|
BESLUIT van 1 oktober 2007, houdende uitvoering van titel 7.5 (Pacht)
van het Burgerlijk Wetboek, de Uitvoeringswet grondkamers en de Wet op
de rechterlijke organisatie (Uitvoeringsbesluit pacht)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 12 juli 2007, nr. TRCJZ/2007/2246,
Directie Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van
Justitie;
Gelet op de artikelen 327, eerste lid, en 393,
derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 60, derde lid,
van de Luchtvaartwet, de artikelen 1, 9, 15, 16, 42 en 44, eerste lid,
van de Uitvoeringswet grondkamers, artikel 15, tweede lid, van de
Vorderingswet, artikel 57, eerste lid, van de Wet agrarisch
grondverkeer, artikel 63 van de Wet inrichting landelijk gebied, alsmede
de artikelen 48b, tweede en derde lid, en 69a van de Wet
op de rechterlijke organisatie;
De Raad van State gehoord (advies van 9
augustus 2007, nr. W11.07.0259/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 25 september 2007, nr. TRCJZ/2007/2930,
Directie Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van
Justitie;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Uitvoering van artikel 393,
derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
Artikel 1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. verplichting: verplichting als
bedoeld in artikel 389, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek;
b. hoogst toelaatbare vergoeding:
hoogst toelaatbare vergoeding als bedoeld in artikel 393, derde lid,
van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 2
De hoogst toelaatbare vergoeding is die
welke de grondkamer voor elk geval afzonderlijk vaststelt met
inachtneming van dit hoofdstuk.
Artikel 3
De hoogst toelaatbare vergoeding voor een
verplichting als bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6 is de uitkomst van de
vermenigvuldiging van de in de onderscheiden artikelen bij die
verplichting aangegeven factor, met de voor elk geval afzonderlijk van
toepassing zijnde hoogst toelaatbare pachtprijs van het land zonder
woningen of andere opstallen, vastgesteld volgens het
Pachtprijzenbesluit 2007.
Artikel 4
De factor, bedoeld in artikel 3, bedraagt
voor de navolgende in een pachtovereenkomst op te nemen verplichtingen
ter zake van een beperking van de mestgift:
|
(Mestgift)
Bemestingsniveau (per ha/jaar) |
Factor |
|
maximaal 200 kg N (stikstof) |
0,26 |
|
maximaal 100 kg N (stikstof) |
0,42 |
|
maximaal 50 kg N (stikstof) |
0,51 |
|
0 kg N (stikstof) |
0,62 |
|
0 kg NPK (stikstof, fosfor, kalium) |
0,73 |
Artikel 5
De factor, bedoeld in artikel 3, bedraagt
voor de navolgende in een pachtovereenkomst op te nemen verplichtingen
ter zake van het uitstellen van de eerste maai- en weidedatum:
|
Eerste maai- en
weidedatum |
Factor |
|
Niet eerder dan 15 juni |
0,23 |
|
Niet eerder dan 30 juni |
0,30 |
|
Niet eerder dan 15 juli |
0,40 |
Artikel 6
Voor één of meer overige in een
pachtovereenkomst op te nemen verplichtingen waarin niet is voorzien in
artikel 4 of 5bedraagt de factor, bedoeld in artikel 3, in totaal 0,23.
Artikel 7
In geval van opname in een
pachtovereenkomst van meerdere verplichtingen als bedoeld in de
artikelen 4, 5 en 6, geldt de hoogste van de in die artikelen bij deze
verplichtingen aangegeven factoren als de factor, bedoeld in artikel 3.
Hoofdstuk 2. Uitvoering van de artikelen
1, 9, 15, 16, 42 en 44, eerste lid, van de Uitvoeringswet grondkamers
Paragraaf 1. Rechtsgebied grondkamers
Artikel 8
Er is een grondkamer Noord, een
grondkamer Oost, een grondkamer Zuid, een grondkamer Zuidwest en een
grondkamer Noordwest.
Artikel 9
1.Het rechtsgebied van de grondkamer
Noord strekt zich uit over het grondgebied van de provincies
Groningen, Friesland en Drenthe.
2.Het rechtsgebied van de grondkamer
Oost strekt zich uit over het grondgebied van de provincies Overijssel
en Gelderland.
3.Het rechtsgebied van de grondkamer
Zuid strekt zich uit over het grondgebied van de provincies
Noord-Brabant en Limburg.
4.Het rechtsgebied van de grondkamer
Zuidwest strekt zich uit over het grondgebied van de provincies
Zuid-Holland en Zeeland.
5.Het rechtsgebied van de grondkamer
Noordwest strekt zich uit over het grondgebied van de provincies
Noord-Holland, Utrecht en Flevoland.
Artikel 10
De grondkamers hebben als standplaats
Deventer.
Artikel 11
1.Voor de benoeming van een lid of
plaatsvervangend lid van de grondkamers maken gedeputeerde staten van
de binnen het rechtsgebied van de grondkamer gelegen provincies
gezamenlijk de aanbeveling, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de
Uitvoeringswet grondkamers, op.
2.Indien gedeputeerde staten van de
binnen het rechtsgebied van de grondkamer gelegen provincies niet tot
een gezamenlijke aanbeveling kunnen komen, maken zij elk een
afzonderlijke aanbeveling op.
Paragraaf 2. Tarieven grondkamers en
Centrale Grondkamer
Artikel 12
1. Voor de behandeling van een verzoek
tot:
a. goedkeuring van een
pachtovereenkomst of ontwerp-pachtovereenkomst,
b. goedkeuring van een overeenkomst
tot wijziging van een pachtovereenkomst, waarbij de tegenprestatie
wordt gewijzigd, of een ontwerp van zodanige overeenkomst, of
c. herziening van de
tegenprestatie,
wordt een recht geheven van 5% van de
jaarlijkse door de grondkamer goedgekeurde, gewijzigde of herziene
tegenprestatie, met een minimum van € 97,– en een maximum van €
410,–.
2. Onder«tegenprestatie» wordt in het
eerste lid verstaan de tegenprestatie, bedoeld in artikel 333 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 13
Indien binnen twee maanden nadat een
ontwerp-pachtovereenkomst of een ontwerp-overeenkomst tot wijziging van
een pachtovereenkomst is goedgekeurd een overeenkomst wordt ingezonden,
die gelijk is aan de reeds goedgekeurde ontwerp-overeenkomst, wordt voor
de behandeling van een verzoek tot goedkeuring daarvan een recht geheven
van€ 89,– [Red: per 1 januari 2013: € 97,–] .
Artikel 14
In geval van toetsing van een
pachtovereenkomst of van een overeenkomst tot wijziging van een
pachtovereenkomst op grond van artikel 321, vierde lid, van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek, is artikel 12 van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande, dat het recht verschuldigd is door degene, die de
schriftelijke vastlegging, bedoeld in artikel 317, tweede lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, heeft gevorderd.
Artikel 15
Voor de behandeling van een verzoek als
bedoeld in artikel 379, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek wordt een recht geheven van € 579,– [Red: per 1 januari
2013: € 625,–] .
Artikel 16
Voor de behandeling van een aanvraag voor
een machtiging als bedoeld in de artikelen 348, tweede lid, en 354,
derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, van verzoeken als
bedoeld in de artikelen 380, tweede lid, en 381, tweede lid, van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek, alsmede van een verzoek tot goedkeuring als
bedoeld in artikel 399e van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt een
recht geheven van€133,– [Red: per 1 januari 2013: € 144,–] .
Artikel 17
Voor de behandeling van een verzoek tot
goedkeuring van een overeenkomst tot beëindiging van een
pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 323 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek wordt een recht geheven van€ 89,– [Red: per 1
januari 2013: € 97,–] .
Artikel 18
Voor de behandeling van niet in deze
paragraaf genoemde verzoeken wordt een recht geheven van € 89,–
[Red: per 1 januari 2013: € 97,–] .
Artikel 19
Worden met betrekking tot dezelfde
pachtovereenkomst verscheidene verzoeken gelijktijdig bij de grondkamer
ingediend, dan wordt van de rechten, die bij afzonderlijke behandeling
voor elk van deze verzoeken zouden worden geheven, slechts het hoogste
geheven.
Artikel 20
1. Voor het instellen van beroep bij de
Centrale Grondkamer wordt een recht geheven van €100,– [Red: per 1
januari 2013: € 108,–] .
2. Voor het instellen van beroep bij de
Centrale Grondkamer op grond van artikel 40 van de Uitvoeringswet
grondkamers wordt geen recht geheven.
Artikel 21
Afschriften van ter goedkeuring
ingediende overeenkomsten en van beschikkingen die niet reeds ambtshalve
aan partijen zijn toegezonden, worden door de grondkamer of de Centrale
Grondkamer verstrekt tegen betaling van€ 0,91 per bladzijde en van
portokosten.
Artikel 21a
1. De rechten, bedoeld in de artikelen
12, eerste lid, 13, 14, 15, 16, 17, 18 en 20, eerste lid, worden
jaarlijks per 1 januari aangepast aan de mate waarin het prijspeil in
de periode van 1 juli in het voorafgaande jaar tot en met 1 juli van
het daaraan voorafgaande jaar gemiddeld is gestegen volgens de
Consumentenprijsindex voor alle huishoudens zoals gepubliceerd door
het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden afgerond op
hele euro’s.
2. Onze Minister van Economische Zaken
maakt de aanpassing, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 1 oktober
van het voorgaande jaar bekend in de Staatscourant.
Paragraaf 3. Reglement voor de
grondkamers en de Centrale Grondkamer
Artikel 22
De voorzitters, de plaatsvervangende
voorzitters, de leden, de plaatsvervangende leden, de secretarissen en
de plaatsvervangende secretarissen van de grondkamers alsmede de
griffier en de plaatsvervangende griffiers van de Centrale Grondkamer
zullen, elk naar de wijze van zijn godsdienstige gezindheid, alvorens in
dienst te treden de eed of belofte afleggen:
«Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn
aan de Koning en dat ik de Grondwet en alle overige wetten van ons land
zal eerbiedigen;
Ik zweer/verklaar dat ik noch direct,
noch indirect in welke vorm dan ook valse informatie heb verstrekt in
verband met het verkrijgen van mijn aanstelling;
Ik zweer/verklaar dat ik tot het
verkrijgen van mijn aanstelling aan niemand iets heb geschonken of
beloofd en dat ik dit ook niet zal gaan doen;
Ik zweer/verklaar dat ik tot het
verkrijgen van mijn aanstelling van niemand giften heb aanvaard en aan
niemand beloften heb gedaan en dat ik dit ook niet zal gaan doen;
Ik zweer/beloof dat ik plichtsgetrouw en
nauwgezet de mij opgedragen taken zal vervullen en zaken die mij uit
hoofde van mijn functie vertrouwelijk ter kennis komen of waarvan ik het
vertrouwelijke karakter moet inzien, geheim zal houden voor anderen dan
die personen aan wie ik ambtshalve tot mededeling verplicht ben;
Ik zweer/beloof dat ik mij zal gedragen
zoals een goed ambtenaar betaamt, dat ik zorgvuldig, onkreukbaar en
betrouwbaar zal zijn en dat ik niets zal doen dat het aanzien van het
ambt zal schaden.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!/Dat
verklaar en beloof ik!».
Artikel 23
1. De eed of belofte zal worden
afgelegd door:
a.
1°. de voorzitters, de
plaatsvervangende voorzitters, de secretarissen en de
plaatsvervangende secretarissen van de grondkamers ten
overstaan van de president van de rechtbank Oost-Nederland;
2°. de leden en de
plaatsvervangende leden van de grondkamers in handen van de
voorzitter van de grondkamer in een zitting van de grondkamer;
b. de griffier en de
plaatsvervangende griffiers van de Centrale Grondkamer ten
overstaan van de president van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
2. Van het afleggen van de eed of
belofte in de genoemde colleges wordt een akte opgemaakt.
