| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Rijkswet op het
Nederlanderschap (RWN)
BESLUIT
VERKRIJGING EN VERLIES NEDERLANDERSCHAP
Tekst zoals deze geldt op
23 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 15 april 2002 tot uitvoering van de
artikelen 21 en 23 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (Besluit
verkrijging en verlies Nederlanderschap)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 17 december 2001,
Directie Wetgeving, nr. 5139778/01/6;
Gelet op de artikelen 21 en 23 van de Rijkswet
op het Nederlanderschap;
Gelet op artikel 1 van de Consulaire Wet;
De Raad van State van het Koninkrijk gehoord
(advies van 7 maart 2002, nr. W03.01.0682/I/K);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Justitie van 9 april 2002, Directie Wetgeving, nr.
5156838/02/6;
De bepalingen van het Statuut voor het
Koninkrijk in acht genomen zijnde;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. – Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie in zijn hoedanigheid
van minister van het Koninkrijk;
b. Rijkswet: de Rijkswet op het Nederlanderschap;
c. optie: verkrijging van het Nederlanderschap, als bedoeld in
hoofdstuk 3 en in artikel 28 van de Rijkswet op het
Nederlanderschap, alsmede in artikel V, eerste lid van de Rijkswet
van 21 december 2000, Stb. 618, tot wijziging van de Rijkswet op het
Nederlanderschap;
d. naturalisatie: verlening van het Nederlanderschap, als bedoeld
in hoofdstuk 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap;
e. intrekking: intrekking van het Nederlanderschap, als bedoeld
in hoofdstuk 5 van de Rijkswet op het Nederlanderschap;
f. basisadministratie:
1° basisadministratie persoonsgegevens, als bedoeld in
artikel 2 van de Wet gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens,
2° de bij Wet basisadministratie persoonsgegevens BES
ingestelde basisadministratie persoonsgegevens, of
3° de bij landsverordening in Aruba, Curaçao of Sint
Maarten ingestelde basisadministratie persoonsgegevens;
g. ingezetene: hij die als zodanig is ingeschreven in de
basisadministratie;
h. openbaar lichaam: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius
en Saba.
Artikel 2
Tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en
naturalisatieverzoeken en tot het uitreiken van uittreksels van
naturalisatiebesluiten zijn bevoegd
a. in het Europese deel van Nederland: de burgemeesters;
b. in de openbare lichamen: Onze Minister en, tot het uitreiken
van uittreksels van naturalisatiebesluiten en van de bevestiging van
de verkrijging van het Nederlanderschap als bedoeld in artikel 60a,
eerste lid,de gezaghebbers;
c. in Aruba, Curaçao en Sint Maarten: de Gouverneur van Aruba,
van Curaçao onderscheidenlijk van Sint Maarten;
d. in het buitenland: de hoofden van de diplomatieke en
consulaire posten.
Artikel 3
1.Optieverklaringen, naturalisatieverzoeken en verklaringen van
afstand van het Nederlanderschap worden in persoon afgelegd of
ingediend.
2.Indien om zwaarwegende redenen van de optant of de verzoeker, dan
wel van de persoon die afstand van het Nederlanderschap wil doen, niet
kan worden verlangd dat hij de verklaring of het verzoek in persoon
aflegt of indient, kan hij deze of dit laten afleggen of indienen door
een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits
voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de
optant of de verzoeker dan wel de persoon die afstand doet, en van de
gemachtigde. Onder zwaarwegende redenen worden in ieder geval gerekend
de fysieke of psychische onmogelijkheid in persoon te verschijnen voor
het afleggen van de verklaring of het indienen van het verzoek.
3.De verklaring of het verzoek wordt op schrift gesteld en door de
betrokkene of, in voorkomend geval, door zijn wettelijke
vertegenwoordiger of gemachtigde ondertekend.
Artikel 4
1.Het bedrag van de voor de behandeling van de optie of
naturalisatie verschuldigde leges wordt bepaald overeenkomstig het
Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002.
2.Indien de optieverklaring of het naturalisatieverzoek wegens
niet- of niet tijdige betaling van het verschuldigde bedrag buiten
behandeling wordt gesteld, wordt daarvan aan de betrokkene
schriftelijk kennis gegeven.
Artikel 5
De in artikel 2 genoemde autoriteiten verstrekken op de bij
ministeriële regeling te bepalen wijze en tijdstippen inlichtingen
omtrent de behandeling van de optieverklaringen die voor hen zijn
afgelegd.
Hoofdstuk II. – Administratieve behandeling van optieverklaringen
Paragraaf 1. Optieverklaringen – algemene bepalingen
Artikel 6
1. Bij het afleggen van een optieverklaring verstrekt de optant
betreffende zichzelf, voorzoveel mogelijk, gegevens met betrekking
tot:
a. geslachtsnaam en voornaam of voornamen, onderscheidenlijk
naam of namen;
b. geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland;
c. adres, postcode en woonplaats;
d. geslacht;
e. nationaliteit of nationaliteiten;
f. tegenwoordige en, voor zoveel nodig, eerdere
verblijfsrechtelijke status;
g. duur van huidige toegelaten verblijf in het Koninkrijk en,
indien van toepassing, duur van eerder toegelaten verblijf in het
Koninkrijk;
h. indien van toepassing, bestaan en duur van het huwelijk of
geregistreerd partnerschap, dan wel de ontbinding daarvan, alsmede
ten aanzien van de echtgenoot of partner de gegevens hierboven
bedoeld onder a tot en met e;
i. indien van toepassing, betreffende de minderjarige kinderen
van de optant, de gegevens hierboven bedoeld onder a tot en met e,
en onder g;
j. indien van toepassing, betreffende de ouders of grootouders
van de optant, de gegevens bedoeld in de onderdelen a tot en met
g. Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, onder i tot en
met o, van de Rijkswet kunnen onder de gegevens bedoeld in
onderdeel e mede worden begrepen de historische gegevens
betreffende de nationaliteit van de ouders of grootouders van de
optant;
k. indien het een minderjarige betreft over wie gezag wordt
uitgeoefend, de gegevens bedoeld in de onderdelen a tot en met e
van degene of degenen die dit gezag uitoefenen;
l. de overige gegevens die naar het oordeel van de tot het in
ontvangst nemen van de verklaring bevoegde autoriteit nodig zijn
voor de beoordeling van het geval.
2. In de optieverklaring vermeldt de optant de minderjarige
kinderen en kindskinderen die hij in zijn optie wenst te betrekken.
Hij verstrekt over hen, voorzoveel mogelijk, de gegevens bedoeld in
het eerste lid.
3. Betrekt de optant in zijn optieverklaring mede een kind dat de
leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, dan is vereist dat het kind
op de wijze bepaald in artikel 3 verklaart in te stemmen met de optie.
4. De optant legt een schriftelijke en ondertekende verklaring over
dat de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en dat geen
relevante gegevens zijn verzwegen. Behoudens in de gevallen waarin
toelating niet is vereist, verklaart hij op dezelfde wijze dat in het
kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van
hemzelf en de overige in de optieverklaring genoemde personen de
gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en dat geen relevante
gegevens zijn verzwegen.
5. De autoriteit die de optieverklaring in ontvangst neemt, kan
verlangen dat de optant de juistheid van de verstrekte gegevens
bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel
inhoudelijk geverifieerde documenten. Hij kan tevens verlangen dat die
aanvullende gegevens worden verstrekt indien dit naar zijn oordeel
nodig is voor de beoordeling van het geval.
6. Heeft de optant een of meer nationaliteiten waarvan hij
verplicht is afstand te doen, dan legt hij een verklaring over
houdende dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na
de verkrijging van het Nederlanderschap zijn andere nationaliteit of
nationaliteiten te verliezen.
Paragraaf 2. Administratieve behandeling van optieverklaringen in het
Europese deel van Nederland
Artikel 7
1.De burgemeester neemt de optieverklaringen in ontvangst van
optanten die als ingezetenen zijn ingeschreven in de
basisadministratie van zijn gemeente.
2.Hij neemt tevens in ontvangst de optieverklaringen van optanten
die ingevolge wettelijke voorschriften niet voor inschrijving als
ingezetene in de basisadministratie in aanmerking komen, indien zij
hoofdverblijf hebben in zijn gemeente.
3.Hij neemt bovendien in ontvangst de optieverklaringen van
optanten die in zijn gemeente verblijf hebben en nergens ter wereld
hun hoofdverblijf.
4.De in het eerste tot en met het derde lid bedoelde optanten
ontvangen een afschrift van hun optieverklaring.
5.De burgemeester neemt geen optieverklaringen in behandeling van
anderen dan die genoemd in het eerste, tweede en derde lid.
6.Optieverklaringen worden bij ontvangst voorzien van een datum en
een dienststempel.
Artikel 8
1.Alvorens de optieverklaring in behandeling te nemen onderzoekt de
burgemeester de betalingsverplichting van de optant overeenkomstig het
Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002. Tenzij de optant voor
vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt, betaalt hij bij
het afleggen van zijn optieverklaring het volgens het Besluit optie-
en naturalisatiegelden 2002 verschuldigde optiegeld.
2.Na de betaling van het verschuldigde optiegeld, of na de
beslissing tot ontheffing van die betaling neemt de burgemeester de
optieverklaring in behandeling en beoordeelt hij deze op haar
volledigheid. Zo nodig verzoekt hij om aanvulling van de gegevens.
Artikel 9
1. Nadat hij de optieverklaring in behandeling heeft genomen,
toetst de burgemeester de door de optant verstrekte gegevens aan de
gegevens die in de gemeentelijke basisadministratie zijn opgenomen.
2. Met betrekking tot personen die in de optieverklaring zijn
genoemd en die geen ingezetenen zijn van zijn gemeente verzoekt hij zo
nodig, al naar gelang de plaats waar zij als ingezetene zijn
ingeschreven in de basisadministratie, aan de burgemeester van de
betreffende gemeente om binnen vier weken, of aan de gezaghebber van
het betreffende openbaar lichaam, dan wel aan de Minister van Algemene
Zaken van Aruba, Curaçao of Sint Maarten om binnen tien weken de hem
verstrekte gegevens te toetsen.
