| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Comptabiliteitswet
2001
REGELING
MATERIEELBEHEER RIJKSOVERHEID 2006
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Financiën van 18 april
2006, houdende bepalingen omtrent het beheer van materieel bij het rijk
(Regeling materieelbeheer rijksoverheid 2006)
De Minister
van Financiën;
Gelet op artikel 38, eerste lid, van de
Comptabiliteitswet 2001;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: de minister wie het aangaat;
b. college: een college, genoemd in artikel 1, eerste lid, onder e,
van de Comptabiliteitswet 2001, wie het aangaat;
c. materieelbeheer: de zorg voor niet-geldelijke zaken vanaf het
moment van inbeheer- of ingebruikneming tot aan het moment van
afstoting;
d. overtolligstelling: de vaststelling dat een zaak niet langer
nodig is voor de bedrijfsvoering;
e. budgettairemiddelenafspraak: de afspraak tussen de Minister van
Financiën en een minister of een college over de budgettaire
bestemming van de opbrengst van een afgestoten zaak;
f. budgettairebijdrageafspraak: de afspraak tussen de Minister van
Financiën en een minister of een college over de budgettaire bijdrage
van de minister, respectievelijk het college in de door de dienst
Domeinen te maken kosten van afstoting van een zaak.
2. Voor de toepassing van deze regeling worden tot onroerende
zaken mede gerekend zaken ten aanzien waarvan aan de Staat een
niet-zakelijk recht tot gebruik is verleend.
3. Deze regeling is niet van toepassing op:
a. de archieven van het Rijk;
b. museale voorwerpen als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van
de Regeling materieelbeheer museale voorwerpen;
Hoofdstuk 2. Het beheer van materieel
Paragraaf 2.1. Risicobeheersing
Artikel 2
1. De minister of het college legt de
beschrijving van de administratieve organisatie met betrekking tot het
materieelbeheer vast en draagt zorg voor de toepassing van de in die
administratieve organisatie vastgelegde procedures.
2. De minister of het college draagt er zorg voor dat in het
kader van het gevoerde materieelbeheer een adequate administratie wordt
bijgehouden.
Artikel 3
1. In beheer of in gebruik genomen zaken worden zodanig beheerd
of gebruikt dat onnodig kwaliteits- en kwantiteitsverlies worden
voorkomen.
2. Van door de minister of het college aan te wijzen roerende
zaken wordt op niet vooraf aangekondigde momenten de aanwezigheid in de
organisatie gecontroleerd. De resultaten van de controle worden in de
administratie vastgelegd.
3. De minister of het college inventariseert de risico’s dat
door oorzaken gelegen buiten de organisatie aan in beheer of in gebruik
genomen zaken aanzienlijke schade kan worden toegebracht.
Artikel 4
1. In beheer of in gebruik genomen zaken worden zodanig beheerd
of gebruikt dat de kans op schade aan derden of aansprakelijkstelling
door derden zoveel mogelijk wordt voorkomen.
2. De minister of het college inventariseert de risico’s dat
met in beheer of in gebruik genomen zaken aanzienlijke schade aan derden
kan worden toegebracht, dan wel dat het beheer of het gebruik van die
zaken aanleiding kan zijn tot aansprakelijkstelling door derden met
aanzienlijke financiële gevolgen.
Artikel 5
1. Aan de hand van de inschatting van de kans dat de
geïnventariseerde risico’s, bedoeld in de artikelen 3 en 4, zich
zullen voordoen, wordt besloten of en zo ja welke preventieve
maatregelen moeten worden genomen ter voorkoming of beperking van de
risico’s, dan wel welke repressieve maatregelen moeten worden
genomen voor het herstel van de schade of de opvang van de gevolgen
van aansprakelijkstelling.
2. De risico's van schade voor en aansprakelijkstelling van de
Staat worden om redenen van doelmatigheid in het algemeen niet
verzekerd. Een besluit tot verzekeren wordt genomen in overeenstemming
met de Minister van Financiën.
3. In overleg tussen de minister of het college en de Minister
van Financiën kan worden besloten, dat de afwikkeling van een schade of
een aansprakelijkstelling namens het Rijk door de Minister van
Financiën geschiedt.
