Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, in
afwijking van artikel 1, eerste lid, van de wet, verstaan onder
bijwerking: een schadelijke en onbedoelde reactie bij dieren op de
toediening van doses aan diergeneesmiddelen die gewoonlijk worden
gebruikt voor de profylaxe, diagnose of behandeling van een ziekte dan
wel voor het herstellen, verbeteren of wijzigen van een fysiologische
functie.
2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. aquacultuurdier: levende vis die, onderscheidenlijk schaal- of
weekdier dat, bestemd is voor een bedrijf of afkomstig is van een
bedrijf;
b. bijsluiter: informatieblad ten behoeve van de gebruiker, dat het
diergeneesmiddel vergezelt;
c. bijwerking bij de mens: schadelijke en onbedoelde reactie bij
een mens ten gevolge van de blootstelling aan een diergeneesmiddel;
d. buitenverpakking: verpakking waarin de primaire verpakking is of
wordt geplaatst;
e. communautaire maatregel: verordening, richtlijn of beschikking
als bedoeld in artikel 249 van het Verdrag tot oprichting van de
Europese Economische Gemeenschap ter zake van diergeneesmiddelen en de
daarmee verband houdende onderwerpen;
f. derde land: ander land dan een lidstaat;
g. ernstige bijwerking: bijwerking bij dieren die tot de dood
leidt, levensgevaar oplevert dan wel een significante handicap, een
lichamelijke ongeschiktheid, een aangeboren afwijking, een
geboorteafwijking of blijvende of langdurige verschijnselen
veroorzaakt;
h. etiketteren: plaatsen van aanduidingen en vermeldingen op de
verpakking;
i. halffabrikaat met medicinale werking: mengsel van een
voormengsel met medicinale werking en één of meer
diervoedergrondstoffen, dat als zodanig is bestemd voor rechtstreekse
verwerking tot gemedicineerd voeder;
j. homeopathisch diergeneesmiddel: diergeneesmiddel dat
overeenkomstig een homeopathisch fabricageprocédé, beschreven in de
krachtens het Verdrag inzake de samenstelling van een Europese
farmacopee van 22 juli 1964, Trb 1966, nr. 115 samengestelde
Europese farmacopee of, bij afwezigheid daarvan, in een farmacopee die
officieel in een lidstaat wordt gebruikt, wordt verkregen uit
grondstoffen die in de homeopathisch-farmaceutische vakliteratuur
worden aangeduid als homeopathische grondstoffen;
k. in het vrije verkeer brengen: uitvoering van de handelingen die
bij invoer noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van de douanestatus
van communautaire goederen als bedoeld in artikel 4 van verordening
(EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair
douanewetboek (PbEG L 302);
l. landbouwhuisdieren: als huisdier gehouden runderen, varkens,
schapen, geiten, eenhoevigen, pluimvee en tamme konijnen, alsook wilde
dieren van genoemde soorten en wilde herkauwers, voor zover zij op een
bedrijf wordt gehouden;
m. lidstaat: lidstaat van de Europese Unie of andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte;
n. omdoos: verpakking waarin een aantal buitenverpakkingen van
eenzelfde diergeneesmiddel of gemedicineerd voeder zijn of worden
geplaatst;
o. primaire verpakking: recipiënt of enige andere verpakkingsvorm
die rechtstreeks met een diergeneesmiddel of gemedicineerd voeder in
aanraking komt;
p. richtlijn nr. 90/167/EEG: richtlijn nr. 90/167/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 26 maart 1990 tot vaststelling
van de voorwaarden voor de bereiding, het in de handel brengen en het
gebruik van diervoeders met medicinale werking (PbEG L 92);
q. richtlijn nr. 96/23/EG: richtlijn nr. 96/23/EG van de Raad van
de Europese Unie van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten
aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en
in producten daarvan en tot intrekking van de Richtlijnen 85/358/EEG
en 86/469/EEG en de Beschikkingen 89/187/EEG en 91/664/EEG (PbEG L
125);
r. richtlijn nr. 2001/82/EG: richtlijn nr. 2001/82/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 november
2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende
geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG L 311);
s. verordening (EEG) nr. 2377/90: verordening (EEG) nr. 2377/90 van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 houdende
een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor
residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in
levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEG L 224);
t. verordening (EG) nr. 726/2004: verordening (EG) nr. 726/2004 van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van
31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor
het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor
menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een
Europees Geneesmiddelenbureau (PbEU L 136);
u. verpakken: brengen van de verpakking in de toestand waarin deze
in het verkeer zal worden gebracht, in voorkomend geval met inbegrip
van:
1°. het plaatsen van de primaire verpakking in een
buitenverpakking;
2°. het plaatsen van de buitenverpakking in een omdoos;
3°. het etiketteren;
v. verpakking: primaire verpakking, buitenverpakking of omdoos;
w. voormengsel met medicinale werking: diergeneesmiddel dat van
tevoren is bereid om later verwerkt te worden tot gemedicineerd
voeder;
x. wachttermijn: tijd die, overeenkomstig de bij of krachtens de
wet gestelde regels alsmede de gebruiksvoorwaarden die op een
diergeneesmiddel van toepassing zijn, ten minste na de laatste
toediening van dat diergeneesmiddel aan een dier moet verstrijken
alvorens tot productie van levensmiddelen, afkomstig van dat dier, kan
worden overgegaan;
y. wet: Diergeneesmiddelenwet.
3. Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende
bepalingen:
a. worden omhulsels, waarin diergeneesmiddelen aan een dier worden
toegediend, alsmede poederpapier geacht deel uit te maken van het
diergeneesmiddel;
b. wordt onder het bereiden van een diergeneesmiddel of
gemedicineerd voeder tevens verstaan het verrichten van één of meer
deelbewerkingen welke noodzakelijk zijn voor het bereiden, met
inbegrip van het vullen en sluiten van de primaire verpakking van dat
middel, onderscheidenlijk voeder.
Artikel 2
De wijziging van een communautaire maatregel waarnaar in dit besluit
of in regels, gesteld krachtens de wet of dit besluit, wordt verwezen,
gaat voor de toepassing van dit besluit en de regels, gesteld krachtens
de wet of dit besluit, gelden met ingang van de dag waarop aan die
wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit,
dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt
vastgesteld.
Hoofdstuk II. Registratie van diergeneesmiddelen
§ 1. Jaarlijkse retributie
Artikel 3
1. De vergoeding, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de wet,
is jaarlijks verschuldigd met ingang van de dertiende kalendermaand
nadat een aanvraag tot registratie van een diergeneesmiddel is
ingediend.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met
betrekking tot:
a. de hoogte van de vergoeding;
b. de wijze en het tijdstip van betaling van de vergoeding.
§ 2. Gegevensbescherming
Artikel 4
1. In afwijking van artikel 3, vijfde lid, van de wet is het
volgende aanvragers tot registratie van een diergeneesmiddel niet
toegestaan om naar gegevens te verwijzen die door een
registratiehouder van eenzelfde diergeneesmiddel met het oog op de
aanvraag tot registratie van dat middel in een lidstaat zijn verstrekt
zolang nog geen 8 jaar zijn verstreken sinds die eerdere registratie.
2. Een registratie als bedoeld in het eerste lid die aan een
volgende aanvrager wordt verleend gaat niet eerder in dan:
a. 13 jaar na het tijdstip waarop de eerdere registratie is
verleend, ingeval de registratie betrekking heeft op
diergeneesmiddelen die zijn bestemd om te worden toegepast bij bijen
of vissen;
b. 10 jaar na het tijdstip waarop de eerdere registratie is
verleend, behoudens het in het derde lid bepaalde, in overige
gevallen.