3. Met betrekking tot personen die in de optieverklaring zijn
genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in het Koninkrijk, verzoekt
hij, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de hem verstrekte
gegevens zo mogelijk binnen tien weken te toetsen.
4. Hij verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van
personen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, binnen vier weken te
toetsen aan de gegevens die zijn opgenomen in het door deze gehouden
register.
5. Hij onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid van de
gegevens die niet op de in het eerste tot en met het vierde lid
aangegeven wijze kunnen worden getoetst.
6. De in het tweede tot en met het vierde lid genoemde autoriteiten
zijn verplicht de genoemde medewerking te verlenen.
Artikel 10
1.Behoudens in de gevallen waarin toelating niet vereist is,
onderzoekt de burgemeester de verblijfsrechtelijke status van de
optant en van de personen die tot medeverkrijging in de
optieverklaring zijn genoemd. Zo nodig verwijst hij de optant voor een
bewijs van toelating naar de daartoe bevoegde instanties.
2.Behoudens in de gevallen, bedoeld in artikel 6, eerste lid,
aanhef en onder b en c van de Rijkswet en waar dit overigens is
bepaald, onderzoekt de burgemeester of er ernstige vermoedens bestaan
als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Rijkswet, jegens de optant
of de personen die tot medeverkrijging in de optieverklaring zijn
genoemd, indien zij ouder zijn dan zestien jaar.
3.In de gevallen, bedoeld in het vijfde lid van artikel 6 van de
Rijkswet, treedt hij met de optant in overleg over de vaststelling en
de spelling van geslachtsnaam en voornaam of voornamen van de personen
die in de optieverklaring zijn genoemd, en over de in het Koninkrijk
gebruikelijke lettertekens waarin de namen van de optant en van de
personen die hij in zijn optie wenst te betrekken, zullen worden
overgebracht.
4.Hij stelt de andere in de optieverklaring genoemde personen, die
de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijke
vertegenwoordiger en de in het vierde lid van artikel 2 van de
Rijkswet bedoelde andere ouder van deze personen op hun verzoek in de
gelegenheid hun zienswijze inzake de optie alsook inzake de
naamsvaststelling kenbaar te maken.
Artikel 11
1. Nadat de burgemeester heeft vastgesteld dat is voldaan aan de
vereisten, die aan de optie zijn gesteld, bericht hij de optant
schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het
Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de
namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn.
Hij bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de
bevestiging weigert onder vermelding van de termijn waarbinnen tegen
zijn besluit bezwaar gemaakt kan worden.
2. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van
de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
3. De bekendmaking van de bevestiging geschiedt overeenkomstig
hoofdstuk IIIA.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld betreffende de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging
van het Nederlanderschap aan de optant wordt bekendgemaakt alsook
betreffende de inname van de door de bevoegde autoriteiten in het
Koninkrijk afgegeven verblijfsdocumenten van de optant en van de
personen die in de verkrijging delen.
Artikel 12
1. De burgemeester zendt de optieverklaring, de afgelegde
waarheidsverklaringen, bedoeld in artikel 6, vierde lid, de
verklaring, bedoeld in artikel 6, zesde lid, de gegevens betreffende
de toelating en de bevestiging van de verkrijging van het
Nederlanderschap in afschrift aan Onze Minister.
2. Hij archiveert de optieverklaringen en de daarbij behorende
documenten, alsmede afschriften van de bevestigingen gedurende
tenminste twaalf jaar na de bekendmaking.
Paragraaf 3. Administratieve behandeling van optieverklaringen in de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Artikel 13
1. De Onze Minister neemt de optieverklaringen in ontvangst van
optanten die als ingezetenen zijn ingeschreven in de
basisadministratie van het betreffende openbare lichaam.
2. Hij neemt tevens in ontvangst de optieverklaringen van optanten
die ingevolge de ter plaatse geldende voorschriften omtrent de
basisadministratie niet voor inschrijving als ingezetene in de
basisadministratie in aanmerking komen, indien zij hoofdverblijf
hebben in het betreffende openbare lichaam.
3. Hij neemt bovendien in ontvangst de optieverklaringen van
optanten die in het betreffende openbare lichaam verblijf hebben en
nergens ter wereld hoofdverblijf hebben.
4. De in het eerste tot en met het derde lid bedoelde optanten
ontvangen een afschrift van hun optieverklaring.
5. De Onze Minister neemt geen optieverklaringen in behandeling van
anderen dan die genoemd in het eerste, tweede en derde lid.
6. Optieverklaringen worden bij ontvangst voorzien van een datum en
een dienststempel.
Artikel 14
1. Alvorens de optieverklaring in behandeling te nemen onderzoekt
de Onze Minister de betalingsverplichting van de optant overeenkomstig
het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002. Tenzij de optant voor
vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt, betaalt hij bij
het afleggen van zijn optieverklaring het volgens het Besluit optie-
en naturalisatiegelden 2002 verschuldigde optiegeld.
2. Na de betaling van het verschuldigde optiegeld, of na de
beslissing tot ontheffing van die betaling, neemt de Onze Minister de
optieverklaring in behandeling en beoordeelt hij deze op haar
volledigheid. Zo nodig verzoekt hij om aanvulling van de gegevens.
Artikel 15
1. Nadat hij de optieverklaring in behandeling heeft genomen,
toetst de Onze Minister de door de optant verstrekte gegevens aan de
gegevens die in de basisadministratie zijn opgenomen.
2. Met betrekking tot personen die in de optieverklaring zijn
genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in zijn openbaar lichaam
verzoekt hij zo nodig, al naar gelang de plaats waar zij als
ingezetene zijn ingeschreven in de basisadministratie, de gezaghebber
van het betreffende openbaar lichaam om binnen vier weken, en de
Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint
Maarten of de burgemeester van de gemeente om binnen tien weken de hem
verstrekte gegevens te toetsen.
3. Met betrekking tot personen die in de optieverklaring zijn
genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in het Koninkrijk, verzoekt
hij, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de hem verstrekte
gegevens zo mogelijk binnen tien weken te toetsen.
4. Hij verzoekt in het voorkomende geval de Minister van
Buitenlandse Zaken de gegevens van personen, bedoeld in artikel 13,
tweede lid, binnen vier weken te toetsen aan de gegevens die zijn
opgenomen in het door deze gehouden register.
5. Hij onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid van de
gegevens die niet op de in het eerste tot en met het vierde lid
aangegeven wijze kunnen worden getoetst.
6. De in het tweede tot en met het vierde lid genoemde autoriteiten
zijn verplicht de genoemde medewerking te verlenen.
Artikel 16
1. Behoudens in de gevallen waarin toelating niet vereist is,
onderzoekt de Onze Minister de verblijfsrechtelijke status van de
optant en van de personen die tot medeverkrijging in de
optieverklaring zijn genoemd. Zo nodig verwijst hij de optant voor een
bewijs van toelating naar de daartoe bevoegde instanties.
2. Behoudens in de gevallen genoemd in artikel 6, eerste lid ,
aanhef en onder b en c van de Rijkswet en waar dit overigens is
bepaald, onderzoekt Onze Minister of er ernstige vermoedens bestaan
als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Rijkswet, jegens de optant
of de personen die tot medeverkrijging in de optieverklaring zijn
genoemd, indien zij ouder zijn dan zestien jaar.
3. In de gevallen, bedoeld in het vijfde lid van artikel 6 van de
Rijkswet, treedt hij met de optant in overleg over de vaststelling en
de spelling van geslachtsnaam en voornaam of voornamen van de personen
die in de optieverklaring zijn genoemd, en over de in het Koninkrijk
gebruikelijke lettertekens waarin de namen van de optant en van de
personen die hij in zijn optie wenst te betrekken, zullen worden
overgebracht.
4. Hij stelt de andere in de optieverklaring genoemde personen, die
de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijke
vertegenwoordiger en de in het vierde lid van artikel 2 van de
Rijkswet bedoelde andere ouder van deze personen op hun verzoek in de
gelegenheid hun zienswijze inzake de optie alsook inzake de
naamsvaststelling kenbaar te maken.
Artikel 17
1. Nadat Onze Minister heeft vastgesteld dat voldaan is aan de
vereisten, die aan de optie zijn gesteld, bericht hij de optant
schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het
Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de
namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn.
Hij bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de
bevestiging weigert onder vermelding van de termijn waarbinnen tegen
zijn besluit bezwaar gemaakt kan worden.
2. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van
de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
3. De bekendmaking van de bevestiging geschiedt overeenkomstig
hoofdstuk IIIA.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen, de gezaghebber gehoord,
nadere regels worden gesteld betreffende de wijze waarop de
bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de optant
wordt bekendgemaakt, alsook betreffende de inname van de door de
bevoegde autoriteiten in het Koninkrijk afgegeven verblijfsdocumenten
van de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
Artikel 18 [Vervallen per 10-10-2010]
Paragraaf 4. Administratieve behandeling van optieverklaringen in
Aruba, Curaçao en Sint Maarten
Artikel 19
1. De Gouverneur neemt de optieverklaringen in ontvangst van
optanten die als ingezetenen zijn ingeschreven in de
basisadministratie van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten.
2. Hij neemt tevens in ontvangst de optieverklaringen van optanten
die ingevolge de ter plaatse geldende voorschriften omtrent de
basisadministratie niet voor inschrijving als ingezetene in de
basisadministratie in aanmerking komen, indien zij hoofdverblijf
hebben in Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten.
3. Hij neemt bovendien in ontvangst de optieverklaringen van
optanten die in Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten
verblijf hebben en nergens ter wereld hoofdverblijf.
4. De in de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde optanten
ontvangen een afschrift van hun optieverklaring.
5. De Gouverneur neemt geen optieverklaringen in behandeling van
anderen dan die genoemd in het eerste, tweede en derde lid.
6. Optieverklaringen worden bij ontvangst voorzien van een datum en
een dienststempel.
Artikel 20
1. Alvorens de optieverklaring in behandeling te nemen onderzoekt
de Gouverneur de betalingsverplichting van de optant overeenkomstig
het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002. Tenzij de optant voor
vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt, betaalt hij bij
het afleggen van zijn optieverklaring het volgens het Besluit optie-
en naturalisatiegelden 2002 verschuldigde optiegeld.
