|
REGELING van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 13
maart 2003, nr. 5213867/03/6, ter uitvoering van het Besluit verkrijging
en verlies Nederlanderschap, het Besluit optie- en naturalisatiegelden
2002 en het Besluit bewijs omtrent toelating
De Minister voor Vreemdelingenzaken en
Integratie;
Gelet op de artikelen 5, 11, 17, 23, 29, 57,
61, 68 en 71 van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap, de
artikelen 4, vijfde lid, en 8, eerste lid, van het Besluit optie- en
naturalisatiegelden 2002 en artikel 6, eerste lid, van het Besluit
bericht omtrent toelating;
Besluit:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Rijkswet: de Rijkswet op het Nederlanderschap;
b. De Minister: de Minister van Justitie;
c. Uitvoeringsautoriteit: de in artikel 2 van het Besluit
verkrijging en verlies Nederlanderschap genoemde autoriteit of
ambtenaar;
d. Handleiding: Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op
het Nederlanderschap, die van kracht is in het desbetreffende
Rijksdeel.
Artikel 2
Tenzij in deze regeling anders is bepaald, oefent de
uitvoeringsautoriteit de hem in het Besluit verkrijging en verlies
Nederlanderschap, het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 en het
Besluit bericht omtrent toelating opgedragen werkzaamheden uit in
overeenstemming met de Handleiding, alsmede met de nadere instructies
terzake die in het betreffende Rijksdeel gelden. Hoofden van
diplomatieke en consulaire posten oefenen deze werkzaamheden uit in
overeenstemming met de Handleiding en de nadere instructies, die in
Nederland van kracht zijn, met inachtneming van de bijzondere regels die
de Minister van Buitenlandse Zaken daarbij heeft vastgesteld.
Hoofdstuk II. Voorschriften met betrekking tot het Besluit
verkrijging en verlies van het Nederlanderschap
Afdeling I. Inlichtingen omtrent de behandeling van optieverklaringen
en naturalisatieverzoeken
Artikel 3
1. De uitvoeringsautoriteit zendt de in het eerste lid van artikel
12, respectievelijk van artikel 24 en artikel 30 van het Besluit
verkrijging en verlies Nederlanderschap genoemde afschriften van de
door hem ontvangen optieverklaringen, van de in deze artikelen
genoemde documenten en van de bevestigingen van de verkrijging van het
Nederlanderschap aan de Minister op de door het hoofd van de
Immigratie- en Naturalisatiedienst aan te geven wijze. Op het
afschrift van de bevestiging van de verkrijging van het
Nederlanderschap vermeldt de uitvoeringsautoriteit de datum waarop de
bevestiging ingevolge artikel 29, derde lid dan wel artikel 60a
Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap is bekendgemaakt.
2. De uitvoeringsautoriteiten gevestigd op Aruba, Curaçao of Sint
Maarten zenden tevens onverwijld afschriften van de optieverklaringen
en de bevestigingen van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de
Minister van Justitie van Aruba, de Minister van Justitie van Curaçao
of de Minister van Justitie van Sint Maarten op de door deze aan te
geven wijze.
3. De burgemeesters zenden de naturalisatieadviezen bedoeld in het
eerste lid van artikel 37 van het Besluit verkrijging en verlies
Nederlanderschap alsmede van de daarbij behorende documenten aan de
Minister op de door het hoofd van de Immigratie- en
Naturalisatiedienst aan te geven wijze.
4. De uitvoeringsautoriteiten gevestigd op Aruba, Curaçao of Sint
Maarten zenden de naturalisatieadviezen bedoeld in het eerste lid van
artikel 49 van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap
alsmede van de daarbij behorende documenten aan de Minister van
Justitie van Aruba, de Minister van Justitie van Curaçao of de
Minister van Justitie van Sint Maarten.
5. Het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst onderzoekt
regelmatig de wijze van afdoening van de optieverklaringen. De
uitvoeringsautoriteiten verlenen daaraan medewerking.
Afdeling II. Bekendmaking van optiebevestigingen en verleningen van
het Nederlanderschap
Artikel 4
1. De uitvoeringsautoriteit bedoeld in artikel 2, onder c, van het
Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap, bij wie een
optieverklaring wordt ingediend, reikt binnen gerede tijd de
bevestiging van de optieverklaring aan de optant uit of verzenden deze
binnen gerede tijd per post aan de optant.
2. De gezaghebber van het openbaar lichaam bedoeld in artikel 2,
onder b, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap reikt
binnen gerede tijd de bevestiging van de optieverklaring aan de optant
uit of verzendt deze binnen gerede tijd per post aan de optant. Hij
stuurt een afschrift van de bevestiging van de verkrijging van het
Nederlanderschap aan de Minister op de door het hoofd van de
Immigratie- en Naturalisatiedienst aan te geven wijze. Op het
afschrift van de bevestiging van de verkrijging van het
Nederlanderschap vermeldt de gezaghebber de datum waarop de
bevestiging ingevolge artikel 60a Besluit verkrijging en verlies
Nederlanderschap is bekendgemaakt. Tevens vermeldt de gezaghebber
ingevolge artikel 60a, twaalfde lid, van het Besluit verkrijging en
verlies Nederlanderschap of en op welke wijze de verklaring van
verbondenheid is afgelegd.
3. De bevestigingen van optieverklaringen namens een minderjarige
door zijn wettelijke vertegenwoordiger afgelegd, worden verzonden naar
het adres van deze vertegenwoordiger, tenzij sprake is van een
uitreiking op grond van artikel 60a Besluit verkrijging en verlies
Nederlanderschap.
4. Gehele of gedeeltelijke weigering van de optieverklaring maakt
de uitvoeringsautoriteit bedoeld in artikel 2 Besluit verkrijging en
verlies Nederlanderschap bekend door uitreiking in persoon van het
besluit of door toezending daarvan per aangetekende post.
5. De bevestiging wordt opgesteld overeenkomstig het daarvoor
vastgestelde modelformulier en de overige daarvoor door de Minister
gestelde regels betreffende de vormgeving van dit formulier.
Artikel 5
1. De uitvoeringsautoriteit bedoeld in artikel 2, onder a of c, van
het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap die een
optieverklaring heeft bevestigd aan de persoon, die bij hem een
optieverklaring heeft afgelegd, of aan wie de verlening van het
Nederlanderschap aan een persoon, die door zijn tussenkomst is
genaturaliseerd, is medegedeeld, nodigt de betrokken persoon uit voor
een bijeenkomst waarin deze verkrijging of verlening op ceremoniële
wijze wordt gevierd en waarbij de optiebevestiging of het uittreksel
van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt
uitgereikt op de in de artikelen 60a en 60b Besluit verkrijging en
verlies Nederlanderschap voorgeschreven wijze. Uitgenodigd voor de
ceremonie wordt in ieder geval de persoon aan wie een besluit tot
verkrijging of verlening dan wel een besluit tot medeverlening moet
worden uitgereikt.
2. De gezaghebber van het openbaar lichaamnodigt de betrokken
persoon uit voor een bijeenkomst waarin de verkrijging of verlening
van het Nederlanderschap op ceremoniële wijze wordt gevierd en
waarbij de optiebevestiging of het uittreksel van het besluit tot
verlening van het Nederlanderschap wordt uitgereikt op de in de
artikelen 60a of 60b Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap
voorgeschreven wijze. Uitgenodigd voor de ceremonie wordt in ieder
geval de persoon aan wie een besluit tot verkrijging of verlening dan
wel een besluit tot medeverlening moet worden uitgereikt.
3. De in het vorige lid bedoelde ceremoniële bijeenkomst wordt ten
minste op 15 december gehouden. Indien 15 december op een zaterdag of
een zondag valt, vindt de bijeenkomst plaats op de eerstvolgende
werkdag.
4. Burgemeesters van naburige gemeenten kunnen tot een
gemeenschappelijke bijeenkomst beslissen.
5.
a. De uitvoeringsautoriteit bedoeld in artikel 2, onder d
Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap die een
optieverklaring heeft bevestigd aan de persoon, die bij hem een
optieverklaring heeft afgelegd, of aan wie de verlening van het
Nederlanderschap aan een persoon, die door zijn tussenkomst is
genaturaliseerd, is medegedeeld, nodigt in beginsel de betrokken
persoon uit voor een bijeenkomst waarin deze verkrijging of
verlening op ceremoniële wijze wordt gevierd en waarbij de
optiebevestiging of het uittreksel van het besluit tot verlening
van het Nederlanderschap wordt uitgereikt op de in de artikelen
60a en 60b Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap
voorgeschreven wijze.
b. Uitgenodigd voor de ceremonie wordt in ieder geval de
persoon aan wie een besluit tot verkrijging of verlening dan wel
een besluit tot medeverlening moet worden uitgereikt.
