|
REGELING van de Minister van Financiën van 15 maart 2004 inzake het kwijtschelden en het
buiten in vordering stellen van vorderingen die het Rijk op derden heeft
(Regeling kwijtschelding en buiteninvorderingstelling 2004)
De Minister van
Financiën;
Gelet op artikel 38,
eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001 en op artikel 8
van het Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996;
Na overleg met de Algemene Rekenkamer (brief van 22
januari
2004, kenmerk 62R);
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. vorderingenbeheer: de zorg voor het invorderbaar stellen en
het innen van de aan het Rijk toekomende vorderingen, die
voortvloeien uit het beheer van de begroting van het Rijk en uit het
beheer van de rekeningen buiten het begrotingsverband als bedoeld in
artikel 28, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001;
b. vordering: juridisch afdwingbaar recht op een geldbedrag van
een derde;
c. debiteur: een derde op wie het Rijk een vordering heeft;
d. kwijtschelding: een overeenkomst tussen het Rijk en een
debiteur waarbij een vordering van het Rijk op de debiteur geheel of
gedeeltelijk tenietgaat;
e. buiteninvorderingstelling: een eenzijdig door het Rijk genomen
besluit om een vordering op een debiteur voorlopig of definitief
niet te innen;
f. de directeur FEZ: de directeur Financieel-Economische Zaken
van het betrokken ministerie;
g. budgethouder: een aangewezen persoon als bedoeld in artikel
22, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001;
h. a.o.-beschrijving: beschrijving van de administratieve
organisatie.
Artikel 2
1. Ten behoeve van een rechtmatig en
doelmatig vorderingenbeheer leggen de ministers de a.o.-beschrijving met
betrekking tot het vorderingenbeheer vast en dragen zij zorg voor de
toepassing van de in die beschrijving vastgelegde procedures.
2. Voor verschillende categorieën vorderingen kunnen
verschillende a.o.-beschrijvingen worden vastgelegd.
Artikel 3
1. Tot kwijtschelden wordt niet
overgegaan dan nadat daartoe de instemming is verkregen van de directeur
FEZ of, in het geval de directeur FEZ de kwijtschelding namens de
betrokken minister verricht, van de betrokken secretaris-generaal.
2. Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, kan tot
kwijtschelden worden besloten op grond van billijkheid, doelmatigheid of
om een beleidsmatige reden.
3. Het kwijtgescholden bedrag wordt in de
vorderingenadministratie afgeboekt.
4. Na afloop van elk jaar stelt de betrokken budgethouder aan de
directeur FEZ de door deze te bepalen gegevens beschikbaar over de
verleende kwijtscheldingen waartoe hij in het voorafgaande jaar heeft
besloten.
Artikel 4
1. Indien een invorderbaar gesteld
bedrag, ook na herhaalde schriftelijke aanmaningen, niet wordt ontvangen
en met de betrokken debiteur geen nadere schriftelijke
betalingsafspraken zijn te maken, wordt achtereenvolgens nagegaan of:
a. andere mogelijkheden tot invordering openstaan, waaronder het
aanspreken van een eventuele borg of het verrekenen van de vordering
met een schuld van het Rijk aan de betrokken debiteur;
b. het bedrag van de vordering opweegt tegen de nader te maken
kosten van de invordering, waaronder de kosten van invordering langs
gerechtelijke weg.
2. Een besluit tot invordering langs gerechtelijke weg wordt niet
genomen, dan nadat daarover juridisch advies is ingewonnen.
Artikel 5
1. Indien de in artikel 4, eerste lid,
onder b, bedoelde afweging ten nadele uitvalt van verdere
invorderingsmaatregelen en er niet om een beleidsmatige reden wordt
besloten de invorderingsprocedure voort te zetten, wordt de vordering
voorlopig buiten invordering gesteld.
