| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Diergeneesmiddelenwet
DIERGENEESMIDDELENREGELING
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit van 15 december 2005, nr. TRCJZ/2005/3760, houdende
regelen inzake diergeneesmiddelen
De Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en na overleg met de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op: Richtlijn nr. 90/167/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 26 maart 1990 tot vaststelling van de
voorwaarden voor de bereiding, het in de handel brengen en het gebruik
van diervoeders met medicinale werking (PbEG L 92); Richtlijn nr.
91/412/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 23 juli
1991 tot vastlegging van beginselen en richtsnoeren inzake goede
praktijken bij het vervaardigen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig
gebruik (PbEG L 228); Richtlijn nr. 96/22/EG van de Raad van de
Europese Unie van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik,
in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van
bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van β-agonisten
en tot intrekking van de Richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en
88/299/EEG (PbEG L 125); Richtlijn nr. 96/23/EG van de Raad van
de Europese Unie van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten
aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in
producten daarvan en tot intrekking van de Richtlijnen 85/358/EEG en
86/469/EEG en de Beschikkingen 89/187/EEG en 91/664/EEG (PbEG L
125); Richtlijn nr. 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 6 november 2001 tot vaststelling van een
communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig
gebruik (PbEG L 311);
Gelet op de artikelen 14, 15, 27, tweede, 29,
eerste lid, 30, tweede en vierde lid, 31, eerste lid, 35, tweede lid,
40, eerste, tweede, derde en vierde lid, 44, 45, 52, eerste lid, 57,
eerste lid, 58, derde lid, van de Diergeneesmiddelenwet, de artikelen
15, 19, 27 en 28 van de Landbouwwet en de artikelen 3, tweede lid, 12,
tweede lid, 13, tweede lid, 16, 26, 31, tweede lid, 38, 45, 53, eerste
lid, 64, tweede lid, 68, derde lid, 69, tweede en derde lid, 72, 75, 78,
tweede lid, van het Diergeneesmiddelenbesluit;
Besluit:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze regeling wordt verstaan
onder:
a. besluit:
Diergeneesmiddelenbesluit;
b. minister: Minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit;
c. Bureau: Agentschap ten behoeve
van het College ter beoordeling van geneesmiddelen, bedoeld in
artikel 29 van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, Bureau
diergeneesmiddelen;
d. Commissie: Commissie registratie
diergeneesmiddelen, bedoeld in artikel 2;
e. richtlijn nr. nr. 91/412/EEG:
richtlijn nr. 91/412/EEG van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 23 juli 1991 tot vastlegging van beginselen en
richtsnoeren inzake goede praktijken bij het vervaardigen van
geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG L 228);
f. antimicrobiële
diergeneesmiddelen: diergeneesmiddelen, niet zijnde sera of
entstoffen, die substanties bevatten die al dan niet na omzetting,
in staat zijn in een dier de vermeerdering van micro-organismen of
virussen te verhinderen bij een concentratie van 10 microgram/ml
of lager, of die in staat zijn de groei van een cultuur van
micro-organismen of virussen tegen te gaan bij een concentratie
van 5 microgram/ml of lager;
g. resistentie-inducerende
diergeneesmiddelen: diergeneesmiddelen die een blijvende
resistentie kunnen induceren bij voordien voor dat
diergeneesmiddel gevoelige pathogene micro-organismen, virussen,
inwendige parasieten of uitwendige parasieten;
h. hormoonpreparaten:
diergeneesmiddelen die geheel of gedeeltelijk bestaan uit één of
meer substanties die al dan niet na omzetting in het lichaam in
een dier een fysiologisch gelijksoortige of tegengestelde werking
uitoefenen als een of meer natuurlijke hormonen of die bestemd
zijn om de werking van hormonen of endocriene organen rechtstreeks
te beïnvloeden, zonder effect te hebben op de immuniteit van een
dier;
i. immunologische
diergeneesmiddelen: diergeneesmiddelen, niet zijnde sera of
entstoffen, die aan dieren worden toegediend om actieve of
passieve immuniteit tot stand te brengen of de mate van immuniteit
te bepalen;
j. partijprotocol: document
opgesteld door de bereider ter zake van een bepaalde partij van
een diergeneesmiddel waarop het verloop en de technische en
wetenschappelijke resultaten van de bij de registratie
voorgeschreven controles zijn vermeld of, indien het product is
ingevoerd uit een land niet behorend tot een der lidstaten van de
Europese Gemeenschap, het verloop en de technische en
wetenschappelijke resultaten van de controles, bedoeld in artikel
43 van het besluit;
k. partijvrijgifte-document:
document opgesteld door de bereider ter zake van een bepaalde
partij van een diergeneesmiddel waarop zijn vermeld de naam en het
registratienummer van het middel, het nummer van de desbetreffende
partij, de partijgrootte alsmede een verklaring van de voor
controle verantwoordelijke persoon dat de partij aan de gestelde
eisen aangaande productie en controle voldoet;
l. partijvrijgiftecertificaat:
document afgegeven door het Bureau op grond waarvan de
desbetreffende partij in de handel mag worden gebracht;
m. experimentele keuring: een
zuiverheids- en onschadelijkheidstest met betrekking tot een
bepaalde partij van een voor het eerst in de handel gebracht
serum, entstof of biologisch diagnosticum;
n. verordening (EG) nr. 1234/2008:
verordening (EG) nr. 1234/2008 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 24 november 2008 betreffende het onderzoek van
wijzigingen in de voorwaarden van vergunningen voor het in de
handel brengen van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en
geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEU L 334);
o. kleine wijziging van de eerste
categorie: kleine wijziging van type IA als bedoeld in artikel 2
van en bijlage II, onderdeel 1, bij verordening (EG) nr.
