BESLUIT van 22 december 1995, houdende nadere regelen inzake het
verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen namens de Staat
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 18 september
1995, nr. B95/186U, Directoraat-Generaal van de Rijksbegroting, Directie
Begrotingszaken, en de Centrale Directie Wetgeving, Juridische en
Bestuurlijke Zaken;
Gelet op artikel 34, eerste lid, van de Comptabiliteitswet;
Gezien het advies van de Algemene Rekenkamer van 12 juni 1995, nr.
625R;
De Raad van State gehoord (advies van 1 december 1995,
nr.
W06.95.0505);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 20
december 1995, nr. B95/426U, Directoraat-Generaal van de Rijksbegroting,
Directie Begrotingszaken, en de Centrale Directie Wetgeving, Juridische
en Bestuurlijke Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. Een algemene volmacht als bedoeld in artikel 32, vierde lid,
van de Comptabiliteitswet 2001, alsmede bedoeld in artikel 35a, tweede
lid, en 104a, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie
kan slechts worden verleend aan:
a. ambtenaren in de zin van de Ambtenarenwet;
b. degenen met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is
gesloten.
2. Een bijzondere volmacht als bedoeld in artikel 32, vierde lid,
van de Comptabiliteitswet 2001, alsmede bedoeld in artikel 35a, tweede
lid, en 104a, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie kan
worden verleend aan:
a. de personen, bedoeld in het eerste lid;
b. andere natuurlijke personen, indien daartoe dwingende redenen
zijn;
c. rechtspersonen, indien daarin bij of krachtens de wet is
voorzien.
3. Algemene en bijzondere volmachten worden schriftelijk
verleend. In spoedeisende gevallen kan een bijzondere volmacht mondeling
worden verleend aan een persoon, bedoeld in het eerste lid, onder a.
Een mondelinge bijzondere volmacht wordt zo spoedig mogelijk
schriftelijk bevestigd.
4. Onze ministers, alsmede de hoge colleges van staat en het
Kabinet van de Koning, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale
Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de
Raad voor de rechtspraak ieder voor zover het hem aangaat, houden een of
meer openbare registers bij, waaruit blijkt aan welke personen - in naam
of in functie - en aan welke rechtspersonen een volmacht als bedoeld in
het eerste of tweede lid is verleend. Daarbij worden duidelijk de
privaatrechtelijke rechtshandelingen omschreven, waarover die volmacht
zich uitstrekt.
Artikel 2
Gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van een aan de Staat
toekomende privaatrechtelijke vordering geschiedt, indien het kwijt te
schelden bedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan een door Onze
Minister van Financiën vast te stellen bedrag en het kwijtschelden niet
bij of krachtens de wet is geregeld, door Onze daarbij betrokken
minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën.
Artikel 3
1. Schenking aan een derde van een aan de Staat toebehorende
niet-geldelijke roerende zaak met een waarde gelijk aan of meer dan
het in artikel 2 bedoelde bedrag, wordt, voor zover deze zaak niet als
overtollig kan worden aangemerkt, verricht door Onze daarbij betrokken
minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën.
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. indien het schenken bij of krachtens de wet is geregeld;
b. indien de schenking voortvloeit uit een beleid gericht op de
aanschaf van zaken met het oog op schenking aan derden.
Artikel 4
Een vaststellingsovereenkomst namens de Staat die betrekking heeft op
een recht op een geldelijke roerende zaak, wordt gesloten door Onze
minister wie het aangaat. Indien de vaststellingsovereenkomst betrekking
heeft op een niet-geldelijke roerende zaak met een waarde gelijk aan of
hoger dan het in artikel 2 bedoelde bedrag, wordt zij gesloten door Onze
minister wie het aangaat in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën.
Artikel 5
Onze betrokken ministers doen aan de Algemene Rekenkamer schriftelijk
mededeling van de kwijtscheldingen, de schenkingen en de
vaststellingsovereenkomsten, bedoeld in de artikelen 2,
onderscheidenlijk 3 en 4, tenzij de waarde minder bedraagt dan het in
artikel 2 bedoelde bedrag.
Artikel 6
Het sluiten van huur-, huurkoop- en lease-overeenkomsten namens de
Staat met een waarde gelijk aan of meer dan een door Onze Minister van
Financiën vast te stellen bedrag dan wel voor een periode van langer
dan tien jaar, geschiedt door Onze minister wie het aangaat in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën.
Artikel 6a
1. Wisselkoersrisico's die samenhangen met de financiële
verplichtingen die namens de Staat worden aangegaan in een andere
valuta dan euro, worden niet door middel van valutatermijncontracten
afgedekt.
2. In afwijking van het eerste lid en met inachtneming van door
Onze Minister van Financiën te stellen regels, kunnen Onze ministers
omvangrijke budgettaire risico's afdekken.
3. Valutatermijncontracten worden gesloten met en uitgevoerd door
een door Onze Minister van Financiën aan te wijzen bankinstelling.
Artikel 7
1. De schriftelijke mededeling, bedoeld in artikel 34, vijfde
en zesde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt gedaan door Onze
minister wie het aangaat in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën.
2. Andere deelnemingen en verstrekkingen door de Staat dan
bedoeld in artikel 34, vijfde, zesde en zevende lid, van de
Comptabiliteitswet 2001 worden verricht door Onze minister wie het
aangaat in overeenstemming met Onze Minister van Financiën.
3. Rechtshandelingen tot het geheel of gedeeltelijk vervreemden
door de Staat van in zijn bezit zijnde deelnemingen in naamloze
vennootschappen of in besloten vennootschappen met beperkte
aansprakelijkheid en van in aandelen converteerbare leningen verstrekt
door de Staat aan dergelijke vennootschappen, geschieden door of met
machtiging van Onze Minister van Financiën.
Artikel 8
Onze Minister van Financiën kan nadere voorschriften geven met
betrekking tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen
namens de Staat.
Artikel 8a
Dit besluit berust op artikel 39 van de Comptabiliteitswet 2001 en op
de artikelen 35a, tweede lid, en 104, tweede lid, van de Wet op de
rechterlijke organisatie.
Artikel 9
1. Het Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen van 12 juli
1977 (Stb. 427) wordt ingetrokken.
2. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1996,
met uitzondering van artikel 3 dat op een bij koninklijk besluit te
bepalen datum in werking treedt.
3. Dit besluit wordt aangehaald onder de titel: "Besluit
privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996".
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 22 december 1995
BEATRIX
De Minister van Financiën,
G. Zalm
Uitgegeven de zestiende januari 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager