|
BESLUIT van 6 november 1991, houdende vaststelling van de Maatregel
te boek gestelde schepen 1992
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 24 januari 1991, nr.
MJZ24191043, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving,
gedaan mede namens Onze Ministers van Justitie en van Verkeer en
Waterstaat;
Overwegende dat het, in verband met de inwerkingtreding van de
Kadasterwet (Stb. 1991, 570) en de Aanpassingswet Boek 8,
noodzakelijk is om de Maatregel te boek gestelde schepen 1990 (Stb.
1990, 500) te vervangen door een nieuwe regeling, mede strekkend tot
uitvoering van de te Genève gesloten Overeenkomst van 25 januari 1965
inzake inschrijving van binnenschepen, met Protocollen (Trb.
1966, 228);
Gelet op de artikelen 231 en 841 van Boek 8 van het Burgerlijk
Wetboek en de artikelen 4, eerste lid, 10, derde lid, en 21, tweede lid,
van de Kadasterwet;
De Raad van State gehoord, advies van 13 augustus 1991,
nr.
W08.91.0047;
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 oktober
1991, nr. MJZ29o91013, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling
Wetgeving, uitgebracht mede namens Onze Ministers van Justitie en van
Verkeer en Waterstaat;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. de wet: de Kadasterwet;
b. verdragsregister: verdragsregister als bedoeld in artikel 781,
onder c, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek;
c. brandmerk: het in artikel 21, eerste lid, onder c, van de wet
bedoelde brandmerk, aangebracht op het schip overeenkomstig artikel
22;
d. verplaatsing van een binnenschip: hetgeen daaronder wordt
verstaan in artikel 785, tweede lid, onder a, van Boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek;
e. branden: het duurzaam aanbrengen van een brandmerk.
Artikel 2
De verplichtingen welke krachtens dit besluit rusten op de eigenaar
van een schip of van een schip in aanbouw, rusten, indien het schip,
onderscheidenlijk het schip in aanbouw toebehoort aan meer personen, aan
een vennootschap onder firma, aan een commanditaire vennootschap of aan
een rechtspersoon, mede op iedere deelgenoot, beherende vennoot of
bestuurder en, indien toepassing is gegeven aan artikel 163 van Boek 8
van het Burgerlijk Wetboek, op de boekhouder, bedoeld in dat artikel.
Artikel 3
1. De rubrieken, bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de wet,
waarin schepen worden onderscheiden zijn:
a. Nederlandse zeeschepen;
b. zeevissersschepen;
c. binnenschepen.
2. Deze rubrieken worden aangeduid met een hoofdletter,
onderscheidenlijk Z, V of B.
Artikel 4
Indien een schip tot een andere rubriek dan die waarin het te boek
staat gaat behoren, is de eigenaar verplicht een nieuwe teboekstelling
te verzoeken met inachtneming van de artikelen 14 en 16 tot en met 19,
met dien verstande dat de overlegging van de stukken, genoemd in artikel
16, eerste lid, onder b en c, niet is vereist. In het verzoek tot een
nieuwe teboekstelling moet de bestaande worden vermeld. De bestaande
teboekstelling wordt doorgehaald met inachtneming van de artikelen 28
tot en met 33.
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 6
1. Wanneer de bewaarder blijkt dat een
schip onder verschillende brandmerken te boek staat, beslist hij welke
teboekstelling gehandhaafd blijft. Hij maakt van zijn bevinding zo nodig
proces-verbaal op en zendt dit aan het Openbaar Ministerie.
2. Wanneer blijkt dat op het schip brandmerken voorkomen die al
dan niet in verband met de beslissing, bedoeld in het eerste lid, daarop
niet behoren voor te komen, laat de bewaarder deze door een ambtenaar
van de Dienst of een andere door de bewaarder daarmee belast persoon
vernietigen.
Artikel 7
1. De bewaarder is bevoegd ter zake van het verzoek tot
teboekstelling van een binnenschip en ter zake van het verzoek of de
aangifte tot doorhaling van de teboekstelling van een binnenschip
rechtstreeks in briefwisseling te treden met de houder van het
desbetreffende verdragsregister. De briefwisseling kan door de
bewaarder in de Nederlandse taal worden gevoerd.