c. Indien om zwaarwegende redenen van een voor uitreiking op te
roepen of reeds opgeroepen persoon niet kan worden verwacht dat
deze de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap
dan wel het uittreksel uit het naturalisatiebesluit in persoon
wordt uitgereikt, kan een andere wijze van bekendmaking worden
gekozen. Onder zwaarwegende redenen wordt in ieder geval gerekend
de fysieke of psychische onmogelijkheid te verschijnen; alsmede
een voor de op te roepen persoon af te leggen reisafstand, die in
redelijkheid niet van hem kan worden verlangd.
d. Wegens bijzondere aan de personele omvang van de
diplomatieke of consulaire post gerelateerde omstandigheden kan
het hoofd komen tot een andere wijze van bekendmaking dan
uitreiking in persoon.
e. Een bekendmaking per post geschiedt in beginsel onmiddellijk
na de vaststelling van de optiebevestiging dan wel onmiddellijk na
de ontvangst van het uittreksel van het naturalisatiebesluit doch
uiterlijk binnen één week daarna.
6.
a. Van een ingevolge artikel 60b, achtste lid, Besluit
verkrijging en verlies Nederlanderschap vervallen besluit tot
verlening van het Nederlanderschap zendt de uitvoeringsautoriteit
het uittreksel van het besluit aan het hoofd van de Immigratie- en
Naturalisatiedienst, met de vermelding dat het besluit niet
inwerking is getreden.
b. De uitvoeringsautoriteit laat de onder a. bedoelde inzending
achterwege tot het moment dat over het besluit omtrent de wijze
van bekendmaking van het besluit tot verlening van het
Nederlanderschap onherroepelijk in bezwaar of beroep is beslist.
7. Van een ingevolge artikel 60b, elfde lid, Besluit verkrijging en
verlies Nederlanderschap vervallen besluit tot verlening van het
Nederlanderschap zendt de gezaghebber van het openbaar lichaam het
uittreksel van het besluit aan de Minister, met de vermelding dat het
besluit niet inwerking is getreden.
8. De gezaghebber van het openbaar lichaam laat de in het zevende
lid bedoelde inzending achterwege tot het moment dat over het besluit
omtrent de wijze van bekendmaking van het besluit tot verlening van
het Nederlanderschap onherroepelijk in bezwaar of beroep is beslist.
Afdeling III. Vrijstellingen van de afstandsverplichting
Artikel 6
1.Het doen van afstand als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef
en onder b, van de Rijkswet zal met inachtneming van artikel 9, derde
lid, niet worden verlangd, indien:
a. de verzoeker de nationaliteit bezit van een Staat in wiens
wetgeving de verkrijging van het Nederlanderschap leidt tot het
verlies van die nationaliteit,
b. de verzoeker de nationaliteit bezit van een Staat wiens
wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit
toestaat,
c. de verzoeker eerst na de verkrijging van het
Nederlanderschap afstand kan doen,
d. de verzoeker aantoont, dat hij voor het doen van afstand een
betaling moet doen van zodanige hoogte dat hij daardoor een
substantieel financieel nadeel zal lijden,
e. de verzoeker aantoont, dat hij door het doen van afstand
zodanige vermogensrechtelijke rechten, waaronder erfrechtelijke
aanspraken, die hij thans in het land van oorsprong bezit, zal
verliezen dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal
lijden,
f. de verzoeker aantoont, dat hij slechts afstand van zijn
oorspronkelijke nationaliteit zal kunnen doen nadat hij aldaar
zijn militaire dienstplicht heeft vervuld of deze heeft afgekocht,
g. van de verzoeker niet verlangd kan worden dat hij contact
opneemt met de autoriteiten van de Staat waarvan hij de
nationaliteit bezit,
h. de verzoeker onderdaan is van een Staat die door Nederland
niet wordt erkend.
2.Indien de verzoeker aantoont, dat hij andere bijzondere en
objectief waardeerbare redenen heeft om geen afstand te doen van zijn
oorspronkelijke nationaliteit, dan legt na ontvangst van het
naturalisatieverzoek het hoofd van de Immigratie- en
Naturalisatiedienst die redenen aan de Minister ter beoordeling voor.
3.Bij de bepaling dat een Staat een wetgeving of rechtspraktijk
heeft als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, b en c, wordt
gebruik gemaakt van de in de Handleiding en nadere instructies gegeven
landeninformatie terzake.
4.Indien het betreft een geval als bedoeld in het eerste lid,
aanhef en onder c, dient de verzoeker zich bij zijn verzoek tot
naturalisatie bereid te verklaren om na de totstandkoming van de
naturalisatie het mogelijke te zullen doen om zijn andere
nationaliteit of nationaliteiten te verliezen, tenzij op hem een der
andere in het eerste lid genoemde gevallen van toepassing is.