2. Na de betaling van het verschuldigde optiegeld, of na de
beslissing tot ontheffing van die betaling, neemt de Gouverneur de
optieverklaring in behandeling en beoordeelt hij deze op haar
volledigheid. Zo nodig verzoekt hij om aanvulling van de gegevens.
Artikel 21
1. Nadat hij de optieverklaring in behandeling heeft genomen,
verzoekt de Gouverneur de Minister van Algemene Zaken die het aangaat
de door de optant verstrekte gegevens te toetsen aan de gegevens die
in de basisadministratie zijn opgenomen.
2. Met betrekking tot personen die in de optieverklaring zijn
genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in Aruba, Curaçao
onderscheidenlijk Sint Maarten verzoekt hij zo nodig, al naar gelang
de plaats waar zij als ingezetene zijn ingeschreven in de
basisadministratie, aan de burgemeester van de gemeente, de
gezaghebber van het betrokken openbaar lichaam om binnen tien weken de
hem verstrekte gegevens te toetsen.
3. Met betrekking tot personen die in de optieverklaring zijn
genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in het Koninkrijk, verzoekt
hij, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de hem verstrekte
gegevens zo mogelijk binnen tien weken te toetsen.
4. Hij verzoekt in het voorkomende geval de Minister van
Buitenlandse Zaken de gegevens van personen, bedoeld in artikel 19,
tweede lid, binnen vier weken te toetsen aan de gegevens die zijn
opgenomen in het door deze gehouden register.
5. Hij onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid van de
gegevens die niet op de in het eerste tot en met het vierde lid
aangegeven wijze kunnen worden getoetst.
6. De in het tweede tot en met het vierde lid genoemde autoriteiten
zijn verplicht de genoemde medewerking te verlenen.
Artikel 22
1. Behoudens in de gevallen waarin toelating niet is vereist,
onderzoekt de Gouverneur de verblijfsrechtelijke status van de optant
en van de personen die in de optieverklaring zijn genoemd. Zo nodig
verwijst hij de optant voor een bewijs van toelating naar de daartoe
bevoegde instanties.
2. Behoudens in de gevallen genoemd in artikel 6, eerste lid,
aanhef en onder b en c van de Rijkswet en waar dit overigens is
bepaald, laat de Gouverneur onderzoeken of er ernstige vermoedens
bestaan als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Rijkswet, jegens
de optant of de personen die tot medeverkrijging in de optieverklaring
zijn genoemd, indien zij ouder zijn dan zestien jaar.
3. In de gevallen bedoeld in het vijfde lid van artikel 6 van de
Rijkswet treedt hij met de optant in overleg over de vaststelling en
de spelling van geslachtsnaam en voornaam of voornamen van de personen
die in de optieverklaring zijn genoemd, en over de in het Koninkrijk
gebruikelijke lettertekens waarin de namen van de optant en van de
personen die hij in zijn optie wenst te betrekken, zullen worden
overgebracht.
4. Hij stelt de andere in de optieverklaring genoemde personen, die
de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijke
vertegenwoordiger en de in het vierde lid van artikel 2 van de
Rijkswet bedoelde andere ouder van deze personen op hun verzoek in de
gelegenheid hun zienswijze inzake de optie alsook inzake de
naamsvaststelling kenbaar te maken.
Artikel 23
1. Nadat de Gouverneur heeft vastgesteld dat voldaan is aan de
vereisten, die aan de optie zijn gesteld, bericht hij de optant
schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het
Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de
namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn.
Hij bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de
bevestiging weigert onder vermelding van de termijn waarbinnen tegen
zijn besluit bezwaar gemaakt kan worden.
2. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van
de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
3. De bekendmaking van de bevestiging geschiedt overeenkomstig
hoofdstuk IIIA.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen, de Gouverneurs gehoord en
indien het hen betreft na overleg met de Ministers van Justitie van
Aruba, Curaçao en Sint Maarten, nadere regels worden gesteld
betreffende de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het
Nederlanderschap aan de optant wordt bekendgemaakt, alsook betreffende
de inname van de door de bevoegde autoriteiten in het Koninkrijk
afgegeven verblijfsdocumenten van de optant en van de personen die in
de verkrijging delen.
Artikel 24
1. De Gouverneur zendt de optieverklaring, de
waarheidsverklaringen, bedoeld in artikel 6, vierde lid, de
verklaring, bedoeld in artikel 6, zesde lid, de gegevens betreffende
de toelating en de bevestiging van de verkrijging van het
Nederlanderschap in afschrift aan Onze Minister. Hij zendt tevens een
afschrift van de optieverklaring en van de bevestiging van de
verkrijging van het Nederlanderschap aan de Ministers van Algemene
Zaken van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten.
2. Hij archiveert de optieverklaringen en de daarbij behorende
documenten alsmede afschriften van de bevestigingen gedurende
tenminste twaalf jaar na de bekendmaking.
Paragraaf 5. Administratieve behandeling van optieverklaringen in het
buitenland
Artikel 25
1.Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post neemt de
optieverklaringen in ontvangst van optanten die hoofdverblijf hebben
in het ressort van zijn diplomatieke of consulaire post.
2.Hij neemt eveneens de optieverklaringen in ontvangst van optanten
die verblijf hebben in het ressort van zijn diplomatieke of consulaire
post en nergens ter wereld hun hoofdverblijf.
3.De in het eerste en tweede lid bedoelde optanten ontvangen een
afschrift van hun optieverklaring.
4.Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post neemt geen
optieverklaringen in behandeling van anderen dan die genoemd in het
eerste, tweede en derde lid.
5.Optieverklaringen worden bij ontvangst voorzien van een datum en
een dienststempel.
Artikel 26
1.Alvorens de optieverklaring in behandeling te nemen onderzoekt
het hoofd van de diplomatieke of consulaire post de
betalingsverplichting van de optant overeenkomstig het Besluit optie-
en naturalisatiegelden 2002. Tenzij de optant voor vrijstelling of
gehele ontheffing in aanmerking komt, betaalt hij bij het afleggen van
zijn optieverklaring het volgens het Besluit optie- en
naturalisatiegelden 2002 verschuldigde optiegeld.
2.Na de betaling van het verschuldigde optiegeld, of na de
beslissing tot ontheffing van die betaling, neemt het hoofd van de
diplomatieke of consulaire post de optieverklaring in behandeling en
beoordeelt hij deze op haar volledigheid. Zo nodig verzoekt hij om
aanvulling van de gegevens.
Artikel 27
1. Nadat hij de optieverklaring in behandeling heeft genomen,
toetst het hoofd van de diplomatieke of consulaire post de door de
optant verstrekte gegevens aan de gegevens die in zijn administratie
zijn opgenomen.
2. Met betrekking tot personen die in de optieverklaring zijn
genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in zijn ressort verzoekt hij
zo nodig, al naar gelang de plaats waar zij als ingezetene zijn
ingeschreven in de basisadministratie, aan de burgemeester van de
gemeente of de gezaghebber van het betrokken openbaar lichaam, dan wel
de Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk
Sint Maarten, om de hem verstrekte gegevens binnen tien weken te
toetsen.
3. Met betrekking tot personen die in de optieverklaring zijn
genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in het Koninkrijk, verzoekt
hij zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de hem verstrekte
gegevens binnen vier weken te toetsen.
4. Hij onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid van de
gegevens welke niet op de in het eerste, tweede en derde lid
aangegeven wijze kunnen worden getoetst.
5. De in het tweede en derde lid genoemde autoriteiten zijn
verplicht de genoemde medewerking te verlenen.
Artikel 28
1.Behoudens in de gevallen genoemd in artikel 6, eerste lid, aanhef
en onder b en c van de Rijkswet en waar dit overigens bepaald is,
onderzoekt het hoofd van de diplomatieke of consulaire post of er
ernstige vermoedens bestaan als bedoeld in artikel 6, derde lid, van
de Rijkswet, jegens de optant en de personen die tot medeverkrijging
in de optieverklaring zijn genoemd, indien zij ouder zijn dan zestien
jaar.
2.In de gevallen bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de Rijkswet
treedt hij met de optant in overleg over de vaststelling en de
spelling van geslachtsnaam en voornaam of voornamen van de personen
die in de optieverklaring zijn genoemd, en over de in het Koninkrijk
gebruikelijke lettertekens waarin de namen van de optant en van de
personen die hij in zijn optie wenst te betrekken, zullen worden
overgebracht.
3.Hij stelt de andere in de optieverklaring genoemde personen, die
de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijke
vertegenwoordiger en de in het vierde lid van artikel 2 van de
Rijkswet bedoelde andere ouder van deze personen op hun verzoek in de
gelegenheid hun zienswijze inzake de optie alsook inzake de
naamsvaststelling kenbaar te maken.
Artikel 29
1. Nadat het hoofd van de diplomatieke of consulaire post heeft
vastgesteld dat voldaan is aan de vereisten, die aan de optie zijn
gesteld, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de
bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt
zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze
bekendmaking betrokken zullen zijn. Hij bericht gelijktijdig ten
aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert onder vermelding
van de termijn waarbinnen tegen zijn besluit bezwaar gemaakt kan
worden.
2. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van
de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
3. Bij regeling van Onze Minister worden, na overleg met de
Minister van Buitenlandse Zaken, regels gesteld betreffende de wijze
waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan
de optant wordt bekendgemaakt, en kunnen regels gesteld worden
betreffende de inname van de door de bevoegde autoriteiten in het
Koninkrijk afgegeven verblijfsdocumenten van de optant en van de
personen die in de verkrijging delen.
4. Indien de bekendmaking van de bevestiging door uitreiking
geschiedt, is daarop hoofdstuk IIIA, met uitzondering van het gestelde
in artikel 60a, vierde lid, van toepassing.
Artikel 30
1. Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post zendt door
tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken de optieverklaring,
de afgelegde waarheidsverklaringen, bedoeld in artikel 6, vierde
lid,de verklaring, bedoeld in artikel 6, zesde lid, en de bevestiging
van de verkrijging van het Nederlanderschap in afschrift aan Onze
Minister.
2. Hij archiveert de optieverklaringen en de daarbij behorende
documenten alsmede de afschriften van de bevestigingen op een door de
Minister van Buitenlandse Zaken nader vast te stellen wijze.