3. Ingeval de eerdere registratie binnen de periode van vijf jaar
nadat die is verleend wordt gewijzigd teneinde het aantal diersoorten
waarop de registratie betrekking heeft uit te breiden, wordt de termijn,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, per voedselproducerend diersoort
waarmee de registratie wordt uitgebreid telkens met een jaar verlengd
tot ten hoogste drie jaar, indien aan elk van de volgende voorwaarden is
voldaan:
a. het diergeneesmiddel bevat een nieuwe werkzame stof die op
30 april 2004 nog niet was opgenomen op bijlage I, II, of III bij
verordening (EEG) nr. 2377/90, en
b. de registratiehouder heeft een aanvraag ingediend tot
vaststelling van de maximumwaarden voor residuen van de werkzame stof
in de diersoort waarop de uitbreiding betrekking heeft, overeenkomstig
verordening (EEG) nr. 2377/90.
4. Bij ministeriële regeling kunnen in aanvulling op het tweede
lid, onderdeel a, diersoorten worden aangewezen waarop de termijn,
bedoeld in dat onderdeel, eveneens van toepassing is.
5. Voor de toepassing van dit artikel worden wijzigingen of
uitbreidingen van een registratie, alsmede nieuwe registraties die tot
doel hebben de toepassing van een geregistreerd diergeneesmiddel uit te
breiden tot andere diersoorten of andere concentraties, farmaceutische
vormen, toedieningswijzen of aanbiedingsvormen van dat diergeneesmiddel
mogelijk te maken, geacht onderdeel uit te maken van de oorspronkelijke
registratie.
6. Dit artikel is niet van toepassing ingeval de
registratiehouder schriftelijk heeft verklaard geen bezwaar te hebben
tegen een verwijzen als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 5
Artikel 3, zesde lid, van de wet is niet van toepassing.
§ 3. Duur van de registratie
Artikel 6
1. In afwijking van artikel 6, tweede lid, van de wet wordt de
registratie voor onbepaalde tijd verlengd nadat daartoe door de
registratiehouder een aanvraag op de krachtens artikel 3, tweede lid,
van de wet voorgeschreven wijze is ingediend, tenzij Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport, besluit de registratie eenmaal met vijf jaar te verlengen.
2. In afwijking van artikel 6, tweede lid, van de wet wordt een
registratie die binnen het tijdvak van vijf jaar voor het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit is verlengd, aangemerkt als een
registratie voor onbepaalde tijd.
§ 4. Verval of schorsing van een registratie
Artikel 7
1. De registratie van een diergeneesmiddel dat een substantie
bevat die ingevolge een besluit op grond van artikel 8 of 9, tweede of
derde lid, van verordening (EEG) nr. 2377/90 op bijlage IV bij die
verordening is geplaatst, vervalt van rechtswege op de dag waarop dat
besluit in werking treedt.
2. Het eerste lid is uitsluitend van toepassing voor zover het
diergeneesmiddel waarop de registratie betrekking heeft is bestemd om te
worden toegepast bij voedselproducerende dieren.
Artikel 8
1. De registratie van een diergeneesmiddel dat ter uitvoering
van richtlijn nr. 96/22/EG is aangewezen als substantie als bedoeld in
artikel 5 van de wet, vervalt van rechtswege op de dag waarop die
aanwijzing in werking treedt.
2. De registratie van een diergeneesmiddel dat specifiek is
bestemd om te worden toegepast bij paardachtigen die niet
voedselproducerend zijn, vervalt van rechtswege op de dag dat in
Nederland een registratie of in een andere lidstaat dan Nederland een
vergunning voor het in de handel brengen van een ander diergeneesmiddel
dat tevens is bestemd om eenzelfde aandoening, ziekte,
ziekteverschijnsel, pijn, verwonding of gebrek bij voedselproducerende
paardachtigen te genezen, lenigen of voorkomen, is verleend.
Artikel 9
1. De registratie van een diergeneesmiddel vervalt van
rechtswege indien het diergeneesmiddel gedurende drie opeenvolgende
jaren niet in Nederland in de handel is geweest.
2. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bepalen dat het eerste lid niet van
toepassing is op door hem aangewezen registraties.
Artikel 10
Onverminderd de artikelen 10 en 11 van de wet kan Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
een registratie geheel of gedeeltelijk schorsen dan wel geheel of
gedeeltelijk doorhalen indien een verpakking of bijsluiter niet voldoet
aan de regels, gesteld bij of krachtens hoofdstuk III, paragraaf 4, van
dit besluit.
§ 5. Geneesmiddelenbewaking en wijziging van registratie
Artikel 11
1. De registratiehouder evalueert regelmatig de fabricage- en
controlemethoden, bedoeld in artikel 12, derde lid, onderdelen d en i,
van richtlijn nr. 2001/82/EG, die zijn vermeld in het dossier op grond
waarvan registratie te zijner naam van een diergeneesmiddel is
verleend.
2. De evaluatie, bedoeld in het eerste lid, heeft tot doel
wijzigingen in de fabricage- en controlemethoden aan te brengen die
nodig zijn om te waarborgen dat het diergeneesmiddel volgens algemeen
aanvaarde wetenschappelijke methoden wordt vervaardigd en gecontroleerd.
3. Indien een evaluatie tot een wijziging van de fabricage- of
controlemethoden leidt, neemt de registratiehouder alle maatregelen die
noodzakelijk zijn voor wijziging van de gegevens die dienaangaande zijn
vermeld in het dossier op grond waarvan registratie te zijner naam van
het diergeneesmiddel is verleend.
Artikel 12
1. De registratiehouder houdt aantekening van alle
vermoedelijke bijwerkingen en vermoedelijke bijwerkingen bij de mens
die zich in een lidstaat of in een derde land voordoen.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de wijze van het houden van de aantekening, bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 13
1. De registratiehouder wordt voortdurend en zonder
onderbreking bijgestaan door een voor de geneesmiddelenbewaking
gekwalificeerde en verantwoordelijke persoon.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent de kwalificatie en verantwoordelijkheden van de persoon, bedoeld
in het eerste lid.
Artikel 14
1. De registratiehouder stelt Onze Minister onverwijld doch
uiterlijk binnen 15 dagen in kennis van:
a. alle nieuwe informatie die kan leiden tot wijziging van de
gegevens op grond waarvan registratie te zijner naam van een
diergeneesmiddel is verleend, in het bijzonder:
1°. elk verbod of elke beperking, opgelegd door de bevoegde
instantie van een land waar een vergunning voor het in de handel
brengen als bedoeld in artikel 5 van richtlijn nr. 2001/82/EG is
verleend, met betrekking tot dat diergeneesmiddel;
2°. alle andere nieuwe informatie die op de beoordeling van de
voordelen en risico’s van het gebruik van dat diergeneesmiddel van
invloed kan zijn;
3°. elke vermoedelijke ernstige bijwerking of bijwerking bij de
mens die zich in een lidstaat of in een derde land voordoet en
waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij daarvan op de
hoogte is of waarvan hij in kennis is gesteld;
4°. elke vermoedelijke overdracht via een diergeneesmiddel van
infectieuze stoffen die zich in een derde land voordoet en waarvan
redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij daarvan op de hoogte is
of waarvan hij in kennis is gesteld;
b. elke door hem voorgenomen wijziging van de gegevens op grond
waarvan registratie te zijner naam van een diergeneesmiddel is
verleend.
2. Een dierenarts stelt Onze Minister onverwijld doch uiterlijk
binnen 15 dagen in kennis van elke vermoedelijk ernstige of onverwachte
bijwerking of vermoedelijke bijwerking bij de mens waarvan
redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij daarvan op de hoogte is of
waarvan hij in kennis is gesteld, indien bij de registratie van het door
hem toegepaste diergeneesmiddel dit voorschrift is gesteld.
3. Onze Minister meldt elke ernstige bijwerking die tevens
betrekking heeft op de bescherming van de volksgezondheid, en elke
bijwerking bij de mens aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport, en stelt de daarbij behorende gegevens ter beschikking.