1234/2008;
p. kleine wijziging van de tweede
categorie: kleine wijziging van type IB als bedoeld in artikel 2
van verordening (EG) nr. 1234/2008;
q. ingrijpende wijziging:
ingrijpende wijziging van type II als bedoeld in artikel 2 van en
bijlage II, onderdeel 2, bij verordening (EG) nr. 1234/2008;
r. lidstaat: lidstaat van de
Europese Unie of andere staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte;
s. richtlijn nr. 96/22/EG:
richtlijn nr. 96/22/EG van de Raad van de Europese Unie van 29
april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de
veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van
bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van
bèta-agonisten en tot intrekking van de richtlijnen 81/602/EEG,
88/146/EEG en 88/299/EEG (PbEG L 125);
t. richtlijn nr. 2006/130/EG:
richtlijn nr. 2006/130/EG van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 11 december 2006 tot uitvoering van Richtlijn
nr. 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft
de vaststelling van criteria voor de vrijstelling van het vereiste
van een voorschrift van een dierenarts voor het verstrekken van
bepaalde geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik ten behoeve
van voor de productie van levensmiddelen bestemde dieren (PbEG
L349/15);
u. verordening (EG) nr. 1950/2006:
verordening (EG) nr. 1950/2006 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 13 december 2006 tot vaststelling,
overeenkomstig Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en
de Raad tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende
geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik van een lijst van
stoffen die essentieel zijn voor de behandeling van paardachtigen
(PbEG L367);
v. verordening (EG) nr. 504/2008:
verordening (EG) nr. 504/2008 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 6 juni 2008 ter uitvoering van de richtlijnen
90/426/EEG en 90/427/EEG van de Raad wat betreft methoden voor de
identificatie van paardachtigen (PbEU L 149);
w. verordening (EEG) nr. 2377/90:
verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 26 juni 1990 houdende een communautaire
procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van
geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van
dierlijke oorsprong (PbEG L 224);
x. verordening (EG) nr. 470/2009:
verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 6 mei 2009 tot vaststelling van
communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden
voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in
levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van
Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van
Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van
Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de
Raad (PbEU L 152/11).
2. Onder een gewaarmerkt afschrift
wordt mede verstaan een elektronisch verschaft afschrift waaruit de
authenticiteit van het origineel genoegzaam blijkt.
3. Deze regeling berust mede op artikel
42a, tweede lid, van het Diergeneesmiddelenbesluit.
Hoofdstuk II. Bepalingen met betrekking
tot de hoedanigheid van diergeneesmiddelen
§ 1. Commissie registratie
diergeneesmiddelen
Artikel 2
1.Er is een Commissie registratie
diergeneesmiddelen.
2.De Commissie adviseert de minister
omtrent de registratie van diergeneesmiddelen, alsmede omtrent de
verlenging, wijziging, schorsing, opheffing van de schorsing of
doorhaling van een registratie.
3.De minister benoemt en ontslaat de
leden van de Commissie.
4.De Commissie bestaat uit zeven leden.
Artikel 3
Het onderzoek dat nodig is met het oog op
de voorbereiding van de adviezen van de Commissie wordt op haar verzoek
verricht door:
a. het Rijkskwaliteitsinstituut voor
land- en tuinbouwproducten;
b. het Rijksinstituut voor
Volksgezondheid en Milieuhygiëne;
c. het Centraal Veterinair Instituut.
§ 2. Aanvraag tot registratie van een
diergeneesmiddel
Artikel 4
1.Een aanvraag tot registratie van een
diergeneesmiddel wordt ingediend bij het Bureau.
2.Een aanvraag wordt ingediend door een
in een lidstaat gevestigd persoon.
Artikel 5
1.Een aanvraag als bedoeld in artikel 4
bestaat uit een dossier waarvan het aanvraagformulier deel uitmaakt.
2.Aanvraagformulieren als bedoeld in
het eerste lid zijn op aanvraag verkrijgbaar bij het Bureau.
3.Het dossier van een aanvraag tot
registratie van een diergeneesmiddel bevat de gegevens en bescheiden
als bedoeld in artikel 12, derde lid, van richtlijn nr. 2001/82/EG in
samenhang met bijlage I bij richtlijn 2001/82/EG.
4.Indien het Bureau vaststelt dat een
aanvraag tot registratie van eenzelfde diergeneesmiddel al in een
andere lidstaat in behandeling is, weigert het de aanvraag te
beoordelen en stelt het de aanvrager ervan in kennis dat artikel 11 op
deze aanvraag van toepassing is.
