| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Comptabiliteitswet
2001
REGELING
MANDAAT, VOLMACHT EN MACHTIGING JEUGD
EN GEZIN
Tekst zoals deze geldt op
4 februari 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van de Minister voor Jeugd en Gezin van 20 september 2007,
nr. DWJZ/BWJP-2787256, houdende regeling van mandaat, volmacht en
machtiging
De Minister voor Jeugd en
Gezin;
Handelende in overeenstemming met de Ministers van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport, van Justitie, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 10:3, 10:9, eerste lid, en 10:12 van de Algemene
wet bestuursrecht en artikel 32, vierde lid, van de Comptabiliteitswet
2001;
Besluit:
Artikel 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Minister: de Minister voor Jeugd en Gezin;
b. mandaat: de bevoegdheid om in naam van de Minister besluiten
te nemen;
c. volmacht: de bevoegdheid om in naam van de Minister
privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten;
d. machtiging: de bevoegdheid om in naam van de Minister
handelingen te verrichten die noch een besluit noch een
privaatrechtelijke rechtshandeling zijn;
e. secretaris-generaal: de secretaris-generaal van het Ministerie
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
f. directeur-generaal: de directeur-generaal voor Jeugd en
Maatschappelijke Zorg van het Ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport.
Artikel 2. Personeelsaangelegenheden
Deze regeling is niet van toepassing op mandaat met betrekking tot
personeelsaangelegenheden.
Artikel 3. Machtiging en volmacht
Hetgeen in deze regeling is bepaald met betrekking tot mandaat, is
van overeenkomstige toepassing op volmacht en machtiging.
Artikel 4. Vervanging
Bij afwezigheid of verhindering van een gemandateerde wordt, voor de
duur van de afwezigheid of verhindering, diens bevoegdheid uitgeoefend
door de plaatsvervanger, behoudens de bevoegdheid tot het verlenen,
wijzigen of intrekken van een ondermandaat.
Artikel 5. De secretaris-generaal
De secretaris-generaal heeft mandaat ten aanzien van alle stukken die
liggen op het gebied van Jeugd en Gezin, met uitsluiting van de stukken
die op grond van artikel 8 door de Minister worden ondertekend.
Artikel 6. De directeur-generaal
De directeur-generaal heeft mandaat ten aanzien van alle stukken die
liggen op het gebied van Jeugd en Gezin en die tot zijn werkterrein
behoren.
Artikel 7. Andere functionarissen
De volgende functionarissen hebben mandaat ten aanzien van stukken
die liggen op het gebied van Jeugd en Gezin en die tot hun werkterrein
behoren:
a. van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport:
de directeur Jeugd;
de directeur Jeugd en Gezin;
de hoofdinspecteur Jeugdzorg;
de directeur Sport;
de directeur Maatschappelijke Ontwikkeling;
de directeur Langdurige Zorg;
de directeur Curatieve Zorg;
de directeur Voeding, Gezondheidsbescherming en Preventie;
de directeur Internationale Zaken;
de directeur Publieke Gezondheid;
de directeur Zorgverzekeringen;
de directeur Markt en Consument;
de directeuren van de stafdirecties of facilitaire
eenheden;
b. van het Ministerie van Justitie:
de directeur Justitieel Jeugdbeleid;
de algemeen directeur van de Raad van de Kinderbescherming;
de directeur Wetgeving;
de directeuren van de ondersteuning departementsleiding en
bedrijfsvoering;
c. van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap:
de directeur Primair Onderwijs;
de directeur Voortgezet Onderwijs;
de directeur Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie;
de directeur Emancipatie;
de directeur Voortijdig Schoolverlaten;
de directeur Media, Letteren en Bibliotheken;
de hoofddirecteur Centrale Financiλn Instellingen;
de directeuren van de ondersteunende directies;
d. van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid:
de directeur Sociale Verzekeringen;
de directeur Arbeidsmarkt;
de directeur Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische
Aangelegenheden;
de directeur Uitvoeringsbeleid;
de directeuren van de ondersteunende directies;
e. de hoofden van direct onder de functionarissen, genoemd onder
a, c en d, ressorterende organisatie-eenheden.
Artikel 8. De Minister
1. De Minister ondertekent de stukken
gericht aan:
a. de Koningin;
b. de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal;
c. de Ministerraad of daaruit gevormde vaste colleges;
d. de Raad van State;
e. de Algemene Rekenkamer;
f. de Nationale ombudsman, indien de strekking daarvan is dat aan
een aanbeveling van de Nationale ombudsman op het terrein van de
jeugdbescherming en scheiding en omgang geen gevolg wordt gegeven.
2. Ten aanzien van de in het eerste lid, onder d en e, genoemde
colleges geldt het eerste lid niet voor zover het gaat om
bestuursrechtelijke procedures onderscheidenlijk stukken van
ondergeschikt beleidsmatig of politiek belang.
3. Voorts ondertekent de Minister de volgende stukken:
a. stukken, inhoudende vaststelling van algemeen verbindende
voorschriften;
b. besluiten, waaruit belangrijke politieke of bestuurlijke
gevolgen kunnen voortvloeien;
c. besluiten, inhoudende de vernietiging van of de onthouding van
de goedkeuring aan een besluit van een ander bestuursorgaan;
d. stukken, inhoudende aanwijzingen aan een ander bestuursorgaan op
grond van een wettelijk voorschrift.
e. besluiten inzake een bezwaar tegen een besluit dat door de
Minister dan wel door de secretaris-generaal namens de Minister is
genomen.