Artikel 15
1. De registratiehouder stelt Onze Minister onverwijld nadat
een diergeneesmiddel is geregistreerd in kennis van de datum waarop
dat middel voor het eerst in Nederland in de handel wordt gebracht.
2. De registratiehouder stelt Onze Minister ten minste twee
maanden voordat een diergeneesmiddel tijdelijk of definitief uit de
handel wordt genomen in kennis van de beslissing daartoe.
3. De registratiehouder verstrekt op verzoek aan Onze Minister of
de ambtenaren, bedoeld in artikel 52 van de wet, alle informatie over
het afzetvolume van een diergeneesmiddel alsmede alle gegevens die hij
in bezit heeft over het aantal voorschriften.
Artikel 16
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent de wijze waarop de informatie, bedoeld in de artikelen 14 en 15,
wordt verstrekt.
Artikel 17
1. Indien een registratiehouder informatie verstrekt aan het
publiek over vraagstukken die verband houden met de
geneesmiddelenbewaking, stelt hij Onze Minister hiervan vooraf of
gelijktijdig in kennis.
2. De informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt objectief
gepresenteerd en is niet misleidend.
Artikel 18
Ingeval een wijziging van de bijlagen bij verordening (EEG) nr.
2377/90 noopt tot wijziging van de gegevens op grond waarvan een
registratie is verleend, dan wel tot intrekking van een registratie,
neemt de registratiehouder binnen zestig dagen na de bekendmaking van
eerstbedoelde wijziging in het Publicatieblad van de Europese Unie alle
maatregelen die noodzakelijk zijn voor die wijziging of intrekking.
§ 6. Uitzonderingen op het verbod om niet-geregistreerde middelen te
gebruiken
Artikel 19
De artikelen 2, eerste lid, en 19 van de wet zijn niet van toepassing
op:
a. homeopathische diergeneesmiddelen die zijn opgenomen in de
lijst, bedoeld in artikel 20, eerste lid;
b. diergeneesmiddelen op basis van radioactieve isotopen;
c. diergeneesmiddelen die aan elk van de volgende voorwaarden
voldoen:
1°. de bepalingen van hoofdstuk IV van de wet zijn niet op die
middelen van toepassing;
2°. zij bevatten geen substanties die zijn aangewezen
krachtens artikel 5 van de wet;
3°. zij zijn uitsluitend bestemd voor toepassing bij de
volgende dieren, die niet zijn bestemd voor consumptie en waarvan
in voorkomend geval de eieren evenmin zijn bestemd voor
consumptie:
– aquariumvissen;
– terrariumdieren;
– vogels, gehouden in kooien of volières;
– postduiven;
– kleine knaagdieren, konijnen en fretten die niet
bedrijfsmatig worden gehouden;
d. halffabrikaten met medicinale werking;
e. entstoffen die zijn bereid met behulp van uit één of meer
dieren geïsoleerde smetstoffen met het oog op de incidentele
toepassing bij datzelfde dier of diezelfde dieren of dieren die
daarmee tezamen worden gehouden;
f. diergeneesmiddelen die uitsluitend substanties, aangewezen
door Onze Minister, als werkzaam bestanddeel bevatten;
g. diergeneesmiddelen die bestemd zijn en uitsluitend worden
gebruikt voor toepassing op niet levend materiaal van dierlijke
herkomst, ter onderkenning van een ziekte of de immunologische
status van dieren.
Artikel 20
1. Onze Minister houdt een lijst van homeopathische
diergeneesmiddelen bij waarop de artikelen 2, eerste lid, en 19 van de
wet niet van toepassing zijn.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met
betrekking tot:
a. de inrichting van die lijst;
b. de wijze waarop kennis kan worden genomen van de in die lijst
opgenomen gegevens.
Artikel 21
1. De vermelding van een diergeneesmiddel op de lijst, bedoeld
in artikel 20, eerste lid, wordt doorgehaald in de volgende gevallen:
a. op verzoek van degene op wiens verzoek het desbetreffende
diergeneesmiddel in die lijst is opgenomen;
b. indien zich een van de volgende gevallen voordoet:
1°. het diergeneesmiddel past niet meer in de veterinaire
homeopathie, onder meer door zijn bereiding en de aanbevolen
toepassingswijze;
2°. het diergeneesmiddel is bij de aanbevolen toepassingswijze
schadelijk voor de gezondheid van mens of dier.
2. De datum van doorhaling wordt niet gesteld op een datum die
vroeger ligt dan zes maanden na de datum waarop het besluit tot
doorhaling is genomen, tenzij een onverwijlde doorhaling naar het
oordeel van Onze Minister noodzakelijk is.
Artikel 22
1. Indien er in Nederland geen diergeneesmiddel beschikbaar is
dat is geregistreerd om een bepaalde aandoening, ziekte,
ziekteverschijnsel, pijn, verwonding of gebrek bij een dier te
genezen, lenigen of voorkomen, is het de dierenarts bij
diergeneeskundige noodzaak toegestaan om, in afwijking van artikel 2,
eerste lid, van de wet, en met inachtneming van de artikelen 23 en 24,
de volgende middelen toe te passen bij een dier en in verband daarmee
in voorraad of voorhanden te hebben:
a. diergeneesmiddelen die zijn geregistreerd om te worden toegepast
bij:
1°. andere diersoorten om een aandoening, ziekte,
ziekteverschijnsel, pijn, verwonding of gebrek bij een dier te
genezen, lenigen of voorkomen, of
2°. dezelfde diersoort om een andere aandoening, ziekte,
ziekteverschijnsel, pijn, verwonding of gebrek bij een dier te
genezen, lenigen of voorkomen;
b. ingeval geen diergeneesmiddelen als bedoeld in onderdeel a
beschikbaar zijn:
1°. geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b,
van de Geneesmiddelenwet, of
2°. diergeneesmiddelen die overeenkomstig richtlijn nr.
2001/82/EG in een lidstaat zijn toegelaten om dezelfde of een andere
aandoening, ziekte, ziekteverschijnsel, pijn, verwonding of gebrek
te genezen, lenigen of voorkomen bij een dier van dezelfde diersoort
of:
– een andere diersoort, ingeval het dier niet
voedselproducerend is;
– een andere voedselproducerende diersoort, ingeval het dier
voedselproducerend is.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een
persoon die onder de directe verantwoordelijkheid van een dierenarts
middelen als bedoeld in het eerste lid toedient.
Artikel 23
1. Een middel als bedoeld in artikel 22 dat wordt toegepast bij
een voedselproducerend dier bevat uitsluitend werkzame stoffen die
zijn opgenomen in bijlage I, II of III bij verordening (EG) nr.
2377/90.
2. Onze Minister kan werkzame stoffen aanwijzen die in afwijking
van het eerste lid aan voedselproducerende paardachtigen mogen worden
toegediend.
Artikel 24
1. Indien bij een voedselproducerend dier een middel als
bedoeld in artikel 22 wordt toegepast, schrijft de dierenarts de
wachttermijn voor die op grond van diergeneeskundige inzichten
noodzakelijk is om te garanderen dat de producten, afkomstig van het
dier, geen residuen bevatten die gevaarlijk zijn voor de consument.
2. De wachttermijn, bedoeld in het eerste lid, is ten minste even
lang als de wachttermijn die met betrekking tot de diersoort waartoe het
dier behoort is aangegeven bij het middel, of, indien geen wachttermijn
is aangegeven, ten minste:
a. 7 dagen voor melk en eieren;
b. 28 dagen voor vlees van pluimvee of zoogdieren, met inbegrip van
vet en slachtafval;
c. 500 graaddagen voor visvlees.