5.Indien het Bureau ervan in kennis
wordt gesteld dat in een andere lidstaat registratie voor een
diergeneesmiddel is verleend, waarvoor een aanvraag tot registratie is
ingediend, wijst het de aanvraag in afwijking van artikel 4:5, eerste
lid, en 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht af indien deze niet
overeenkomstig de procedure van artikel 11 is ingediend.
Artikel 6
In afwijking van artikel 5, derde lid,
behoeft het dossier van een aanvraag tot registratie van een
diergeneesmiddel geen resultaten van onschadelijkheids- en residuproeven
of van de preklinische of klinische proeven als bedoeld in artikel 12,
derde lid, onderdeel j, van richtlijn nr. 2001/82/EG te bevatten, indien
de aanvrager van een registratie van een diergeneesmiddel kan aantonen:
a. dat het diergeneesmiddel in wezen
gelijk is aan een diergeneesmiddel dat reeds is geregistreerd dan
wel in voorkomend geval geregistreerd is of is geweest in een
lidstaat of
b. door middel van een
wetenschappelijke bibliografie dat de werkzame stoffen van het
diergeneesmiddel ten minste 10 jaar zonder problemen in de Europese
Unie zijn gebruikt en dat de werkzame stoffen een erkende
werkzaamheid alsmede een aanvaardbaar veiligheidsniveau bieden
overeenkomstig bijlage I bij richtlijn nr. 2001/82/EG.
Artikel 7
In afwijking van artikel 5, derde lid,
behoeft het dossier geen wetenschappelijke bescheiden voor elke werkzame
stof afzonderlijk te bevatten indien een diergeneesmiddel werkzame
stoffen bevat die al zijn opgenomen in een geregistreerd
diergeneesmiddel, maar niet eerder met therapeutisch oogmerk zijn
samengevoegd.
Artikel 8
In afwijking van artikel 5, derde lid,
behoeft het dossier bij een aanvraag tot registratie van een
immunologisch diergeneesmiddel, serum of entstof geen resultaten van
veldproeven bij de beoogde diersoort te bevatten indien de aanvrager kan
aantonen dat deze veldproeven niet kunnen worden uitgevoerd.
Artikel 9
In afwijking van artikel 5, derde lid,
behoeft het dossier van een aanvraag tot registratie van een
homeopathisch diergeneesmiddel geen resultaten van
onschadelijkheidsproeven, preklinische en klinische proeven, als bedoeld
in artikel 12, derde lid, onderdeel j, van richtlijn nr. 2001/82/EG te
bevatten indien de aanvrager kan aantonen dat:
a. de aanvraag een homeopathisch
diergeneesmiddel betreft, dat is bestemd voor gezelschapsdieren of
exotische diersoorten waarvan het vlees of de producten niet voor
menselijke consumptie worden gebruikt, en
b. door middel van een gedetailleerde
wetenschappelijke documentatie afgestemd op de homeopathische
veterinaire geneeskunde, dat de doeltreffendheid ervan vaststaat en
het veiligheidsniveau aanvaardbaar is.
Artikel 10
1.In afwijking van artikel 5, derde
lid, hoeft een aanvraag tot registratie van een homeopathisch
diergeneesmiddel slechts vergezeld te gaan van de bescheiden, bedoeld
in artikel 18 van richtlijn nr. 2001/82/EG, indien de aanvrager kan
aantonen dat de aanvraag tot registratie voldoet aan elk van de
voorwaarden, bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdelen a tot en
met c, van richtlijn nr. 2001/82/EG.
2.Een aanvraag als bedoeld in het
eerste lid kan betrekking hebben op een reeks diergeneesmiddelen die
van dezelfde homeopathische grondstof of grondstoffen zijn afgeleid.
Artikel 11
1.In aanvulling op artikel 5, eerste
lid, verzoekt de aanvrager van een registratie van een
diergeneesmiddel als bedoeld in artikel 32 van richtlijn nr.
2001/82/EG een lidstaat:
a. op te treden als
referentielidstaat,
b. ingeval van een aanvraag tot
registratie als bedoeld in artikel 32, tweede lid, van richtlijn
nr. 2001/82/EG een beoordelingsrapport over het betreffende
diergeneesmiddel op te stellen dan wel het bestaande
beoordelingsrapport bij te werken binnen 90 dagen na ontvangst van
de aanvraag of,
c. ingeval van een aanvraag tot
registratie als bedoeld in artikel 32, derde lid, van richtlijn
nr. 2001/82/EG een beoordelingsrapport over het betreffende
diergeneesmiddel op te stellen binnen 120 dagen na ontvangst van
een aanvraag.
2.De aanvrager van een registratie van
een diergeneesmiddel als bedoeld in artikel 32 van richtlijn nr.
2001/82/EG verklaart bij het indienen van de aanvraag dat het
ingediende dossier in alle lidstaten geheel gelijk is.
3.In afwijking van artikel 13, eerste
lid, wordt een besluit omtrent registratie van een diergeneesmiddel
als bedoeld in artikel 32, tweede lid, en 32, derde lid, van richtlijn
nr. 2001/82/EG genomen binnen respectievelijk 90 en 210 dagen na
ontvangst van het beoordelingsrapport, de samenvatting van
productkenmerken, de etikettering en de bijsluiter.
