| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Comptabiliteitswet
2001
BESLUIT
KASBEHEER 1998
Tekst zoals deze geldt op
24 juli 2011
Vervallen
m.i.v. 1 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 23 januari 1998, houdende regels inzake het kasbeheer bij
het Rijk (Besluit kasbeheer 1998)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 27 oktober
1997, nr. B97/416M, Directoraat-Generaal van de Rijksbegroting, Directie
Begrotingszaken, en de Centrale Directie Wetgeving, Juridische en
Bestuurlijke Zaken;
Gelet op artikel 32, aanhef en onder a en
c, en op artikel 34, eerste
lid, van de Comptabiliteitswet;
Gezien het advies van de Algemene Rekenkamer van 12 augustus 1997,
nr. 799R;
De Raad van State gehoord (advies van 24 december 1997, nr.
W06.97.686);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 19
januari 1998, nr. B97/522U, Directoraat-Generaal van de Rijksbegroting,
Directie Begrotingszaken, en de Centrale Directie Wetgeving, Juridische
en Bestuurlijke Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1.In dit besluit wordt verstaan onder:
a. kasbeheer: de zorg voor:
1. de vorderingen van het Rijk (vorderingenbeheer);
2. de betalingen van het Rijk (betalingenbeheer);
3. het geld en de geldswaardige papieren bij het Rijk
(geldelijk beheer).
b. centrale kassen: de door Onze Minister van Financiën
centraal beheerde tegoeden op door hem aangewezen rekeningen bij
in Nederland gevestigde bankinstellingen.
c. kassen: voorraden contante gelden en tegoeden op
bankrekeningen van het Rijk.
d. Onze ministers: Onze betrokken ministers, ieder voor zover
het hem aangaat;
e. begroting: een van de onderdelen van de begroting van het
Rijk, bedoeld in artikel 1 van de Comptabiliteitswet 2001.
2.Tot het kasbeheer worden in elk geval de volgende
beheershandelingen gerekend:
a. het bewaren van geld en geldswaardige papieren;
b. het betaalbaar stellen van aangegane financiële
verplichtingen;
c. het verrichten van geldelijke betalingen;
d. het invorderbaar stellen van vorderingen;
e. het innen van geldelijke ontvangsten;
f. het opnemen en storten van contant geld;
g. het electronisch opladen en afwaarderen van
contantgeldkaarten;
h. het in ontvangst nemen en het afgeven van geldswaardige
papieren;
i. het aanwijzen van ordonnateurs, kasbeheerders en van
kassiers en het intrekken van zodanige aanwijzingen;
j. het administreren van de beheershandelingen, genoemd onder a
tot en met i.
3.Tot geldswaardige papieren worden gerekend:
a. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1:1 van de
Wet op het financieel toezicht;
b. cheques;
c. bankpassen, creditkaarten en contantgeldkaarten;
d. andere door Onze Minister van Financiën aan te wijzen
papieren of stukken.
Artikel 2
1.Onze ministers zijn belast met het kasbeheer, ieder voorzover dit
beheer voortvloeit uit het beheer van de begrotingen en de rekeningen
buiten begrotingsverband waarmee hij is belast.
2.Onze Minister van Financiën voert het kasbeleid van het Rijk.
3.Onze Minister van Financiën kan nadere regels stellen met
betrekking tot het kasbeheer.
4.Onze Minister van Financiën kan Onze ministers aanwijzingen
geven voor de wijze waarop het kasbeheer wordt gevoerd.
5.Onze Minister van Financiën draagt de zorg voor de bewaring van
de aan het Rijk toebehorende en toevertrouwde effecten.
6.Onze ministers kunnen Onze Minister van Financiën verzoeken zich
te belasten met de bewaring van andere geldswaardige papieren dan
effecten.
