| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Boek 8 Burgerlijk
Wetboek (Boek 8 BW)
UITVOERINGSBESLUIT
ARTIKEL 1065 BOEK 8 BURGERLIJK WETBOEK
Tekst zoals deze geldt op
4 februari 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 29 november 1996 ter uitvoering van artikel 1065 van Boek
8 van het Burgerlijk Wetboek
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 6 februari 1996,
Directie Wetgeving, nr. 537685/96/6;
Gelet op artikel 1065 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek;
De Raad van State gehoord (advies van 22 maart 1996, nr.
W03.96.0055);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 20
november 1996, Directie Wetgeving, nr. 589133/96/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. Het bedrag van het in artikel 1065 van Boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek genoemde fonds beloopt, behoudens de in artikel 3
bedoelde gevallen,
a. wanneer het vorderingen betreft terzake van dood of letsel die
niet zijn vorderingen als bedoeld in artikel 2 (personenfonds):
1°. voor een schip, niet bestemd tot het vervoer van zaken, in
het bijzonder een passagiersschip, 200 rekeneenheden per kubieke
meter waterverplaatsing tot het vlak van de grootst toegelaten
diepgang, vermeerderd voor schepen voorzien van mechanische
voortbewegingswerktuigen met 700 rekeneenheden voor elke kilowatt
van het vermogen van de voortbewegingswerktuigen;
2°. voor een schip dat is bestemd voor het vervoer van zaken,
200 rekeneenheden per ton laadvermogen van het schip, vermeerderd
voor schepen voorzien van mechanische voortbewegingswerktuigen met
700 rekeneenheden voor elke kilowatt van het vermogen van de
voortbewegingswerktuigen;
3°. voor een duw- of sleepboot, 700 rekeneenheden voor elke
kilowatt van het vermogen van de voortbewegingswerktuigen;
4°. voor een duwboot die op het tijdstip waarop de schade is
veroorzaakt, hecht met duwbakken in een duweenheid was gekoppeld,
het overeenkomstig 3° berekende bedrag, vermeerderd met 100
rekeneenheden per ton laadvermogen van de geduwde bakken; deze
vermeerdering vindt niet plaats indien bewezen wordt dat de duwboot
hulp heeft verleend aan een of meer van deze duwbakken;
5°. voor een schip voorzien van mechanische
voortbewegingswerktuigen, dat op het tijdstip waarop de schade is
veroorzaakt andere hecht met dit schip gekoppelde schepen
voortbeweegt, het overeenkomstig 1°, 2°, of 3° berekende bedrag,
vermeerderd met 100 rekeneenheden per ton laadvermogen of per
kubieke meter waterverplaatsing van de andere schepen; deze
vermeerdering vindt niet plaats indien bewezen wordt dat dit schip
hulp heeft verleend aan een of meer van de gekoppelde schepen;
6°. voor de volgens artikel 1060, vierde lid, van Boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek mede onder binnenschepen begrepen zaken: een
bedrag gelijk aan hun waarde op het tijdstip van het voorval dat
aanleiding gaf tot de vordering;
b. wanneer het vorderingen betreft terzake van kosten en
schadevergoedingen verschuldigd voor waterverontreiniging die niet
zijn vorderingen terzake van dood of letsel (waterverontreinigingsfonds):
het bedrag van het personenfonds;
c. wanneer het enige andere vordering betreft (zakenfonds): de
helft van het bedrag van het personenfonds.
2. Wordt in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a,
4° en 5°, het personenfonds van de duwboot of van het voortbewegende
schip vermeerderd met 100 rekeneenheden per ton laadvermogen van de
geduwde bakken of met 100 rekeneenheden per ton laadvermogen of per
kubieke meter waterverplaatsing van de andere gekoppelde schepen, dan
wordt met betrekking tot vorderingen, die voortkomen uit hetzelfde
voorval, het personenfonds voor iedere duwbak of ieder ander gekoppeld
schip verminderd met 100 rekeneenheden per ton laadvermogen van de
duwbak of 100 rekeneenheden per ton laadvermogen of per kubieke meter
waterverplaatsing van het andere gekoppelde schip.
3. In geen geval kan het bedrag van het personenfonds en van het
waterverontreinigingsfonds lager dan 200 000
rekeneenheden en van het zakenfonds lager dan 100 000
rekeneenheden zijn.
4. Een hulpverlener aan een binnenschip, die niet van een zee- of
binnenschip uit werkzaamheden verricht of die werkzaamheden uitsluitend
verricht op het binnenschip waaraan of met betrekking waartoe hij hulp
verleent, kan zijn aansprakelijkheid beperken tot de in het derde lid
genoemde bedragen.
Artikel 2
1. Wat betreft vorderingen ontstaan naar aanleiding van
éénzelfde voorval terzake van dood of letsel van reizigers van een
binnenschip beloopt het bedrag waartoe de eigenaar van het schip zijn
aansprakelijkheid kan beperken (passagiersfonds), even vele malen 60 000
rekeneenheden als het schip volgens zijn wettelijk toegestane capaciteit
gerechtigd is reizigers te vervoeren of, wanneer het aantal reizigers
dat het schip gerechtigd is te vervoeren niet is voorgeschreven, even
vele malen 60 000
rekeneenheden als het aantal reizigers dat het schip op het tijdstip van
het voorval daadwerkelijk heeft vervoerd, met dien verstande dat het
bedrag van het passagiersfonds niet lager kan zijn dan 720 000
rekeneenheden en niet hoger dan de volgende bedragen:
a. 3 miljoen rekeneenheden voor een schip met een toegestane
capaciteit van niet meer dan 100 reizigers;
b. 6 miljoen rekeneenheden voor een schip met een toegestane
capaciteit van niet meer dan 180 reizigers;
c. 12 miljoen rekeneenheden voor een schip met een toegestane
capaciteit van meer dan 180 reizigers.
2. Onder vorderingen terzake van dood of letsel van reizigers
worden voor de toepassing van dit artikel verstaan dergelijke
vorderingen ingediend naar aanleiding van een voorval overkomen aan
enige persoon vervoerd aan boord van het schip.
a. op grond van een overeenkomst tot het vervoer van reizigers;
b. die met toestemming van de vervoerder een voertuig of levende
dieren vergezelt, die worden vervoerd op grond van een overeenkomst
tot goederenvervoer.
Artikel 3
1. In de gevallen waarin de aansprakelijkheid van de eigenaar
van een binnenschip ten aanzien van vorderingen, ontstaan naar
aanleiding van éénzelfde voorval, berust dan wel mede berust op
titel 8.11.4 van het Burgerlijk Wetboek, beloopt het bedrag van het in
artikel 1065 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek genoemde fonds
wanneer het vorderingen betreft terzake van dood of letsel
(personenfonds):
a. voor een schip, niet bestemd tot het vervoer van zaken, in het
bijzonder een passagiersschip, 400 rekeneenheden per kubieke meter
waterverplaatsing tot het vlak van de grootst toegelaten
waterdiepgang, vermeerderd voor schepen voorzien van mechanische
voortbewegingswerktuigen met 1400 rekeneenheden voor elke kilowatt van
het vermogen van de voortbewegingswerktuigen;
b. voor een schip dat is bestemd voor het vervoer van zaken, 400
rekeneenheden per ton laadvermogen van het schip, vermeerderd voor
schepen voorzien van mechanische voortbewegingswerktuigen met 1400
rekeneenheden voor elke kilowatt van het vermogen van de
voortbewegingswerktuigen;
c. voor een duw- of sleepboot, 1400 rekeneenheden voor elke
kilowatt van het vermogen van de voortbewegingswerktuigen;
d. voor een duwboot die op het tijdstip waarop de schade is
veroorzaakt, hecht met duwbakken in een duweenheid was gekoppeld, het
overeenkomstig c berekende bedrag, vermeerderd met 200
rekeneenheden per ton laadvermogen van de geduwde bakken;
e. voor een schip voorzien van mechanische voortbewegingswerktuigen,
dat op het tijdstip waarop de schade is veroorzaakt andere hecht met
dat schip gekoppelde schepen voortbeweegt, het overeenkomstig a,
b en c berekende bedrag, vermeerderd met 200
rekeneenheden per ton laadvermogen of per kubieke meter
waterverplaatsing van de andere schepen;
f. voor de volgens artikel 1060, vierde lid, van Boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek mede onder binnenschepen begrepen zaken: een bedrag
gelijk aan tweemaal de waarde op het tijdstip van het voorval, dat
aanleiding gaf tot de vordering.
2. Wanneer het enige andere vordering betreft (zakenfonds) wordt
het bedrag van het fonds op dezelfde wijze berekend als op grond van het
eerste lid, met dien verstande dat:
a. het bedrag per ton laadvermogen van het schip en per kubieke
meter waterverplaatsing tot het vlak van de grootst toegelaten
diepgang als genoemd in het eerste lid, onderdeel a en b,
wordt gesteld op 300 rekeneenheden;
b. het bedrag voor elke kilowatt als genoemd in het eerste lid,
onderdeel a, b en c, wordt gesteld op 1000
rekeneenheden;
c. het bedrag per ton laadvermogen van het schip en per kubieke
meter waterverplaatsing tot het vlak van de grootst toegelaten
diepgang als genoemd in het eerste lid, onderdeel d en e,
wordt gesteld op 150 rekeneenheden;
d. het bedrag van het eerste lid, onderdeel f, wordt gesteld
op 1,5 maal de waarde op het tijdstip van het voorval dat aanleiding
gaf tot de vordering.
3. In geen geval kan het bedrag van het personenfonds lager dan 1
miljoen en hoger dan 4 miljoen rekeneenheden en het bedrag van het
zakenfonds lager dan 750 000
en hoger dan 3 miljoen rekeneenheden zijn.
Artikel 4
Aan de in de artikelen 1, 2 en 3 vermelde bedragen wordt toegevoegd
de wettelijke rente berekend van de aanvang van de dag volgende op de
dag van het voorval, dat aanleiding gaf tot de vordering, tot de aanvang
van de dag volgende op de dag waarop hij die een verzoek tot beperking
van zijn aansprakelijkheid indiende, voldeed aan een hem krachtens
artikel 642c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
opgelegd bevel.
Artikel 5
De rekeneenheid, genoemd in de artikelen 1, 2 en 3, is het bijzondere
trekkingsrecht, zoals dat is omschreven door het Internationale
Monetaire Fonds. De bedragen genoemd in de artikelen 1, 2 en 3 worden
omgerekend in Nederlands geld naar de koers van de dag waarop de
schuldenaar voldoet aan een ingevolge artikel 642c van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gegeven bevel tot storting of
andere zekerheidsstelling. De waarde van het Nederlandse geld,
uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, wordt berekend volgens de
waarderingsmethode die door het Internationale Monetaire Fonds op de dag
van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en
transacties.
Artikel 6
Dit besluit treedt in werking tegelijk met de Wet van 31 oktober
1996, Stb. 1996, 548.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 29 november 1996
BEATRIX
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de tiende december 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|