4.In afwijking van het derde lid en van
artikel 13, eerste lid wordt de beslistermijn verlengd tot 30 dagen na
afronding van de procedures, bedoeld in de artikelen 33 tot en met 38
van richtlijn nr. 2001/82/EG.
5.Dit artikel is niet van toepassing op
een aanvraag tot registratie van een homeopathisch diergeneesmiddel
als bedoeld in artikel 9.
Artikel 12
De aanvrager van een registratie van een
diergeneesmiddel houdt één of meer monsters van het betrokken
diergeneesmiddel, van de werkzame stof of stoffen, dan wel, in
voorkomend geval, van de tussenproducten of van andere bestanddelen ten
behoeve van de beoordeling van het diergeneesmiddel beschikbaar, welke
monsters binnen vijf weken op verzoek van het Bureau worden gezonden.
§ 3. Verlenen van een registratie van
een diergeneesmiddel
Artikel 13
1.Een besluit omtrent registratie van
een diergeneesmiddel wordt genomen binnen 210 dagen na ontvangst van
de aanvraag.
2.Indien registratie wordt verleend,
deelt het Bureau aan de aanvrager het volgende mee:
a. de samenvatting van de
productkenmerken als bedoeld in artikel 14 van richtlijn nr.
2001/82/EG;
b. de aanduidingen met betrekking
tot de etikettering;
c. de aanduidingen met betrekking
tot de bijsluiter.
3.Het Bureau stelt een
beoordelingsrapport als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van
richtlijn nr. 2001/82/EG op.
4.Het beoordelingsrapport wordt
bijgewerkt zodra nieuwe gegevens beschikbaar komen die voor de
beoordeling van de kwaliteit, de veiligheid of de werkzaamheid van het
betreffende diergeneesmiddel van belang zijn.
5.Het beoordelingsrapport, met
weglating van alle vertrouwelijke commerciële informatie, de
samenvatting van de productkenmerken en de registratie zijn op
aanvraag verkrijgbaar bij het Bureau.
Artikel 14
1.In afwijking van artikel 13, eerste
lid, wordt een besluit omtrent registratie van een diergeneesmiddel
genomen binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag indien het
diergeneesmiddel waarop de aanvraag tot registratie betrekking heeft:
a. is betrokken uit een andere
lidstaat, en
b. gelijk of nagenoeg gelijk is aan
een diergeneesmiddel waarvoor een registratie is verleend.
2.Indien de aanvraag, bedoeld in het
eerste lid, betrekking heeft op een in Nederland octrooirechtelijk of
door middel van een aanvullend beschermingscertificaat beschermd
geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik dat wordt betrokken uit
Bulgarije, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië,
Slovenië, Slowakije, Tsjechië en daarvoor ten tijde van de
registratie van het octrooi of het aanvullende beschermingscertificaat
in de desbetreffende nieuwe lidstaat niet een dergelijke bescherming
kon worden verkregen, wordt bij de aanvraag tevens overgelegd een
afschrift van de schriftelijke kennisgeving aan de houder van het
octrooi of het aanvullende beschermingscertificaat of de begunstigde
van die bescherming met betrekking tot het referentiegeneesmiddel
waaruit blijkt dat de kennisgeving is gedaan ten minste een maand voor
de dag waarop de aanvraag is ingediend.
3.Indien de registratie, bedoeld in het
eerste lid, wordt verleend, stelt de registratiehouder de houder van
de oorspronkelijke registratie hiervan onverwijld in kennis.
§ 4. Verlenging van een registratie
Artikel 15
1.De aanvraag tot verlenging van een
registratie wordt ten minste 6 maanden voor het verstrijken van de
termijn waarvoor de registratie geldt, ingediend bij het Bureau.
2.Op een aanvraag tot verlenging van
een registratie zijn paragraaf 2 en artikel 13 van overeenkomstige
toepassing.
§ 5. Wijziging van een registratie
Artikel 15a
Voor de toepassing van deze paragraaf
wordt de minister aangewezen als de bevoegde instantie als bedoeld in
artikel 2, onderdeel 7, onder a, van verordening (EG) nr. 1234/2008,
voor zover Nederland is aan te merken als betrokken lidstaat als bedoeld
in dat artikel.
Artikel 16
1. Een kennisgeving van een kleine
wijziging van de eerste categorie, een aanvraag tot een kleine
wijziging van de tweede categorie onderscheidenlijk een aanvraag tot
een ingrijpende wijziging wordt bij het Bureau ingediend.
2. Indien een kennisgeving of een
aanvraag als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op
verscheidene wijzigingen, wordt de kennisgeving of aanvraag ingediend
met inachtneming van artikel 7 van verordening (EG) nr. 1234/2008.
3. De in het eerste lid bedoelde
kennisgeving onderscheidenlijk een aanvraag als bedoeld in dat lid
bevat de elementen, bedoeld in de onderdelen 2, 3 en 4 van Bijlage IV
bij verordening (EG) nr. 1234/2008.
Artikel 17
1. Een kennisgeving van een kleine
wijziging van de eerste categorie wordt ingediend binnen twaalf
maanden na de uitvoering van de wijziging. Artikel 8, eerste lid,
tweede alinea, van verordening (EG) nr. 1234/2008 is van
overeenkomstige toepassing.