Artikel 24
1. Bij het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden en bij iedere rechtbank onderscheidenlijk bij iedere
grondkamer houdt de griffier onderscheidenlijk de secretaris van de
grondkamer een register bij, waarin deze de koninklijke besluiten
inschrijft, die de benoeming van de in artikel 22 bedoelde ambtenaren
bevatten, die voor zijn college tot het afleggen van de eed of belofte
zijn toegelaten, met daarbij de akten van de door hen afgelegde eden
en beloften.
2. Iedere ambtenaar, bedoeld in het
eerste lid, ontvangt kosteloos een uittreksel uit het register, die de
akte van de door hem afgelegde eed of belofte bevat.
Artikel 25
1.De rang van benoeming van de leden,
onderscheidenlijk van de plaatsvervangende leden van dezelfde
grondkamer of van de Centrale Grondkamer wordt geregeld naar de dag,
waarop het besluit van hun eerste benoeming door Ons is getekend.
2.De rang van benoeming van
verschillende op eenzelfde dag benoemde leden of plaatsvervangende
leden wordt, indien hun benoeming bij hetzelfde besluit plaatsvindt,
bepaald door de volgorde van hun namen in het besluit, en, indien zij
bij verschillende besluiten benoemd zijn, door de volgorde van deze
besluiten.
3.Bij iedere grondkamer wordt door de
secretaris een lijst gehouden, waarop de namen van de leden en de
plaatsvervangende leden van de grondkamer worden geplaatst met
vermelding van ieders rang van benoeming.
Artikel 26
1.De secretaris van de grondkamer staat
de voorzitter en de leden van de grondkamers en hun plaatsvervangers
bij in de gevallen, waarin dat is vereist.
2.De griffier van de Centrale
Grondkamer staat de leden en de plaatsvervangende leden van dat
college bij in de gevallen, waarin dat is vereist.
3.Buiten de werkzaamheden van de
secretaris van de grondkamer en de griffier van de Centrale Grondkamer
bij de wet opgedragen, zijn zij belast met het beheer van het
secretariaat onderscheidenlijk van de griffie en met het bewaren van
de minuten, registers, stukken, wetten, besluiten en boekwerken van
het college, waarbij zij zijn aangesteld.
Artikel 27
De voorzitter en de leden van de
grondkamer en hun plaatsvervangers alsmede de leden en de
plaatsvervangende leden van de Centrale Grondkamer ontvangen van de
secretaris onderscheidenlijk de griffier de nodige kennisgeving van de
zittingen en andere bijeenkomsten, waarbij zij tegenwoordig moeten zijn.
Artikel 28
1.Elke kennisgeving en elke toezending
van stukken geschiedt door de secretaris van de grondkamer en door de
griffier van de Centrale Grondkamer bij gewone brief.
2.In afwijking van het bepaalde in het
eerste lid, geschiedt de verzending van beschikkingen van de
grondkamer aan degenen die daarvan op grond van artikel 36, eerste
lid, van de Uitvoeringswet grondkamers beroep kunnen instellen bij
aangetekende brief.
Artikel 29
Het secretariaat van de grondkamer en de
griffie van de Centrale Grondkamer zijn alle werkdagen gedurende ten
minste zes uren per dag geopend.
Artikel 30
1. De secretaris van de grondkamer en
de griffier van de Centrale Grondkamer houden een nauwkeurige
administratie bij van hetgeen door hen is ontvangen en uitgegeven.
2. Onze Minister van Economische Zaken
is bevoegd de zorg voor deze administratie en het geldelijk beheer
over te dragen aan een ambtenaar werkzaam bij het secretariaat of de
griffie, die in dat geval tot comptabele wordt benoemd.
Artikel 31
1.De dagen waarop de zittingen worden
gehouden en de tijdstippen waarop de zittingen aanvangen worden door
de grondkamer vastgesteld bij een reglement. Dit reglement wordt
bekendgemaakt in de Staatscourant.
2.De Centrale Grondkamer houdt zitting
op door haar te bepalen plaats en uur op de eerste en derde maandag
van elke maand en verder zo dikwijls daaraan behoefte bestaat.
Artikel 32
1.De voorzitter van de grondkamer en de
voorzitter van de Centrale Grondkamer stellen vast welke zaken op de
zitting zullen worden behandeld alsmede haar volgorde. Zij doen de
oproepingen ter zitting ten minste vijf dagen tevoren uitgaan.
2.De secretaris van de grondkamer en de
griffier van de Centrale Grondkamer brengen de zaken op een rol.
Artikel 33
1.Bloed- of aanverwanten tot en met de
derde graad mogen niet als voorzitter, lid of secretaris van een
grondkamer deelnemen aan de behandeling van dezelfde zaak.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van voorzitter, leden en griffier van de
Centrale Grondkamer.
Artikel 34
Ieder lid of plaatsvervangend lid van een
grondkamer of van de Centrale Grondkamer, die weet, dat er enige reden
van wraking tegen hem bestaat, is gehouden deze aan het college waarin
hij zitting heeft op te geven.
Artikel 35
De twee leden, bedoeld in artikel 8 van
de Uitvoeringswet grondkamers, worden door de voorzitter van de
grondkamer aangewezen.
Artikel 36
1.Aan de tafel van de grondkamer nemen
slechts plaats de voorzitter, de twee leden, bedoeld in artikel 8 van
de Uitvoeringswet grondkamers, en de secretaris.
2.Aan de tafel van de Centrale
Grondkamer nemen slechts plaats de voorzitter, de overige twee tot de
rechterlijke macht behorende leden, de twee deskundige leden en de
griffier.
Artikel 37
De zittingen van de grondkamers en van de
Centrale Grondkamer zijn openbaar.
Artikel 38
1.De voorzitter van de grondkamer en de
voorzitter van de Centrale Grondkamer hebben de leiding ter zitting en
geven de nodige bevelen ter handhaving van de orde.
2.Zij verlenen het woord, geven
partijen gelegenheid hun standpunt toe te lichten en vragen de nodige
inlichtingen.
Artikel 39
De grondkamers en de Centrale Grondkamer
kunnen de persoonlijke verschijning van partijen gelasten.
Artikel 40
1.De leden van de grondkamer en van de
Centrale Grondkamer hebben het recht, met verlof van de voorzitter,
vragen te stellen.
2.Partijen kunnen de voorzitter
verzoeken de door hen opgegeven vragen te stellen.
Artikel 41
De voorzitter, de leden en de secretaris
van de grondkamer alsmede de voorzitter, de leden en de griffier van de
Centrale Grondkamer zullen zich ter zitting onthouden van uitingen,
waarin zij van hun persoonlijke gevoelen ten opzichte van de aanhangige
zaak of van het standpunt van één der partijen doen blijken.
Artikel 42
1.De grondkamer en de Centrale
Grondkamer zullen tijdens de zitting geen beslissing nemen.
2.De voorzitter is bevoegd de zitting
te schorsen, indien dit ter beraadslaging of om enige andere reden
nodig is.
Artikel 43
1.In alle zaken doen de voorzitter van
de grondkamer en de voorzitter van de Centrale Grondkamer hoofdelijk
omvraag. Zij vragen hierbij het advies van een jonger benoemd lid voor
dat van een ouder. Zijzelf brengen het laatst hun advies uit.
2.Een afwezig lid kan zijn advies noch
door een van zijn medeleden doen voordragen, noch zijn advies
schriftelijk indienen.
3.Wanneer er meer dan twee
verschillende gevoelens zijn uitgebracht, zal het besluit worden
opgemaakt op de wijze, die het meest overeenkomt met het gevoelen der
meerderheid.
Paragraaf 4. Vergoedingen voor de
grondkamers en de Centrale Grondkamer
Artikel 44
1. Voor het deelnemen aan een zitting
en het bijwonen van een vergadering van de grondkamer wordt aan de
plaatsvervangende voorzitter, de leden, de plaatsvervangende leden en
de plaatsvervangende secretaris een vergoeding toegekend van€67,–
[Red: per 1 januari 2013: € 76,–] per uur.
2. De in het vorige lid bedoelde
vergoedingen worden evenwel niet toegekend, indien de daar genoemde
personen bij het Rijk of als rechterlijk ambtenaar een bezoldigd ambt
bekleden, voor zover Onze Minister van Economische Zaken niet anders
bepaalt.
3. Aan een plaatsvervangende voorzitter
die wegens afwezigheid, belet of ontstentenis van de voorzitter diens
werkzaamheden volledig waarneemt, kan, indien hij niet bij het Rijk of
als rechterlijk ambtenaar een bezoldigd ambt bekleedt, door Onze
Minister van Economische Zaken tot wederopzegging een bezoldiging
worden toegekend overeenkomstig de voor de voorzitter vastgestelde
bezoldiging.
4. Het derde lid is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van een plaatsvervangend secretaris.
Artikel 45
1. Voor het deelnemen aan een zitting
en het bijwonen van een vergadering van de Centrale Grondkamer wordt
aan de leden en de plaatsvervangende leden een vergoeding toegekend
van€79,– [Red: per 1 januari 2013: € 89,–] per uur.
2. Voor het deelnemen aan een zitting
en het bijwonen van een vergadering van de Centrale Grondkamer wordt
aan de plaatsvervangende griffier een vergoeding toegekend van€ 67,–
[Red: per 1 januari 2013: € 76,–] per uur.
3. De in de vorige leden bedoelde
vergoedingen worden evenwel niet toegekend indien de aldaar genoemde
personen bij het Rijk of als rechterlijk ambtenaar een bezoldigd ambt
bekleden, voor zover Onze Minister van Economische Zaken niet anders
bepaalt.
4. Aan een plaatsvervangende griffier
die wegens afwezigheid, belet of ontstentenis van de griffier diens
werkzaamheden volledig waarneemt, kan, indien hij niet bij het Rijk of
als rechterlijk ambtenaar een bezoldigd ambt bekleedt, door Onze
Minister van Economische Zaken tot wederopzegging toe een bezoldiging
worden toegekend overeenkomstig de voor de griffier vastgestelde
bezoldiging.
Artikel 46
1. Voor het deelnemen aan een
bezichtiging ter plaatse wordt aan de leden en de plaatsvervangende
leden van de grondkamer een vergoeding van €67,– [Red: per 1
januari 2013: € 76,–] per uur toegekend.
2. Voor het deelnemen aan een
bezichtiging ter plaatse wordt een vergoeding van€79,– [Red: per 1
januari 2013: € 89,–] per uur toegekend aan de leden en de
plaatsvervangende leden van de Centrale Grondkamer, behalve als zij
als rechterlijk ambtenaar een bezoldigd ambt bekleden.
3. Bij de berekening van het totale
aantal uren waarover een vergoeding volgens de voorgaande leden wordt
toegekend, vindt afronding naar boven plaats tot een half uur.
Artikel 47
Indien geen bezichtiging als bedoeld in
artikel 46, eerste en tweede lid, plaatsvindt, wordt een vergoeding
toegekend van € 2,27 per afgehandeld dossier aan de leden en de
plaatsvervangende leden van de grondkamer en de leden en de
plaatsvervangende leden van de Centrale Grondkamer, behalve als zij als
rechterlijk ambtenaar een bezoldigd ambt bekleden.
Artikel 48
De leden en plaatsvervangende leden van
de Centrale Grondkamer die als rechterlijk ambtenaar een bezoldigd ambt
bekleden genieten in verband met de in de vorige artikelen genoemde
werkzaamheden een vergoeding voor reis- en verblijfkosten overeenkomstig
het bepaalde bij en krachtens het Reisbesluit binnenland.
Artikel 49
1.De declaraties van de vergoedingen,
bedoeld in de artikelen 44, 45, 46, 47 en 48, worden maandelijks
ingediend bij de grondkamer of de Centrale Grondkamer.
2.De declaraties van de vergoedingen,
bedoeld in deartikelen 44, 45, 46 en 47, vermelden de dagen, waarop de
in deze artikelen genoemde werkzaamheden zijn verricht en bevatten een
verklaring van de voorzitter, dat de declarant de opgegeven
werkzaamheden heeft verricht gedurende de daarbij opgegeven tijdsduur.
3.De declaraties van de vergoedingen,
bedoeld in artikel 48, worden voorzien van een verklaring van de
voorzitter, dat de gemaakte reizen noodzakelijk waren voor de in de
artikelen 44, 45, 46 en 47 genoemde werkzaamheden.
4.De in de vorige leden bedoelde
verklaringen kunnen ook worden afgegeven door de secretaris of de
griffier, indien deze daartoe door de grondkamer onderscheidenlijk de
Centrale Grondkamer zijn gemachtigd.
Artikel 49a
1. De vergoedingen, bedoeld in de
artikelen de artikelen 44, eerste lid, 45, eerste en tweede lid, en
46, eerste en tweede lid, worden jaarlijks per 1 januari aangepast aan
de mate waarin het prijspeil in de periode van 1 juli in het
voorafgaande jaar tot en met 1 juli van het daaraan voorafgaande jaar
gemiddeld is gestegen volgens de Consumentenprijsindex voor alle
huishoudens zoals gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de
Statistiek. De bedragen worden afgerond op hele euro’s.
2. Onze Minister van Economische Zaken
maakt de aanpassing, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 1 oktober
van het voorgaande jaar bekend in de Staatscourant.
Hoofdstuk 3. Uitvoering van de artikelen
48b, tweede en derde lid, en 69a van de Wet op de rechterlijke
organisatie
Paragraaf 1. Eed en belofte deskundige
leden van de pachtkamers
Artikel 50
1. De deskundige leden van de
pachtkamers van de rechtbanken, bedoeld in artikel 48, tweede lid, van
de Wet op de rechterlijke organisatie, en hun plaatsvervangers en de
deskundige leden van de pachtkamer van het gerechtshof, bedoeld in
artikel 69, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, en
hun plaatsvervangers leggen de eed of belofte af ten overstaan van een
enkelvoudige of meervoudige kamer van het gerecht waarbij zij zijn
benoemd.
2. De eed of belofte wordt afgenomen op
requisitoir van het openbaar ministerie.
3. Het formulier, bedoeld in artikel
48a, vijfde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, wordt
ondertekend door degene die de eed of belofte aflegt en door de
rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die zitting heeft in de
in het eerste lid bedoelde enkelvoudige kamer dan wel voorzitter is
van de in het eerste lid bedoelde meervoudige kamer.
Artikel 51
1.Het bestuur van het gerecht waarbij
de personen, bedoeld in artikel 50, eerste lid, zijn benoemd, houdt
een register bij waarin de koninklijke besluiten betreffende de
benoeming van deze personen en de ondertekende formulieren, bedoeld in
artikel 50, derde lid, worden bewaard.
2.Een uittreksel uit dat register,
inclusief het ondertekende formulier, bedoeld in artikel 50, derde
lid, wordt aan de personen, bedoeld inartikel 50, eerste lid,
uitgereikt.
Artikel 52
De installatie van de personen, bedoeld
in artikel 50, eerste lid, geschiedt door middel van het op de
terechtzitting voorlezen van het formulier, bedoeld in artikel 48a,
vijfde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Paragraaf 2. Vergoedingen deskundige
leden van de pachtkamers
Artikel 53
Aan de deskundige leden van de
pachtkamers van de rechtbanken, bedoeld in artikel 48, tweede lid, van
de Wet op de rechterlijke organisatie, en hun plaatsvervangers wordt een
vergoeding toegekend overeenkomstig de regels die gelden voor de
rechters-plaatsvervangers.