Paragraaf 6. Administratieve handelingen inzake de
afstandsverplichting
Artikel 30a
Bij ministeriële regeling kan na overleg met de Ministers van
Algemene Zaken van Aruba, Curaçao en Sint Maarten worden bepaald in
welke gevallen het doen van afstand, als bedoeld in artikel 6a, eerste
lid, niet zal worden verlangd.
Artikel 30b
1. Indien een optant verplicht is om na de totstandkoming van de
optie het mogelijke te zullen doen om zijn andere nationaliteit of
nationaliteiten te verliezen, wordt hem na de optie door Onze Minister
bericht dat hij binnen een termijn van drie maanden een verzoek moet
doen tot afstand van die andere nationaliteit of nationaliteiten. Van
dit bericht wordt een afschrift gezonden aan de autoriteit die de
optieverklaring in ontvangst heeft genomen.
2. Heeft de optant het verzoek tot afstand dan wel een verklaring
van afstand bij de autoriteiten van het land of de landen van zijn
andere nationaliteit of nationaliteiten ingediend of aangeboden en is
daarover door deze nog geen beslissing genomen, dan verzoekt Onze
Minister na zes maanden de betrokkene hem te informeren over de stand
van zaken met betrekking tot het verlies van de andere nationaliteit
of nationaliteiten.
3. Verlenen de autoriteiten van het land van de andere
nationaliteit geen of onvoldoende medewerking aan het verzoek of de
verklaring van afstand, dan beslist Onze Minister over de gevolgen
daarvan voor de afstandsverplichting.
Artikel 30c
1. Wordt Onze Minister het bewijs overgelegd dat de andere
nationaliteit of een der andere nationaliteiten is verloren, dan zendt
hij een gewaarmerkt afschrift daarvan aan de autoriteit die de
optieverklaring in ontvangst heeft genomen.
2. De autoriteit die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen,
aan wie het bewijs van het verlies van een andere nationaliteit wordt
overgelegd, zendt een gewaarmerkt afschrift daarvan aan Onze Minister.
3. Onze Minister dan wel de in het tweede lid bedoelde autoriteit
zendt tevens een gewaarmerkt afschrift aan de autoriteit van de plaats
waar de personen wier verlies van die andere nationaliteit het
betreft, in de basisadministratie zijn ingeschreven.
4. De in het derde lid bedoelde autoriteit bevordert, voor zover
van toepassing, dat het verlies van de andere nationaliteit of
nationaliteiten in de desbetreffende basisadministratie wordt
verwerkt.
Artikel 30d
Tenzij hij wegens de omstandigheden van het geval anders beslist,
gaat Onze Minister na verloop van de in het eerste lid van artikel 30b
bepaalde termijn over tot de intrekking van het besluit waarbij het
Nederlanderschap is verkregen.
Hoofdstuk III. – Administratieve behandeling van
naturalisatieverzoeken
Paragraaf 1. Indiening van naturalisatieverzoeken – algemene
bepalingen
Artikel 31
1.Bij de indiening van een naturalisatieverzoek verstrekt de
verzoeker betreffende zichzelf, voorzoveel mogelijk, gegevens met
betrekking tot:
a. geslachtsnaam en voornaam of voornamen, onderscheidenlijk
naam of namen;
b. geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland;
c. adres, postcode en woonplaats;
d. geslacht;
e. nationaliteit of nationaliteiten;
f. tegenwoordige en, voorzoveel nodig, eerdere
verblijfsrechtelijke status;
g. duur van huidige toegelaten verblijf in het Koninkrijk en,
indien van toepassing, duur van eerder toegelaten verblijf in het
Koninkrijk;
h. indien van toepassing, bestaan en duur van het huwelijk of
geregistreerd partnerschap, dan wel ontbinding daarvan, alsmede
ten aanzien van de echtgenoot of partner de gegevens bedoeld onder
a tot en met e;
i. geslachtsnaam en voornamen, plaats en datum van geboorte en
van huwelijk van de ouders van de verzoeker;
j. indien van toepassing, de kinderen tot wie hij in
familierechtelijke betrekking staat;
k. indien van toepassing, bestaan, duur en plaats van
samenleving met een Nederlander;
l. de overige gegevens die naar het oordeel van Onze Minister
nodig zijn voor de beoordeling van het geval.
2.In zijn verzoek vermeldt de verzoeker de minderjarige kinderen en
kindskinderen die hij in zijn naturalisatie wenst te betrekken. Hij
verstrekt over hen, voorzoveel mogelijk, de gegevens genoemd in het
eerste lid.
3.Betrekt de verzoeker in zijn verzoek mede een kind dat de
leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, dan is vereist dat het kind
op de wijze bepaald in artikel 3 verklaart in te stemmen met de
naturalisatie.
4.De verzoeker legt een schriftelijke en ondertekende verklaring
over dat de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en dat
geen relevante gegevens zijn verzwegen. Behoudens in de gevallen
waarin toelating niet is vereist, verklaart hij op dezelfde wijze dat
in het kader van de verkrijging en het behoud van de
verblijfsvergunning van hemzelf en de overige in het
naturalisatieverzoek genoemde personen de gevraagde gegevens naar
waarheid zijn verstrekt en dat geen relevante gegevens zijn verzwegen.
5.De autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt,
alsook Onze Minister, kan verlangen dat de verzoeker de juistheid van
de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde
en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten. Hij kan tevens
verlangen dat die aanvullende gegevens worden verstrekt indien dit
naar zijn oordeel nodig is voor de beoordeling van het geval.
Artikel 32
Heeft de verzoeker een of meer nationaliteiten waarvan hij verplicht
is afstand te doen, dan legt hij een verklaring over houdende dat hij
bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de totstandkoming
van de naturalisatie zijn andere nationaliteit of nationaliteiten te
verliezen.
Paragraaf 2. Administratieve behandeling van naturalisatieverzoeken
in het Europese deel van Nederland
Artikel 33
1.De burgemeester neemt naturalisatieverzoeken in ontvangst van
personen die als ingezetenen zijn ingeschreven in de
basisadministratie van zijn gemeente.
2.Hij neemt tevens in ontvangst naturalisatieverzoeken van optanten
die ingevolge wettelijke voorschriften niet voor inschrijving als
ingezetene in de basisadministratie in aanmerking komen, indien zij
hoofdverblijf hebben in zijn gemeente.
3.Hij neemt bovendien in ontvangst naturalisatieverzoeken van
personen die in zijn gemeente verblijf hebben en nergens ter wereld
hun hoofdverblijf.
4.De in het eerste, tweede en derde lid genoemde personen ontvangen
een afschrift van hun naturalisatieverzoek.
5.Naturalisatieverzoeken van andere personen dan die genoemd in het
eerste, tweede en derde lid worden door hem niet in ontvangst genomen.
6.Naturalisatieverzoeken worden bij ontvangst voorzien van een
datum en een dienststempel.
Artikel 34
1.De verzoeker legt bij zijn verzoek het in artikel 5, eerste lid,
van het Besluit naturalisatietoets, bedoelde inburgeringsdiploma of
certificaat over, tenzij artikel 3 of 4 van het Besluit
naturalisatietoets van toepassing is.
2.Alvorens het naturalisatieverzoek in behandeling genomen wordt,
onderzoekt de burgemeester de betalingsverplichting van de verzoeker
overeenkomstig het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002. Tenzij
de verzoeker voor vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking
komt, betaalt hij bij de indiening van zijn verzoek het volgens het
Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 verschuldigde
naturalisatiegeld.
Artikel 35
1. Nadat hij het verzoek tot naturalisatie in behandeling genomen
heeft, toetst de burgemeester de door de verzoeker verstrekte gegevens
aan de gegevens die in de gemeentelijke basisadministratie zijn
opgenomen.
2. Met betrekking tot personen die in het naturalisatieverzoek zijn
genoemd en die geen ingezetenen zijn van zijn gemeente verzoekt hij zo
nodig, al naar gelang de plaats waar zij als ingezetene zijn
ingeschreven in de basisadministratie, aan de burgemeester van de
betreffende gemeente om binnen vier weken, en aan de gezaghebber van
het betrokken openbaar lichaam dan wel aan de Minister van Algemene
Zaken van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten om binnen
tien weken de hem verstrekte gegevens te toetsen.
3. Met betrekking tot personen die in het naturalisatieverzoek zijn
genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in het Koninkrijk verzoekt
hij, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de hem verstrekte
gegevens zo mogelijk binnen tien weken te toetsen.
4. Hij verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van
personen, bedoeld in artikel 33, tweede lid, binnen vier weken te
toetsen aan de gegevens die zijn opgenomen in het door deze gehouden
register.
5. Hij onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid van de
gegevens die niet op de in het eerste tot en met het vierde lid
aangegeven wijze kunnen worden getoetst.
Artikel 36
1.De burgemeester onderzoekt de verblijfsrechtelijke status van de
verzoeker en de personen om wier medeverlening wordt verzocht, alsmede
of er ernstige vermoedens bestaan als bedoeld in artikel 9, eerste
lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet jegens de verzoeker of de
personen die tot medeverkrijging van het Nederlanderschap in het
naturalisatieverzoek zijn genoemd, indien zij ouder zijn dan zestien
jaar. Zo nodig verwijst hij de verzoeker voor een bewijs van toelating
naar de daartoe bevoegde instanties.
2.Hij onderzoekt eveneens of deze personen aan de overige voor hun
naturalisatie gestelde voorwaarden voldoen.
3.In de gevallen bedoeld in artikel 12 van de Rijkswet overlegt de
burgemeester met de verzoeker over de vaststelling en de spelling van
de geslachtsnaam en voornaam of voornamen van de verzoeker alsmede van
de personen om wier medeverlening is verzocht, en over de in het
Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de namen van de verzoeker
en van de personen om wier medeverlening wordt verzocht, zullen worden
overgebracht. Hij vraagt, zo nodig, de toestemming van de verzoeker
tot wijziging van de naam.
4.De burgemeester stelt de andere in het verzoek genoemde personen,
die de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijke
vertegenwoordiger en de in het vierde lid van artikel 2 van de
Rijkswet bedoelde andere ouder van deze personen op hun verzoek in de
gelegenheid hun zienswijze inzake de naturalisatie alsook inzake de
naamswijziging en naamsvaststelling kenbaar te maken.