Paragraaf 2.2. Aangewezen voorraden
Artikel 6
1. Voorraden, voor zover deze benodigd zijn voor de
bedrijfsvoering, worden zodanig aangehouden dat de continuïteit van
de bedrijfsvoering voldoende gewaarborgd is en dat geen ondoelmatige
voorraden ontstaan.
2. De minister of het college kan voorraden roerende zaken
aanwijzen, waarop artikel 7 van toepassing is.
Artikel 7
1. Van aangewezen voorraden houdt de minister of het college
een voorraadadministratie bij.
2. De administratie van een aangewezen voorraad, benodigd voor de
bedrijfsvoering, bevat in het algemeen gegevens omtrent:
a. de aard van de in voorraad gehouden zaken in een bij elke zaak
passende eenheid;
b. de aanwezige hoeveelheden, alsmede de voorraadmutaties;
c. de aanschafprijzen;
d. de leveranciers;
e. de locatie waar de voorraad wordt aangehouden;
f. de namen van de voorraadbeheerders en van de beschikkende
functionarissen.
3. Tot afgifte van zaken uit een aangewezen voorraad is
uitsluitend bevoegd de betrokken voorraadbeheerder in opdracht van de
beschikkende functionarissen.
4. Bij het beheer van een aangewezen voorraad wordt een voldoende
functiescheiding toegepast.
5. In het algemeen ten minste eenmaal per jaar wordt door middel
van een aanwezigheidscontrole, te verrichten door een van de
voorraadbeheerder onafhankelijke functionaris, nagegaan of de voorraad
in overeenstemming is met de bijgehouden voorraadadministratie. De
resultaten van die controle worden betrouwbaar vastgelegd.
6. Na afloop van elk jaar legt de voorraadbeheerder
verantwoording af over het door hem in het voorafgaande jaar gevoerde
voorraadbeheer overeenkomstig de door de minister of het college
vastgestelde procedure.
Hoofdstuk 3. Het afstoten van overtollige
zaken
Paragraaf 3.1. Roerende zaken
Artikel 8
1. De minister of het college neemt over
roerende zaken die niet langer nodig zijn voor de bedrijfsvoering van
zijn ministerie, respectievelijk van het college zo spoedig mogelijk een
besluit tot overtolligstelling.
2. De minister of het college doet van een besluit tot
overtolligstelling zo spoedig mogelijk mededeling aan de dienst
Domeinen.
3. De minister of het college draagt overtollig gestelde,
roerende zaken in tijdelijk beheer over aan de dienst Domeinen, tenzij
het zaken betreft die door middel van inruil worden verkocht.
4. De overdracht in tijdelijk beheer aan de dienst Domeinen
geschiedt na acceptatie door de dienst Domeinen en met inachtneming van
gemaakte budgettairemiddelenafspraken dan wel van gemaakte
budgettairebijdrageafspraken.
5. De dienst Domeinen draagt het materieelbeheer van overtollig
gestelde zaken via ingebruikgeving aan andere ministers of colleges of
via verhuur aan derden over, dan wel stoot die zaken via verkoop aan
derden af. Verhuur of verkoop aan derden geschiedt tegen marktconforme
prijzen.
6. De dienst Domeinen kan de kosten van afstoting geheel of
gedeeltelijk aan de overtolligstellende minister of het college in
rekening brengen, indien zij die kosten niet kan dekken uit de opbrengst
van afstoting. Zij doet daarvan zo spoedig mogelijk mededeling aan de
minister of het college.
7. De dienst Domeinen kan toestemming verlenen dat afstoting door
de minister of het college zelf plaatsvindt. Aan die toestemming kunnen
voorwaarden worden verbonden.
8. Roerende zaken die niet op de in het vijfde lid bedoelde wijze
kunnen worden afgestoten of overgedragen, stoot de dienst Domeinen voor
rekening van de minister of het college door middel van vernietiging af.
9. Indien naar het oordeel van de dienst Domeinen de minister of
het college een besluit tot overtolligstelling of een overdracht in
tijdelijk beheer aan de dienst Domeinen ondoelmatig lang uitstelt, kan
de dienst Domeinen, nadat de Minister van Financiën de minister of het
college schriftelijk een voorstel tot overdracht in tijdelijk beheer
heeft gedaan, de betrokken zaak zonder een besluit tot
overtolligstelling in tijdelijk beheer overnemen.
Paragraaf 3.2. Onroerende zaken
Artikel 9
1. De minister of het college meldt de onroerende zaak, waarvan
overtolligstelling wordt overwogen, zo spoedig mogelijk aan bij de
dienst Domeinen.
2. De minister of het college neemt over een onroerende zaak die
niet langer nodig is voor de bedrijfsvoering van zijn ministerie,
respectievelijk van het college zo spoedig mogelijk een besluit tot
overtolligstelling.
3. De minister of het college doet van een besluit tot
overtolligstelling zo spoedig mogelijk mededeling aan de dienst
Domeinen.
4. De minister of het college draagt een overtollig gestelde,
onroerende zaak in tijdelijk beheer over aan de dienst Domeinen. Artikel
8, negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
5. De overdracht in tijdelijk beheer aan de dienst Domeinen
geschiedt na acceptatie door de dienst Domeinen en met inachtneming van
gemaakte budgettairemiddelenafspraken dan wel van gemaakte
budgettairebijdrageafspraken.
6. De dienst Domeinen draagt het materieelbeheer van een
overtollig gestelde onroerende zaak via ingebruikgeving aan andere
ministers of colleges of via verhuur aan derden over, dan wel stoot de
zaak via verkoop aan derden af, tenzij hij in het belang van het Rijk
besluit tot het aanhouden van een onroerende zaak in tijdelijk beheer.
7. Bij ingebruikgeving, verhuur of verkoop wordt in het algemeen
de volgende voorkeursvolgorde in acht genomen:
a. ministeries en colleges;
b. door het Rijk gesubsidiëerde organisaties, indien de minister
ten laste van wiens begroting de subsidie is of wordt verstrekt, de
dienst Domeinen verzoekt om een voorkeurspositie voor de betrokken
organisatie bij de koop of de huur;
c. gemeenten, provincies en waterschappen;
d. andere rechts- of natuurlijke personen.
8. Aan de gebruiksgerechtigde die de onroerende zaak voorafgaand
aan het moment van afstoting geheel of grotendeels in gebruik heeft, of
aan een eigenaar van een aan de onroerende zaak aangrenzende onroerende
zaak kan een voorkeurspositie bij de koop of de huur worden gegeven.
9. Verkoop of verhuur aan derden geschiedt tegen marktconforme
prijzen. Bij ingebruikgeving aan andere ministers of colleges vindt
interne doorberekening plaats op basis van marktconforme prijzen.
10. Indien de dienst Domeinen overweegt af te wijken van de
toepassing van het zevende lid, kan zij daarover het advies van de Raad
voor Vastgoed Rijksoverheid vragen.
11. Indien een afstoting of een overdracht als bedoeld in het
zevende lid wordt overwogen, kan de dienst Domeinen daarover advies
vragen aan de Raad voor Vastgoed Rijksoverheid als dat uit hoofde van de
belangenafweging naar het oordeel van de dienst Domeinen wenselijk is.
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Artikel 10
De minister of het college kan in bijzondere omstandigheden met de
instemming van de Minister van Financiën afwijken van de bepalingen van
deze regeling.
Artikel 11
1. De regels, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de
Comptabiliteitswet 2001, ten aanzien van het materieelbeheer, zoals
die regels zijn vastgesteld bij de Regeling
Rijksbegrotingsvoorschriften 2003 van 25 september 2002, worden
ingetrokken.
2. Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling materieelbeheer
rijksoverheid 2006.
3. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 mei 2006 en
werkt terug tot en met 1 januari 2006.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Minister van Financiën,
G. Zalm.
Bijlage 1. Voorraadbeheerder
Over voorraadbeheerders kan vanuit een oogpunt van (administratieve)
organisatie in het algemeen het volgende worden opgemerkt. Artikel 7,
derde lid, van de Regeling materieelbeheer rijksoverheid 2006 gaat ervan
uit dat voor (op grond van artikel 6, tweede lid) aangewezen voorraden
voorraadbeheerders worden benoemd of aangewezen. Voorraadbeheerders zijn
personen die een bewarende functie uitoefenen, vergelijkbaar met
kasbeheerders die een bewarende functie met betrekking tot geld en
geldswaardige papieren hebben. Evenals de aanwijzing van kasbeheerder is
de aanwijzing van een voorraadbeheerder een persoonsgebonden aanwijzing.
De consequentie hiervan is dat ook een voorraadbeheerder jaarlijks over
het door hem gevoerde voorraadbeheer verantwoording zal moeten afleggen.
Verwezen wordt naar artikel 7, zesde lid, van deze regeling.
Voorraadbeheerders kunnen bij de uitvoering van hun taak in de
praktijk worden bijgestaan door aparte magazijnmeesters. Dit kan
samenhangen met het feit dat één voorraadbeheerder is aangewezen voor
het beheer van meer dan één voorraad of omdat bijvoorbeeld de
organisatie vereist dat dagelijks afgifte uit de voorraad mogelijk moet
zijn. Ingeval van tijdelijke afwezigheid van de voorraadbeheerder (in
verband met bijvoorbeeld ziekte, verlof, e.d.) moet een vervanger
aanwezig zijn. Magazijnmeesters functioneren onder de directe
(functionele) verantwoordelijkheid van de betrokken voorraadbeheerder:
Indien een voorraadbeheerder niet tevens de directe hiërarchische
chef is van een magazijnmeester, behoeft die chef vooraf de instemming
van de betrokken voorraadbeheerder bij de aanstelling van de
magazijnmeester. Om misverstanden te voorkomen over de vraag of een
magazijnmeester of bijvoorbeeld een secretaresse, die is aangewezen om
een directievoorraad kantoorartikelen te beheren, wel of niet als een
voorraadbeheerder moet worden beschouwd, is het verstandig bij de
aanwijzing van een voorraadbeheerder expliciet naar artikel 7 van deze
regeling te verwijzen.
In het algemeen zullen als voorraadbeheerders worden aangewezen,
personen die in dienst zijn van het Rijk, dat wil zeggen ambtenaren in
de zin van de Ambtenarenwet of personen met wie een arbeidsovereenkomst
is gesloten naar burgerlijk recht. In bijzondere situaties kan het
voorraadbeheer zijn uitbesteed. Zo wordt bijvoorbeeld de opslag van
interventievoorraden, die in het kader van EU-landbouwmaatregelen worden
aangehouden, uitbesteed aan daartoe gespecialiseerde bedrijven (zoals
vemen en koelhuizen).
Indien dergelijke door derden beheerde voorraden als voorraden ex
artikel 6, tweede lid, van de Regeling materieelbeheer rijksoverheid
2006 zijn aangewezen, zullen zo nodig in aanvulling op een terzake van
de uitbesteding gesloten overeenkomst nadere contractuele afspraken
gemaakt moeten worden om te bewerkstelligen, dat het voorraadbeheer met
betrekking tot die voorraden en het daarmee samenhangende
administratieve beheer van die derde worden verricht in overeenstemming
met de bepalingen van deze regeling.
In situaties waarin de beherende derde een rechtspersoon is, kan deze
rechtspersoon als voorraadbeheerder worden aangemerkt en zal alsdan de
verantwoordingsprocedure op de rechtspersoon betrekking hebben. De
administratieve organisatie en interne controle ten aanzien van het
voorraadbeheer bij die derde zullen aan overeenkomstige eisen dienen te
voldoen als in overeenkomstige situaties gelden bij het Rijk.
Bijlage 2. Het verzekeringsbeleid van het Rijk
De beleidsregel dat het Rijk zich in beginsel niet verzekert en
derhalve eigenrisicodrager is, geldt in ieder geval voor de volgende
risico’s. Op grond van artikel 17 van de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) is de Staat
vrijgesteld van de verplichting tot het sluiten van een verzekering.
Indien en voorzover een motorrijtuig is aangemeld in het kader van het
zogeheten ‘omslagstelsel’ wordt op grond van deze sinds 1 januari
1993 geldende regeling, schade aan en veroorzaakt door een
dienstvoertuig betaald door het Ministerie van Financiën (namens de
Staat) uit het omslagstelsel. Wanneer er sprake is van schuld van
derden, bijvoorbeeld als een dienstvoertuig door een ander motorrijtuig
wordt aangereden, kan de eigenaar daarvan door het Ministerie van
Financiën (namens de Staat) voor alle schade worden aangesproken. De
WAM-assuradeuren van de tegenpartij zullen in dat geval de Staat op
grond van de WAM moeten betalen.
Om doelmatigheidsredenen is er evenmin grond voor het afsluiten van
een reisverzekering voor rijksrekening ten behoeve van ambtenaren. De
ambtelijke rechtspositieregelingen bevatten bepaalde voorzieningen ter
zake van overlijden, blijvende invaliditeit en schade aan of verlies van
bagage. Daarnaast zouden bij het verzekeren van deze risico’s
doublures ontstaan, omdat bijvoorbeeld ziektekosten ook kunnen worden
gedeclareerd op basis van een bestaande ziektekostenverzekeringspolis.
Ambtenaren die evenwel een aanvullende dekking op prijs stellen, kunnen
die vanzelfsprekend voor eigen rekening afsluiten. De regel dat het Rijk
zich in principe niet verzekert, is ook van toepassing op alle geleaste
zaken. Premies en voorwaarden van een verzekering die deel uitmaken van
een leasecontract, zijn veelal niet de voordeligste. Leasecontracten
bieden in de regel de mogelijkheid de risico’s voor rekening van de
gebruiker (de lessee) te laten. Indien dat standaard niet het geval is,
dient dat contractueel te worden bedongen. Wanneer sprake is van een
verrichting door het Rijk ten behoeve van een derde dient het risico in
beginsel door de betrokken derde te worden gedragen, zeker wanneer dat
in overeenkomstige gevallen ook buiten de overheid gebruikelijk is. Hier
valt bijvoorbeeld te denken aan het geval dat eigendommen van de
rijksoverheid tijdelijk of permanent ter beschikking worden gesteld van
een derde. Het is in dergelijke gevallen noodzakelijk vooraf afspraken
te maken over de risicoverdeling en deze contractueel vast te leggen. De
betrokken derde kan zich vanzelfsprekend voor zijn aandeel in de
risicoverdeling verzekeren. Als het gaat om bedrijfsmatige activiteiten
waarvoor aan derden een prijs in rekening wordt gebracht (dit kan
bijvoorbeeld bij baten-lastendiensten het geval zijn) en het Rijk een
aandeel in het risico draagt, verdient het aanbeveling in de kostprijs
een verzekeringspremie als element op te nemen.
Soms kan verzekeren noodzakelijk zijn. Zo kan een verplichting tot
verzekeren voortvloeien uit een wet of verdrag. Een voorbeeld hiervan is
de wettelijk verplichte aansprakelijkheidsverzekering van voertuigen in
bepaalde landen (dienstauto’s van ambassades e.d.). Indien het gaat om
risico’s, verbonden aan één of slechts enkele objecten met een zeer
grote waarde, kan het afsluiten van een verzekering raadzaam of zelfs
nodig zijn. De wet van de grote aantallen gaat in een dergelijke
situatie niet op. Een voorbeeld hiervan vormt het aanbouwrisico van
marineschepen. Ook uitzonderlijke aansprakelijkheidsrisico’s kunnen in
aanmerking komen om te worden verzekerd. De vraag of een
aansprakelijkheidsrisico als uitzonderlijk moet worden beschouwd, is
vaak moeilijk te beantwoorden. Geadviseerd wordt in voorkomende gevallen
een second opinion te vragen ter onderbouwing van een besluit tot
verzekeren. Een besluit tot verzekeren dient overigens op grond van
artikel 5, lid 2, van de Regeling materieelbeheer rijksoverheid 2006
genomen te worden in overeenstemming met de Minister van Financiën.
Louter een departementaal budgettair motief om te verzekeren is op zich
onvoldoende als vanuit rijksbreed perspectief de wet van de grote
aantallen opgeld doet.
|
|
|