De Minister van
Justitie;
Gelet op de artikelen 138 lid 10 en 248 lid 10 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
Overwegende dat het wenselijk is regels te
stellen voor de beoordeling van de gegrondheid van aanvragen als bedoeld
in de hiervoor vermelde wetsbepalingen en de grenzen waarbinnen zodanige
aanvragen kunnen worden toegewezen;
Besluit:
De Regeling van de Staatssecretaris van
Justitie ter beoordeling van verzoeken om toekenning van een
garantstelling als bedoeld in de hiervoor vermelde wetsbepalingen van
Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (Inw.tr. 26 april 1993, Stcrt. 1993,
76) in te trekken en nieuwe regels te stellen voor de gegrondheid van
dergelijke aanvragen en de grenzen waarbinnen zodanige aanvragen kunnen
worden toegewezen, welke als volgt luiden:
Artikel 1. Aanvraag
Een aanvraag, als bedoeld in de artikelen 138, lid 10 en 248, lid 10,
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 43, lid 6, van de
Faillissementswet wordt, met gebruikmaking van de als bijlage A bij dit
besluit behorende vragenlijst en vergezeld van een schriftelijk
gemotiveerde goedkeuring van de rechter-commissaris ingediend bij de
Minister van Justitie.
Artikel 2. Algemeen
1. Een voorschot als bedoeld in de artikelen 138, lid 10 en
248, lid 10, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 43, lid
6, van de Faillissementswet geschiedt in de vorm van een
garantstelling ten behoeve van een door de aanvrager bij een door de
Minister van Justitie aangewezen instelling speciaal daartoe te openen
rekening-courant.
2. De garantstelling kan worden afgegeven ten behoeve van het
instellen van een verhaalsonderzoek, vooronderzoek of het instellen van
een rechtsvordering op basis van de artikelen 9, 138 en 248 van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek en artikel 43, lid 6, van de
Faillissementswet.
3. Onder het bedrag van de garantstelling is begrepen een
vergoeding voor de door de aanvrager aan de zaak te besteden tijd en
voor zijn verschotten, waaronder de proceskosten waarin hij mogelijk
jegens de wederpartij wordt veroordeeld.
4. Geen vergoeding wordt verleend voor kosten die op het tijdstip
van de beslissing op de aanvraag reeds zijn gemaakt.
5. De vaststelling van de hoogte van de garantstelling geschiedt
overeenkomstig de systematiek van de Richtlijn voor de vaststelling van
salarissen en verschotten van curatoren in faillissementen en
bewindvoerders in (voorlopige) surséances van betaling.
6. In verband met de berekening van de hoogte van de
garantstelling kunnen nadere gegevens of bewijsstukken van de aanvrager
worden verlangd.
7. Indien een garantie wordt gegeven om een procedure te voeren
dan dienen de te maken kosten rechtstreeks betrekking te hebben op de te
voeren procedure.
8. Afschriften van beschikkingen, genomen met toepassing van deze
regeling, worden gezonden aan de rechter-commissaris.
9. Indien de boedel baten verwerft, dan dienen deze baten eerst
te worden aangewend ter dekking van de reeds gemaakte kosten en ter
bestrijding van de kosten die voortvloeien uit het voortzetten van de
procedure, alvorens (verder) gebruik te maken van de verleende
garantstelling.
Artikel 3. Afwijzing
Een aanvraag als bedoeld in artikel 1 wordt afgewezen indien:
a. daaruit niet blijkt dat de boedel ontoereikend is voor het
instellen van een verhaalsonderzoek, rechtsvordering of voor het
instellen van een voorafgaand vooronderzoek daartoe, of
b. het niet de gronden bevat waarop het berust, of
c. het geen beredeneerde schatting bevat van de kosten en de
omvang van een in te stellen verhaalsonderzoek, een in te stellen
rechtsvordering of vooronderzoek aansprakelijkheidsstelling, of
d. het niet de schriftelijke gemotiveerde goedkeuring van de
rechter-commissaris bevat, of
e. daaruit blijkt dat de hoogte van de verzochte garantstelling
in geen redelijke verhouding staat tot de hoogte van het, eventueel
na een door de aanvrager terzake ingesteld verhaals- en/of
vooronderzoek, redelijkerwijs te verwachten bedrag dat door de
inspanningen van de aanvrager kan worden verhaald.