2. Een besluit omtrent de in het eerste
lid bedoelde wijziging wordt binnen 30 dagen na ontvangst van de in
het eerste lid bedoelde kennisgeving genomen.
3. Indien het besluit niet binnen de in
het tweede lid bedoelde termijn wordt genomen, wordt de registratie
van rechtswege gewijzigd overeenkomstig de kennisgeving, bedoeld in
artikel 16, eerste lid.
Artikel 18
1. Een besluit omtrent een kleine
wijziging van de tweede categorie wordt genomen binnen 30 dagen nadat
de ontvangst van de aanvraag, bedoeld inartikel 16, eerste lid, is
bevestigd.
2. In afwijking van artikel 4:5, eerste
lid, van de Algemeen wet bestuursrecht kan een aanvrager gedurende 30
dagen in de gelegenheid worden gesteld om een aanvraag aan te vullen,
ingeval niet is voldaan aan de eisen, gesteld in artikel 16, of de bij
de aanvraag verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de
beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van het besluit.
3. Indien een aanvrager in de
gelegenheid als bedoeld in het tweede lid wordt gesteld, wordt een
besluit in afwijking van het eerste lid genomen binnen 30 dagen na
ontvangst van de aanvullingen.
4. Indien het Bureau niet voldoet aan
het eerste of derde lid, wordt de registratie van rechtswege gewijzigd
overeenkomstig de aanvraag bedoeld in artikel 16, eerste lid.
Artikel 19
1. Een besluit omtrent een ingrijpende
wijziging wordt binnen de volgende termijn genomen:
a. 90 dagen nadat door het Bureau
de ontvangst van de aanvraag is bevestigd aan de aanvrager,
ingeval het een wijziging betreft als vermeld in bijlage V bij
verordening (EG) nr. 1234/2008;
b. 60 dagen nadat door het Bureau
de ontvangst van een aanvraag daartoe is bevestigd aan de
aanvrager in andere gevallen.
2. In afwijking van artikel 4:5, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een aanvrager gedurende zes
maanden in de gelegenheid worden gesteld om een aanvraag aan te
vullen, ingeval niet is voldaan aan de eisen, gesteld in artikel 16,
of de bij de aanvraag verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende
zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van
het besluit.
3. Indien een aanvrager in een
gelegenheid als bedoeld in het tweede lid wordt gesteld, wordt een
besluit in afwijking van het eerste lid genomen binnen 210 dagen nadat
door het Bureau de ontvangst van aanvullingen op de aanvraag is
bevestigd.
Artikel 20
Deartikelen 16, 17, 18 en 19 zijn
uitsluitend van toepassing op een wijziging ten aanzien van een
registratie die noch via enige procedure in richtlijn 2001/82/EG, noch
via enige procedure in verordening (EG) nr. 726/2004 is verleend.
Artikel 21
1. Bij een kleine wijziging van de
eerste categorie ten aanzien van een registratie die via de procedure,
bedoeld in artikel 32 van richtlijn 2001/82/EG, in Nederland is
verleend of in een volgende lidstaat is erkend, geschiedt de wijziging
overeenkomstig de procedure, bedoeld in artikel 8 van verordening (EG)
nr. 1234/2008, in samenhang met artikel 11 van deze verordening en
bijlage IV bij deze verordening.
2. Voor de toepassing van het eerste
lid wordt aangewezen:
a. als bevoegde instantie als
bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef, van verordening (EG)
nr. 1234/2008: de minister, indien Nederland referentielidstaat is
als bedoeld in dat artikel;
b. als toepasselijk nationaal
voorschrift als bedoeld in onderdeel 6 van bijlage IV bij
verordening (EG) nr. 1234/2008: artikel 106c, eerste lid,
onderdelen h en i, en tweede lid.
Artikel 22
1. Bij een kleine wijziging van de
tweede categorie ten aanzien van een registratie die via de procedure,
bedoeld in artikel 32 van richtlijn 2001/82/EG, in Nederland is
verleend of in een volgende lidstaat is erkend, geschiedt de
wijziging:
(i) overeenkomstig de procedure,
bedoeld in artikel 9 van verordening (EG) nr. 1234/2008, in
samenhang met artikel 11 van deze verordening en bijlage IV bij
deze verordening,
of, voor zover van toepassing,
(ii) overeenkomstig de procedure,
bedoeld in artikel 20 van verordening (EG) nr. 1234/2008, in
samenhang met bijlagen IV en V bij deze verordening.
2. Voor de toepassing van het eerste
lid wordt aangewezen:
a. als bevoegde instantie als
bedoeld in artikel 9, eerste lid, tweede alinea, tweede lid,
eerste en tweede alinea, derde lid, eerste alinea, en vierde lid,
en artikel 11, eerste lid, aanhef, van verordening (EG) nr.
1234/2008: de minister, indien Nederland referentielidstaat is als
bedoeld in dat artikel;
b. als toepasselijk nationaal
voorschrift als bedoeld in onderdeel 6 van bijlage IV bij
verordening (EG) nr. 1234/2008 is aangewezen: artikel 106b,
onderdeel e, artikel 106c, eerste lid, onderdelen e en f.
Artikel 23
1. Bij een ingrijpende wijziging ten
aanzien van een registratie die via de procedure, bedoeld in artikel
32 van richtlijn 2001/82/EG, in Nederland is verleend of in een
volgende lidstaat is erkend, geschiedt de wijziging:
(i) overeenkomstig de procedure,
bedoeld in artikel 10 van verordening (EG) nr. 1234/2008 in
samenhang met artikel 11 van deze verordening en bijlage IV bij
deze verordening,
of, voor zover van toepassing,
(ii) overeenkomstig de procedure,
bedoeld in artikel 20 van verordening (EG) nr. 1234/2008, in
samenhang met bijlagen IV en V bij deze verordening.
2. Voor de toepassing van het eerste
lid wordt aangewezen:
a. als bevoegde instantie als
bedoeld in artikel 10, eerste lid, tweede lid, eerste en tweede
alinea, derde lid, aanhef en onder a en c, en vierde lid, en
artikel 11, eerste lid, aanhef, van verordening (EG) nr.
1234/2008: de minister, indien Nederland referentielidstaat is als
bedoeld in het betreffende artikel;
b. als toepasselijk nationaal
voorschrift als bedoeld in onderdeel 6 van bijlage IV bij
verordening (EG) nr. 1234/2008 is aangewezen: artikel 106b,
onderdelen b en c,artikel 106c, eerste lid, onderdelen b en c.
Artikel 23a
Indien een kennisgeving of een aanvraag
van een wijziging als bedoeld in deartikelen 21, 22 onderscheidenlijk 23
betrekking heeft op verscheidene wijzigingen, wordt de kennisgeving
gedaan of de aanvraag ingediend met inachtneming van artikel 7 van
verordening (EG) nr. 1234/2008.
Artikel 23b
1. Als bevoegde instantie als bedoeld
in artikel 5, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1234/2008 wordt
aangewezen: de minister.
2. Als bevoegde instantie als bedoeld
in artikel 7, tweede lid, onderdeel b, artikel 24, tweede lid,
onderdeel a, derde lid, onderdeel a, en vijfde lid, tweede alinea, van
verordening (EG) nr. 1234/2008 wordt aangewezen: de minister, indien
Nederland referentielidstaat is als bedoeld in het betreffende
artikel.
3. Het is verboden in strijd te
handelen met de artikelen 22, 24, eerste lid, tweede alinea, en 25 van
verordening (EG) nr. 1234/2008.
§ 6. Verzoek om werkzaamheden ten
behoeve van een goede uitvoering van het onderzoek
Artikel 24
Het Bureau kan schriftelijk worden
verzocht om werkzaamheden te verrichten ten behoeve van een goede
uitvoering van het onderzoek, bedoeld in artikel 3, tweede lid,
onderdeel b, van de wet.
§ 7. Register
Artikel 25
1.Het register, bedoeld in artikel 9
van de wet, berust bij en wordt bijgehouden door het Bureau.
2.In het register worden in voorkomend
geval ter zake het betrokken diergeneesmiddel onder vermelding van de
datum aangetekend:
a. de schorsing van een
inschrijving;
b. de opheffing van een schorsing;
c. de doorhaling van een
inschrijving;
d. de wijziging van een
inschrijving;
e. de verlenging van een
inschrijving.
3.Vanaf de datum waarop een
inschrijving van een diergeneesmiddel in het register is doorgehaald
of vervallen worden de op dat diergeneesmiddel betrekking hebbende
gegevens uit het register nog ten minste 10 jaar bewaard.
§ 8. Registratieverboden
Artikel 26
Een diergeneesmiddel dat een substantie
bevat ten aanzien waarvan een monografie is opgenomen in de krachtens
het Verdrag inzake de samenstelling van een Europese farmacopee van 22
juli 1964, Trb 1966, nr. 115 samengestelde Europese farmacopee, wordt
alleen geregistreerd indien de substantie voldoet aan de in de
desbetreffende monografie gegeven specificaties ten aanzien van de
kwaliteit.
Artikel 27
Als substanties als bedoeld in artikel 4,
onderdeel d, van de wet worden aangewezen smetstoffen die brucellosis
melitensis, brucellosis suis, brucellosis bang of rundertuberculose
kunnen veroorzaken.
Artikel 28
1. Als substanties als bedoeld in
artikel 5 van de wet worden aangewezen:
a. substanties die niet zijn
opgenomen in bijlage I, II of III bij verordening (EEG) nr.
2377/90 of, indien en voor zover de in artikel 27, eerste lid, van
verordening (EG) nr. 470/2009 bedoelde verordening in werking is
getreden en de bijlagen bij verordening (EEG) nr. 2377/90 niet
langer van toepassing zijn, substanties die niet in een lijst zijn
ingedeeld overeenkomstig artikel 14, tweede lid, onderdeel a, b of
c, van verordening (EG) nr. 470/2009;
b. somatropines;
c. entstoffen voor honden en katten
die een niet-geïnactiveerd hondsdolheidvirus bevatten;
d. de stoffen bedoeld in artikel 2
van Richtlijn nr. 96/22/EG, tenzij toediening van deze stoffen is
toegestaan op grond van artikel 4, onderdeel 2, van Richtlijn nr.