3. In afwijking van het tweede lid, onderdelen a, b en c,
bedraagt de wachttermijn ten minste 0 dagen of graaddagen indien het
middel een homeopathisch diergeneesmiddel is dat uitsluitend de werkzame
bestanddelen bevat die zijn vermeld in bijlage II bij verordening (EG)
nr. 2377/90.
4. Bij ministeriële regeling kunnen wachttermijnen worden
voorgeschreven in afwijking van of in aanvulling op het tweede lid.
Artikel 25
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de dierenarts of de
apotheker Onze Minister informeert over het voorhanden of in voorraad
hebben van diergeneesmiddelen als bedoeld in artikel 22, eerste lid,
onderdeel b, onder 2°. Daarbij kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent de wijze waarop de informatie wordt verstrekt.
Hoofdstuk III. Het bereiden, verpakken, etiketteren en afleveren van
diergeneesmiddelen
§ 1. De vergunning voor het bereiden, verpakken, etiketteren en
afleveren
Artikel 26
Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van communautaire
maatregelen eisen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet
gesteld.
Artikel 27
Het is de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste
lid, van de wet verboden om diergeneesmiddelen te bereiden, te
verpakken, te etiketteren of af te leveren, anders dan met inachtneming
van de eisen, bedoeld in artikel 26.
Artikel 28
De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste lid,
van de wet draagt er zorg voor dat de handelingen, genoemd in die
vergunning, worden verricht overeenkomstig de gegevens op grond waarvan
registratie van een in de vergunning genoemde diergeneesmiddel is
verleend.
Artikel 29
1. De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 21,
eerste lid, van de wet voor het bereiden, verpakken of etiketteren van
een diergeneesmiddel evalueert regelmatig de methoden van bereiding,
verpakking en etikettering.
2. De evaluatie, bedoeld in het eerste lid, heeft tot doel
verbeteringen aan te brengen in de methoden van bereiding, verpakking en
etikettering die nodig zijn om te waarborgen dat het diergeneesmiddel
volgens algemeen aanvaarde wetenschappelijke methoden wordt bereid,
verpakt en geëtiketteerd.
3. Ingeval uit de evaluatie volgt dat een aanpassing van de
gegevens op grond waarvan een registratie van een diergeneesmiddel is
verleend, noodzakelijk is, stelt de vergunninghouder de houder van
voorbedoelde registratie daarvan onverwijld in kennis.
Artikel 30
1. De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 21,
eerste lid, van de wet voor het afleveren van een diergeneesmiddel
stelt Onze Minister onverwijld onder opgaaf van reden in kennis van
elke beslissing die door hem wordt genomen om het afleveren van een
diergeneesmiddel op te schorten of te beperken, indien deze beslissing
betrekking heeft op:
a. de werkzaamheid van het diergeneesmiddel;
b. de bescherming van de volksgezondheid.
2. Indien de beslissing, bedoeld in het eerste lid, is genomen
omwille van de bescherming van de volksgezondheid, stelt de
vergunninghouder tevens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport in kennis van die beslissing.
3. Bij de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, wordt in
voorkomend geval de bestemming van de diergeneesmiddelen aangeduid.
§ 2. Uitzondering op de vergunningplicht
Artikel 31
1. Artikel 21, eerste lid, van de wet is niet van toepassing
op:
a. halffabrikaten met medicinale werking;
b. het afleveren aan houders van dieren van een diergeneesmiddel
dat niet is bestemd om te worden toegepast bij voedselproducerende
dieren.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot het afleveren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
3. De regels, bedoeld in het tweede lid, kunnen onder meer
betrekking hebben op de door degene die aflevert te voeren
administratie, waaruit de voorraad, de productie, de be- of verwerking,
de ontvangst, de herkomst, het afleveren, de vernietiging, de bestemming
en het verbruik van het diergeneesmiddel moet kunnen blijken.
§ 3. Magistrale bereiding
Artikel 32
In afwijking van artikel 2, tweede lid, aanhef in samenhang met
onderdeel a, van de wet is het verboden om een diergeneesmiddel te
bereiden, en dat diergeneesmiddel voorhanden te hebben, af te leveren of
bij dieren toe te passen, tenzij aan elk van de volgende voorwaarden is
voldaan:
a. er is in Nederland geen geregistreerd diergeneesmiddel
beschikbaar, alsmede geen middel beschikbaar op grond van artikel
22, om een aandoening, ziekte, ziekteverschijnsel, pijn, verwonding
of gebrek bij een dier te genezen, lenigen of voorkomen;
b. er is sprake van een diergeneeskundige noodzaak;
c. het diergeneesmiddel bevat, indien het is bestemd om te worden
toegepast bij een voedselproducerend dier, uitsluitend werkzame
stoffen die zijn opgenomen in bijlage I, II of III bij verordening
(EG) nr. 2377/90;
d. ingeval het diergeneesmiddel door een dierenarts wordt bereid,
vindt deze bereiding plaats in een lokaliteit die aan elk van de
voorwaarden, gesteld in artikel 35, voldoet;
e. ingeval van bereiding door een apotheker, wordt het
diergeneesmiddel uitsluitend afgeleverd aan de dierenarts op wiens
recept het middel is bereid;
f. het diergeneesmiddel wordt uitsluitend toegepast door de
dierenarts, of door een persoon die onder zijn directe
verantwoordelijkheid valt;
g. de dierenarts schrijft, overeenkomstig artikel 24, een
wachttermijn voor, indien het diergeneesmiddel bij een
voedselproducerend dier wordt toegepast.
Artikel 33
In afwijking van artikel 2, tweede lid, aanhef in samenhang met
onderdeel a, van de wet is het de dierenarts verboden om een recept voor
de bereiding van een diergeneesmiddel als bedoeld in artikel 2, tweede
lid, onderdeel a, van de wet uit te schrijven of af te geven, tenzij is
voldaan aan de voorwaarden, gesteld in artikel 32, onderdelen a tot en
met d.
Artikel 34
1. Het is verboden om een diergeneesmiddel als bedoeld in
artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van de wet, in voorraad te hebben.
2. Het is de dierenarts verboden om grondstoffen of substanties,
bestemd voor de bereiding van een diergeneesmiddel als bedoeld in
artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van de wet, in voorraad of
voorhanden te hebben in een grotere hoeveelheid dan noodzakelijk voor de
bereiding onder de voorwaarden, gesteld in artikel 32.
Artikel 35
Een lokaliteit als bedoeld in artikel 32, onderdeel d, voldoet aan
elk van de volgende voorwaarden:
a. de lokaliteit is voldoende groot en zodanig ingericht dat
daarin alle handelingen, benodigd voor de bereiding van een
diergeneesmiddel als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a,
van de wet, naar behoren kunnen worden verricht;
b. de lokaliteit is goed onderhouden, schoon, opgeruimd en goed
verlicht;
c. de lokaliteit is voorzien van een zodanige klimaatbeheersing
dat de temperatuur en de vochtigheidsgraad geen ongewenste invloed
uitoefenen op de zich daarin bevindende grondstoffen en
diergeneesmiddelen;
d. de lokaliteit is voorzien van een vlakke, gladde en
ondoorlaatbare vloer, zonder scheuren of open afvoeren.
§ 4. Verpakking en etikettering
Artikel 36
Deze paragraaf is niet van toepassing op halffabrikaten met
medicinale werking.
Artikel 37
1. De verpakking van een diergeneesmiddel voldoet aan elk van
de volgende voorwaarden:
a. zij is bestand tegen elke normale behandeling;
b. de inhoud kan niet ontsnappen, en
c. zij is geschikt om de samenstelling en de zuiverheid van het
daarin verpakte diergeneesmiddel te waarborgen gedurende de aangegeven
houdbaarheidstermijn onder de voorgeschreven of aanbevolen
bewaaromstandigheden.
