|
REGELING van de Minister van Financiën van 18 april 2006 inzake het
periodieke evaluatieonderzoek en de beleidsinformatie van de
rijksoverheid (Regeling periodiek evaluatieonderzoek en
beleidsinformatie 2006)
De Minister van
Financiën;
Gelet op artikel 38, tweede lid, onderdeel a, van de Comptabiliteitswet
2001;
Na overleg met de Algemene Rekenkamer (brief van 4
april
2006, kenmerk 600 2091 R);
Besluit:
Definities en reikwijdte
Artikel 1
1. In deze regeling wordt onder de
beleidsinformatie verstaan de informatie betreffende het beleid en de
bedrijfsvoering, die is opgenomen in de beleidsartikelen van de
begrotingen en de jaarverslagen van het Rijk en die is ontleend aan:
a. departementale systemen voor het verzamelen, genereren en
veredelen van beleidsinformatie (monitorsystemen);
b. informatiebronnen van derden;
c. evaluatieonderzoeken en bedrijfsvoeringsonderzoeken die onder
deze regeling vallen.
2. De evaluatieonderzoeken en de bedrijfsvoeringsonderzoeken die
onder deze regeling vallen zijn de evaluatieonderzoeken en de
bedrijfsvoeringsonderzoeken die zijn geprogrammeerd of genoemd in de
beleidsartikelen van de begrotingen en de jaarverslagen van het Rijk.
Artikel 2
1. Het evaluatieonderzoek dat onder deze regeling valt betreft:
a. het evaluatieonderzoek ex ante: een systematische analyse van de
te verwachten maatschappelijke effecten van beleidsalternatieven in
relatie tot de maatschappelijke kosten.
b. het evaluatieonderzoek ex post: het periodieke onderzoek naar de
doeltreffendheid en de doelmatigheid van het beleid, bedoeld in
artikel 20 van de Comptabiliteitswet 2001.
2. Het bedrijfsvoeringsonderzoek in de zin van deze regeling is
het periodieke onderzoek van de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 21
van de Comptabiliteitswet 2001.
Artikel 3
De twee onder deze regeling vallen vormen van evaluatieonderzoek ex
post zijn:
a. de beleidsdoorlichting: een evaluatie van beleid op het niveau
van de algemene of operationele doelstellingen, die de in artikel 8,
tweede lid, van deze regeling opgenomen onderdelen omvat;
b. het effectenonderzoek ex post: het meten van de netto-effecten
van beleid.
Artikel 4
Deze regeling heeft ten doel bij te dragen aan de betrouwbaarheid van
de beleidsinformatie zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, door
waarborgen in het proces van totstandkoming. Deze waarborgen zijn
opgenomen in artikel 5 van deze regeling.
Normenkader beleidsinformatie,
evaluatieonderzoek en bedrijfsvoeringsonderzoek
Artikel 5
1. De beleidsinformatie dient te voldoen
aan de onderstaande eisen:
a. de beleidsinformatie is binnen het departement op een ordelijke,
controleerbare en deugdelijke wijze tot stand gekomen. Dat is het
geval als:
1°. de verantwoordelijkheden en bevoegdheden goed in het
totstandkomingsproces zijn belegd;
2°. het totstandkomingsproces achteraf reconstrueerbaar is;
3°. de beleidsinformatie die als uitkomst van het
totstandkomingsproces wordt opgeleverd op volledige en juiste wijze
in de begroting en in het jaarverslag is opgenomen;
4°. de onafhankelijkheid van de evaluatieonderzoeken en van de
bedrijfsvoeringsonderzoeken is geborgd zoals omschreven in artikel 6
van deze regeling;
b. de beleidsinformatie is niet strijdig met de financiële
informatie in de begroting of het jaarverslag;
c. van de beleidsinformatie wordt duidelijk de informatiebron
aangegeven.
2. Daarenboven kan de betrokken minister in specifieke gevallen
met de Tweede Kamer concrete afspraken maken over aanvullende
kwaliteitseisen voor de beleidsinformatie.
Artikel 6
1. Bij de uitvoering van evaluatieonderzoeken en
bedrijfsvoeringsonderzoeken worden onafhankelijken betrokken. De wijze
waarop onafhankelijken bij het onderzoek betrokken zijn geweest, wordt
beschreven in het onderzoeksrapport of het onderzoeksdossier.
2. Met onafhankelijken worden deskundigen bedoeld die geen
verantwoordelijkheid dragen voor het te onderzoeken beleid en waarvan
een onafhankelijk oordeel mag worden verwacht. Indien daarom wordt
verzocht, moet de opdrachtgever van het onderzoek kunnen motiveren
waarom de betrokken deskundigen aan deze voorwaarden voldoen.
Toepassing evaluatieonderzoek
Artikel 7
Bij de beleidsonderbouwing wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van
informatie verkregen met evaluatieonderzoek ex ante.
Artikel 8
1. Beleid gericht op de realisatie van de algemene of
operationele beleidsdoelstellingen wordt, aansluitend bij de
beleidscyclus, periodiek geëvalueerd in een beleidsdoorlichting.
Beleidsdoorlichtingen hebben het karakter van een syntheseonderzoek.
De beleidsdoorlichtingen worden geprogrammeerd in de begroting.
2. Een beleidsdoorlichting bestaat uit de volgende onderdelen:
a. beschrijving en analyse van het probleem dat aanleiding was voor
het beleid;
b. beschrijving en motivering van de rol van de rijksoverheid;
c. beschrijving van de onderzochte beleidsdoelstellingen;
d. beschrijving van de gehanteerde instrumenten en analyse van de
maatschappelijke effecten daarvan;
e. beschrijving van de budgetten die zijn ingezet.
3. De beleidsdoorlichting steunt zoveel mogelijk op
(deel)onderzoeken naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van
beleid en (deel)onderzoeken naar de doelmatigheid van de
bedrijfsvoering.
4. De betrokken minister zendt de beleidsdoorlichting aan de
Tweede Kamer.
Artikel 9
Bij de beleidsdoorlichting wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van
onder meer effectenonderzoek ex post. De effectenonderzoeken ex post
worden geprogrammeerd in de begroting.
Slotbepaling
Artikel 10
1. De Regeling Prestatiegegevens en
Evaluatieonderzoek Rijksoverheid, zoals opnieuw vastgesteld op 15 maart
2004, wordt ingetrokken.
2. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag
na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en
werkt terug tot en met 1 januari 2006.
3. De huidige regeling wordt aangehaald als: Regeling periodiek
evaluatieonderzoek en beleidsinformatie 2006.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Minister van Financiën,
G. Zalm.
|