96/22/EG;
e. substanties die ingevolge
artikel 46 van het besluit niet aan landbouwhuisdieren of
aquacultuurdieren mogen worden toegediend;
f. substanties die specifiek
bestemd zijn om te worden toegepast bij paardachtigen die niet
voedselproducerend zijn, wanneer reeds een registratie is verleend
voor een ander diergeneesmiddel dat tevens is bestemd om eenzelfde
aandoening, ziekte, ziekteverschijnsel pijn, verwonding of gebrek
bij voedselproducerende paarden te genezen, lenigen of voorkomen.
2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, heeft uitsluitend betrekking op de in dat onderdeel
bedoelde substanties, voor zoverhet desbetreffende diergeneesmiddel is
bestemd of mede is bestemd om bij voedselproducerende dieren te worden
toegepast.
§ 9. Uitzondering op het verbod om
niet-geregistreerde middelen te gebruiken
Artikel 29
Als substanties als bedoeld in artikel
19, onderdeel f, van het besluit worden aangewezen de in bijlage I bij
de regeling opgenomen substanties.
Artikel 30
1.De lijst van homeopathische
diergeneesmiddelen, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van het
besluit, berust bij en wordt bijgehouden door de minister.
2.De lijst van homeopathische
diergeneesmiddelen, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van het besluit
is de Lijst van homeopathische diergeneesmiddelen 1993, bedoeld in
artikel 2, eerste lid, van het Besluit uitzonderingen
registratieregime diergeneesmiddelen, zoals die gold voor
inwerkingtreding van deze regeling.
§ 10. Geneesmiddelenbewaking
Artikel 31
Een persoon als bedoeld in artikel 13,
eerste lid, van het besluit is belast met:
a. de totstandbrenging en het beheer
van een systeem dat waarborgt dat gegevens over alle vermoedelijke
bijwerkingen, die aan het personeel van de onderneming, waaronder
het verkooppersoneel en de artsenbezoekers worden gemeld, bij het
Europees Geneesmiddelenbureau worden vermeld, geordend en
toegankelijk gemaakt;
b. het opstellen van een verslag van
alle vermoedelijke bijwerkingen en vermoedelijke bijwerkingen bij de
mens die zich in een lidstaat of in een derde land voordoen,
overeenkomstig de bepalingen van de richtsnoeren, bedoeld in artikel
77, eerste lid, van richtlijn nr. 2001/82/EG;
c. de taak ervoor te zorgen dat aan
elk verzoek van de minister om verstrekking van de nodige
aanvullende gegevens voor de beoordeling van de aan een
diergeneesmiddel verbonden voordelen en risico's snel en volledig
wordt voldaan, met inbegrip van gegevens over het afzetvolume van of
het aantal recepten voor het betrokken diergeneesmiddel;
d. de verstrekking aan de minister
van alle andere informatie die relevant is voor de beoordeling van
de baten en risico's van een diergeneesmiddel, met inbegrip van
relevante informatie over veiligheidsonderzoek na toelating.
Artikel 32
1.De registratiehouder bewaart de
verslagen, bedoeld in artikel 31, onderdeel b, ten minste vijf jaar.
2.De verslagen, bedoeld in het eerste
lid, bevatten in elk geval de meldingen voortkomend uit het systeem,
bedoeld in artikel 31, onderdeel a, en gaan vergezeld van een
wetenschappelijke beoordeling van de baten en de risico's van het
diergeneesmiddel.
3.De registratiehouder overlegt de in
het eerste lid bedoelde verslagen aan het Bureau:
a. op een eerste daartoe strekkend
verzoek van de minister;
b. ten minste eenmaal per zes
maanden, vanaf de registratie van het diergeneesmiddel waarop de
verslagen betrekking hebben totdat het diergeneesmiddel voor het
eerst in de handel wordt gebracht;
c. ten minste eenmaal per zes
maanden, gedurende de eerste twee jaar na het voor het eerst in de
handel brengen van het diergeneesmiddel waarop de verslagen
betrekking hebbben;
d. ten minste eenmaal per jaar in
het derde en vierde jaar na het voor het eerst in de handel
brengen van het diergeneesmiddel waarop de verslagen betrekking
hebben;
e. ten minste eenmaal per drie
jaar, vanaf het vijfde jaar na het voor het eerst in de handel
brengen van het diergeneesmiddel waarop de verslagen betrekking
hebben.
4.In aanvulling op het derde lid
overlegt de registratiehouder de verslagen bij de aanvraag voor
verlenging van de registratie van het betreffende diergeneesmiddel aan
het Bureau.
§ 11. Vrijstelling diergeneesmiddelen
voor EEG-dierenartsen
Artikel 33
Van het verbod, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, van de wet, wordt vrijstelling verleend voor het voorhanden
hebben, afleveren of toepassen van niet-geregistreerde
diergeneesmiddelen aan dierenartsen als bedoeld in de Regeling erkenning
EG-beroepskwalificaties uitoefening diergeneeskunde, indien is voldaan
aan de voorwaarden, gesteld in de artikelen 34 tot en met 38, artikel 78
en93.