2. De sluiting van de primaire verpakking en, in voorkomend
geval, van de buitenverpakking is van zodanige aard dat deze niet zonder
zichtbare en onherstelbare beschadiging kan worden geopend.
Artikel 38
Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van communautaire
maatregelen regels gesteld met betrekking tot het etiketteren van
diergeneesmiddelen.
§ 5. Afleververboden
Artikel 39
1. Het is verboden om een diergeneesmiddel af te leveren aan
houders van dieren indien:
a. de houdbaarheidstermijn is verstreken;
b. de aanduidingen op de primaire verpakking en in voorkomend geval
de buitenverpakking of bijsluiter onleesbaar zijn of daarin
wijzigingen zijn aangebracht, of
c. de oorspronkelijke sluiting van de primaire verpakking en in
voorkomend geval de buitenverpakking is verbroken.
2. Het eerste lid, aanhef in samenhang met onderdeel c, is niet
van toepassing ingeval een diergeneesmiddel door een dierenarts of
apotheker wordt afgeleverd, onder voorwaarde dat de oorspronkelijke
sluiting is vervangen door een sluiting welke is voorzien van de naam en
het adres van de betreffende dierenarts of apotheker.
Artikel 40
1. Het is verboden om een diergeneesmiddel af te leveren zonder
verpakking, tenzij aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
a. het diergeneesmiddel wordt afgeleverd aan de houder van een
vergunning als bedoeld in de artikelen 21 of 33 van de wet;
b. bij het diergeneesmiddel is een document gevoegd dat de gegevens
bevat die krachtens artikel 38 op de verpakking van het
diergeneesmiddel moeten worden vermeld.
2. Het is verboden om een diergeneesmiddel af te leveren zonder
buitenverpakking, tenzij alle informatie die krachtens artikel 38 op de
buitenverpakking moet worden geplaatst, is aangebracht op de primaire
verpakking.
3. Het is verboden om een diergeneesmiddel af te leveren zonder
bijsluiter, tenzij alle informatie die krachtens artikel 38 op de
bijsluiter moet worden geplaatst, is aangebracht op de verpakking.
Artikel 41
1. Het is verboden diergeneesmiddelen af te leveren in het
kader van markthandel, handel te water, straathandel, of handel via
Internet, inclusief de vorm van handel waarbij diergeneesmiddelen
worden afgeleverd aan vaste afnemers aan hun woningen en straathandel
waarbij diergeneesmiddelen aan willekeurige gegadigden worden
afgeleverd anders dan op een vaste standplaats.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien aan elk van de
volgende voorwaarden is voldaan:
a. er worden geen diergeneesmiddelen waarop de bepalingen van
hoofdstuk IV van de wet van toepassing zijn afgeleverd;
b. de diergeneesmiddelen worden op de plaats van verkoop duidelijk
gescheiden gehouden van andere producten;
c. de diergeneesmiddelen worden in een dusdanige toestand gehouden
dat de kwaliteit voldoende blijft gewaarborgd.
Artikel 42
1. Het is de dierenarts, de apotheker en, in voorkomende
gevallen, de houder van een vergunning voor het afleveren van
diergeneesmiddelen als bedoeld in artikel 21 van de wet, verboden een
diergeneesmiddel waarop de bepalingen van hoofdstuk IV van de wet van
toepassing zijn af te leveren aan de houders van dieren.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de verpakking is
voorzien van een aanduiding die goed zichtbaar, duidelijk leesbaar en
onuitwisbaar is, en de volgende vermeldingen bevat:
a. het woord «dierenarts», «apotheker» of «vergunninghouder»;
b. de naam en het adres van de betreffende dierenarts, apotheker of
houder van een vergunning voor het afleveren van diergeneesmiddelen
als bedoeld in artikel 21 van de wet, en
c. de datum van afleveren van het diergeneesmiddel.
§ 6. Voorschrift door de dierenarts
Artikel 42a
1. Het recept bevat in ieder geval de volgende informatie:
a. de datum van uitschrijven;
b. de benaming en het registratienummer van het voorgeschreven
diergeneesmiddel;
c. de diersoort waarvoor het middel bestemd is;
d. de af te leveren hoeveelheid;
e. de naam en het adres van de betreffende dierenarts;
f. de naam van de ontvanger en het adres of uniek bedrijfsnummer
van de locatie waar de dieren, waarvoor het recept bedoeld is,
gehouden worden;
g. in voorkomend geval, de in acht te nemen wachttermijn en
h. de handtekening van de betreffende dierenarts.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent de inhoud van recepten en het uitschrijven en afgeven daarvan,
alsmede omtrent het voorschrijven van diergeneesmiddelen door
dierenartsen.
Hoofdstuk IV. Invoer, uitvoer en doorvoer van diergeneesmiddelen
Artikel 43
1. Het is verboden diergeneesmiddelen, afkomstig van een derde
land, in Nederland in het vrije verkeer te brengen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien degene die het
diergeneesmiddel in het vrije verkeer brengt beschikt over een
vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet voor het bereiden van
dat diergeneesmiddel.
Artikel 44
1. Het is verboden diergeneesmiddelen, afkomstig van een derde
land, die in Nederland in het vrije verkeer zijn gebracht, door te
voeren naar een lidstaat.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien bij de
diergeneesmiddelen een bewijsstuk is gevoegd waaruit blijkt dat degene
die de middelen doorvoert beschikt over een vergunning als bedoeld in
artikel 43, tweede lid.
Artikel 45
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over
de invoer, uitvoer en doorvoer van diergeneesmiddelen. Daarbij kan onder
meer worden bepaald dat degene die diergeneesmiddelen invoert de
registratiehouder of Onze Minister daarvan op de hoogte stelt.
Hoofdstuk V. Verboden stoffen
Artikel 46
1. Het is verboden een door Onze Minister, in overeenstemming
met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, aangewezen
substantie aan landbouwhuisdieren of aquacultuurdieren toe te dienen.
2. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bepalen onder welke omstandigheden
een substantie als bedoeld in het eerste lid, in afwijking van het
eerste lid aan landbouwhuisdieren of aquacultuurdieren mag worden
toegediend.
3. In afwijking van artikel 2, tweede lid, aanhef in samenhang
met onderdeel b, van de wet is het verboden om een substantie als
bedoeld in het eerste lid die wordt doorgevoerd of bestemd is voor
uitvoer te bereiden, voorhanden of in voorraad te hebben en af te
leveren.
Artikel 47
1. Onze Minister schorst de vergunning, bedoeld in artikel 21,
eerste lid, van de wet voor het bereiden, en in voorkomend geval
verpakken of etiketteren, van een diergeneesmiddel geheel of
gedeeltelijk gedurende een door hem te bepalen periode, indien de
houder van die vergunning een diergeneesmiddel dat, onderscheidenlijk
een substantie die krachtens een communautaire maatregel niet aan
landbouwhuisdieren of aquacultuurdieren mag worden toegediend heeft
bereid dan wel voorhanden of in voorraad heeft of heeft gehad.
2. Onze Minister trekt de vergunning, bedoeld in het eerste lid,
definitief in indien de houder van die vergunning voor een tweede keer
een diergeneesmiddel dat, onderscheidenlijk een substantie die krachtens
een communautaire maatregel niet aan landbouwhuisdieren of
aquacultuurdieren mag worden toegediend heeft bereid dan wel voorhanden
of in voorraad heeft of heeft gehad.
Artikel 48
De artikelen 46, derde lid, en 47 zijn niet van toepassing ingeval
het diergeneesmiddel of de substantie, bedoeld in die artikelen,
aantoonbaar is bestemd voor een andere toepassing dan de toediening aan
landbouwhuisdieren of aquacultuurdieren in een lidstaat.
Hoofdstuk VI. Halffabrikaten met medicinale werking en gemedicineerd
voeder
§ 1. De vergunning voor het bereiden, verpakken, etiketteren en
afleveren
Artikel 49
Het bestuur van het Productschap Diervoeder stelt bij verordening
eisen aan de vergunning, bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de wet.