Afdeling IV. Voorschriften met betrekking tot verlies van het
Nederlanderschap
Artikel 7
1. Het voornemen tot een besluit tot intrekking van het
Nederlanderschap als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de
Rijkswet wordt ter beoordeling voorgelegd door het hoofd van de
Immigratie- en Naturalisatiedienst aan de Minister.
2. Onder rechtstreeks betrokken persoon als bedoeld in artikel 66,
vijfde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap wordt
eveneens verstaan, voor zover zij daarbij een rechtstreeks belang
hebben, degene die met de persoon op wie het voornemen tot intrekking
rechtstreeks betrekking heeft, een duurzame relatie heeft en bij hem
duurzaam inwonend is, als ook de bij deze persoon inwonende
minderjarige stiefkinderen.
Hoofdstuk III. Voorschriften met betrekking tot het Besluit optie- en
naturalisatiegelden 2002
Artikel 8
1.De uitvoeringsautoriteiten bij wie een optieverklaring of
naturalisatieverzoek wordt ingediend, zijn gemandateerd om, voor zover
een wettelijk voorschrift of de aard van de bevoegdheid zich daartegen
niet verzet, namens de Minister alle beslissingen te nemen, stukken af
te doen en brieven te tekenen ten aanzien van de aangelegenheden
voortvloeiend uit de artikelen 2, 3, 4, 5 en 6 van het Besluit optie-
en naturalisatiegelden 2002. Tot deze aangelegenheden wordt tevens
gerekend de buitenbehandelingstelling van een optieverklaring of
naturalisatieverzoek wegens de niet-betaling van de verschuldigde
gelden.
2.De uitvoeringsautoriteiten houden aantekening van de gevallen
waarin ontheffing is verleend.
Artikel 9
De uitvoeringsautoriteit kan van de in het voorgaande artikel
bedoelde bevoegdheden ondermandaat verlenen aan onder hem ressorterende
functionarissen, voor zover dat in overeenstemming is met de aard van de
werkzaamheden van die functionarissen en de aard van de bevoegdheid zich
daartegen niet verzet.
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 13
1.Met uitzondering van de hoofden van de diplomatieke en consulaire
posten dragen de uitvoeringsautoriteiten de in artikel 8, eerste lid,
van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 bedoelde
geldbedragen uiterlijk op de eerste werkdag van de tweede maand na de
dag van inning af door overboeking op een door het hoofd van de
Immigratie- en Naturalisatiedienst aan te geven bankrekening. Hij
meldt de afdrachtplichtige de ontvangst en geeft, na controle van de
juistheid van deze bedragen, daarvan kwijting.
2.De hoofden van de diplomatieke en consulaire posten dragen de in
artikel 8, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden
2002 bedoelde geldbedragen uiterlijk op de eerste werkdag van de
tweede maand na de dag van inning af aan de Minister van Buitenlandse
Zaken ter overboeking op een door het hoofd van de Immigratie- en
Naturalisatiedienst aan te geven bankrekening.
3.Het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst kan op
verzoek van een uitvoeringsautoriteit met hem andere tijdstippen en
perioden van afdracht overeenkomen.
Hoofdstuk IV. Voorschriften met betrekking tot het Besluit bericht
omtrent toelating
Artikel 14
1. Tot het afgeven van berichten omtrent toelating is in het
Europese deel van Nederland alsmede in de openbare lichamen bevoegd
het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
2. Tot het afgeven van berichten omtrent toelating is in Aruba,
Curaçao of Sint Maarten bevoegd de directeur van de met de uitvoering
van de Landsverordening toelating en uitzetting belaste dienst.
3. Een tijdvak van toelating in de Nederlandse Antillen, gelegen
voor inwerkingtreding van de Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de
oprichting van de nieuwe landen, wordt in aanmerking genomen als ware
het toelating in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 15
De uitvoeringautoriteiten dienen verzoeken om een bericht omtrent
toelating in met gebruikmaking van de modelformulieren die daarvoor in
de bijlage bij de Handleiding zijn gegeven.
Slotbepalingen
Artikel 16
De Machtigingsregeling naturalisatie en naturalisatiegelden 1998
vervalt.
Artikel 17
1. Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant,
het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en het Afkondigingsblad
van Aruba geplaatst.
2. Deze regeling treedt, met uitzondering van artikel 12 en artikel
14, derde lid, in werking met ingang van 1 april 2003; artikel 6 is
slechts van toepassing op Nederland en de Nederlandse Antillen.
3. Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling verkrijging en
verlies Nederlanderschap.
Den Haag, 13 maart 2003.
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
H.P.A. Nawijn.
|