Artikel 54
Aan de deskundige leden van de pachtkamer
van het gerechtshof, bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Wet op de
rechterlijke organisatie, en hun plaatsvervangers wordt een vergoeding
toegekend overeenkomstig de regels die gelden voor de
raadsheren-plaatsvervangers.
Artikel 55
1. Voor een plaatselijke bezichtiging,
waaraan wordt deelgenomen krachtens opdracht van de pachtkamer, wordt
aan de deskundige leden van de pachtkamers van de rechtbanken, bedoeld
in artikel 48, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie,
en hun plaatsvervangers, een vergoeding toegekend van€ 20,45 per uur
en aan de deskundige leden van de pachtkamer van het gerechtshof,
bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke
organisatie, en hun plaatsvervangers een vergoeding van € 22,73 per
uur.
2. Bij de berekening van deze
vergoeding wordt de tijdsduur van de reis mede in aanmerking genomen.
3. Bij de berekening van het totale
aantal uren waarover een vergoeding volgens de voorgaande leden wordt
toegekend, vindt afronding naar boven plaats tot een half uur.
Artikel 56
1. De deskundige leden van de
pachtkamers van de rechtbanken, bedoeld in artikel 48, tweede lid, van
de Wet op de rechterlijke organisatie, en hun plaatsvervangers en de
deskundige leden van de pachtkamer van het gerechtshof, bedoeld in
artikel 69, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, en
hun plaatsvervangers genieten, zowel voor het bijwonen van de
bijeenkomsten van de pachtkamer, als voor het volbrengen van
verrichtingen, welke hen, ook buiten eigenlijk rechtsgeding door de
pachtkamer worden opgedragen, reis- en verblijfkosten overeenkomstig
het bepaalde bij en krachtens het Reisbesluit binnenland.
2. Reis- en verblijfkosten als bedoeld
in het vorige lid worden ook genoten in de gevallen, dat een titularis
wordt beëdigd of geïnstalleerd.
Hoofdstuk 4. Aanpassing algemene
maatregelen van bestuur
Artikel 57
[Wijzigt het Besluit herverkaveling]
Artikel 58
[Wijzigt het Besluit grondbankstelsel]
Artikel 59
[Wijzigt Besluit uitvoering artikel 15,
tweede lid, Vorderingswet 1962]
Artikel 60
[Wijzigt de Schadeloosstellingsregeling
Luchtvaartwet]
Artikel 61
[Wijzigt het Pachtprijzenbesluit 2007]
Hoofdstuk 5. Slotartikelen
Artikel 62
Ingetrokken worden:
a. het Besluit aanwijzing
rechtsgebied grondkamers;
b. het Besluit van 19 mei 1962,
houdende vaststelling van de vergoedingen voor de leden enz. van de
Grondkamers en de Centrale Grondkamer;
c. het Besluit van 14 februari 1963,
tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter
uitvoering van de artikelen 124 en 125, vijfde lid, van de Pachtwet;
d. het Besluit van 21 oktober 1985,
tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter
uitvoering van artikel 112 van de Pachtwet;
e. het Besluit van 16 december 1992,
houdende nadere regelen ten aanzien van de hoogst toelaatbare
vergoeding als bedoeld in artikel 4a, derde lid, en de aanwijzing
van een instantie als bedoeld in artikel 5, tiende lid, van de
Pachtwet;
f. het Reglement voor de grondkamers
en de Centrale Grondkamer;
g. het Reglement voor de pachtkamers;
h. het Tariefbesluit Pachtwet 1995.
Artikel 63
Dit besluit treedt in werking met ingang
van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt
geplaatst, met dien verstande datartikel 61 terugwerkt tot en met 1
september 2007.
Artikel 64
Dit besluit wordt aangehaald als:
Uitvoeringsbesluit pacht.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 1 oktober 2007
BEATRIX
De Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
G.
Verburg De Minister
van Justitie,
E.M.H.
Hirsch Ballin
Uitgegeven de dertigste
oktober 2007
De
Minister van Justitie,
E.M.H.
Hirsch Ballin
|