Artikel 50
Degene die halffabrikaten met medicinale werking bereidt, verpakt,
etiketteert of aflevert beschikt over een vergunning als bedoeld in
artikel 33, eerste lid, van de wet.
§ 2. Bepalingen met betrekking tot halffabrikaten met medicinale
werking
Artikel 51
1. Het is verboden om een halffabrikaat met medicinale werking
te bereiden uit een voormengsel met medicinale werking dat niet is
geregistreerd.
2. Het is verboden om een halffabrikaat met medicinale werking te
bereiden uit meer dan één voormengsel met medicinale werking.
Artikel 52
1. Bij de verwerking van een voormengsel met medicinale werking
tot een halffabrikaat met medicinale werking worden de voorschriften
in acht genomen over die verwerking zoals vastgesteld bij de
registratie van dat voormengsel.
2. Een halffabrikaat met medicinale werking wordt op zodanige
wijze bereid dat het daarin verwerkte voormengsel met medicinale werking
zijn werkzaamheid behoudt.
Artikel 53
1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat degene die
halffabrikaten met medicinale werking bereidt daarvan opgave doet
overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels.
2. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen in elk geval
betrekking hebbenop de bij de opgave te vermelden gegevens, de
frequentie van opgave en degene aan wie opgave wordt gedaan.
Artikel 54
De verpakking van een halffabrikaat met medicinale werking voldoet
aan elk van de volgende voorwaarden:
a. zij is van een zodanige aard en kwaliteit dat:
1°. zij is bestand tegen elke normale behandeling;
2°. niets van de inhoud kan ontsnappen;
3°. zij is geschikt om de samenstelling en de zuiverheid van
het daarin verpakte halffabrikaat te waarborgen gedurende de
aangegeven houdbaarheidstermijn onder de voorgeschreven of
aanbevolen bewaaromstandigheden;
b. de sluiting is van zodanige aard dat deze niet zonder
zichtbare en onherstelbare beschadiging kan worden geopend.
Artikel 55
1. Op of aan de verpakking van een halffabrikaat met medicinale
werking, of in voorkomend geval de bijsluiter daarbij, komen de
volgende aanduidingen en vermeldingen voor:
a. het gewicht van het halffabrikaat;
b. de naam, het registratienummer en de hoeveelheid werkzame stof
van het voormengsel met medicinale werking dat in het halffabrikaat is
verwerkt;
c. de voorschriften inzake de verwerking van het voormengsel met
medicinale werking in het gemedicineerde voeder zoals vastgesteld bij
de registratie van dat voormengsel;
d. dat het halffabrikaat niet als zodanig aan dieren mag worden
toegediend maar uitsluitend via gemedicineerd voeder;
e. de in acht te nemen veiligheidsmaatregelen;
f. de uiterste gebruiksdatum, rekening houdend met het voormengsel
met medicinale werking in het halffabrikaat.
2. Indien een halffabrikaat met medicinale werking onverpakt
wordt afgeleverd, worden de aanduidingen en vermeldingen in afwijking
van het eerste lid op een het halffabrikaat begeleidend document
geplaatst.
Artikel 56
1. De aanduidingen en vermeldingen, bedoeld in artikel 55,
voldoen aan elk van de volgende voorwaarden:
a. zij zijn gesteld in de Nederlandse taal of, ingeval een
halffabrikaat met medicinale werking is bestemd voor uitvoer, in de
taal van het land van bestemming;
b. zij zijn goed leesbaar en onuitwisbaar.
2. Andere aanduidingen en vermeldingen dan die bedoeld in het
eerste lid kunnen uitsluitend op of bij de verpakking, onderscheidenlijk
het bij een partij behorend begeleidend document, worden geplaatst voor
zover zij:
a. niet in strijd zijn met de voorgeschreven aanduidingen of
vermeldingen;
b. niet misleidend zijn ten aanzien van de aard, samenstelling,
eigenschappen en toepassingswijze van het halffabrikaat met medicinale
werking.
Artikel 57
1. Het is verboden om halffabrikaten met medicinale werking af
te leveren.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het afleveren van
halffabrikaten met medicinale werking aan:
a. houders van een vergunning als bedoeld in artikel 33, eerste
lid, van de wet voor het bereiden van gemedicineerde voeders;
b. afnemers in andere landen dan lidstaten.
Artikel 58
Voormengsels met medicinale werking of halffabrikaten met medicinale
werking worden bewaard in afgesloten ruimten of in naar categorie
hermetisch afgesloten recipiënten, die speciaal zijn ontworpen voor het
bewaren van deze producten.
Artikel 59
Vervoer van een halffabrikaat met medicinale werking in bulk vindt
plaats in transportmiddelen of containers die op zodanige wijze zijn
gereinigd, dat ongewenste wisselwerking met of besmetting van een later
daarmee te vervoeren halffabrikaat met medicinale werking of
gemedicineerd voeder wordt voorkomen.
Artikel 60
1. Met halffabrikaten met medicinale werking als bedoeld in dit
besluit worden gelijkgesteld halffabrikaten met medicinale werking die
rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een
andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn
vervaardigd in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese
Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe
strekkend verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die
een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het
niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
2. De aanduidingen op of aan de verpakking van halffabrikaten met
medicinale werking, bedoeld in het eerste lid, of in voorkomend geval de
bijsluiter daarbij, zijn gesteld in de Nederlandse taal.
§ 3. Bepalingen met betrekking tot gemedicineerd voeder
Artikel 61
Het is verboden om gemedicineerd voeder te bereiden uit meer dan
één voormengsel met medicinale werking of halffabrikaat met medicinale
werking.
Artikel 62
1. Gemedicineerd voeder wordt op zodanige wijze bereid dat aan
elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de voorschriften inzake de verwerking van het voormengsel met
medicinale werking in het gemedicineerde voeder zoals vastgesteld bij
de registratie van dat voormengsel, zijn in acht genomen;
b. het daarin gebruikte diervoeder en het daarin verwerkte
voormengsel met medicinale werking of halffabrikaat met medicinale
werking zijn vermengd tot een homogeen en stabiel product ontstaat;
c. het daarin verwerkte voormengsel met medicinale werking of
halffabrikaat met medicinale werking heeft zijn werkzaamheid behouden;
d. een ongewenste wisselwerking tussen de daarin verwerkte
diergeneesmiddelen, toevoegingsmiddelen en diervoeders is uitgesloten;
e. het gemedicineerde voeder is ten minste houdbaar gedurende het
tijdvak dat het is voorgeschreven.
2. Ingeval in het gemedicineerde voeder een voormengsel met
medicinale werking of halffabrikaat met medicinale werking wordt
gebruikt dat antibiotica of coccidiostatica bevat, bevat het voor de
bereiding van het gemedicineerde voeder te gebruiken diervoeder niet
dezelfde antibiotica of coccidiostatica.
Artikel 63
1. Op of bij de verpakking van gemedicineerd voeder dat wordt
afgeleverd komen de aanduidingen of vermeldingen voor die bij de
registratie van het zich daarin bevindende voormengsel met medicinale
werking zijn voorgeschreven, alsmede de woorden «gemedicineerd
voeder».
2. Indien gemedicineerd voeder onverpakt wordt afgeleverd, worden
de aanduidingen en vermeldingen in afwijking van het eerste lid op een
het gemedicineerd voeder begeleidend document geplaatst.
Artikel 64
1. Aan de houder van voedselproducerende dieren wordt geen
gemedicineerd voeder afgeleverd in een grotere hoeveelheid dan is
voorgeschreven in het recept dat voor de behandeling van de betrokken
dieren is afgegeven door een dierenarts.