Artikel 3
1.Ten behoeve van een rechtmatig en doelmatig kasbeheer leggen Onze
ministers de beschrijving van de administratieve organisatie met
betrekking tot het kasbeheer vast en dragen zij zorg voor de
toepassing van de in die beschrijving vastgelegde procedures.
2.In de administratieve organisatie wordt rekening gehouden met het
toepassen van voldoende functiescheiding tussen in elk geval de
ordonnateur en de kasbeheerder.
3.Onze ministers kunnen, met inachtneming van de bepalingen van dit
besluit en van de door Onze Minister van Financiën krachtens dit
besluit gestelde regels, voor de onder hen ressorterende
dienstonderdelen nadere regels met betrekking tot het kasbeheer
stellen.
Artikel 4
1.De ordonnateur is belast met het verlenen van de interne
opdrachten tot het verrichten van de betalingen die uit de aangegane
financiële verplichtingen van het Rijk voortvloeien, dan wel met het
verlenen van de interne opdrachten tot het innen van de ontvangsten
die uit de invorderbaar gestelde vorderingen van het Rijk
voortvloeien.
2.Met betrekking tot te verrichten betalingen draagt de ordonnateur
zorg voor een deugdelijke verificatie van de betalingsnoodzaak.
3.Met betrekking tot de in te stellen vorderingen draagt de
ordonnateur zorg voor een deugdelijke verificatie van het recht op de
vorderingen.
Artikel 5
1.De kasbeheerder heeft de beschikkingsbevoegdheid over de hem door
de betrokken directeur Financieel-Economische Zaken in beheer gegeven
kassen en geldswaardige papieren. Uit dien hoofde verricht hij de
betalingen en de ontvangsten waartoe de betrokken ordonnateur hem
opdracht geeft, is hij belast met de ontvangst en de afgifte van
geldswaardige papieren en bewaart hij op een zo veilig mogelijke
plaats de contante gelden en de geldswaardige papieren.
2.De kasbeheerder ziet toe op de rechtmatigheid van de te
verrichten betalingen en ontvangsten. Indien hij van oordeel is dat
een betaling of ontvangst niet rechtmatig is, pleegt hij overleg met
de ordonnateur en zo nodig met diens hoofd van dienst. Leidt dit
overleg niet tot overeenstemming, dan wordt het geschil ter beslissing
voorgelegd aan de betrokken directeur Financieel-Economische Zaken.
Van een dergelijk geschil blijkt in voldoende mate uit het betrokken
dossier.
3.De kasbeheerder legt, met inachtneming van de door Onze betrokken
minister te stellen regels, periodiek in een jaar over de door hem in
die functie verrichte werkzaamheden, aan de hand van de financiële
administratie verantwoording af aan het betrokken hoofd van dienst.
4.Een hoofd van dienst kan, na verkregen instemming van de
betrokken directeur Financieel-Economische Zaken en van de betrokken
kasbeheerder, ter ondersteuning van de kasbeheerder één of meer
kassiers benoemen.
5.Een kassier volgt, met inachtneming van de geldende
voorschriften, bij de uitvoering van zijn werkzaamheden de
aanwijzingen van de betrokken kasbeheerder op.
Artikel 6
1.Onze Minister van Financiën houdt per begroting één of meer
rekeningen-courant aan tussen het Ministerie van Financiën en het
ministerie van Onze minister die de betrokken begroting beheert.
2.In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister van Financiën
in overeenstemming met Onze betrokken minister besluiten tot het
aanhouden van één rekening-courant voor meer dan één begroting
tussen het Ministerie van Financiën en het ministerie van Onze
minister die die begrotingen beheert.
3.Onze andere ministers zijn niet bevoegd tot het aanhouden van
onderlinge rekeningen-courant tussen hun ministeries, tenzij Onze
Minister van Financiën daaraan zijn toestemming heeft verleend.
Artikel 7
1.Onze Minister van Financiën is bevoegd in bepaalde gevallen
derden toe te staan een geldelijk tegoed aan te houden op een
rekening-courant bij het Ministerie van Financiën.
2.De voorwaarden die gelden voor het aanhouden van een
rekening-courant door een derde bij het Ministerie van Financiën
worden per rekening-courant in een overeenkomst vastgelegd, tenzij die
voorwaarden op grond van een wettelijke of een verdragsverplichting
voldoende duidelijk vastliggen.
Artikel 8
1. Onze Minister van Financiën bepaalt bij welke bankinstellingen
het Rijk rekeningen kan aanhouden.
2. Onze Minister van Financiën sluit namens het Rijk de
overeenkomsten met de bankinstellingen over de modaliteiten waaronder
het Rijk rekeningen aanhoudt.
3. Onze ministers houden bij bankinstellingen rekeningen aan die in
euro's luiden, met dien verstande dat zij bij bankinstellingen in de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba tevens rekeningen
mogen aanhouden die luiden in de munteenheid van die openbare
lichamen.
4. Onze ministers hebben de instemming van Onze Minister van
Financiën nodig voor:
a. het aanhouden van rekeningen bij De Nederlandsche Bank NV en
de NV Bank voor Nederlandse Gemeenten;
b. het aanhouden van bankrekeningen die luiden in andere valuta
dan in euro's dan wel, in overeenstemming met het derde lid, in de
munteenheid van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba.
Aan het verlenen van zijn instemming kan Onze Minister van
Financiën voorwaarden verbinden.
Artikel 9
1.Het verrichten van geldelijke betalingen door het Rijk geschiedt
door middel van een overboeking naar een bankrekening van de
begunstigde, dan wel, als dat doelmatiger is, door middel van contant
geld.
2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan Onze Minister
van Financiën bepalen, in welke situaties en onder welke voorwaarden
het verrichten van geldelijke betalingen is toegestaan door middel van
een andere betaalwijze dan genoemd in het eerste lid.
3.Betalingen door het Rijk geschieden niet dan tegen voldoende
kwijting.
Artikel 10
1.Onze ministers bevorderen dat geldelijke ontvangsten van het Rijk
zoveel mogelijk kunnen worden geïnd door middel van een overboeking
naar of een storting op een bankrekening van het Rijk.
2.Onze ministers ontmoedigen het verrichten van geldelijke
betalingen door derden aan het Rijk door middel van creditkaarten,
cheques en contant geld, tenzij die wijzen van betalen in bepaalde
situaties aantoonbaar doelmatiger zijn.
3.Ontvangen contante gelden en cheques worden zoveel mogelijk
dagelijks verwerkt, zodanig dat een prompte bijboeking van de
betrokken bedragen op een bankrekening van het Rijk is verzekerd.
4.Het als geldelijke betaling in ontvangst nemen van
niet-geldelijke zaken is niet toegestaan. Met de instemming van Onze
Minister van Financiën kan hiervan worden afgeweken.
Artikel 11
Contante gelden worden slechts tot een zodanige omvang aangehouden
als nodig is voor het verrichten van de contante betalingen op korte
termijn.
Artikel 12
Het afgeven aan derden en het in ontvangst nemen van derden van
geldswaardige papieren, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder a,
geschiedt door het Rijk niet dan tegen een voldoende kwijting.
Artikel 13
[Wijzigt het Besluit Taak FEZ]
Artikel 14
[Wijzigt het Besluit materieelbeheer 1996]
Artikel 15
[Wijzigt het Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996]
Artikel 16
1. De Beschikking kasbeheer van 30 augustus 1978 wordt ingetrokken.
2. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1998.
Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt
uitgegeven na 31 december 1997, dan treedt het in werking met ingang
van de dag na de uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt
geplaatst en werkt het terug tot en met 1 januari 1998.
3. Dit besluit wordt aangehaald onder de titel: Besluit kasbeheer
1998.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 23 januari 1998
BEATRIX
De Minister van Financiën,
G. Zalm
Uitgegeven de twaalfde februari 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|