Artikel 4. Rapportage
1. Gedurende de looptijd van de garantstelling dient de
aanvrager tenminste éénmaal per zes maanden verslag uit te brengen
aan de Minister van Justitie en de rechter-commissaris omtrent de
stand van zaken. Aan de hand van de periodieke verslagen wordt
besloten tot al dan niet voortzetting van de garantstelling.
2. Het niet voldoen aan de rapportageplicht heeft tot gevolg dat
de garantie niet wordt voortgezet.
3. Indien op grond van het tweede lid van dit artikel wordt
besloten tot niet-voortzetting, is de curator verantwoordelijk voor
aanzuivering van het tekort op de rekening-courant.
4. Een besluit om tot niet-voortzetting van de garantstelling
over te gaan wordt eerst genomen nadat de rechter-commissaris hierover
schriftelijk is geraadpleegd.
Artikel 5. Verlenging
1. De garantie wordt verleend voor de duur van ten hoogste
één jaar en kan na een daartoe strekkende aanvraag steeds met ten
hoogste eenzelfde periode worden verlengd, mits wordt voldaan aan het
gestelde in artikel 3 onder e.
2. De verlenging dient uiterlijk vier weken voor het verstrijken
van de geldigheidsduur door de aanvrager te worden aangevraagd. Het niet
tijdig aanvragen heeft tot gevolg dat de garantie niet wordt voortgezet.
3. Indien op grond van het tweede lid van dit artikel wordt
besloten tot niet-voortzetting, is de curator verantwoordelijk voor
aanzuivering van het tekort op de rekening-courant.
4. Een besluit om tot niet-voortzetting van de garantstelling
over te gaan wordt eerst genomen nadat de rechter-commissaris hierover
schriftelijk is geraadpleegd.
Artikel 6. Verhoging
1. Indien uit het in te stellen verhaalsonderzoek, zoals
bedoeld in artikel 2, lid 2, blijkt dat er sprake is van een redelijke
verhouding, zoals bedoeld in artikel 3 onder e, dan kan op aanvraag
een verhoging van de verleende garantstelling worden verstrekt ten
behoeve van het instellen van een rechtsvordering.
2. De garantie wordt niet verhoogd tenzij is voldaan aan het
gestelde in artikel 2.
Artikel 7. Beëindiging
1. De garantstelling eindigt:
a. indien baten ten goede van de boedel komen die gelijk of hoger
zijn dan het bedrag van de verleende garantstelling. In dat geval
dient de aanvrager de Minister van Justitie daarvan binnen twee weken
in kennis te stellen, of;
b. indien het faillissement is opgeheven wegens gebrek aan baten en
de aanvrager niet heeft voldaan aan het gestelde in artikel 8.
2. Indien niet is voldaan aan het gestelde in artikel 7, lid 1,
onder a of b is de curator verantwoordelijk voor aanzuivering van het
tekort op de rekening-courant.
3. Een besluit om tot terugvordering van gelden over te gaan
wordt eerst genomen nadat de rechter-commissaris hierover schriftelijk
is geraadpleegd.
Artikel 8. Rekening en Verantwoording
1. Na beëindiging van de werkzaamheden terzake waarvan de
garantstelling is verleend, legt de aanvrager uiterlijk binnen vier
weken rekening en verantwoording af met gebruikmaking van het als
bijlage bij dit besluit behorend model (Bijlage B), dat aan de
Minister van Justitie ter goedkeuring dient te worden voorgelegd.
2. Indien de curator, aan wie een garantstelling is verleend, in
het faillissement wordt opgevolgd door een andere curator, dan dient er
eerst rekening en verantwoording te worden afgelegd als bedoeld in het
eerste lid van dit artikel alvorens de opvolgend curator verder gebruik
kan maken van de reeds verleende garantstelling.
3. Na beëindiging van de procedure dienen alle gerealiseerde
baten die niet zijn aangewend zoals omschreven in artikel 2, lid 9, te
worden gebruikt ter vereffening van de debetstand op de
rekening-courant.
Artikel 9. Naam
Deze regeling wordt aangehaald als: Garantstellingsregeling curatoren
2005.
Deze regeling zal worden gepubliceerd in de Staatscourant
en treedt in werking met ingang van de vijfde dag na de dagtekening van
de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner.
Met het oog op uw aanvraag om een voorschot als bedoeld in de
artikelen 138, lid 10 en 248, lid 10, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek en artikel 43, lid 6, van de Faillissementswet wordt u verzocht
alle hieronderstaande vragen volledig te beantwoorden. Het niet volledig
beantwoorden van de vragen leidt tot vertraging in de afhandeling.