5.Nadat de burgemeester de handelingen bedoeld in de voorgaande
artikelen van deze paragraaf heeft verricht, brengt hij over het
naturalisatieverzoek en de eventuele naamsvaststelling en
naamswijziging advies uit aan Onze Minister.
Artikel 37
1.De burgemeester zendt zijn advies met het verzoek en de daarop
betrekking hebbende gegevens, documenten en verklaringen aan Onze
Minister.
2.Onze Minister bevestigt de ontvangst daarvan zonder uitstel aan
de burgemeester.
Artikel 38
1. Onze Minister zendt de uittreksels van het besluit tot verlening
van het Nederlanderschap onverwijld ter bekendmaking toe aan de
autoriteit van de woonplaats van de verzoeker. Hij zendt het besluit
tot gehele of gedeeltelijke afwijzing van het verzoek toe aan de
verzoeker onder vermelding van de termijn waarbinnen tegen het besluit
bezwaar gemaakt kan worden. Hij bericht een en ander gelijktijdig aan
de burgemeester die het naturalisatieverzoek in ontvangst genomen
heeft.
2. De bekendmaking van het besluit tot verlening van het
Nederlanderschap geschiedt overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk
IIIA.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld betreffende de wijze van bekendmaking van de verlening van het
Nederlanderschap alsook betreffende de inname van de door de bevoegde
autoriteiten in het Koninkrijk afgegeven verblijfsdocumenten van de
verzoeker en van de personen die in de naturalisatie delen.
Paragraaf 3. Administratieve behandeling van naturalisatieverzoeken
in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Artikel 39
1. Onze Minister neemt naturalisatieverzoeken in behandeling van
personen die als ingezetenen zijn ingeschreven in de
basisadministratie van het betreffende openbare lichaam.
2. Hij neemt tevens in behandeling naturalisatieverzoeken van
personen die ingevolge wettelijke voorschriften niet voor inschrijving
als ingezetene in de basisadministratie in aanmerking komen, indien
zij hoofdverblijf hebben in het betreffende openbare lichaam.
3. Hij neemt bovendien in ontvangst naturalisatieverzoeken van
personen die in het betreffende openbare lichaam verblijf hebben en
nergens ter wereld hun hoofdverblijf.
4. De in het eerste, tweede en derde lid bedoelde personen
ontvangen een afschrift van hun naturalisatieverzoek.
5. Naturalisatieverzoeken van andere personen dan die genoemd in
het eerste, tweede en derde lid worden door hem niet in behandeling
genomen.
6. Naturalisatieverzoeken worden bij ontvangst voorzien van een
datum en een dienststempel.
Artikel 40
1. De verzoeker legt bij zijn verzoek het in artikel 5, eerste lid,
van het Besluit naturalisatietoets, bedoelde inburgeringsdiploma of
certificaat over, tenzij artikel 3 of 4 van het Besluit
naturalisatietoets van toepassing is.
2. Alvorens het verzoek in behandeling genomen wordt, onderzoekt
Onze Minister de betalingsverplichting van de verzoeker overeenkomstig
het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002. Tenzij de verzoeker
voor vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt, betaalt hij
ter gelegenheid van de indiening van zijn verzoek het volgens het
Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 verschuldigde
naturalisatiegeld.
Artikel 41
1. Nadat hij het verzoek tot naturalisatie in behandeling genomen
heeft, toetst Onze Minister de door de verzoeker verstrekte gegevens
aan de gegevens die in de basisadministratie zijn opgenomen.
2. Met betrekking tot personen die in het naturalisatieverzoek zijn
genoemd en die geen ingezetene zijn van zijn openbaar lichaam verzoekt
hij zo nodig, al naar gelang de plaats waar zij als ingezetene zijn
ingeschreven in de basisadministratie, aan de gezaghebber van het
betreffende openbaar lichaam om binnen vier weken, en aan de
burgemeester van de gemeente of aan de Minister van Algemene Zaken van
Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten om binnen tien weken de
hem verstrekte gegevens te toetsen.
3. Met betrekking tot personen die in het naturalisatieverzoek zijn
genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in het Koninkrijk verzoekt
hij, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de hem verstrekte
gegevens zo mogelijk binnen tien weken te toetsen.
4. Hij verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van
personen, bedoeld in artikel 39, tweede lid, binnen vier weken te
toetsen aan de gegevens die zijn opgenomen in het door deze gehouden
register.
5. Hij onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid van de
gegevens die niet op de in het eerste tot en met het vierde lid
aangegeven wijze kunnen worden getoetst.
Artikel 42
1. Onze Minister onderzoekt de verblijfsrechtelijke status van de
verzoeker en de personen om wier medeverlening wordt verzocht, alsmede
of er ernstige vermoedens bestaan als bedoeld in artikel 9, eerste
lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet jegens de verzoeker of de
personen die tot medeverkrijging van het Nederlanderschap in het
naturalisatieverzoek zijn genoemd, indien zij ouder zijn dan zestien
jaar. Zo nodig verwijst hij de verzoeker voor een bewijs van toelating
naar de daartoe bevoegde instanties.
2. Hij onderzoekt eveneens of deze personen aan de overige voor hun
naturalisatie gestelde voorwaarden voldoen.
3. In de gevallen bedoeld in artikel 12 van de Rijkswet overlegt
Onze Minister met de verzoeker over de vaststelling en de spelling van
geslachtsnaam en voornaam of voornamen van de verzoeker alsmede van de
personen om wier medeverlening is verzocht, en over de in het
Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de namen van de verzoeker
en van de personen om wier medeverlening wordt verzocht, zullen worden
overgebracht. Hij vraagt, zo nodig, de toestemming van de verzoeker
tot wijziging van de naam.
4. Onze Minister stelt de andere in het verzoek genoemde personen,
die de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijke
vertegenwoordiger en de in het vierde lid van artikel 2 van de
Rijkswet bedoelde andere ouder van deze personen op hun verzoek in de
gelegenheid hun zienswijze inzake de naturalisatie alsook inzake de
naamswijziging en naamsvaststelling kenbaar te maken.
Artikel 43 [Vervallen per 10-10-2010]
Artikel 44
1. Onze Minister zendt de uittreksels van het besluit tot verlening
van het Nederlanderschap onverwijld ter bekendmaking toe aan de
autoriteit van de woonplaats van de verzoeker. Hij zendt het besluit
tot gehele of gedeeltelijke afwijzing van het verzoek toe aan de
verzoeker onder vermelding van de termijn waarbinnen tegen het besluit
bezwaar gemaakt kan worden.
2. De bekendmaking van het besluit tot verlening van het
Nederlanderschap geschiedt overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk
IIIA.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld betreffende de wijze van bekendmaking van de verlening van het
Nederlanderschap alsook betreffende de inname van de door de bevoegde
autoriteiten in het Koninkrijk afgegeven verblijfsdocumenten van de
verzoeker en van de personen die in de naturalisatie delen.
Paragraaf 4. Administratieve behandeling van naturalisatieverzoeken
in Aruba, Curaçao en Sint Maarten
Artikel 45
1. De Gouverneur neemt naturalisatieverzoeken in behandeling van
personen die als ingezetenen zijn ingeschreven in de
basisadministratie van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten.
2. Hij neemt tevens in behandeling naturalisatieverzoeken van
personen die ingevolge wettelijke voorschriften niet voor inschrijving
als ingezetene in de basisadministratie in aanmerking komen, indien
zij hoofdverblijf hebben in Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint
Maarten.
3. Hij neemt bovendien in ontvangst naturalisatieverzoeken van
personen die in Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten
verblijf hebben en nergens ter wereld hun hoofdverblijf.
4. De in het eerste, tweede en derde lid genoemde personen
ontvangen een afschrift van hun naturalisatieverzoek.
5. Naturalisatieverzoeken van andere personen dan die, genoemd in
het eerste, tweede en derde lid, worden door hem niet in behandeling
genomen.
6. Naturalisatieverzoeken worden bij ontvangst voorzien van een
datum en een dienststempel.
Artikel 46
1. De verzoeker legt bij zijn verzoek het in artikel 5, eerste lid,
van het Besluit naturalisatietoets, bedoelde inburgeringsdiploma of
certificaat over, tenzij artikel 3 of 4 van het Besluit
naturalisatietoets van toepassing is.
2. Alvorens het verzoek in behandeling genomen wordt, onderzoekt de
Gouverneur de betalingsverplichting van de verzoeker overeenkomstig
het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002. Tenzij de verzoeker
voor vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt, betaalt hij
ter gelegenheid van de indiening van zijn verzoek het volgens het
Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 verschuldigde
naturalisatiegeld.
Artikel 47
1. Nadat hij het verzoek tot naturalisatie in behandeling genomen
heeft, verzoekt de Gouverneur de Minister van Algemene Zaken die het
aangaat de door de verzoeker verstrekte gegevens te toetsen aan de
gegevens die in de basisadministratie zijn opgenomen.
2. Met betrekking tot personen die in het naturalisatieverzoek zijn
genoemd en die geen ingezetene zijn van Aruba, Curaçao
onderscheidenlijk Sint Maarten verzoekt hij zo nodig, al naar gelang
de plaats waar zij als ingezetene zijn ingeschreven in de
basisadministratie, aan de burgemeester van de betreffende gemeente,
aan de gezaghebber van het betrokken openbaar lichaam de hem
verstrekte gegevens binnen tien weken te toetsen.
3. Met betrekking tot personen die in het naturalisatieverzoek zijn
genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in het Koninkrijk verzoekt
hij, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de hem verstrekte
gegevens zo mogelijk binnen tien weken te toetsen.
4. Hij verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van
personen, bedoeld in artikel 45, tweede lid, binnen vier weken te
toetsen aan de gegevens die zijn opgenomen in het door deze gehouden
register.
5. Hij onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid van de
gegevens die niet op de in het eerste tot en met het vierde lid
aangegeven wijze kunnen worden getoetst.
Artikel 48
1. De Gouverneur onderzoekt de verblijfsrechtelijke status van de
verzoeker en de personen om wier medeverlening wordt verzocht, alsmede
laat hij het bestaan onderzoeken van ernstige vermoedens als bedoeld
in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet jegens de
verzoeker of de personen die tot medeverkrijging van het
Nederlanderschap in het naturalisatieverzoek zijn genoemd, indien zij
ouder zijn dan zestien jaar. Zo nodig verwijst hij de verzoeker voor
een bewijs van toelating naar de daartoe bevoegde instanties.
2. Hij onderzoekt eveneens of deze personen aan de overige voor hun
naturalisatie gestelde voorwaarden voldoen.
3. In de gevallen bedoeld in artikel 12 van de Rijkswet overlegt de
Gouverneur met de verzoeker over de vaststelling en de spelling van
geslachtsnaam en voornaam of voornamen van de verzoeker alsmede van de
personen om wier medeverlening is verzocht, en over de in het
Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de namen van de verzoeker
en van de personen om wier medeverlening wordt verzocht, zullen worden
overgebracht. Hij vraagt, zo nodig, de toestemming van de verzoeker
tot wijziging van de naam.
4. De Gouverneur stelt de andere in het verzoek genoemde personen,
die de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijke
vertegenwoordiger en de in het vierde lid van artikel 2 van de
Rijkswet bedoelde andere ouder van deze personen op hun verzoek in de
gelegenheid hun zienswijze inzake de naturalisatie alsook inzake de
naamswijziging en naamsvaststelling kenbaar te maken.
5. Nadat de Gouverneur de handelingen bedoeld in de voorgaande
artikelen van deze paragraaf heeft verricht, brengt hij over het
naturalisatieverzoek en de eventuele naamsvaststelling en
naamswijziging advies uit aan Onze Minister.
Artikel 49
1. De Gouverneur zendt zijn advies met het verzoek en de daarop
betrekking hebbende gegevens, documenten en verklaringen door
tussenkomst van de Minister van Justitie van Aruba, Curaçao
onderscheidenlijk Sint Maarten aan Onze Minister.
2. De Minister van Justitie van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk
Sint Maarten voegt zijn advies betreffende het verzoek toe aan dit
dossier.
3. Onze Minister bevestigt de ontvangst daarvan zonder uitstel aan
de Gouverneur en aan de Minister van Justitie van Aruba, Curaçao
onderscheidenlijk Sint Maarten.
Artikel 50
1. Onze Minister zendt de uittreksels van het besluit tot verlening
van het Nederlanderschap onverwijld ter bekendmaking toe aan de
autoriteit van de woonplaats van de verzoeker. Hij zendt het besluit
tot gehele of gedeeltelijke afwijzing van het verzoek toe aan de
verzoeker onder vermelding van de termijn waarbinnen tegen het besluit
bezwaar gemaakt kan worden. Hij bericht een en ander gelijktijdig aan
de Gouverneur en aan de Minister van Justitie van Aruba, Curaçao
onderscheidenlijk Sint Maarten.
2. De bekendmaking van het besluit tot verlening van het
Nederlanderschap geschiedt overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk
IIIA.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld betreffende de wijze van bekendmaking van de verlenging van
het Nederlanderschap alsook, na overleg met de Ministers van Justitie
van Aruba, Curaçao en Sint Maarten, betreffende de inname van de door
de bevoegde autoriteiten in het Koninkrijk afgegeven
verblijfsdocumenten van de verzoeker en van de personen die in de
naturalisatie delen.
Paragraaf 5. Administratieve behandeling van naturalisatieverzoeken
in het buitenland
Artikel 51
1.Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post neemt
naturalisatieverzoeken in behandeling van personen die hoofdverblijf
hebben in het ressort van zijn diplomatieke of consulaire post.
2.Hij neemt eveneens de naturalisatieverzoeken in behandeling van
personen die verblijf hebben in het ressort van zijn diplomatieke of
consulaire post en nergens ter wereld hun hoofdverblijf.
3.De in het eerste en tweede lid bedoelde personen ontvangen een
afschrift van hun naturalisatieverzoek.
4.Naturalisatieverzoeken van andere personen dan die genoemd in het
eerste en tweede lid worden door hem niet in behandeling genomen.
5.Naturalisatieverzoeken worden bij ontvangst voorzien van een
datum en een dienststempel.
Artikel 52
1.De verzoeker legt bij zijn verzoek het in artikel 5, eerste lid,
van het Besluit naturalisatietoets, bedoelde inburgeringsdiploma of
certificaat over, tenzij artikel 3 of 4 van het Besluit
naturalisatietoets van toepassing is.
2.Alvorens het verzoek in behandeling genomen wordt, onderzoekt het
hoofd van de diplomatieke of consulaire post de betalingsverplichting
van de verzoeker overeenkomstig het Besluit optie- en
naturalisatiegelden 2002. Tenzij de verzoeker voor vrijstelling of
gehele ontheffing in aanmerking komt, betaalt hij bij de indiening van
zijn verzoek het volgens het Besluit optie- en naturalisatiegelden
2002 verschuldigde naturalisatiegeld.
Artikel 53
1. Nadat hij het verzoek tot naturalisatie in behandeling genomen
heeft, toetst het hoofd van de diplomatieke of consulaire post de door
de verzoeker verstrekte gegevens aan de gegevens die in de
administratie zijn opgenomen.
2. Met betrekking tot personen die in het naturalisatieverzoek zijn
genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in zijn ressort verzoekt hij
zo nodig, al naar gelang de plaats waar zij als ingezetene zijn
ingeschreven in de basisadministratie, aan de burgemeester van de
betreffende gemeente, aan de gezaghebber van het betrokken openbaar
lichaam of aan de Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao
onderscheidenlijk Sint Maarten de hem verstrekte gegevens binnen tien
weken te toetsen.
3. Hij onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid van de
gegevens welke niet op de in het eerste of tweede lid van dit artikel
aangegeven wijze kunnen worden getoetst.
Artikel 54
1.Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post onderzoekt of er
ernstige vermoedens bestaan als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
aanhef en onder a, van de Rijkswet, jegens de verzoeker en de personen
die tot medeverkrijging van het Nederlanderschap in het
naturalisatieverzoek zijn genoemd, indien zij ouder zijn dan zestien
jaar.
2.Hij onderzoekt eveneens of deze personen aan de overige voor hun
naturalisatie gestelde voorwaarden voldoen.
3.In de gevallen, bedoeld in artikel 12 van de Rijkswet, overlegt
hij met de verzoeker over de vaststelling en de spelling van
geslachtsnaam en voornaam of voornamen van de verzoeker alsmede van de
personen om wier medeverlening is verzocht, en over de in het
Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de namen van de verzoeker
en van de personen om wier medeverlening wordt verzocht, zullen worden
overgebracht. Hij vraagt, zo nodig, toestemming van de verzoeker tot
wijziging van de naam.
4.Hij stelt de andere in het verzoek genoemde personen, die de
leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijke
vertegenwoordiger en de in het vierde lid van artikel 2 van de
Rijkswet bedoelde andere ouder van deze personen op hun verzoek in de
gelegenheid hun zienswijze inzake de naturalisatie alsook inzake de
naamswijziging en naamsvaststelling kenbaar te maken.
5.Nadat het hoofd van de diplomatieke of consulaire post de
handelingen bedoeld in de voorgaande artikelen van deze paragraaf
heeft verricht, brengt hij over het naturalisatieverzoek en de
eventuele naamsvaststelling en naamswijziging advies uit aan Onze
Minister.
Artikel 55
1.Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post zendt zijn
advies met het verzoek en de daarop betrekking hebbende gegevens,
documenten en verklaringen aan de Minister van Buitenlandse Zaken.
2.De Minister van Buitenlandse Zaken zorgt voor doorzending van de
in het eerste lid bedoelde stukken aan Onze Minister.
Artikel 56
1. Onze Minister zendt de uittreksels van het besluit tot verlening
van het Nederlanderschap onverwijld ter bekendmaking toe aan de
autoriteit van de woonplaats van de verzoeker. Hij zendt het besluit
tot gehele of gedeeltelijke afwijzing van het verzoek toe aan de
verzoeker onder vermelding van de termijn waarbinnen tegen het besluit
bezwaar gemaakt kan worden. Hij bericht een en ander gelijktijdig aan
de Minister van Buitenlandse Zaken met het verzoek zo nodig het hoofd
van de diplomatieke of consulaire post, die het in artikel 54, vijfde
lid, bedoelde advies heeft uitgebracht, van deze beslissing in kennis
te stellen.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen na overleg met de Minister
van Buitenlandse Zaken regels worden gesteld betreffende de wijze van
bekendmaking van de verlening van het Nederlanderschap en kunnen
regels gesteld worden betreffende de inname van de door de bevoegde
autoriteiten in het Koninkrijk afgegeven verblijfsdocumenten van de
verzoeker en van de personen die in de naturalisatie delen.
3. Indien de bekendmaking van het besluit tot verlening van het
Nederlanderschap door uitreiking geschiedt, is daarop het bepaalde in
hoofdstuk IIIA, met uitzondering van de tijdsbepalingen in artikel
60b, tweede en vierde lid, van toepassing.
Paragraaf 6. Administratieve handelingen inzake de
afstandsverplichting
Artikel 57
Bij ministeriële regeling kan na overleg met de Ministers van
Algemene Zaken van Aruba, Curaçao en Sint Maarten worden bepaald in
welke gevallen het doen van afstand, als bedoeld in artikel 9, eerste
lid, aanhef en onder b, niet zal worden verlangd.
Artikel 58
1.Indien een verzoeker verplicht is om na de totstandkoming van de
naturalisatie het mogelijke te zullen doen om zijn andere
nationaliteit of nationaliteiten te verliezen, wordt hem na de
naturalisatie door Onze Minister bericht dat hij binnen een termijn
van drie maanden een verzoek moet doen tot afstand van die andere
nationaliteit of nationaliteiten. Van dit bericht wordt een afschrift
gezonden aan de autoriteit, die het naturalisatieverzoek in ontvangst
genomen heeft.
2.Heeft de verzoeker het verzoek tot afstand dan wel een verklaring
van afstand bij de autoriteiten van het land of de landen van zijn
andere nationaliteit of nationaliteiten ingediend of aangeboden en is
daarover door deze nog geen beslissing genomen, dan verzoekt Onze
Minister na zes maanden de betrokkene hem te informeren over de stand
van zaken met betrekking tot het verlies van de andere nationaliteit
of nationaliteiten.
