aan banken als bedoeld in artikel 3 lid 2,
onderscheiden naar de onmiddellijk opeisbare schulden en de
overige schulden;
b. de schulden aan klanten, niet zijnde banken, onderscheiden
naar spaargelden en andere schulden en voor beide groepen eveneens
onderscheiden naar de onmiddellijk opeisbare schulden en de
overige schulden;
c. de schulden in schuldbewijzen belichaamd, onderscheiden naar
verhandelbare schuldbewijzen met een vaste of van de rentestand
afhankelijke rente en de overige schuldbewijzen;
d. de overige schulden, onder vermelding van de aard en omvang
van de schulden die van belang zijn op het geheel van de schulden.
2. Onder schulden aan banken of aan klanten wordt begrepen de bij
een verkoop van activa door de bank ontvangen prijs, indien
teruglevering tegen een bepaalde prijs is bedongen.
3. Onderscheiden naar de in lid 1, onder a, b en c genoemde groepen
van schulden, worden aangegeven de al dan niet in een schuldbewijs
belichaamde schulden aan groepsmaatschappijen en die aan andere
rechtspersonen en vennootschappen die een deelneming hebben in de bank
of waarin de bank een deelneming heeft.
4. Bij de verhandelbare schuldbewijzen met een vaste of van de
rentestand afhankelijke rente wordt het bedrag vermeld dat opeisbaar
wordt tijdens het boekjaar volgend op dat waarop de jaarrekening
betrekking heeft.
5. Van de schulden die in rang zijn achtergesteld bij de andere
schulden worden de in lid 3 bedoelde uitsplitsing alsmede de in het
boekjaar op deze schulden betaalde lasten vermeld. Van elk van de
achtergestelde schulden die meer beloopt dan een tiende van het bedrag
van alle achtergestelde schulden worden vermeld:
a. bedrag, geldeenheid, rentevoet en looptijd, hetzij bepaald,
hetzij onbepaald;
b. de voorwaarden van de achterstelling;
c. eventuele bedingen die kunnen leiden tot een vervroegde
aflossing of tot omzetting in kapitaal of andere passiva.
Bij de overige achtergestelde schulden worden globaal de bedongen
voorwaarden medegedeeld. Zij worden gesplitst overeenkomstig artikel 3
lid 8.
6. Bij converteerbare leningen worden de voorwaarden van conversie
medegedeeld.
7. De niet onmiddellijk opeisbare schulden aan banken alsmede die
aan klanten, de spaargelden en de schulden belichaamd in de overige
schuldbewijzen, bedoeld in lid 1, onder c, worden gesplitst
overeenkomstig artikel 3 lid 8.
Artikel 7
1.De buiten de balanstelling op te nemen voorwaardelijke schulden
worden onderscheiden naar voorwaardelijke schulden uit hoofde van
a. verdisconteerde wissels;
b. aansprakelijkstellingen en gestelde zekerheden voor schulden
van anderen;
c. onherroepelijke accreditieven en overige voorwaardelijke
schulden.
2.Onder de buiten de balanstelling op te nemen onherroepelijke
toezeggingen die tot een kredietrisico kunnen leiden, wordt het bedrag
opgenomen van de nog niet uitgeoefende opties tot teruglevering van
door de bank verkochte activa.
3.Tenzij de in de leden 1 en 2 onderscheiden groepen van
voorwaardelijke schulden onderscheidenlijk toezeggingen van
ondergeschikte betekenis zijn op het geheel van de schulden, worden
voor elke van de onderscheiden groepen de aard en de omvang
toegelicht.
Artikel 8
Onderscheiden naar de groepen van schulden, bedoeld in artikel 6 lid
1, en naar de voorwaardelijke schulden, bedoeld in artikel 7 lid 1,
wordt aangegeven voor welke van deze schulden activa verbonden zijn,
welke activa deswege niet meer ter vrije beschikking staan en tot welk
bedrag dat is geschied.
§ 2. Voorschriften omtrent de winst- en verliesrekening en de
toelichting daarop
Artikel 9
1. Op de winst- en verliesrekening worden afzonderlijk opgenomen:
a. de baten en lasten uit de gewone bedrijfsuitoefening, de
belastingen daarover en het resultaat uit de gewone
bedrijfsuitoefening na belastingen;
b. de buitengewone baten en lasten, de belastingen daarover en
het buitengewone resultaat na belastingen;
c. de overige belastingen;
d. het resultaat na belastingen.
2. De baten en lasten uit de gewone bedrijfsuitoefening worden
gesplitst naar:
a. de rente en soorgelijke baten, die het karakter van rente
hebben, uit de activa, bedoeld in artikel 1 lid 1, onder a, b, c
en d enerzijds en de rentelasten en soortgelijke lasten, die het
karakter van rente hebben, uit de passiva, bedoeld in artikel 1
lid 2, onder a en d anderzijds; de verschillen, bedoeld in artikel
422 leden 2 en 3 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek worden
eveneens onder deze posten opgenomen; bij de rente wordt
afzonderlijk vermeld de rente uit waardepapieren met een vaste of
van de rentestand afhankelijke rente;
b. de opbrengsten uit waardepapieren, onderscheiden naar de
opbrengsten uit niet-vastrentende waardepapieren, uit deelnemingen
in groepsmaatschappijen en uit overige deelnemingen;
c. de ontvangen provisie enerzijds en betaalde provisie
anderzijds;
d. het resultaat uit financiële transacties;
e. de overige bedrijfsopbrengsten;
f. de personeels- en andere beheerskosten;
g. de afschrijvingen en de waardeverminderingen van de
immateriële en materiële vaste activa;
h. de overige bedrijfslasten;
i. de waardeverminderingen van de vorderingen, bedoeld in
artikel 3 lid 1, en de voorzieningen voor buiten de balanstelling
opgenomen voorwaardelijke schulden en onherroepelijke toezeggingen
enerzijds en de terugnemingen van deze afboekingen anderzijds;
j. de waardeverminderingen van de tot de vaste activa behorende
waardepapieren, bedoeld in de artikelen 1 lid 1, onder e, en 3 lid
3, en van de deelnemingen, bedoeld in artikel 4, enerzijds en de
terugnemingen van deze afboekingen anderzijds.
3. Tenzij artikel 420 lid 2 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
wordt toegepast of tenzij van ondergeschikte betekenis op het geheel
van de waardeverminderingen, bedoeld onder i van het vorige lid, wordt
de omvang aangegeven van de waardeverminderingen van de vorderingen op
onderscheidenlijk banken, klanten, groepsmaatschappijen en andere
rechtspersonen en vennootschappen die een deelneming hebben in de bank
of waarin de bank een deelneming heeft.
4. Tenzij artikel 420 lid 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
wordt toegepast of tenzij van ondergeschikte betekenis op het geheel
van de waardeverminderingen, bedoeld onder j van het tweede lid, wordt
de omvang aangegeven van de waardeverminderingen van onderscheidenlijk
de tot de vaste activa behorende effecten, de deelnemingen in
groepsmaatschappijen en de overige deelnemingen.
5. Tenzij de bestanddelen van de overige bedrijfsopbrengsten
onderscheidenlijk overige bedrijfslasten van ondergeschikte betekenis
zijn op het geheel van de bedrijfsopbrengsten onderscheidenlijk
bedrijfslasten, worden zij naar aard en omvang toegelicht.
6. Op de buitengewone baten en lasten is artikel 377 lid 7 van
toepassing.
Artikel 10
1.Het resultaat uit financiële transacties omvat:
a. de winst of het verlies van transacties in niet tot de vaste
activa behorende effecten, en, voor zover niet het karakter van
rente hebbende, in valuta-instrumenten en overige financiële
instrumenten, daaronder begrepen edele metalen;
b. de waardeveranderingen van de niet tot de vaste activa, maar
wel tot de handelsportefeuille behorende effecten, zoals bepaald
in artikel 420 lid 3 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.Bij de personeels- en andere beheerskosten worden afzonderlijk
vermeld:
a. de lonen en salarissen;
b. de sociale lasten met afzonderlijke vermelding van de
pensioenlasten;
c. de andere beheerskosten.
§ 3. Bijzondere voorschriften omtrent de toelichting
Artikel 11
1. Indien de werkzaamheden van de bank op het terrein van beheer en
bemiddeling voor derden van belang zijn op het geheel van de
werkzaamheden, wordt dit vermeld. Indien de bank in eigen naam voor
rekening van derden niet afgescheiden van haar eigen activa en passiva
vermogens beheert, wordt zowel het totale bedrag van de activa en
passiva als een splitsing naar de balansposten waaronder zij zijn
opgenomen vermeld. Afgescheiden vermogens die de bank in eigen naam
voor rekening van een ander beheert, worden in de toelichting vermeld.
2. Vermeld wordt de tegenwaarde in de geldeenheid van de
jaarrekening van de som van de activa onderscheidenlijk de som van de
passiva in vreemde geldeenheid.
3. Het bedrag van de lease-overeenkomsten, uitgesplitst naar de
balansposten waaronder deze voorkomen, wordt vermeld.
4. Ten aanzien van de vorderingen op banken en op klanten, alsmede
ten aanzien van de buiten de balanstelling opgenomen voorwaardelijke
schulden worden concentraties van kredietrisico’s vermeld, indien
deze van betekenis zijn op het geheel van onderscheidenlijk de
vorderingen op klanten, banken en de voorwaardelijke schulden.
5. Het bedrag van de waardepapieren die in bruikleen of
verbruikleen zijn gegeven, wordt in de toelichting vermeld. Eveneens
wordt het bedrag van de in bruikleen of verbruikleen ontvangen
waardepapieren vermeld.
Artikel 12
1.Van de op de balansdatum openstaande termijntransacties wordt,
onderscheiden naar soort termijntransactie, een overzicht gegeven.
Medegedeeld wordt voorts of een belangrijk deel van deze transacties
is aangegaan ter afdekking van risico’s en of een belangrijk deel
handel betreft.
2.Het totaal van de rentebaten, de opbrengsten uit
niet-vastrentende waardepapieren en deelnemingen, de ontvangen
provisie, het resultaat uit financiële transacties en de overige
bedrijfsopbrengsten wordt gesplitst naar gebieden, voor zover de
inrichting van het bankbedrijf naar gebied belangrijke verschillen
vertoont.
Artikel 13
Indien het bij Koninklijke boodschap van 27 juni 1991 ingediende
voorstel van wet houdende bepalingen voor de jaarrekening van banken tot
wet is verheven en in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde
tijdstip in werking. Het is van toepassing op boekjaren die op of na 1
januari 1993 aanvangen.
Artikel 14
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit jaarrekening banken.
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 10 mei 1993
BEATRIX
De Staatssecretaris van Justitie,
A. Kosto
De Minister van Financiën,
W. Kok
Uitgegeven de zevenentwintigste mei 1993
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|