1. Indien het een vereniging, stichting of naar buitenlands recht
opgerichte rechtspersoon betreft: is de rechtspersoon onderworpen aan de
heffing van vennootschapsbelasting? ja/nee).
(Indien ‘nee’, dan kan geen beroep worden gedaan op de
Garantstellingsregeling.
2. Naam, plaats van statutaire vestiging en adres van de
rechtspersoon?
3. Datum waarop het faillissement is uitgesproken?
4. In hoeverre bevat de boedel nog middelen?
5. Hoeveel uren heeft u tot op heden in dit faillissement besteed?
6. Hoogte van de schulden aan concurrente crediteuren?
7. Hoogte van de schulden aan de preferente crediteuren?
8. Welke (rechts)personen wilt u gaan aanspreken? (namen, adressen en
vestigingsplaatsen en eventuele geboortedata- en plaatsen en functies
vermelden).
9. Geef een korte omschrijving van de gronden (feiten) waarop
aansprakelijkstelling van deze (rechts)personen zou kunnen geschieden.
10. Is nader onderzoek vereist om deze gronden (feiten) te kunnen
vaststellen? ja/nee) (Indien ‘ja’, wat zal het onderzoek gaan
inhouden?)
11. Heeft uw aanvraag betrekking op:
a. Het doen van een vooronderzoek naar verhaalsmogelijkheden? ja/nee).
b. Indien ‘ja’, wat zijn dan de kosten verbonden aan een
verhaalsonderzoek? Tevens wordt u gewezen op de mogelijkheid om via
de Belastingdienst gratis verhaalsinformatie te verkrijgen.
c. Indien ‘nee’, geef een korte omschrijving van de
vermogensbestanddelen van de (rechts)personen waarop verhaal kan
worden genomen, met aanduiding van de (vermoedelijke) concrete
waarde hiervan.
12. Heeft uw aanvraag betrekking op het doen van een vooronderzoek
aansprakelijkheidsstelling op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur
door personen die het beleid bepaald, dan wel medebepaald hebben? ja/nee)
(Indien ‘ja’, wat zijn dan de kosten verbonden aan een dergelijk
vooronderzoek en wat zal het voorgenomen vooronderzoek gaan inhouden?)
13. Heeft uw aanvraag betrekking op het voeren van een procedure om
de personen die het beleid bepaald dan wel medebepaald hebben
aansprakelijk te stellen op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur? ja/nee)
(Indien ‘ja’, dan kan uitsluitend een garantstelling worden verleend
indien de resultaten van de vooronderzoeken daartoe aanleiding geven)
14. Heeft uw aanvraag betrekking op een faillissementspauliana? ja/nee)
(Indien ‘ja’, geef een korte beschrijving van de feiten en
omstandigheden waaronder de paulianeuze handeling is verricht)
15. Welke personen of rechtspersonen zijn betrokken bij de
paulianeuze handeling? (namen, adressen en vestigingsplaatsen en
eventuele geboortedata- en plaatsen en functies vermelden).
16. Is voor het vaststellen van de pauliana nog nader onderzoek
nodig? ja/nee) (Indien ‘ja’, wat zal het onderzoek gaan
inhouden?)
17. Is er op de goederen die door de paulianeuze handeling aan het
vermogen van de failliet zijn onttrokken reeds beslag gelegd? ja/nee*
18. Is er reeds beslag op vermogensbestanddelen gelegd? ja/nee)
(Indien ‘ja’, tot welk bedrag?)
19. Hebt u al een begin gemaakt met de procedure? ja/nee)
(Indien ‘ja’, welke stappen heeft u reeds ondernomen? Stuur alle
hierop betrekking hebbende stukken mee)
20. Kunt u middels het bijgaande formulier ‘specificatie te
verwachten kosten’ het bedrag danwel de bedragen zoals bij de vragen
10 t/m 12 aangegeven nader toelichten door een schatting te geven van de
door u te besteden uren, de verschotten en eventuele andere kosten?
21. Wat is de vermoedelijke tijdsduur die met het onderzoek en/of de
aansprakelijkstelling gemoeid zal zijn?
22. Heeft u aan de gegeven antwoorden nog iets toe te voegen dat van
belang kan zijn voor de beoordeling van uw aanvraag?
Advies van de rechter-commissaris
Ondergetekende adviseert de Minister van Justitie de gevraagde
garantstelling wel/niet) te verlenen, omdat
Motivering