3.Verlenen de autoriteiten van het land van de andere nationaliteit
geen of onvoldoende medewerking aan het verzoek of de verklaring van
afstand, dan beslist Onze Minister over de gevolgen daarvan voor de
afstandsverplichting.
Artikel 59
1.Wordt Onze Minister het bewijs overgelegd dat de andere
nationaliteit of een der andere nationaliteiten is verloren, dan zendt
hij een gewaarmerkt afschrift daarvan aan de autoriteit die het
naturalisatieverzoek in ontvangst genomen heeft.
2.De autoriteit, bedoeld in artikel 2, aan wie het bewijs van het
verlies van een andere nationaliteit wordt overgelegd, zendt een
gewaarmerkt afschrift daarvan aan Onze Minister.
3.Onze Minister dan wel de in het tweede lid bedoelde autoriteit
zendt tevens een gewaarmerkt afschrift aan de autoriteit van de plaats
waar de personen wier verlies van die andere nationaliteit het
betreft, in de basisadministratie zijn ingeschreven.
4.De in lid drie bedoelde autoriteit bevordert, voor zover van
toepassing, dat het verlies van de andere nationaliteit of
nationaliteiten in de desbetreffende basisadministratie wordt
verwerkt.
Artikel 60
Tenzij hij wegens de omstandigheden van het geval anders beslist,
gaat Onze Minister na verloop van de in het eerste lid van artikel 58
bepaalde termijn over tot de intrekking van het besluit waarbij het
Nederlanderschap is verleend.
Hoofdstuk IIIA. Bekendmaking van de verkrijging van het
Nederlanderschap
Artikel 60a
1.Tenzij anders bepaald, treedt de bevestiging van de verkrijging
van het Nederlanderschap als bedoeld in de artikelen 11, 17, 23 en 29,
in werking door de uitreiking ervan aan de optant door of namens de
tot bevestiging bevoegde autoriteit. De bevestiging werkt terug tot de
dag van de dagtekening.
2.De in het eerste lid genoemde autoriteit roept de optant tezamen
met de personen die in de verkrijging zullen delen en die ten tijde
van het afleggen van de optieverklaring zestien jaar of ouder waren,
tijdig voor de uitreiking op te verschijnen. Was de optant ten tijde
van het afleggen van de optieverklaring jonger dan zestien jaar dan
wordt zijn wettelijke vertegenwoordiger opgeroepen te verschijnen.
3.Indien de optant en de personen die in de verkrijging delen,
verplicht zijn voorafgaand aan de uitreiking van de bevestiging een
verklaring af te leggen, vindt de uitreiking niet plaats dan nadat
deze verklaring is afgelegd. Indien niet alle in de bevestiging
genoemde personen die een verklaring dienen af te leggen, daartoe
bereid of in staat zijn, wordt de uitreiking aangehouden.
4.Degene aan wie de bevestiging van de verkrijging van het
Nederlanderschap in persoon wordt uitgereikt en de minderjarige
vreemdeling die de bereidverklaring als bedoeld in artikel 6, tweede
lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap heeft afgelegd, legt de
verklaring van verbondenheid mondeling af op een door de in het eerste
lid genoemde autoriteit te bepalen wijze.
5.De in het eerste lid genoemde autoriteit kan bepalen dat de
betrokkene de verklaring van verbondenheid schriftelijk aflegt, indien
van hem redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij deze mondeling
aflegt.
6.Indien betrokkene vanwege zijn fysieke of psychische toestand
niet in staat is om de verklaring van verbondenheid op de in het
vierde of vijfde lid bedoelde wijze af te leggen, wordt de bevestiging
bekendgemaakt zonder dat de verklaring van verbondenheid is afgelegd.
7.De uitreiking vindt plaats binnen negen weken nadat is
vastgesteld dat de optant heeft voldaan aan de vereisten, die aan de
optie zijn gesteld. Wegens bijzondere omstandigheden kan deze termijn
met een redelijke periode worden verlengd.
8.De bevestiging wordt aan de optant in persoon of, indien hij ten
tijde van het afleggen van de optieverklaring jonger dan zestien jaar
is, aan zijn wettelijke vertegenwoordiger uitgereikt.
9.Indien om zwaarwegende redenen van een op grond van het tweede
lid opgeroepen persoon niet kan worden verlangd dat hij de bevestiging
in persoon in ontvangst neemt, kan hij zich laten vertegenwoordigen
door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon. Onder
zwaarwegende redenen wordt in ieder geval gerekend de fysieke of
psychische onmogelijkheid te verschijnen. Om dezelfde redenen kan de
in het eerste lid genoemde autoriteit tot een andere wijze van
bekendmaking of verklaring besluiten.
10.Indien de op grond van het tweede lid opgeroepen personen bij de
uitreiking niet aanwezig zijn, worden zij opnieuw opgeroepen. Zo nodig
wordt de oproeping vervolgens eenmaal bij aangetekende brief herhaald.
11.De bevestiging die niet binnen een jaar na de dag waarop zij is
gedagtekend aan de optant is bekendgemaakt, vervalt ten aanzien van de
erin genoemde personen. Indien tegen het besluit omtrent de wijze van
afleggen van de verklaring van verbondenheid of de wijze van
bekendmaking van de bevestiging bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt
ingesteld, wordt deze termijn opgeschort totdat op het bezwaar
onderscheidenlijk het beroep onherroepelijk is beslist.
12.De autoriteit die de bevestiging heeft bekendgemaakt, zendt
daarvan onverwijld bericht aan Onze Minister en deelt daarin mede of
en op welke wijze de verklaring van verbondenheid is afgelegd.
Artikel 60b
1.Tenzij anders bepaald, treedt het besluit tot verlening van het
Nederlanderschap voor een daarin genoemde persoon in werking door de
uitreiking aan hem van het hem betreffend uittreksel van het besluit.
Het besluit werkt terug tot de dag van de dagtekening.
2.Binnen zes weken na de dag van dagtekening van het
naturalisatiebesluit en tijdig voor de uitreiking roept de autoriteit
van de woonplaats van de betrokken persoon die ten tijde van de
indiening van het verzoek tot naturalisatie zestien jaar of ouder was,
deze op te verschijnen. Was de betrokkene ten tijde van de indiening
van het verzoek tot naturalisatie jonger dan zestien jaar dan wordt
zijn wettelijke vertegenwoordiger opgeroepen te verschijnen. Wegens
bijzondere omstandigheden kan deze termijn met een redelijke periode
worden verlengd.
3.Indien de opgeroepen persoon verplicht is voorafgaand aan de
uitreiking een verklaring af te leggen, vindt de uitreiking van het
uittreksel van het besluit niet plaats dan nadat deze verklaring is
afgelegd.
4.Degene aan wie het uittreksel van het besluit tot verlening van
het Nederlanderschap in persoon wordt uitgereikt, legt de verklaring
van verbondenheid mondeling af op een door de bevoegde autoriteit te
bepalen wijze.
5.De bevoegde autoriteit kan bepalen dat de betrokkene de
verklaring van verbondenheid schriftelijk aflegt, indien van hem
redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij deze mondeling aflegt.
6.Indien betrokkene vanwege zijn fysieke of psychische toestand
niet in staat is om de verklaring van verbondenheid op de in het
vierde of vijfde lid bedoelde wijze af te leggen, wordt het uittreksel
van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap bekendgemaakt
zonder dat de verklaring is afgelegd.
7.De uitreiking vindt door of namens de autoriteit, die de
betrokkene heeft opgeroepen, plaats binnen zes weken na de verzending
van de oproeping.
8.Het hem betreffend uittreksel van het besluit wordt aan de
betrokkene in persoon of, indien hij ten tijde van de indiening van
het verzoek tot naturalisatie jonger dan zestien jaar is, aan zijn
wettelijke vertegenwoordiger uitgereikt.
9.Indien om zwaarwegende redenen van een op grond van het tweede
lid opgeroepen persoon niet kan worden verlangd dat hij het hem
betreffende uittreksel van het besluit in persoon in ontvangst neemt,
kan hij zich laten vertegenwoordigen door een daartoe schriftelijk
gemachtigde meerderjarige persoon. Onder zwaarwegende redenen wordt in
ieder geval gerekend de fysieke of psychische onmogelijkheid te
verschijnen. Om dezelfde redenen kan de in het tweede lid genoemde
autoriteit tot een andere wijze van bekendmaking of verklaring
besluiten.
10.Indien de betrokkene bij de in het zevende lid bedoelde
uitreiking niet aanwezig is, wordt hij opnieuw opgeroepen. Zo nodig
wordt de oproeping vervolgens eenmaal bij aangetekende brief herhaald.
11.Het besluit tot verlening van het Nederlanderschap vervalt ten
aanzien van een erin genoemd persoon indien het hem betreffend
uittreksel van dit besluit niet binnen een jaar na de dag waarop het
besluit is gedagtekend aan hem is bekendgemaakt. Indien tegen het
besluit omtrent de wijze van afleggen van de verklaring van
verbondenheid of de wijze van bekendmaking van het uittreksel van het
besluit tot verlening van het Nederlanderschap bezwaar wordt gemaakt
of beroep wordt ingesteld, wordt deze termijn opgeschort totdat op het
bezwaar onderscheidenlijk het beroep onherroepelijk is beslist.
12.De autoriteit die het uittreksel van het besluit tot verlening
van het Nederlanderschap heeft bekendgemaakt, zendt daarvan onverwijld
een bericht aan Onze Minister. Hij bericht ook of en op welke wijze de
verklaring van verbondenheid is afgelegd en welke uittreksels hij na
herhaalde oproepingen niet heeft kunnen uitreiken. Hij zendt de
uittreksels betreffende de personen voor wie een besluit is vervallen,
terug aan Onze Minister.
Hoofdstuk IV. – Bewijs van Nederlanderschap
Artikel 61
1.Als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap,
bedoeld in artikel 15, vierde lid van de Rijkswet en in artikel V,
tweede lid van de Rijkswet van 21 december 2000, Stb. 618, tot
wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot
de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap,
geldt:
a. de onherroepelijke rechterlijke beschikking waarbij het
Nederlanderschap is vastgesteld;
b. een uittreksel uit de basisadministratie, waaruit blijkt dat
de betrokkene als Nederlander is aangemerkt; of
c. een verklaring afgegeven door het hoofd van de diplomatieke
of consulaire post, waaruit blijkt dat de betrokkene Nederlander
is.