2. Onverminderd het eerste lid wordt geen grotere hoeveelheid aan
gemedicineerd voeder afgeleverd dan benodigd voor de behandeling van de
in het recept aangewezen dieren gedurende één maand.
Artikel 65
1. Het is verboden om gemedicineerd voeder waarvoor een
wachttermijn geldt af te leveren aan degene die bedrijfsmatig dieren
houdt, zonder daarbij schriftelijk de noodzakelijke gegevens te
verstrekken omtrent dat gemedicineerde voeder.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden
gesteld met betrekking tot het verstrekken van de gegevens, bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 66
1. Het is degene die bedrijfsmatig dieren houdt verboden
gemedicineerd voeder aan dieren te vervoederen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de houder van de
dieren in het bezit is van:
a. een bewijsstuk waaruit blijkt dat het gemedicineerde voeder
afkomstig is van een houder van een vergunning als bedoeld in artikel
33 van de wet, of
b. een verklaring als bedoeld in artikel 67, tweede lid, onderdeel
c, van dit besluit of een afschrift daarvan.
Artikel 67
1. Het is verboden om gemedicineerd voeder, waarin een niet in
Nederland geregistreerd voormengsel met medicinale werking is
verwerkt, uit een lidstaat in te voeren en voorhanden of in voorraad
te hebben.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien aan elk van de
volgende voorwaarden is voldaan:
a. het gemedicineerde voeder is bereid in een lidstaat,
overeenkomstig de voorschriften van richtlijn nr. 90/167/EEG;
b. het in dat gemedicineerde voeder verwerkte voormengsel met
medicinale werking:
1°. is geregistreerd in de lidstaat, bedoeld in onderdeel a;
2°. bevat dezelfde werkzame stoffen als een in Nederland
geregistreerd voormengsel met medicinale werking en bezit een
soortgelijke kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling als dat
voormengsel;
c. de zending gaat vergezeld van een volledig ingevulde verklaring
als bedoeld in artikel 10, derde lid, van richtlijn nr. 90/167/EEG,
die is afgegeven door de bevoegde instantie van de lidstaat waarvan
het gemedicineerde voeder afkomstig is.
Artikel 68
De bepalingen met betrekking tot halffabrikaten met medicinale
werking, neergelegd in de artikelen 54, 58 en 59, zijn van
overeenkomstige toepassing op gemedicineerde voeders.
§ 4. Voorschrift door de dierenarts
Artikel 69
1. Het is een dierenarts verboden om gemedicineerd voeder voor
te schrijven:
a. dat is bereid met een voormengsel met medicinale werking dat
niet is geregistreerd, tenzij het voormengsel dezelfde werkzame
stoffen bevat als een in Nederland geregistreerd voormengsel met
medicinale werking en een soortgelijke kwalitatieve en kwantitatieve
samenstelling als dat voormengsel bezit;
b. dat is bereid met een diergeneesmiddel waarvan verwerking tot
een voormengsel met medicinale werking niet bij registratie van dat
middel is toegestaan;
c. anders dan met inachtneming van de bij de registratie van het
daarin verwerkte dan wel te verwerken diergeneesmiddel gegeven
voorschriften;
d. in een hoeveelheid die groter is dan nodig voor de behandeling,
ingevolge de door hem gestelde diagnose;
e. dat als werkzame stof hetzelfde antibioticum of coccidiostaticum
bevat dat gewoonlijk als toevoegingsmiddel is verwerkt in het
diervoeder dat de houder van de dieren waarvoor de hulp van de
dierenarts is ingeroepen aan deze dieren vervoedert.
2. Het is de dierenarts verboden om gemedicineerd voeder waarvoor
een wachttermijn geldt voor te schrijven aan degene die bedrijfsmatig
dieren houdt, zonder daarbij schriftelijk de noodzakelijke gegevens te
verstrekken omtrent dat gemedicineerde voeder.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden
gesteld met betrekking tot het verstrekken van de gegevens, bedoeld in
het tweede lid.
Artikel 70
1. Het is de dierenarts verboden om een recept af te geven voor
het afleveren van gemedicineerd voeder:
a. dat niet voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde regels
met betrekking tot het model van het recept en de daarop te vermelden
gegevens;
b. zonder voorafgaande diagnose met betrekking tot de dieren
waarvoor het gemedicineerde voeder is bestemd;
c. met een geldigheidsduur van meer dan drie maanden;
d. voor meer dan één behandeling.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot het recept, bedoeld in het eerste lid.
3. De regels, bedoeld in het tweede lid, kunnen in elk geval
betrekking hebben op het aantal afschriften van het recept en de
bewaring daarvan.
§ 5. Medebewind
Artikel 71
Het bestuur van het Productschap Diervoeder stelt bij verordening
regels dan wel nadere regels met betrekking tot:
a. de bereiding van gemedicineerd voeder, bedoeld in artikel 62,
eerste lid, aanhef in samenhang met onderdeel a;
b. het bewaren van gemedicineerd voeder op een wijze dat aan de
eigenschappen en de samenstelling daarvan geen afbreuk wordt gedaan;
c. het etiketteren van gemedicineerd voeder.
Artikel 72
Het bestuur van het Productschap Diervoeder kan bij verordening
regels stellen met betrekking tot het voorhanden en in voorraad hebben
van gemedicineerde voeders op een bedrijfseenheid waar gewoonlijk
bedrijfsmatig dieren worden gehouden.
Hoofdstuk VII. Overige bepalingen
§ 1. Controles door houders van vergunningen
Artikel 73
1. Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van
communautaire maatregelen regels als bedoeld in artikel 39, eerste en
tweede lid, van de wet gesteld.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels met betrekking tot de
controle van de administratie, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de
wet worden gesteld.
§ 2. Administratieverplichtingen
Artikel 74
In aanvulling op artikel 40, eerste lid, van de wet kan bij
ministeriële regeling worden bepaald dat uit de administratie, bedoeld
in dat artikellid, tevens blijkt op welke datum dieren zijn onderzocht
en behandeld, hun aantal, de diagnose, de aard en hoeveelheid van
toegepaste diergeneesmiddelen, de duur van de behandeling en
voorgeschreven wachttermijnen, alsmede wie de houder van die dieren is.
§ 3. Regels over het gebruik van diergeneesmiddelen in een
proefstadium
Artikel 75
1. Het is toegestaan om een diergeneesmiddel in afwijking van
de artikelen 2, eerste lid, en 21, eerste lid, van de wet te bereiden,
te verpakken, te etiketteren, voorhanden of in voorraad te hebben, af
te leveren en bij dieren toe te passen, indien aan elk van de volgende
voorwaarden is voldaan:
a. het diergeneesmiddel verkeert als zodanig dan wel voor wat
betreft een uitbreiding van de toepassingsmogelijkheden kennelijk in
een proefstadium;
b. Onze Minister heeft voor de proefneming toestemming verleend op
aanvraag;
c. de dieren waarbij het diergeneesmiddel wordt toegepast worden
niet gebruikt voor de productie van levensmiddelen, tenzij dit naar
het oordeel van Onze Minister geen ongunstige gevolgen heeft voor de
diergezondheid, de menselijke gezondheid of het milieu.
2. Onze Minister kan toestemming verlenen om in afwijking van
artikel 32 van de wet bij de bereiding van gemedicineerd voeder gebruik
te maken van het diergeneesmiddel waarop een proefneming als bedoeld in
het eerste lid betrekking heeft. Op dat gemedicineerde voeder is het
eerste lid, onderdeel c, van overeenkomstige toepassing.
3. Aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en
tweede lid, kunnen voorwaarden worden verbonden.
Artikel 76
1. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent het
indienen van een aanvraag om toestemming als bedoeld in artikel 75,
eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, de verlenging of wijziging
daarvan alsmede omtrent de wijze van behandeling.
2. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen onder meer
betrekking hebben op de gegevens en bescheiden die moeten worden
overgelegd alvorens een aanvraag in behandeling wordt genomen.
§ 4. Monsterneming en analyse
Artikel 77
De ambtenaren, bedoeld in artikel 52 van de wet, zijn bevoegd om van
landbouwhuisdieren monsters te nemen van lichaamsvloeistoffen en
uitscheidingsproducten, alsmede om van aquacultuurdieren en het
vangstwater monsters te nemen.
Artikel 78
Op een monster dat op grond van artikel 77 is genomen zijn de
artikelen 56 en 57 van de wet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 79
1. Indien in een monster, afkomstig van een landbouwhuisdier,
aquacultuurdier of vangstwater, dan wel van een product, afkomstig van
die dieren, residuen van diergeneesmiddelen of substanties die
krachtens een communautaire maatregel niet aan landbouwhuisdieren of
aquacultuurdieren mogen worden toegediend worden aangetroffen, worden
de kosten van onderzoeken als bedoeld in artikel 16 van richtlijn nr.
96/23/EG in rekening gebracht bij de eigenaar of de houder van de
bemonsterde dieren dan wel van de dieren waarvan de bemonsterde
producten afkomstig zijn.
2. Onze Minister kan regels stellen omtrent de aard van de in het
eerste lid bedoelde kosten, de hoogte van die kosten, het verschuldigd
worden van die kosten en de wijze waarop die kosten in rekening worden
gebracht.
Artikel 80
Indien de uitkomst van de analyse van een monster wordt aangevochten,
wordt die analyse op kosten van ongelijk bevestigd door het nationale
referentielaboratorium dat overeenkomstig artikel 14, eerste lid, van
richtlijn nr. 96/23/EG voor de analyse van het residu of de substantie
in het monster is aangewezen.
§ 5. Reclame
Artikel 81
Onverminderd artikel 19 van de wet is het verboden om een
diergeneesmiddel aan te bevelen of aan te prijzen aan het publiek
ingeval dat diergeneesmiddel aan een van de volgende voorwaarden
voldoet:
a. het mag uitsluitend op recept van een dierenarts worden
verstrekt;
b. het bevat psychotrope stoffen of verdovende middelen als
bedoeld in lijst I en II bij de Opiumwet.
§ 6. Bepalingen ter uitvoering van Europese verordeningen
Artikel 82
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 38,
vierde lid, 41, 47, derde alinea, 48, 49, eerste, tweede, derde en
vijfde lid, van verordening (EG) nr. 726/2004.
2. Onze Minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel
39, zevende lid, van verordening (EG) nr. 726/2004 alsmede de bevoegde
nationale instantie, bedoeld in artikel 47, derde alinea, van
verordening (EG) nr. 726/2004.
§ 7. Betrokkenheid andere Ministers
Artikel 83
1. Een regeling als bedoeld in de artikelen 12, tweede lid, 13,
tweede lid, 16, 25, 26, 31, tweede lid, 38, 45, 65, tweede lid, 70,
eerste lid, onderdeel a, 70, tweede lid, en 76, eerste lid, wordt
vastgesteld door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en na overleg met Onze Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
2. Een regeling als bedoeld in de artikelen 4, vierde lid, 20,
tweede lid, 23, tweede lid, 24, vierde lid, 53, eerste lid, en 73,
eerste lid, wordt vastgesteld door Onze Minister in overeenstemming met
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
§ 8. Overgangsbepalingen
Artikel 84
1. Artikel 4 is niet van toepassing indien een aanvrager tot
registratie van een diergeneesmiddel naar gegevens verwijst die door
een registratiehouder van eenzelfde diergeneesmiddel met het oog op de
aanvraag tot registratie van dat middel in een lidstaat zijn verstrekt
vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
2. Een verwijzen als bedoeld in het eerste lid is verboden zolang
nog geen 10 jaar zijn verstreken sinds de eerdere registratie, tenzij de
eerdere aanvrager schriftelijk heeft verklaard tegen een dergelijk
verwijzen geen bezwaar te hebben.
Artikel 85
Een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet voor het
afleveren van een diergeneesmiddel die is verleend ten behoeve van de
invoer van dat diergeneesmiddel, wordt voor de toepassing van artikel 43
gelijkgesteld met een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet
voor het bereiden van dat diergeneesmiddel.
Artikel 86
1. Op een diergeneesmiddel als bedoeld in artikel 58, tweede
lid, van de wet is hoofdstuk III, paragraaf 4, van dit besluit niet
van toepassing tot het tijdstip waarop de beslissing op de aanvraag
tot registratie van dat middel onherroepelijk is geworden.
2. Voor zolang de beslissing, bedoeld in het eerste lid, niet
onherroepelijk is, is het slechts toegestaan om een diergeneesmiddel als
bedoeld in artikel 58, tweede lid, van de wet af te leveren indien op de
verpakking van het diergeneesmiddel of een het diergeneesmiddel
begeleidend document, ingeval het diergeneesmiddel onverpakt is, ten
minste de volgende aanduidingen zijn geplaatst:
a. de naam van het diergeneesmiddel;
b. de naam of de handelsnaam en het adres van degene die voor het
in de handel brengen van het diergeneesmiddel in Nederland
verantwoordelijk is;
c. de naam van de werkzame stof of stoffen in het diergeneesmiddel;
d. één van de volgende vermeldingen: diergeneesmiddel, voor
diergeneeskundig gebruik, ad usum veterinarium of ad. us. vet.
Artikel 87
1. De grondslag voor ontheffingen, verleend op grond van
artikel 27, zesde lid, van het Eisen- en controlebesluit vergunningen
diergeneesmiddelen 1993, is met ingang van de datum van
inwerkingtreding van dit besluit artikel 45, eerste lid, van de wet.
2. De grondslag voor verordeningen, vastgesteld door het bestuur
van het Productschap Diervoeder op grond van artikel 1 van het
koninklijk besluit van 30 juli 1993, houdende het in medebewind
geven van het stellen van eisen ter zake de vergunningverlening ex
artikel 33 van de Diergeneesmiddelenwet (Stb. 567), is met ingang van de
datum van inwerkingtreding van dit besluit artikel 49.
3. De grondslagen voor verordeningen, vastgesteld door het
bestuur van het Productschap Diervoeder op grond van de artikelen 7, 8,
12, 19 en 20 van het Besluit gemedicineerd voeder, zijn met ingang van
de datum van inwerkingtreding van dit besluit de artikelen 71 en 72.
§ 9. Intrekking van andere besluiten
Artikel 88
De volgende besluiten worden ingetrokken:
a. het koninklijk besluit van 28 juni 1988, houdende regelen
betreffende de monsterneming bij vee (Stb. 369);
b. het koninklijk besluit van 30 juli 1993, houdende het in
medebewind geven van het stellen van eisen ter zake de
vergunningverlening ex artikel 33 van de Diergeneesmiddelenwet (Stb.
567);
c. het Besluit gemedicineerd voeder;
d. het Besluit jaarlijkse registratievergoeding;
e. het Besluit registratie en bijwerkingen 1999;
f. het Besluit uitzondering vergunningplicht diergeneesmiddelen;
g. het Besluit uitzonderingen registratieregime
diergeneesmiddelen;
h. het Besluit verboden stoffen Diergeneesmiddelenwet;
i. het Besluit verpakking en etikettering diergeneesmiddelen;
j. het Besluit voorschriften voor magistrale bereiding, ambulante
handel en aflevering van diergeneesmiddelen;
k. het Eisen- en controlebesluit vergunningen diergeneesmiddelen
1993;
l. het Residubesluit diergeneesmiddelen.
Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
Artikel 89
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 90
Dit besluit wordt aangehaald als: Diergeneesmiddelenbesluit.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 18 oktober 2005
BEATRIX
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.P. Veerman
Uitgegeven de twaalfde januari 2006
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner