| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Comptabiliteitswet
2001
BESLUIT
MANDAAT, VOLMACHT EN MACHTIGING VROM 2007
Tekst zoals deze geldt op
4 februari 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer en van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van
25 april 2007, DJZ2007037384, houdende verlening van mandaat,
volmacht en machtiging (Besluit mandaat, volmacht en machtiging VROM
2007)
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer en de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie;
Gelet op het koninklijk besluit van 18 oktober 1988 (Stb. 499),
houdende de regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de
secretaris-generaal;
Gelet op het Organisatiebesluit VROM 2005;
Gelet op de artikelen 10:3, 10:9, eerste lid, en 10:12 van de
Algemene wet bestuursrecht en artikel 32, vierde lid, van de
Comptabiliteitswet 2001;
Besluiten:
Artikel 1. Definities
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Ministerie: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
b. Minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer of Minister voor Wonen, Wijken en Integratie;
c. algemene leiding: secretaris-generaal en de vervanging van de
secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal;
d. diensthoofd:
1°. de algemene leiding, voor zover deze is belast met de
dagelijkse leiding van de Concernstaf, de Auditdienst en de
directie Internationale Zaken;
2°. de plaatsvervangend secretaris-generaal, voor zover deze
is belast met de dagelijkse leiding van de Gemeenschappelijke
Dienst;
3°. de directeur-generaal Milieu;
4°. de directeur-generaal Wonen, Wijken en Integratie;
5°. de directeur-generaal Ruimte;
6°. de inspecteur-generaal;
7°. de directeur-generaal Rijksgebouwendienst.
Artikel 2. Algemene leiding
1. Aan de algemene leiding wordt mandaat
verleend met betrekking tot de aangelegenheden die verband houden met de
taken, genoemd in artikel 3.1 van het Organisatiebesluit VROM 2005 en de
taak, vermeld in het koninklijk besluit van 18 oktober 1988 (Stb.
499).
2. Tot de aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, behoren in
ieder geval:
a. besluiten tot toepassing van disciplinaire maatregelen als
bedoeld in artikel 80 tot en met artikel 84 en artikel 91 en 92 van
het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
b. besluiten tot toepassing van hardheidclausules, toegekend door
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
zoals opgenomen in het Algemeen Rijksambtenarenreglement en interne
regelgeving van het Ministerie;
c. besluiten tot toepassing van artikel 6a, 34, 34e, 49a tot en met
49q, 113, 114, 116 en 117 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
d. besluiten tot toepassing van hardheidsclausules, toegekend door
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
zoals opgenomen in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren
1984, daaruit afgeleide regelingen en interne regelgeving van het
Ministerie;
e. het vaststellen van niet-individuele regelingen voorzover de
Ambtenarenwet, het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 dan wel daaruit
voortvloeiende regelgeving deze mogelijkheid biedt;
f. het vaststellen van regels op het gebied van de bedrijfsvoering,
waaronder begrepen personeelsaangelegenheden, het Ministerie
betreffende;
g. het geven van aanwijzingen op het gebied van bedrijfsvoering,
waaronder begrepen personeelsaangelegenheden, het Ministerie
betreffende.
3. Aan de algemene leiding wordt mandaat verleend tot het nemen
van beslissingen op bezwaarschriften, die zijn gericht tegen besluiten
die verband houden met taken van de algemene leiding, genoemd in artikel
3.1 van het Organisatiebesluit VROM 2005, behoudens artikel 10:3, derde
lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4. Tot de beslissingen op bezwaarschriften, bedoeld in het derde
lid, behoren in ieder geval beslissingen op bezwaarschriften:
a. die zijn gericht tegen besluiten, bedoeld in het tweede lid;
b. die voortvloeien uit het Besluit Reorganisaties VROM 2001.
Artikel 3. Mandaat
1. Aan het diensthoofd, de directeur
Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de
directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting wordt mandaat
verleend met betrekking tot de aangelegenheden die verband houden met
hun taken en de taken van de onder hen ressorterende onderdelen, genoemd
in het Organisatiebesluit VROM 2005, onverminderd de mandaatverlening
aan de algemene leiding in artikel 2 en behoudens artikel 10:3, derde
lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2. Tot de aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, behoren in
ieder geval:
a. de taken van integraal management, met inbegrip van
aangelegenheden op organisatorisch, personeels, financieel en
materieel gebied;
b. het met voorafgaande goedkeuring van de algemene leiding
inzetten en uitvoeren van organisatieveranderingen en
formatieveranderingen;
c. het vaststellen van de formatie tot schaal 13 van de onder het
diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu-
en Natuurplanbureau dan wel de directeur Nederlandse Emissieautoriteit
in oprichting ressorterende onderdelen, met dien verstande dat
functiewaarderingsbesluiten met betrekking tot de functionarissen, die
rechtstreeks vallen onder het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk
Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau dan wel de
directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting, en de functies
die niet opgenomen zijn in de formatie, zijn voorbehouden aan de
algemene leiding;
d. het geven van leiding aan de onder het diensthoofd, de directeur
Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau dan
wel de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting
ressorterende functionarissen;
e. het optreden als bestuurder in de zin van de Wet op de
ondernemingsraden in de overleggen met de medezeggenschap van het
onder het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de
directeur Milieu- en Natuurplanbureau dan wel de directeur Nederlandse
Emissieautoriteit in oprichting ressorterende organisatieonderdelen.
3. Aan het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de
directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse
Emissieautoriteit in oprichting wordt mandaat verleend tot het nemen van
beslissingen op bezwaarschriften tegen besluiten, die verband houden met
hun taken en de taken van de onder hen ressorterende onderdelen, genoemd
in het Organisatiebesluit VROM 2005.
4. Aan het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de
directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse
Emissieautoriteit in oprichting wordt mandaat verleend tot het
vaststellen van beleidsregels met betrekking tot aangelegenheden die
verband houden met hun taken en de taken van de onder hen ressorterende
onderdelen, genoemd in het Organisatiebesluit VROM 2005.
5. Het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk planbureau de
directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse
Emissieautoriteit in oprichting zijn bevoegd tot het uitvoeren van de
taken en het uitoefenen van de bevoegdheden ten aanzien van de
verwerking van persoonsgegevens als bedoeld in de Regeling Wet
bescherming persoonsgegevens Ministerie VROM, binnen hun
organisatieonderdelen.
Artikel 4. Ondermandaat
1. Het diensthoofd, de directeur
Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de
directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting kunnen
ondermandaat verlenen aan onder hen ressorterende functionarissen.
2. In afwijking van het eerste lid wordt geen ondermandaat
verleend met betrekking tot de inzet van externen voor de categorieën
interimmanagement, organisatie- en formatieadvies, beleidsadvies en
communicatieadvies.
3. De bevoegdheid tot het verlenen van ondermandaat heeft tevens
betrekking op het uitoefenen van de dagelijkse leiding van het onderdeel
waarvoor de betreffende functionarissen verantwoordelijk zijn, met
inbegrip van verantwoordelijkheden op organisatorisch, financieel en
materieel gebied en specifieke door het diensthoofd, de directeur
Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau dan wel
de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting toegekende
bevoegdheden.
4. De uitoefening van de bevoegdheid tot het verlenen van
ondermandaat geschiedt bij schriftelijk besluit, met voorafgaande
instemming van de algemene leiding.
Artikel 5. Voorbehoud Minister
1. Aan de Minister blijft voorbehouden de
bevoegdheid tot het nemen van besluiten met betrekking tot kaders van
departementaal beleid en aangelegenheden die op grond van
interdepartementale regelgeving of afspraken op het niveau van een
Minister dienen te worden afgehandeld.
2. Onder het voorbehoud, bedoeld in het eerste lid, valt in ieder
geval de bevoegdheid tot het afdoen en ondertekenen van stukken gericht
aan:
a. de Koningin;
b. de Raad van Ministers van het Koninkrijk, de Raad van Ministers
en de daaruit gevormde colleges;
c. Ministers en staatssecretarissen;
d. autoriteiten in binnen- en buitenland, in rang gelijk aan of
hoger dan een Minister of een staatssecretaris;
e. de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal
en de voorzitters van de uit die Kamers gevormde commissies;
f. de vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk en de
vice-president van de Raad van State;
g. de president van de Algemene Rekenkamer.
Artikel 6. Begrenzing van het mandaat
1. Dit besluit is van toepassing op de
uitoefening van bevoegdheden, voor zover deze niet reeds ingevolge een
wettelijk voorschrift aan het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk
Planbureau dan wel de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de
directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting zijn toegedeeld
dan wel voor zover deze niet zijn toegedeeld aan een andere functionaris
of orgaan dan de in dit besluit genoemde.
2. Een beslissing op een bezwaarschrift wordt genomen door een
functionaris, die hiërarchisch hoger is dan de functionaris die de
beslissing heeft genomen waartegen het bezwaarschrift is gericht.
3. In afwijking van artikel 3 is de directeur VROM
Administratiekantoor van de Gemeenschappelijke Dienst bevoegd tot het,
in opdracht van de beslissingsbevoegde functionaris, opstellen en
ondertekenen van besluiten en correspondentie op het terrein van de
personeels- en salarisadministratie van het Ministerie.
4. De directeur Facilitaire en Informatiedienst is bevoegd tot
het, in opdracht van de beslissingsbevoegde functionaris, aangaan van
Ministeriebrede financiële verplichtingen tot een bedrag van € 1000,–
exclusief BTW per verplichting.
Artikel 7. Informatieplicht
1. Elke functionaris aan wie bij of
krachtens dit besluit mandaat is verleend, heeft een informatie- en
signaleringsplicht jegens degene die het mandaat heeft verleend.
2. De Minister en de algemene leiding worden in ieder geval
geďnformeerd bij zwaarwegende omstandigheden en gebeurtenissen,
aangaande de gemandateerde bevoegdheden. Zwaarwegende omstandigheden
zijn in ieder geval die omstandigheden of gebeurtenissen die naar
redelijke verwachting van invloed zijn op de beeldvorming over of de
politieke ruimte van de Minister dan wel op een ordelijk beheer van het
Ministerie.
Artikel 8. Volmacht en machtiging
1. Voor de toepassing van dit besluit en
de daarop berustende bepalingen worden met mandaat gelijkgesteld, de
verlening van:
a. volmacht om in naam van de Minister privaatrechtelijke
rechtshandelingen te verrichten;
b. machtiging om in naam van de Minister handelingen te verrichten,
die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling
zijn.
2. Het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de
directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse
Emissieautoriteit in oprichting nemen bij het aangaan van financiële
verplichtingen de vastgestelde begrotingen van hun organisatieonderdelen
in acht.
Artikel 9. Overige bepalingen
1. Indien een besluit wordt afgedaan door
een daartoe op grond van dit besluit gemandateerde functionaris, luidt
de ondertekening:
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
voor deze:
gevolgd door functieaanduiding, handtekening en naam van de
functionaris
2. In afwijking van het eerste lid wordt een beslissing in het
kader van de beleidsterreinen:
a. integratie en inburgering;
b. coördinatie integratie minderheden;
c. antidiscriminatie;
d. grotestedenbeleid;
e. wonen en huisvesting;
f. huurbeleid en huurtoeslag;
g. buurtbudgetten;
h. bestrijding van lokale overlast;
i. bevordering van buurtgerichte veiligheid;
j. rijkshuisvesting,
als volgt ondertekend:
De Minister voor Wonen, Wijken en Integratie,
voor deze:
gevolgd door functieaanduiding, handtekening en naam van de
functionaris.
3. Bij ondertekening van stukken op grond van de volmacht wordt
de aanduiding van de Minister voorafgegaan door: namens de Staat der
Nederlanden.
Artikel 10. Slotbepalingen
1. Het Besluit mandaat, volmacht en
machtiging VROM 2005 wordt ingetrokken.
2. Het Besluit mandaat, volmacht en machtiging integratie,
inburgering en coördinatie integratie minderheden wordt ingetrokken.
3. Besluiten tot mandaatverlening die berusten op artikel 4 van
het Besluit mandaat, volmacht en machtiging VROM 2005 berusten na
inwerkingtreding van dit besluit op artikel 4 van dit besluit.
4. Het diensthoofd van de Gemeenschappelijke Dienst is belast met
het beheer van dit besluit en de besluiten, bedoeld in artikel 4, eerste
lid.
5. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na
dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
6. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit mandaat, volmacht en
machtiging VROM 2007.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 25 april 2007.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
J.M. Cramer.
De Minister voor Wonen, Wijken en Integratie,
C.P. Vogelaar.
|
|
|