2. De eerste zin van het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing ter zake van verzoeken tot teboekstelling van een zeeschip of
zeevissersschip en ter zake van het verzoek of de aangifte tot
doorhaling van de teboekstelling van een zeeschip of zeevissersschip,
met dien verstande dat voor «verdragsregister» wordt gelezen:
buitenlandse register.
Artikel 8
1. De teboekstelling vindt plaats door de inschrijving van het
verzoek tot teboekstelling in de openbare registers.
2. De teboekstelling van schepen geschiedt voor ieder schip onder
een eigen nummer. De gebruikte nummers van de rubriek Nederlandse
zeeschepen, de rubriek zeevissersschepen en de rubriek binnenschepen
vormen elk een ononderbroken reeks.
Artikel 8a
Stukken ter verkrijging van inschrijving van feiten die betrekking
hebben op schepen of op rechten waaraan die schepen zijn onderworpen,
worden, voor zover in papieren vorm, aangeboden op een plaats als
bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de wet en, voor zover in
elektronische vorm, aan een elektronisch postadres als bedoeld in
artikel 10 van de wet.
Hoofdstuk 2. Certificaten omtrent binnenschepen
Artikel 9
1. De bewaarder geeft voor een te boek staand binnenschip aan
de eigenaar een certificaat af waarop staan vermeld de gegevens,
bedoeld in artikel 85, tweede lid, onder a, met uitzondering evenwel
van gegevens met betrekking tot beperkt gerechtigden, onder c, sub
2°, onder d tot en met g, en onder i en l, van de wet.
2. Indien het schip in een verdragsregister te boek staat, wordt
geen certificaat afgegeven dan nadat voldaan is aan de in artikel 18
gestelde voorwaarden.
3. Indien er wijzigingen optreden in de op het certificaat
vermelde gegevens betreffende het te boek staande binnenschip, levert de
eigenaar het certificaat bij de bewaarder in. Aan hem wordt door de
bewaarder een nieuw certificaat afgegeven, waarop de wijzigingen zijn
aangebracht.
4. Op verzoek van de eigenaar wordt hem een duplicaat verstrekt,
dat wordt gelijkgesteld met het certificaat. Het duplicaat moet als
zodanig herkenbaar zijn en de afgifte ervan wordt door de bewaarder op
het certificaat vermeld. De eigenaar stelt daartoe het certificaat aan
de bewaarder ter hand.
Artikel 10
1. Voor een verloren geraakt, versleten, geheel of ten dele
onleesbaar of te niet gegaan afgegeven certificaat kan door de
bewaarder een vervangend certificaat worden uitgereikt. Het
certificaat, waarvoor het vervangende certificaat in de plaats komt,
verliest zijn geldigheid, evenals een duplicaat hetwelk is afgegeven
overeenkomstig artikel 9, vierde lid.
2. De bewaarder tekent op het vervangende certificaat de reden
van de vervanging aan.
3. Voor zover het certificaat, waarvan de vervanging wordt
verzocht nog aanwezig is, wordt dit bij het verzoek tot afgifte van het
vervangende certificaat bij de bewaarder ingeleverd. Hetzelfde geldt ten
aanzien van een afgegeven duplicaat.
Artikel 11
Onze Minister stelt de vorm vast van de in de artikel 9 bedoelde
certificaten en duplicaten van certificaten.
Hoofdstuk 3. Teboekstelling
Titel 1. Schepen in aanbouw
Artikel 12
1. De eigenaar van een in Nederland in aanbouw zijnd schip die
daarvan de teboekstelling wenst te verkrijgen, biedt de Dienst een
daartoe strekkend verzoek ter inschrijving aan, dat tevens een bewijs
dat het schip in Nederland in aanbouw is en een verklaring van
eigendom dient in te houden, alsmede de verklaring, bedoeld in artikel
194, vierde lid, tweede volzin, dan wel artikel 784, vijfde lid, van
Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Een schip in aanbouw kan worden te boek gesteld, zodra de
bewaarder aannemelijk is gemaakt dat met de bouw van het schip is
begonnen en dat het schip in Nederland in aanbouw is.
3. artikel 14, vijfde lid, is van toepassing. Indien het verzoek
een binnenschip in aanbouw betreft, zijn bovendien de artikelen 17 en 18
van toepassing. Indien het verzoek een zeeschip in aanbouw of een
zeevissersschip in aanbouw betreft, is bovendien artikel 19 van
toepassing.
Artikel 13
1. Hij, te wiens name een zeeschip in aanbouw of een
zeevissersschip in aanbouw te boek staat, is verplicht na de afbouw en
voordat hij het schip aan een ander levert een verzoek ter
inschrijving aan te bieden inhoudende de teboekstelling als afgebouwd
schip. Op dit verzoek zijn de artikelen 24 en 26 van toepassing. De
artikelen 14 en 16 zijn niet van toepassing, met dien verstande dat
bij het verzoek wordt overgelegd de meetbrief, afgegeven volgens de
bestaande wettelijke voorschriften.
2. Hij, te wiens name een zeeschip in aanbouw of een
zeevissersschip in aanbouw te boek staat, is verplicht om, indien hij
het schip zelf in de vaart brengt, na de afbouw en voordat hij het schip
in de vaart brengt, een verzoek ter inschrijving aan te bieden
inhoudende de teboekstelling als afgebouwd schip. Op dit verzoek zijn de
artikelen 16, 24 en 26 van toepassing. Het verzoek dient tevens in te
houden de verklaring, bedoeld in artikel 194, vierde lid, tweede volzin,
van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, en vergezeld te gaan van de
verklaring van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, bedoeld in de
vierde volzin van dat lid.
3. Hij, te wiens name een binnenschip in aanbouw te boek staat,
is verplicht binnen drie maanden na de afbouw aan de bewaarder, mede te
delen of het afgebouwde schip voldoet aan ten minste één der in
artikel 784, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek te dien
aanzien gestelde voorwaarden. Indien het schip aan ten minste één van
deze voorwaarden voldoet, is hij verplicht om een verzoek ter
inschrijving aan te bieden inhoudende de teboekstelling als afgebouwd
schip. Op dit verzoek zijn de artikelen 16, 17, 18, 24 en 26 van
toepassing. Het verzoek dient tevens in te houden de verklaring, bedoeld
in artikel 784, vijfde lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek.
Wanneer één of meer van de over te leggen stukken ontbreken,
onvolledig zijn of niet met elkaar of met de aangeboden verklaring
overeenstemmen, of wanneer hij mededeelt dat het afgebouwde binnenschip
niet aan ten minste één der bovengenoemde voorwaarden voldoet, wordt
de teboekstelling met inachtneming van de artikelen 30 tot en met 33
doorgehaald.
Titel 2. Overige schepen
Artikel 14
1. Hij die van een schip de teboekstelling wenst te verkrijgen,
biedt de Dienst een daartoe strekkend verzoek ter inschrijving aan,
dat tevens een verklaring van eigendom dient in te houden, alsmede de
verklaring, bedoeld in artikel 194, vierde lid, tweede volzin, die,
indien het een verzoek tot teboekstelling van een zeeschip, niet
zijnde een zeevissersschip betreft, vergezeld dient te gaan van de
verklaring afgegeven door of namens Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat, bedoeld in artikel 194, vierde lid, vierde volzin, dan wel
de verklaring, bedoeld in artikel 784, vijfde lid, van Boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek.
2. In het verzoek tot teboekstelling wordt vermeld of het schip
reeds, als schip in aanbouw of als afgebouwd schip, in de openbare
registers dan wel in enig soortgelijk buitenlands register te boek staat
of te boek gestaan heeft.
3. In geval van vroegere teboekstellingen in de openbare
registers wordt in het verzoek elke teboekstelling en het desbetreffende
brandmerk vermeld.
4. In geval van vroegere teboekstellingen in een buitenlands
register wordt in het verzoek vermeld een identificatiekenmerk,
soortgelijk aan het brandmerk, alsmede het land of de staat en de plaats
van de teboekstelling. Indien vorenbedoeld identificatiekenmerk met
betrekking tot het schip niet bestaat, wordt in het verzoek vermeld het
land of de staat, de plaats en de dagtekening van de teboekstelling van
het schip en het register waarin en het volgnummer waaronder in dat
register de vroegere teboekstelling is ingeschreven.
5. Behoudens het bepaalde in artikel 18, eerste lid, en artikel
19, eerste lid, wordt, indien het schip reeds in een buitenlands
register te boek gestaan heeft, bij het in het eerste lid genoemde
verzoek overgelegd een door de bevoegde autoriteit afgegeven verklaring,
waaruit blijkt dat de teboekstelling is doorgehaald.
Artikel 15 [Vervallen per 29-08-1997]
Artikel 16
1. Betreft een verzoek tot teboekstelling
een zeevissersschip of een binnenschip, dan wordt bij het verzoek
overgelegd:
a. de meetbrief, afgegeven volgens de bestaande wettelijke
voorschriften;
b. indien het schip direct van de bouwer is verkregen, de door deze
afgegeven bijlbrief;
c. indien het schip niet direct van de bouwer is verkregen, de
koopbrief dan wel enig ander bewijsstuk van eigendom;
d. indien het een zeevissersschip betreft, een bewijs dat het schip
is ingeschreven in een krachtens artikel 3 der Visserijwet 1963
aangehouden register.
2. Indien aan de bewaarder aannemelijk wordt gemaakt dat geen
meetbrief kan worden overgelegd, omdat het schip niet gemeten is, kan in
de plaats daarvan worden volstaan met:
a. voor zover het een zeevissersschip betreft, in het verzoek te
vermelden dat geen meetbrief kan worden overgelegd;
b. voor zover het een binnenschip betreft, het verstrekken van
gegevens op grond waarvan volgens de in Nederland gangbare methode van
berekening het laadvermogen in tonnen van 1000 kilogram of de
verplaatsing kan worden berekend.
3. Indien geen bijlbrief kan worden overgelegd, moet in het
verzoek worden verklaard dat deze niet bestaat met opgaaf van de reden.
Artikel 17
1. Bij het verzoek tot teboekstelling van een binnenschip
worden de bewijsstukken overgelegd dat het schip voldoet aan ten
minste één der in artikel 784, eerste lid, van Boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek te dien aanzien gestelde voorwaarden.
2. Wanneer één of meer van de in het eerste lid genoemde
stukken ontbreken, onvolledig zijn, of niet met elkaar of met de in
artikel 784, vijfde lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde
verklaring in overeenstemming zijn, wordt de inschrijving geweigerd.
Artikel 18
1. Indien een binnenschip, waarvan de teboekstelling verzocht
wordt, reeds in een verdragsregister te boek staat, wordt in de
registratie voor schepen vermeld dat deze teboekstelling slechts
rechtsgevolg heeft nadat de teboekstelling van het schip in het
verdragsregister is doorgehaald.
2. De bewaarder verstrekt aan de eigenaar van het binnenschip een
uittreksel uit de registratie voor schepen, als bedoeld in artikel 101,
eerste lid, van de wet, vermeldende ten minste de gegevens, bedoeld in
artikel 85, tweede lid, onderdelen a, c tot en met g, i en l, van de
wet, alsmede de gegevens omtrent niet doorgehaalde voorlopige
aantekeningen.
3. De in het eerste lid genoemde vermelding wordt doorgehaald na
inschrijving van een bewijs waaruit blijkt dat de teboekstelling in het
verdragsregister waar het binnenschip te boek stond, is doorgehaald. De
bewaarder geeft aan de eigenaar van het binnenschip het in artikel 9
genoemde certificaat af.
4. Indien het geval, genoemd in artikel 784, vierde lid, van Boek
8 van het Burgerlijk Wetboek, zich voordoet, wordt zulks in de
registratie voor schepen vermeld na inschrijving van een bewijs van
weigering door de bewaarder van het verdragsregister. De bewaarder geeft
aan de eigenaar van het binnenschip het in artikel 9 genoemde
certificaat af en tekent op het certificaat eveneens aan dat het geval,
genoemd in artikel 784, vierde lid, van Boek 8 van het Burgerlijk
Wetboek, zich heeft voorgedaan. Hij haalt de in het eerste lid genoemde
vermelding door.
Artikel 19
1. Indien een zeeschip of een zeevissersschip, waarvan de
teboekstelling wordt verzocht, reeds in een buitenlands register te
boek staat, wordt in de registratie voor schepen vermeld dat deze
teboekstelling slechts rechtsgevolg heeft indien zich één der
gevallen, bedoeld in artikel 194, derde lid, van Boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek, voordoet.
2. Artikel 18, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De in het eerste lid genoemde vermelding wordt doorgehaald
indien binnen 30 dagen na de teboekstelling een bewijs wordt
ingeschreven waaruit blijkt dat de teboekstelling in het buitenlandse
register waarin het schip te boek stond, is doorgehaald.
4. Ingeval de bewaarder van het buitenlandse register doorhaling
weigert, wordt zulks in de registratie voor schepen vermeld na
inschrijving van een afschrift van het verzoek tot doorhaling en een
bewijs van weigering door de bewaarder van het buitenlandse register.
Hij haalt de in het eerste lid genoemde vermelding door.
Artikel 20 [Vervallen per 29-08-1997]
Artikel 21 [Vervallen per 01-08-1994]
Titel 3. Brandmerk en overige kentekens
Artikel 22
1. Zodra een verzoek tot teboekstelling
van een schip of van een schip in aanbouw is ingeschreven, laat de
bewaarder het brandmerk door een ambtenaar van de Dienst of een andere
door de bewaarder daarmee belaste persoon op het schip aanbrengen.
2. Het brandmerk, bedoeld in het eerste lid, wordt aangebracht op
het achterschip, tenzij dit, ingeval het verzoek tot teboekstelling
betreft een schip in aanbouw, niet mogelijk is. In dat geval wordt het
brandmerk dat dient ter aanduiding van een schip in aanbouw, aangebracht
op een scheepsdeel van het schip in aanbouw.
3. De bewaarder vermeldt de branding in de registratie voor
schepen, onder aantekening van de plaats van het brandmerk op het schip,
de aangetroffen oude brandmerken alsmede de ongeldigmaking daarvan.
4. Indien de branding in het buitenland heeft plaatsgevonden en
de bevoegde buitenlandse autoriteit de bewaarder daarvan schriftelijk
kennis heeft gegeven, is het derde lid van toepassing.
5. Indien het schip reeds is gebrand, worden bij de branding van
de nieuwe merken de bestaande merken voorzien van een staand kruis voor
het jaartal van teboekstelling of, ingeval bij de bestaande merken het
kantoor van teboekstelling en het jaartal van teboekstelling zijn
vermeld, tussen de aanduiding van dat kantoor en dat jaartal.
6. Met inachtneming van het eerste tot en met vijfde lid worden
wijze en plaats van aanbrengen van een brandmerk in elk voorkomend geval
bepaald door de ambtenaar van de Dienst of een andere door de bewaarder
daarmee belaste persoon.
7. Zolang na de teboekstelling van een schip het brandmerk daar
nog niet op is aangebracht, wordt dat feit door de bewaarder aangetekend
in de registratie voor schepen en tevens op de stukken die hij met
betrekking tot een zodanig schip afgeeft of toezendt ingevolge de
artikelen 99 en 101 van de wet.
Artikel 23 [Vervallen per 29-08-1997]
Artikel 24
Het brandmerk dat dient ter aanduiding van een schip in aanbouw,
wordt ook gebruikt voor het afgebouwde schip. Na inschrijving van het in
artikel 13 bedoelde verzoek wordt in de gevallen, bedoeld in artikel 22,
tweede lid, tweede volzin, het brandmerk alsnog aangebracht op het
achterschip, waarbij artikel 22 van overeenkomstige toepassing is.
Artikel 25
1. Onverminderd de artikelen 22 en 24 brengt de eigenaar van
een te boek staand binnenschip de naam en het brandmerk van het schip
duidelijk zichtbaar in olieverf aan op een vast deel van het schip aan
beide zijden of op het achterschip en wel in latijnse letters en
arabische cijfers van ten minste vijftien centimeter hoogte in lichte
kleur op een donkere ondergrond of in donkere kleur op een lichte
ondergrond.
2. De in het eerste lid bedoelde vermelding van het brandmerk
wordt aangebracht achter de naam van het schip. Indien het schip ook
buitenslands wordt gebruikt, moet de genoemde vermelding worden gevolgd
door de letter N, aan te brengen op dezelfde wijze als is bepaald in het
eerste lid.
3. De eigenaar moet voorts, op dezelfde wijze als is bepaald in
het eerste lid, vóór de naam van het schip een cirkel aanbrengen met
daarin de hoofdletter die hem daartoe door of vanwege Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat wordt medegedeeld.
4. Voor binnenschepen met een verplaatsing van minder dan twintig
kubieke meter en voor pleziervaartuigen mogen letters en cijfers van
geringere hoogte dan is bepaald in het eerste lid worden gebruikt.
Artikel 26
1. De eigenaar van een schip draagt zorg dat het brandmerk en
de ingevolge artikel 25 op het schip aangebrachte naam en kentekens
niet worden verwijderd, veranderd, dan wel onduidelijk of onzichtbaar
worden gemaakt.
2. Ingeval het voornemen bestaat om een scheepsdeel waarop een
brandmerk voorkomt geheel of gedeeltelijk te verwijderen, geeft de
eigenaar van het schip hiervan kennis aan de bewaarder onder opgaaf van
de reden van verwijdering en met een omschrijving van het bestaande
brandmerk. De kennisgeving gaat vergezeld van een verzoek om het schip
opnieuw te branden.
3. Indien een brandmerk is verdwenen of geheel of gedeeltelijk
onleesbaar is geworden, verzoekt de eigenaar onverwijld schriftelijk de
bewaarder het schip opnieuw te doen branden.
4. Artikel 22 is van overeenkomstige toepassing in de gevallen,
bedoeld in het tweede en derde lid.
5. Indien bij reparatie of verbouwing van een schip het brandmerk
of de ingevolge artikel 25 aangebrachte naam en kentekens zijn
verwijderd of beschadigd, draagt degene die de reparatie of verbouwing
heeft uitgevoerd zorg, dat het schip niet wordt afgegeven voordat deze
weer volledig zijn aangebracht.
Artikel 27 [Vervallen per 29-08-1997]
Titel 4. Doorhaling van de teboekstelling
Afdeling 1. Zee- en zeevissersschepen
Artikel 28
1. De aangifte tot doorhaling van de
teboekstelling van een zeeschip of zeevissersschip wordt ingediend bij
de rechtbank. Bij het verzoekschrift, waarbij tevens de machtiging van
de rechtbank tot doorhaling van de teboekstelling wordt gevraagd en dat
het brandmerk van het schip moet bevatten, wordt een uittreksel
overgelegd uit de registratie voor schepen, als bedoeld in artikel 101,
eerste lid, van de wet, vermeldende ten minste de gegevens, bedoeld in
artikel 85, tweede lid, onderdelen a, c tot en met g, i en l, van de
wet, en de gegevens omtrent niet doorgehaalde voorlopige aantekeningen,
alsmede de stukken waaruit de gestelde reden van de doorhaling blijkt.
Indien de aangifte gedaan wordt op grond van het feit dat het schip
vergaan is, gesloopt is of blijvend ongeschikt voor drijven is geworden,
worden tevens stukken ter staving van de gegrondheid van de aangifte
overgelegd.
2. De bewaarder haalt de teboekstelling van het schip slechts
door, indien het verzoekschrift is voorzien van de desbetreffende
machtiging van de rechtbank. Het verzoekschrift wordt ter inschrijving
aangeboden.
3. Wanneer de bewaarder blijkt van enige omstandigheid die
doorhaling van de teboekstelling van een zeeschip of zeevissersschip
wettigt, dient hij bij de rechtbank een verzoek in hem tot ambtshalve
doorhaling te machtigen.
4. De bewaarder voegt bij het verzoekschrift een uittreksel uit
de registratie voor schepen als bedoeld in het eerste lid, tweede zin,
en alle andere bescheiden die tot staving van zijn verzoek kunnen dienen
en die tot zijn beschikking staan. Het verzoekschrift, voorzien van de
machtiging van de rechtbank, wordt ingeschreven.
5. De eigenaar van een te boek staand zeeschip of zeevissersschip
is bevoegd een verzoek tot doorhaling van de teboekstelling van het
schip in te dienen. Het eerste en tweede lid zijn op dit verzoek van
toepassing, met dien verstande dat de overlegging van stukken waaruit de
reden van doorhaling blijkt, niet is vereist.
Artikel 29
Wanneer een verzoek of aangifte is gedaan met het oog op doorhaling
van de teboekstelling van een zeeschip of een zeevissersschip, geeft de
bewaarder hieraan slechts gevolg, indien geen inschrijvingen of
voorlopige aantekeningen ten gunste van derden betreffende het schip
bestaan of, indien zodanige inschrijvingen of voorlopige aantekeningen
wel bestaan, geen dezer derden zich tegen doorhaling verzet.
Afdeling 2. Binnenschepen
Artikel 30
1. Het verzoek of de aangifte tot doorhaling van de
teboekstelling van een binnenschip wordt ingediend bij de rechtbank.
Artikel 28, eerste lid, tweede en derde zin, is van toepassing. Indien
het verzoek is gegrond op artikel 786, eerste lid, onder a , ten
eerste, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, worden tevens de
stukken overgelegd waaruit blijkt dat de teboekstelling niet of niet
meer verplicht is. Indien het verzoek is gegrond op artikel 786,
eerste lid, onder a , ten tweede, van Boek 8 van het Burgerlijk
Wetboek, wordt tevens overgelegd een uittreksel uit het
verdragsregister waarin wordt vermeld dat het schip onder voorwaarde
van doorhaling in de openbare registers aldaar te boek gesteld is.
2. Artikel 28, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien de teboekstelling wordt doorgehaald op de grond,
genoemd in artikel 786, eerste lid, onder a , ten tweede, van Boek 8 van
het Burgerlijk Wetboek, geeft de bewaarder een bewijs van doorhaling af,
waarin de datum van de doorhaling wordt vermeld en waarin, indien
inschrijvingen of voorlopige aantekeningen ten gunste van derden op het
schip bestaan, wordt vermeld dat hij zich ervan heeft vergewist, dat
deze derden zich niet tegen doorhaling hebben verzet.
4. Indien de teboekstelling wordt doorgehaald op de grond,
genoemd in artikel 786, eerste lid, onder a , ten derde, van Boek 8 van
het Burgerlijk Wetboek, vindt doorhaling plaats onder vermelding in de
registratie voor schepen dat deze doorhaling slechts rechtsgevolg heeft,
wanneer binnen 30 dagen daarna door de eigenaar ter inschrijving wordt
aangeboden de door hem ondertekende verklaring, genoemd in het eerste
lid, onder a, ten derde, van dat artikel. De verklaring moet melding
maken van de plaats, de datum en het nummer van teboekstelling.
5. Indien een certificaat is afgegeven, wordt dit, tezamen met
een eventueel duplicaat, onverwijld bij de bewaarder ingeleverd.
Artikel 31
1. De eigenaar van een te boek staand binnenschip waarop
artikel 786, eerste lid, onder b , ten vijfde, van Boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek van toepassing is en waarvan de teboekstelling in
het buitenlandse register heeft plaatsgevonden voordat de op 25
januari 1965 te Genève gesloten Overeenkomst inzake inschrijving van
binnenschepen, met Protocollen (Trb. 1966, 228) voor de staat van dat
register van kracht is geworden, is verplicht van de teboekstelling
van het schip in het verdragsregister mededeling te doen aan de
bewaarder, en daarbij tevens mede te delen of hij de teboekstelling in
het verdragsregister zal handhaven. De in de eerste zin bedoelde
mededelingen moeten worden gedaan binnen drie maanden nadat het
buitenlandse register waarin het schip te boek staat de hoedanigheid
van verdragsregister heeft verkregen.
2. Indien de eigenaar de in het eerste lid bedoelde mededelingen
niet binnen de aldaar gestelde termijn heeft gedaan of indien hij heeft
medegedeeld dat hij de teboekstelling in het verdragsregister wenst te
handhaven, dient hij onverwijld een aangifte tot doorhaling van de
teboekstelling overeenkomstig artikel 30 in.
3. Indien de eigenaar heeft medegedeeld dat hij de teboekstelling
van het schip in het verdragsregister niet wenst te handhaven, draagt
hij er zorg voor dat de teboekstelling in het verdragsregister wordt
doorgehaald. Vindt geen doorhaling in het verdragsregister plaats binnen
negen maanden nadat de in het eerste lid bedoelde mededelingen zijn
gedaan, dan dient de eigenaar onverwijld een aangifte tot doorhaling van
de teboekstelling overeenkomstig artikel 30 in.
4. Van de in het eerste lid bedoelde mededelingen wordt melding
gemaakt in de registratie voor schepen.
Artikel 32
Wanneer de bewaarder blijkt van enige omstandigheid die doorhaling
van de teboekstelling van een binnenschip wettigt, is artikel 28, derde
en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 33
Wanneer een verzoek of aangifte is gedaan met het oog op doorhaling
van de teboekstelling van een binnenschip, is artikel 29 van
overeenkomstige toepassing.
Titel 5. Kennisgeving inzake teboekstelling
Artikel 34
1. Ingeval een schip is te boek gesteld dan wel de
teboekstelling van een schip is doorgehaald, zendt de bewaarder
daaromtrent per brief een kennisgeving aan de personen die
dienaangaande volgens de bij de Dienst bekende gegevens
belanghebbenden zijn.
2. Het bestuur van de Dienst stelt de vorm vast van de
kennisgeving, bedoeld in het eerste lid.
Titel 6. Wijziging
Artikel 35
Indien van een te boek staand schip de naam, bedoeld in artikel 85,
tweede lid, onder d, van de wet, of een gegeven als bedoeld in artikel
85, tweede lid, onder f en g, van de wet is gewijzigd, dan wel het schip
enige andere wijziging heeft ondergaan waardoor de beschrijving van het
schip in de registratie voor schepen niet meer aan de werkelijkheid
beantwoordt, biedt de eigenaar een aangifte ter inschrijving aan waarin
de wijziging wordt vermeld.
Titel 7. Overige bepaling
Artikel 36
Onze Minister stelt de vorm vast van de in dit hoofdstuk voorziene
verzoeken, verklaringen, evenwel met uitzondering van de in artikel 14,
eerste onderscheidenlijk vijfde lid, bedoelde verklaring van Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat onderscheidenlijk van de bevoegde
autoriteit, en aangiften met dien verstande, dat het bestuur van de
Dienst de vorm van de in artikel 35 bedoelde aangifte vaststelt.
Hoofdstuk 4. Inschrijvingsvereisten voor akten van levering
Artikel 37
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 24 van de wet wordt ter
inschrijving van een akte van levering van een te boek staand zeeschip
of van aandelen daarin, tenzij het de levering van een zeevissersschip
of van aandelen daarin betreft, bij die akte tevens ter inschrijving
aangeboden een verklaring afgegeven door of namens Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat dat met betrekking tot het schip voldaan blijft
worden aan de in artikel 311 van het Wetboek van Koophandel genoemde
vereisten. De in de eerste zin bedoelde verklaring bevat de in artikel
21, eerste lid, onder a tot en met c, van de wet bedoelde gegevens.
2. De in het eerste lid bedoelde verklaring wordt door of namens
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat afgegeven op aanvraag van de
verkrijger, indien voldaan blijft worden aan de in artikel 311 van het
Wetboek van Koophandel genoemde vereisten.
3. De kosten van aanvraag en afgifte van een verklaring als
bedoeld in het eerste lid, komen ten laste van de aanvrager. Het tarief
voor deze kosten wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat.
Artikel 38
Onverminderd het bepaalde in artikel 24 van de wet wordt ter
inschrijving van een akte van levering, ingeval het de levering van een
te boek staand zeevissersschip of van aandelen daarin betreft,
overgelegd bij het daartoe ter inschrijving aangeboden stuk het bewijs,
genoemd in artikel 16, eerste lid, onder d. Dit bewijs wordt na
vergelijking met het stuk waarvan de inschrijving verlangd wordt, aan de
aanbieder teruggegeven.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 39 [Vervallen per 24-11-2006]
Artikel 40
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1992.
Artikel 41
Dit besluit kan worden aangehaald als: Maatregel te boek gestelde
schepen 1992.
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan
afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene
Rekenkamer.
's-Gravenhage, 6 november 1991
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
E. Heerma
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.R.H. Maij-Weggen
Uitgegeven de zesentwintigste november 1991
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|