2.Een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap wordt
alleen op aanvraag van de betrokken persoon verstrekt.
3.De documenten genoemd onder b en c van het eerste lid dienen de
woorden te bevatten: Verklaring omtrent het bezit van het
Nederlanderschap, en van een datum van verstrekking en een
dienststempel te zijn voorzien.
4.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke andere
documenten als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
kunnen dienen.
Hoofdstuk V. – Verlies van het Nederlanderschap
Paragraaf 1. Verlies door een verklaring van afstand
Artikel 62
1.Een verklaring van afstand van het Nederlanderschap als bedoeld
in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, of als bedoeld in
artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet wordt
schriftelijk afgelegd. De verklaring vermeldt dat de persoon die de
verklaring aflegt, bekend is met artikel 16, eerste lid, aanhef en
onder d, en tweede lid van de Rijkswet.
2.Aan de verklaring van afstand wordt zo nodig een bewijs
toegevoegd dat de verklarende persoon en, in voorkomend geval, de
minderjarige personen die in zijn afstand delen een andere
nationaliteit bezitten.
3.Indien de verklaring een minderjarige betreft, wordt zo nodig
tevens een bewijs van de nationaliteit van de vader en moeder of
adoptiefouder toegevoegd.
Artikel 63
1. Een verklaring van afstand van het Nederlanderschap wordt
afgelegd:
a. in het Europese deel van Nederland: de burgemeester;
b. in een openbaar lichaam: voor Onze Minister;
c. in Aruba, Curaçao en Sint Maarten: voor de Gouverneur;
d. in het buitenland: voor het hoofd van de diplomatieke of
consulaire post.
2. Alvorens de verklaring in ontvangst te nemen stelt de autoriteit
ten overstaan van wie deze wordt afgelegd de identiteit vast van de
persoon die de verklaring aflegt. Hij bepaalt tevens, voor zover
mogelijk, welke andere personen door deze afstand hun Nederlanderschap
zullen verliezen.
3. De persoon die in overeenstemming met artikel 3 een verklaring
van afstand heeft afgelegd, ontvangt daarvan onverwijld een
bevestiging, die tevens, voor zoveel mogelijk, de namen vermeldt van
de personen die door deze afstand hun Nederlanderschap hebben
verloren.
Artikel 64
1. De in het tweede lid van artikel 63 genoemde autoriteit, niet
zijnde Onze Minister, zendt de verklaring van afstand alsmede een
afschrift van de bevestiging toe aan Onze Minister; hij behoudt een
afschrift daarvan.
2. Hij zendt bovendien een afschrift van de bevestiging aan de
autoriteit van de plaats waar de personen die de afstand betreft, in
de basisadministratie zijn ingeschreven alsmede, met betrekking tot
personen die in hun land woonachtig zijn, een afschrift van de
verklaring van afstand en van de bevestiging aan de Minister van
Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
3. Voorzoveel van toepassing bevordert de autoriteit ten overstaan
van wie een verklaring van afstand is afgelegd, alsmede de in het
voorgaande lid bedoelde autoriteit die een afschrift van de
bevestiging bedoeld in het derde lid van artikel 63 heeft ontvangen,
dat
a. de verklaring van afstand van het Nederlanderschap in de
basisadministratie wordt verwerkt;
b. de Nederlandse reisdocumenten die waren uitgereikt aan de
personen die door of als gevolg van de afstand het
Nederlanderschap hebben verloren, overeenkomstig de Paspoortwet
worden ingenomen;
c. indien van toepassing: de betrokkenen worden verwezen naar
de Vreemdelingendienst van de politie.
Paragraaf 2. Verlies door intrekking van het Nederlanderschap
Artikel 65
De autoriteiten en ambtenaren bevoegd tot het in ontvangst nemen van
optieverklaringen en naturalisatieverzoeken die in de uitoefening van
hun ambt kennis krijgen van valse verklaringen of bedrog, dan wel van de
verzwijging van enig relevant feit dat geleid heeft tot de verkrijging
of verlening van het Nederlanderschap, melden dit onverwijld aan Onze
Minister, zo nodig onder medezending van afschriften van op de zaak
betrekkelijke stukken.
Paragraaf 3. Procedure van intrekking van het Nederlanderschap
Artikel 66
1. Indien Onze Minister het voornemen heeft een besluit te nemen
tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is
verkregen of verleend, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
Rijkswet, doet hij daarvan schriftelijk mededeling aan de bij de
intrekking rechtstreeks betrokken persoon of personen alsmede aan de
autoriteit die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in
ontvangst genomen heeft. Indien Onze Minister het voornemen heeft een
besluit te nemen tot intrekking van het Nederlanderschap, als bedoeld
in artikel 14, tweede lid, van de Rijkswet, doet hij daarvan
schriftelijk mededeling aan de bij de intrekking rechtstreeks
betrokken persoon of personen.
2. Heeft de betrokken persoon een bekende woon- of verblijfplaats,
dan wordt de mededeling aan dat adres gezonden; heeft hij geen bekende
woon- of verblijfplaats, dan wordt de mededeling gezonden aan zijn
laatst bekende adres in het Europese deel van Nederland, Aruba,
Curaçao of Sint Maarten dan wel de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius of Saba of door tussenkomst van het Ministerie van
Buitenlandse Zaken aan zijn laatst bekende adres in het buitenland.
3. Indien Onze Minister zulks noodzakelijk acht, geeft hij van zijn
voornemen kennis door uitreiking van de in het eerste lid bedoelde
mededeling.
4. Indien Onze Minister zulks noodzakelijk acht, geeft hij van zijn
voornemen tevens kennis in een of meer van de lokale bladen van de
vermoedelijke verblijfplaats van betrokkenen of in de daarvoor
bestemde officiële publicatiebladen, al naar gelang die
verblijfplaats.
5. Onder rechtstreeks betrokken persoon wordt in dit artikel
verstaan de Nederlander op wie het in het eerste lid bedoelde
voornemen betrekking heeft, alsmede, voor zover zij bij het voornemen
een rechtstreeks belang hebben, zijn kinderen en adoptiefkinderen,
alsmede zijn echtgenoot of geregistreerde partner. Bij ministeriële
regeling kunnen andere personen als betrokken worden aangemerkt.
6. In de in het eerste lid bedoelde mededelingen vermeldt Onze
Minister ten minste
a. de zakelijke inhoud en korte redengeving van zijn
voorgenomen besluit,
b. de mogelijkheid voor betrokkenen of de genoemde autoriteiten
om hun bedenkingen tegen dit voornemen in te brengen, en op welke
wijze en binnen welke termijn dit kan geschieden,
c. dat degene die schriftelijke bedenkingen inbrengt, kan
verzoeken dat zijn persoonlijke gegevens niet worden vermeld.
Artikel 67
Onze Minister zendt van de ingebrachte bedenkingen een afschrift aan
de in het eerste lid van artikel 66 genoemde personen en indien van
toepassing autoriteit.
Artikel 68
1. Bij zijn besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op
grond van artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet houdt Onze Minister
onder meer rekening met de aard en ernst van de valse verklaring, het
bedrog of de verzwijging, de mogelijke staatloosheid van betrokkene na
de intrekking, alsook met de tijdsduur die sinds de verkrijging of
verlening verlopen is en de overige relevante factoren.
2. Het besluit tot intrekking als bedoeld in artikel 14, eerste
lid, of tweede lid, van de Rijkswet vermeldt de personen wier
Nederlanderschap is ingetrokken.
Artikel 69
Onze Minister neemt een besluit tot intrekking op grond van artikel
14, eerste lid, of tweede lid, van de Rijkswet uiterlijk binnen zestien
weken nadat hij de in het eerste lid van artikel 66 bedoelde mededeling
gedaan heeft.
Artikel 70
1. Nadat Onze Minister op grond van artikel 14, eerste lid, tweede
lid, of van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, van de
Rijkswet een besluit tot intrekking heeft genomen, zendt hij een
afschrift van het besluit aan de personen wier Nederlanderschap is
ingetrokken aan de autoriteit van de plaats waar de personen die het
Nederlanderschap hebben verloren, in de basisadministratie zijn
ingeschreven of in het voorkomende geval aan de Minister van
Buitenlandse Zaken. Indien de intrekking is gebaseerd op artikel 14,
eerste lid, of artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, wordt
tevens een afschrift gezonden aan de autoriteit die de optieverklaring
of het naturalisatieverzoek in ontvangst heeft genomen. Hij zendt, zo
nodig, een afschrift aan andere betrokken instanties. Het tweede,
derde en vierde lid van artikel 66 zijn van overeenkomstige
toepassing.
2. Voorzoveel van toepassing, bevordert de autoriteit die dit
afschrift heeft ontvangen, dat
a. het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap in de
basisadministratie wordt verwerkt;
b. de Nederlandse reisdocumenten die waren uitgereikt aan de
personen die het Nederlanderschap hebben verloren, overeenkomstig
de Paspoortwet worden ingenomen;
c. de betrokkenen worden verwezen naar de Vreemdelingendienst
van de politie;
d. de daarvoor in aanmerking komende akten van de burgerlijke
stand worden gewijzigd.
3. Nadat de Minister van Buitenlandse Zaken in kennis is gesteld
van het besluit tot intrekking bevordert hij dat de handelingen
genoemd in het tweede lid, onder b en d, worden verricht.
Hoofdstuk VI. – Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 71
[Wijzigt het Consulaire besluit]
Artikel 72
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter
uitvoering van dit besluit.
Artikel 73
1. Dit besluit is niet van toepassing op optieverklaringen en
verzoeken om naturalisatie, alsmede op verklaringen van afstand
ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
2. Verklaringen bedoeld als bewijs van het bezit van het
Nederlanderschap te dienen, die zijn afgegeven voor de datum van
inwerkingtreding van dit besluit, worden als zodanig aanvaard, indien
zij zijn verstrekt door een Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse of
Arubaanse autoriteit.
Artikel 74
1. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verkrijging en verlies
Nederlanderschap.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad,
het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en het Afkondigingsblad
van Aruba zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 15 april 2002
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de achtentwintigste mei 2002
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|