| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Comptabiliteitswet
2001
BESLUIT
VERLENING VOORSCHOTTEN 1994
Tekst zoals deze geldt op
4 februari 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 3 januari 1994, houdende regels inzake ten laste van het
Rijk te verlenen voorschotten
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 29 juni 1993,
nr. B93-194, Directoraat-Generaal van de Rijksbegroting, Directie
Begrotingszaken, en de Centrale Directie Wetgeving, Juridische en
Bestuurlijke Zaken;
Gelet op artikel 32, aanhef en onder e, van de
Comptabiliteitswet;
Gezien het advies van de Algemene Rekenkamer van 29 maart 1993, nr.
312R;
De Raad van State gehoord (advies van 17 november 1993, nr.
W06.93.0393);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 23
december 1993, nr. B93-431, Directoraat-Generaal van de Rijksbegroting,
Directie Begrotingszaken, en de Centrale Directie Wetgeving, Juridische
en Bestuurlijke Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt onder voorschot verstaan:
a. een vooruitbetaling door het Rijk in verband met door een
derde aan het Rijk te leveren produkten, te verlenen diensten of te
verrichten werken;
b. een vooruitbetaling door het Rijk op een aan een derde
verstrekte aanspraak op een subsidie, bijdrage of lening of op een
aanspraak uit hoofde van een verstrekte garantie.
Artikel 2
1. Voorschotten, bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a,
kunnen worden verleend voor zover de gewoonte, de billijkheid of het
belang van het Rijk dit vordert. De voorschotverlening wordt
schriftelijk overeengekomen.
2. Een overeenkomst, waarin voorschotverlening wordt afgesproken,
wordt, indien die voorschotverlening in een begrotingsjaar naar
verwachting een door Onze Minister van Financiën vast te stellen bedrag
te boven gaat, niet gesloten dan nadat Onze Minister van Financiën
daarmee schriftelijk heeft ingestemd.
3. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing, in
gevallen waarin de afspraak tot voorschotverlening wordt gemaakt op
grond van de gewoonte.
4. Voorschotten, bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a,
worden niet verleend dan nadat voldoende zekerheid is gesteld. Vanaf een
door Onze Minister van Financiën vast te stellen bedrag dient zekerheid
te worden gesteld in de vorm van een garantie, afgegeven door:
a. een in Nederland of in een andere Lid-Staat van de Europese Unie
toegelaten kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;
b. een schadeverzekeraar, aan wie op grond van artikel 24, eerste
lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993
door de Pensioen- & Verzekeringskamer een vergunning is verleend
voor de branche borgtocht;
c. een andere privaatrechtelijke rechtspersoon of een
overheidsinstelling, indien Onze Minister van Financiën daarmee
schriftelijk heeft ingestemd.
Artikel 3
Het stellen van zekerheid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, kan
achterwege blijven:
a. met betrekking tot voorschotten die volgens de gewoonte zonder
zekerheidsstelling worden verleend;
b. in bijzondere gevallen bij gemotiveerd besluit van Onze
betrokken minister.
Artikel 4
1. Voorschotten, bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b,
worden tot zodanige bedragen verleend:
a. als verantwoord is in verband met het doel van de overdracht en
de daaraan verbonden voorwaarden;
b. als in het belang is van het Rijk.
2. Voorschotten, bedoeld in eerste lid, aanhef en onder b,
behoeven de voorafgaande schriftelijke instemming van Onze Minister van
Financiën.
3. Onze betrokken minister bepaalt of zekerheid moet worden
gesteld.
Artikel 5
Over voorschotten wordt rente in rekening gebracht, voor zover dit in
verband met de motieven die tot de voorschotverlening hebben geleid,
redelijk is te achten.
Artikel 6
Onze Minister van Financiën kan nadere regels stellen met betrekking
tot het verlenen van voorschotten door het Rijk.
Artikel 7
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 8
1. Dit besluit kan worden aangehaald onder de titel:
"Besluit verlening voorschotten 1994".
2. De Regeling verlening voorschotten 1988 van Onze Minister van
Financiën van 31 maart 1988 wordt ingetrokken.
3. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1994.
Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt
uitgegeven op of na deze datum van 1 januari, dan treedt het in werking
met ingang van de dag na de datum van uitgifte van dat Staatsblad
en werkt het terug tot en met 1 januari 1994.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 3 januari 1994
BEATRIX
De Minister van Financiën,
W. Kok
Uitgegeven de twintigste januari 1994
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|