Artikel 9. De secretaris-generaal
1. In afwijking van de artikelen 6 en 7,
onder a, c en d, heeft uitsluitend de secretaris-generaal mandaat met
betrekking tot de stukken:
a. bestemd voor de Nationale ombudsman;
b. behelzende geheel of gedeeltelijk afwijzende besluiten in het
kader van de Wet openbaarheid van bestuur.
2. In afwijking van de artikelen 6 en 7, onder b, heeft
uitsluitend de secretaris-generaal mandaat met betrekking tot de
stukken:
a. bestemd voor de Nationale ombudsman, behoudens de afdoening van
ontvangstbevestigingen, tussenberichten, waaronder uitstelberichten en
stukken naar aanleiding van pogingen van de Nationale ombudsman om ter
vermijding van een volledig onderzoek te bevorderen dat alsnog aan de
klacht tegemoet wordt gekomen;
b. in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur indien
inwilliging of afwijzing daarvan belangrijke politieke, bestuurlijke
of maatschappelijke gevolgen kan hebben.
3. In afwijking van de artikelen 6 en 7, onder d, heeft
uitsluitend de secretaris-generaal mandaat met betrekking tot
toewijzende besluiten in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur
indien inwilliging van het verzoek belangrijke politieke, bestuurlijke
of maatschappelijke gevolgen kan hebben.
Artikel 10. Beleidsregels
In afwijking van artikel 7 hebben uitsluitend de secretaris-generaal
en de directeur-generaal mandaat ten aanzien van beleidsregels.
Artikel 11. Wet openbaarheid van bestuur
1. In afwijking van artikel 7, onder a,
heeft uitsluitend de directeur Voorlichting en Communicatie van het
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport mandaat ten aanzien van
stukken in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur, niet
inhoudende geheel of gedeeltelijk afwijzende besluiten.
2. In afwijking van artikel 7, onder d, heeft uitsluitend de
directeur Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden van het
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mandaat ten aanzien van
stukken op het gebied van Jeugd en Gezin in het kader van de Wet
openbaarheid van bestuur, niet inhoudende geheel of gedeeltelijk
afwijzende besluiten.
Artikel 12. Bezwaar en beroep
1. In afwijking van artikel 7, onder a,
hebben uitsluitend de secretaris-generaal, de directeur Wetgeving en
Juridische Zaken en het hoofd van de Afdeling Bovensectorale Wetgeving
en Juridische Procedures van de directie Wetgeving en Juridische Zaken
van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport mandaat tot het
nemen van beslissingen op bezwaar.
2. In afwijking van artikel 7, onder c en d, hebben de
directeur-generaal en secretaris-generaal mandaat tot het nemen van
beslissingen in bezwaar- en beroepsprocedures op het gebied van Jeugd en
Gezin, met uitzondering van de beslissing op een beroepschrift.
Artikel 13. Ondermandaat
1. De functionarissen, bedoeld in artikel
7, onder a tot en met d, zijn bevoegd om anderen ondermandaat te
verlenen tot het geheel of gedeeltelijk uitoefenen van de daar genoemde
bevoegdheden.
2. Elk ondermandaat wordt schriftelijk verleend en behoeft
goedkeuring van de secretaris-generaal.
3. Op ondermandaat is deze regeling van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 14. Volmacht
1. Op de bevoegdheid om namens de
Minister privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten zijn:
a. voor de functionarissen, bedoeld in artikel 7 onder a, de
bepalingen van de Volmachtregeling VWS van overeenkomstige toepassing;
b. voor de functionarissen, bedoeld in artikel 7, onder b, de
bepalingen die bij of krachtens de Mandaatregeling Ministerie van
Justitie 2005 ten aanzien van volmacht zijn gesteld van
overeenkomstige toepassing;
c. voor de functionarissen, bedoeld in artikel 7, onder c, de
bepalingen die bij of krachtens de het Organisatie- en mandaatbesluit
OCW 2005 ten aanzien van volmacht zijn gesteld van overeenkomstige
toepassing;
d. voor de functionarissen, bedoeld in artikel 7, onder d, de
bepalingen die bij of krachtens de het Organisatie-, en mandaat- en
volmachtbesluit SZW 2004 ten aanzien van volmacht zijn gesteld van
overeenkomstige toepassing.
2. Voor zover in de bepalingen, bedoeld in het eerste lid, onder
a tot en met d, is geregeld dat:
a. uitsluitend de Minister, de secretaris-generaal of de
directeur-generaal van het desbetreffende Ministerie bevoegd is,
treedt de Minister, de secretaris-generaal respectievelijk de
directeur-generaal, genoemd in artikel 1, daarvoor in de plaats;
b. uitsluitend de plaatsvervangend secretaris-generaal van het
desbetreffende Ministerie bevoegd is, treedt de secretaris-generaal,
genoemd in artikel 1, daarvoor in de plaats.
Artikel 15. Ondertekening
De gemandateerde is gehouden in de ondertekening van stukken zijn
vertegenwoordigingsbevoegdheid tot uitdrukking te brengen door de
formule:
De Minister voor Jeugd en Gezin,
namens deze,
functie van de gemandateerde,
handtekening van de gemandateerde,
naam van de gemandateerde.
Artikel 16. Register
1. De directeur Bestuursondersteuning van
het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport houdt een register
bij van alle mandaten en ondermandaten en van de inhoud van hun mandaat.
2. Bij verlening, beλindiging of wijziging van een mandaat wordt
een kopie van dat besluit toegezonden aan de directeur
Bestuursondersteuning.
Artikel 17
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt
terug tot en met 22 februari 2007.
Artikel 18
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling mandaat, volmacht en
machtiging Jeugd en Gezin.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Minister voor Jeugd en Gezin,
A. Rouvoet.
|
|
|