Hoofdstuk I. Fondsen
Titel 1. Algemeen
Artikel 1
Een fonds als bedoeld in artikel 1637s, tweede lid, onder c,
van het Burgerlijk Wetboek moet een rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid zijn. Indien het een fonds betreft ter behartiging
van algemene belangen van bedrijfsgenoten in een bedrijfstak
gezamenlijk, dienen statuten en reglementen te voldoen aan de
voorschriften gesteld in titel 2. Betreft het een ander fonds, dan
moeten de statuten en reglementen voldoen aan de voorschriften gesteld
in titel 3.
Titel 2. Fondsen ter behartiging van algemene belangen van
bedrijfsgenoten in een bedrijfstak gezamenlijk
Artikel 1a
1. De statuten of reglementen moeten bepalen dat aan de
verplichting van de werknemers tot het bijdragen aan het fonds ten
grondslag moet liggen:
hetzij een bepaling in een collectieve arbeidsovereenkomst;
hetzij een algemeen verbindend verklaarde bepaling van een
collectieve arbeidsovereenkomst;
hetzij een regeling krachtens artikel 5 of artikel 6 van de Wet op
de loonvorming (Stb. 1970, 69);
hetzij een verordening van een bedrijf of een hoofdbedrijfschap.
2. Uit de in het eerste lid bedoelde bepaling moet tevens
blijken, welk bedrag ten behoeve van het fonds door de werkgever op
het loon van de werknemers mag worden ingehouden.
Artikel 1b
De statuten of reglementen van het fonds moeten de doelstelling
inhouden, met een nauwkeurige aanduiding van de belangen die het fonds
behartigt en de bedrijfstak waarin het werkt.
Artikel 1c
Het bestuur van het fonds moet ingevolge de statuten voor tenminste
éénderde bestaan uit vertegenwoordigers van werknemers, met dien
verstande dat het aantal vertegenwoordigers van werknemers tenminste
gelijk dient te zijn aan het aantal vertegenwoordigers van werkgevers.
Artikel 1d
1. Het bestuur van het fonds moet ingevolge de statuten met
het beheer van het fondsvermogen zijn belast.
2. De statuten moeten bepalingen inhouden betreffende:
a. de wijze van beheer van het vermogen van het fonds, waaronder
begrepen de wijze van belegging van de daartoe beschikbare gelden,
welke bepalingen waarborgen dienen in te houden, dat de belegging op
solide wijze geschiedt;
b. de plaats waar de aan het fonds toebehorende gelden, effecten
en andere bescheiden worden bewaard;
c. de vaststelling en de wijze van verrekening van de kosten van
het beheer.
Artikel 1e
De statuten of reglementen van het fonds moeten voorts bepalingen
inhouden betreffende:
a. de wijze waarop het bestuur van het fonds wordt
samengesteld;
b. de bestemming van het vermogen van het fonds in geval van
vereffening.
Artikel 1f
1. Het bestuur van het fonds stelt ingevolge de statuten
jaarlijks een verslag op, dat een getrouw beeld geeft van de grootte
en de samenstelling van het vermogen van het fonds en van de
ontwikkeling daarvan gedurende het boekjaar. Het bestuur legt in het
verslag rekenschap af van het gevoerde beleid.
2. Het verslag moet zijn gecontroleerd door een
registeraccountant of andere accountant die bevoegd is een verklaring
omtrent de getrouwheid van het verslag af te leggen.
3. Het verslag wordt ter inzage van de bij het fonds betrokken
werkgevers en werknemers neergelegd:
a. ten kantore van het fonds;
b. op een of meer door Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aan te wijzen plaatsen.
4. Het verslag wordt op aanvraag aan de bij het fonds betrokken
werkgevers en werknemers toegezonden tegen betaling van de daaraan
verbonden kosten.
Artikel 1g
De statuten moeten bepalen dat de reglementen, alsmede de in de
statuten en reglementen aangebrachte wijzigingen niet in werking
zullen treden alvorens een volledig exemplaar van die stukken
onderscheidenlijk van de wijzigingen daarin, door het bestuur
ondertekend, voor een ieder ter inzage is neergelegd ter griffie van
de rechtbank in het arrondissement waarin het fonds is gevestigd.
Titel 3. Andere fondsen
Artikel 2
Het bestuur van het fonds moet ingevolge de statuten voor ten
minste de helft bestaan uit vertegenwoordigers van de deelnemers.
Artikel 3
1. Het bestuur van het fonds moet ingevolge de statuten met
het beheer van het fondsvermogen zijn belast.
2. De statuten moeten bepalingen inhouden betreffende:
a. de wijze van beheer van het vermogen van het fonds, waaronder
begrepen de wijze van belegging van de daartoe beschikbare gelden,
welke bepalingen waarborgen dienen in te houden, dat de belegging op
solide wijze geschiedt;
b. de plaats waar de aan het fonds toebehorende gelden, effecten
en andere bescheiden worden bewaard;
c. de vaststelling en de wijze van verrekening van de kosten van
het beheer.
3. Uit de statuten van het fonds moet, tenzij krachtens artikel
10 ontheffing is verleend, verder blijken, dat het vermogen van het
fonds voor niet meer dan twintig ten honderd mag bestaan uit
schuldvorderingen op dan wel aandelen in het vermogen van de werkgever
of één van de werkgevers bij wie deelnemers in dienst zijn.
4. Onder schuldvorderingen en aandelen als bedoeld in het
vorige lid, worden begrepen schuldvorderingen op een natuurlijke
persoon of een rechtspersoon en aandelen in een rechtspersoon, wanneer
die natuurlijke persoon of die rechtspersoon rechtstreeks of
middellijk de meerderheid bezit van de aandelen in het vermogen van de
werkgever of één van de werkgevers bij wie deelnemers in dienst
zijn; tevens worden onder schuldvorderingen en aandelen begrepen
schuldvorderingen op en aandelen in een rechtspersoon, waarvan de
aandelen in meerderheid rechtstreeks of middellijk in het bezit zijn
van de werkgever of van één van de werkgevers bij wie deelnemers in
dienst zijn.
Artikel 4
1. Behoudens het bepaalde in het volgende lid hebben alle
deelnemers ingevolge de statuten toegang tot de algemene
vergadering.
2. Zijn bij het fonds niet minder dan tweehonderd deelnemers
aangesloten, dan kunnen de statuten bepalen dat de algemene
vergadering zal bestaan uit een door de deelnemers onmiddellijk of bij
getrapte verkiezing gekozen raad van ten minste twintig leden.
De verkiezing, het aantal leden en alle verdere bijzonderheden, de
ledenraad betreffende, worden bij de statuten geregeld. De ledenraad
is ontbonden, als het aantal deelnemers beneden tweehonderd daalt.
Artikel 5
1. Het bestuur van het fonds legt ingevolge de statuten
jaarlijks aan de algemene vergadering een verslag over, dat een
getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het
vermogen van het fonds en van de ontwikkeling daarvan gedurende het
boekjaar. Het legt in die vergadering rekenschap af van zijn beleid.
2. Het verslag betreffende een spaarfonds moet zijn
gecontroleerd door een registeraccountant of andere accountant die
bevoegd is een verklaring omtrent de getrouwheid van het verslag af te
leggen.
3. Het verslag en de verklaring van de accountant worden aan de
deelnemers ter beschikking gesteld.
Artikel 6
De statuten moeten voorts bepalingen inhouden betreffende:
a. de wijze waarop het bestuur van het fonds wordt
samengesteld;
b. het regelmatig bijeenroepen van een algemene vergadering;
c. de bestemming van het vermogen van het fonds in geval van
vereffening;
d. de wijze van beslechting van geschillen, voortvloeiende uit
de toepassing van de statuten en reglementen van het fonds, met
dien verstande dat de beslechting van geschillen niet uitsluitend
mag worden opgedragen aan de werkgever of één van de werkgevers
bij wie deelnemers in dienst zijn of zijn geweest.
Artikel 7
1. De statuten of reglementen moeten een nauwkeurige
omschrijving inhouden van:
a. de rechten van de deelnemers jegens het fonds, waaronder
begrepen het tijdstip waarop en de voorwaarden waaronder zij deze
rechten geldend kunnen maken;
b. de gevolgen van het eindigen van de dienstbetrekking van een
deelnemer voor zijn rechten jegens het fonds.
2. In de regeling, bedoeld in het eerste lid, moet, indien het
een spaarfonds betreft, ten minste worden bepaald, dat over het
spaartegoed van een deelnemer zonder enige tijdsbepaling of voorwaarde
kan worden beschikt:
a. door hem zelf ingeval de dienstbetrekking is beëindigd en hij
1e. gaat emigreren;
2e. voor meer dan 45% arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964;
3e. de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt;
b. door zijn rechtverkrijgenden na zijn overlijden.
3. De deelnemers en hun rechtverkrijgenden mogen tengevolge van
een bepaling in de statuten of reglementen of tengevolge van een
wijziging daarin geen recht jegens het fonds kunnen verliezen.
Niettemin is toegelaten een bepaling krachtens welke een spaartegoed
aan het fonds vervalt, indien ten minste twee jaren zijn verstreken
sinds de beëindiging van de deelneming en de datum waarop het tegoed
opeisbaar is geworden, en indien gedurende die termijn een mededeling
aan het fonds omtrent de beschikking over het tegoed achterwege is
gebleven.
Artikel 8
De statuten moeten bepalen dat de reglementen, alsmede de in de
statuten en reglementen aangebrachte wijzigingen niet in werking
zullen treden alvorens een volledig exemplaar van die stukken,
onderscheidenlijk van de wijzigingen daarin, door het bestuur
ondertekend, voor een ieder ter inzage is neergelegd ter griffie van
de rechtbank in het arrondissement waarin het fonds is gevestigd.
Artikel 9
1. Het bestuur van het fonds moet ingevolge de statuten aan
iedere deelnemer een exemplaar van de statuten en reglementen,
alsmede van de daarin aangebrachte wijzigingen verstrekken.
2. Een spaarfonds moet ingevolge zijn statuten bovendien aan
iedere deelnemer een of meer bewijzen van deelgerechtigdheid in het
fonds verstrekken en voorts de waarde van diens deelneming in het
fonds regelmatig opgeven.
Artikel 10
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan op verzoek
van een fonds ontheffing verlenen van het in artikel 3, derde lid
bepaalde. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan de
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden; zij kan voorts
worden gewijzigd en ingetrokken. De ontheffing wordt verleend voor
bepaalde of onbepaalde tijd.
Hoofdstuk II. Regelingen tot sparen anders dan door fondsvorming
Artikel 11
Een regeling tot sparen als bedoeld in artikel 1637s, tweede
lid, onder d, van het Burgerlijk Wetboek moet schriftelijk
worden vastgesteld en mede voldoen aan de voorschriften, gesteld in de
artikelen 12-14.
Artikel 12
1. Ingevolge de regeling moet het sparen geschieden bij een
in de regeling aangewezen instelling, die de spaartegoeden beheert
en voor iedere deelnemer afzonderlijk administreert op een op naam
van de deelnemer gestelde rekening.
2. Als instelling, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden
aangewezen gemeentelijke spaarbanken en banken waaraan het ingevolge
de Wet op het financieel toezicht is toegestaan in Nederland hun
bedrijf uit te oefenen, niet zijnde banken als bedoeld in artikel 2:13
van die wet die in hoofdzaak hun bedrijf maken van het verlenen van
beleggingsdiensten of het verrichten van beleggingsactiviteiten.
3. De regeling mag, tenzij krachtens artikel 15 ontheffing is
verleend, geen bepalingen inhouden welke de deelnemers verplichten de
te hunnen name geadministreerde tegoeden hetzij tijdens, hetzij na
afloop van de spaartermijn op een bepaalde wijze te besteden.
Toegelaten is de bepaling, dat tegoeden moeten worden omgezet in
schuldvorderingen op of aandelen in het vermogen van de werkgever of
één van de werkgevers bij wie deelnemers in dienst zijn, waarbij
echter het totaal van de schuldvorderingen en aandelen ten name van
iedere deelnemer niet meer mag bedragen dan twintig ten honderd van
het tegoed.
4. Onder schuldvorderingen en aandelen als bedoeld in het derde
lid worden begrepen schuldvorderingen op een natuurlijke persoon of
een rechtspersoon en aandelen in een rechtspersoon, wanneer die
natuurlijke persoon of die rechtspersoon rechtstreeks of middellijk de
meerderheid bezit van de aandelen in het vermogen van de werkgever of
één van de werkgevers bij wie deelnemers in dienst zijn; tevens
worden onder schuldvorderingen en aandelen begrepen schuldvorderingen
op en aandelen in een rechtspersoon, waarvan de aandelen in
meerderheid rechtstreeks of middellijk in het bezit zijn van de
werkgever of van een van de werkgevers bij wie deelnemers in dienst
zijn.
Artikel 13
1. De regeling moet een nauwkeurige omschrijving inhouden
van:
a. het tijdstip waarop en de voorwaarden waaronder de deelnemer
over zijn tegoed kan beschikken;
b. de gevolgen van het eindigen van de dienstbetrekking van een
deelnemer voor wat betreft het beschikken over zijn tegoed.
2. In de regeling, bedoeld in het eerste lid moet ten minste
worden bepaald dat over het tegoed van een deelnemer zonder enige
tijdsbepaling of voorwaarde kan worden beschikt:
a. door de deelnemer zelf ingeval de dienstbetrekking is
beëindigd en
1e. hij gaat emigreren;
2e. hij voor meer dan 45% arbeidsongeschikt is in de zin van de
Wet op de loonbelasting 1964;
3e. hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt;
4e. de werkgever bij wie de deelnemer in dienst was zijn
onderneming heeft gestaakt en deze werkgever tevens degene is die
krachtens een ontheffing als bedoeld in artikel 15 het tegoed
beheert;
b. door zijn rechtverkrijgenden na het overlijden van de
deelnemer.
3. De deelnemers en hun rechtverkrijgenden mogen ten gevolge
van een bepaling in de regeling of tengevolge van een wijziging daarin
geen rechten op het tegoed verliezen.
Artikel 14
1. De regeling dient voor te schrijven dat aan iedere
deelnemer een exemplaar van de regeling, alsmede van de daarin
aangebrachte wijzigingen wordt verstrekt.
2. Iedere deelnemer moet van de instelling die het tegoed
beheert, regelmatig een opgave ontvangen van het totaal van de gelden,
schuldvorderingen en aandelen, die zij ten name van de deelnemer
beheert.
Artikel 15
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan op verzoek
van de betrokken werkgever of werkgevers ontheffing verlenen van het
in artikel 12 bepaalde. De ontheffing kan onder beperkingen worden
verleend. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden; zij
kan voorts worden gewijzigd en ingetrokken. De ontheffing wordt
verleend voor bepaalde of onbepaalde tijd.
Hoofdstuk III. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 16
Een bij de inwerkingtreding van dit besluit bestaand fonds als
bedoeld in artikel 1637s, tweede lid, onder c, van het
Burgerlijk Wetboek, dat voldoet aan de voorwaarden gesteld bij het
Koninklijk besluit van 31 maart 1908, Stb. 94, doch niet aan
hoofdstuk I van dit besluit, wordt niettemin tot 1 januari 1974 geacht
aan dit hoofdstuk te voldoen.
Artikel 17
Het Koninklijk besluit van 31 maart 1908, Stb. 94, wordt
ingetrokken.
Artikel 18
1. Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit fondsen en
spaarregelingen.
2. Het treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt
geplaatst en werkt terug tot 1 januari 1973.
Lasten en bevelen, dat dit besluit in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
Soestdijk, 23 januari 1973
JULIANA
De Minister van Justitie,
Van Agt
De Minister van Sociale Zaken,
Boersma
Uitgegeven de vijftiende februari 1973
De Minister van Justitie,
Van Agt