2. Tot een voorlopige buiteninvorderingstelling wordt:
a. boven een eerste door de Minister van Financiën vast te stellen
bedrag niet besloten, dan nadat daarvoor de instemming is verkregen
van de directeur FEZ of van de de betrokken secretaris-generaal in het
geval de directeur FEZ tot de voorlopige buiteninvorderingstelling
besluit;
b. boven een tweede door de Minister van Financiën vast te stellen
bedrag niet besloten dan nadat daarvoor tevens de instemming van de
Minister van Financiën is verkregen.
3. Van een voorlopig buiten invordering gestelde vordering wordt
gedurende een periode van vijf jaar tenminste een maal per jaar nagegaan
of intussen de mogelijkheid van invordering alsnog is ontstaan.
4. Een voorlopig buiten invordering gesteld bedrag kan geheel of
gedeeltelijk worden kwijtgescholden, indien daarmee zekerheid wordt
verkregen over de invordering van het resterende bedrag of van andere
vorderingen op dezelfde debiteur.
Artikel 6
1. Een voorlopig buiten invordering
gestelde vordering die uiteindelijk niet invorderbaar blijkt, wordt
definitief buiten invordering gesteld.
2. In afwijking van het bepaalde in artikel 5, eerste en derde
lid, kan een vordering van het Rijk die deel uitmaakte van de boedel in
een faillissement, of van de boedel met betrekking waartoe de toepassing
van de schuldsaneringsregeling is aangevraagd, geheel of gedeeltelijk
meteen dan wel binnen de periode van vijf jaar, genoemd in artikel 5,
derde lid, definitief buiten invordering worden gesteld, indien:
a. het faillissement is opgeheven bij gebrek aan baten;
b. het faillissement is geëindigd door homologatie van het
aangeboden akkoord;
c. het faillissement is geëindigd door het verbindend worden van
de slotuitdelingslijst;
d. de definitieve toepassing van de schuldsanering is uitgesproken.
Het bepaalde in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder b, is alsdan
niet van toepassing.
3. In afwijking van het bepaalde in artikel 5, eerste en derde
lid, kan een vordering meteen dan wel binnen de periode van vijf jaar,
genoemd in artikel 5,
derde lid, definitief buiten invordering worden gesteld, indien daarmee
ingestemd is door:
a. de betrokken directeur FEZ bij vorderingen tot en met het
bedrag, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, of de
secretaris-generaal in het geval de directeur FEZ tot de
buiteninvorderingstelling besluit;
b. de Minister van Financiën bij vorderingen boven het bedrag,
bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b.
Artikel 7
Het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 6 laat onverlet hetgeen
elders bij of krachtens de wet omtrent buiteninvorderingstelling is
bepaald.
Artikel 8
1. Het bedrag dat met een definitieve
buiteninvorderingstelling is gemoeid, wordt in de
vorderingenadministratie afgeboekt.
2. Van een voorlopige en van een definitieve
buiteninvorderingstelling wordt de betrokken debiteur niet in kennis
gesteld.
3. Het bepaalde in artikel 3, vierde lid, is voor voorlopige en
definitieve buiteninvorderingstellingen van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9
1. Een ingestelde vordering waarvan
achteraf blijkt dat deze geheel of gedeeltelijk ten onrechte is
ingesteld, wordt geheel respectievelijk gedeeltelijk ingetrokken. De
betrokken debiteur wordt daarvan schriftelijk mededeling gedaan.
2. Het bedrag dat met de intrekking is gemoeid, wordt in de
vorderingenadministratie afgeboekt.
Artikel 10
1. Met de schriftelijke toestemming van
de Minister van Financiën kan in bijzondere gevallen worden afgeweken
van de bepalingen van deze regeling.
2. Van zodanige afwijkingen doet de Minister van Financiën
schriftelijk mededeling aan de Algemene Rekenkamer.
Artikel 11
1. De Regeling Kwijtschelding en
Buiteninvorderingstelling 1997 wordt ingetrokken.
2. Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling kwijtschelding en
buiteninvorderingstelling 2004.
3. Zij treedt in werking met ingang van 1 april 2004.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Minister van Financiën,
G. Zalm.
|