Artikel 34
Onverminderd het bepaalde in artikel 37
is het de dierenarts, bedoeld in artikel 33 slechts toegestaan een niet
in Nederland geregistreerd diergeneesmiddel voorhanden te hebben, af te
leveren of toe te passen:
a. indien het betrokken
diergeneesmiddel in de lidstaat waar de dierenarts als zodanig is
gevestigd, overeenkomstig de bepalingen van richtlijn nr. 2001/82/EG
is toegelaten en het diergeneesmiddel uitsluitend wordt toegepast
onder de voorwaarden waaronder de toelating is verleend;
b. in een hoeveelheid die de normale
dagelijkse behoefte voor de uitoefening van de diergeneeskunde
volgens goed veterinair gebruik door een dierenarts niet
overschrijdt, en
c. indien, in het geval dat hij het
diergeneesmiddel toepast bij voedselproducerende dieren, hij kan
aantonen dat het betrokken diergeneesmiddel kwalitatief en
kwantitatief hetzelfde of dezelfde werkzame bestanddelen bevat als
een hier in Nederland voor eenzelfde therapeutisch doel
geregistreerd diergeneesmiddel.
Artikel 35
Het is de dierenarts, bedoeld in artikel
33, slechts toegestaan een diergeneesmiddel als bedoeld in artikel 34
voorhanden te hebben of te vervoeren indien:
a. dit diergeneesmiddel zich bevindt
in de oorspronkelijke primaire verpakking en buitenverpakking van
degene, door wie het is bereid, en
b. de aard en de hoeveelheid van het
vervoerde diergeneesmiddel is afgestemd op de normale dagelijkse
behoefte volgens goed veterinair gebruik voor de dieren waarvoor
zijn hulp is ingeroepen.
Artikel 36
De dierenarts, bedoeld in artikel 34, is
verplicht, indien hij een diergeneesmiddel als bedoeld in artikel 34
heeft afgeleverd of toegepast, aan de houder van het dier schriftelijk
de wachttermijn mede te delen die vermeld wordt op het etiket of de
bijsluiter van het betrokken diergeneesmiddel, tenzij hij redelijkerwijs
geacht kan worden te weten, dat in Nederland een langere wachttermijn
voor een dergelijk diergeneesmiddel in acht moet worden genomen, in welk
geval hij verplicht is deze aan de houder van het dier mede te delen.
Artikel 37
1.Het is de dierenarts, bedoeld in
artikel 34, slechts toegestaan een diergeneesmiddel als bedoeld in
artikel 34 aan de houder van dieren af te leveren, indien:
a. de dierenarts het dier of de
dieren waarvoor het diergeneesmiddel is bestemd onder zijn
behandeling heeft;
b. de dierenarts het dier of de
dieren heeft onderzocht.
2.De hoeveelheid van het
diergeneesmiddel, bedoeld in het eerste lid, overschrijdt de benodigde
hoeveelheid voor een behandeling over ten hoogste drie dagen niet.
Artikel 38
De diergeneesmiddelen, bedoeld in de
artikelen 34 en 37, zijn diergeneesmiddelen met uitzondering van sera,
entstoffen en biologische diagnostica.
§ 12. Vrijstelling ten behoeve van
dierproeven
Artikel 39
Van het verbod, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, van de wet, wordt vrijstelling verleend voor zover het
betreft het voorhanden hebben, in voorraad hebben of toepassen van
diergeneesmiddelen ten behoeve van dierproeven, voor zover deze proeven
worden verricht in het kader van de Wet op de dierproeven door de in die
wet bedoelde vergunninghouders.
§ 13. Partijkeuring van sera, entstoffen
en biologische diagnostica
Artikel 40
1.De aanvraag tot keuring van een
partij, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet geschiedt door
inzending bij het Bureau van een volledig ingevuld formulier en na
betaling van het voor de keuring verschuldigde bedrag.
2.Binnen drie dagen na ontvangst van
die aanvraag bevestigt het Bureau schriftelijk die ontvangst onder
vermelding van het nummer waaronder deze is ingeschreven.
3.Formulieren als bedoeld in het eerste
lid zijn op aanvraag verkrijgbaar bij het Bureau.
Artikel 41
1.Een overeenkomstig artikel 40
ingediende aanvraag wordt slechts in behandeling genomen indien:
a. de aanvraag vergezeld gaat van
een partijprotocol en een partijvrijgifte-document;
b. het partijprotocol is
gedagtekend en ondertekend door de persoon die verantwoordelijk is
voor de controle;
c. de aanvrager schriftelijk
verklaart dat van de ter keuring aangeboden partij:
1°. een voor die partij
representatief monster bewaard wordt van een zodanige grootte,
dat daarop een controle op de conformiteit als bedoeld in
artikel 16 van de wet kan worden verricht;
2°. het betrokken monster
gedurende de houdbaarheidstermijn bewaard zal worden, en
3°. zo de partij uit
verschillende voor de gebruiker bestemde typen primaire
verpakkingen bestaat, het onder 1 bedoelde monster in elk
geval een primaire verpakking van elk type omvat.
2.De aanvrager stelt het monster,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, binnen vijf dagen op verzoek
van het Bureau beschikbaar.
Artikel 42
1.De uitslag van de partijkeuring wordt
de aanvrager uiterlijk binnen 60 dagen, nadat aan alle in artikel 3
gestelde eisen is voldaan, medegedeeld.
2.Bij de goedkeuring wordt een
partijvrijgifte-certificaat verstrekt.
§ 14. Vrijstelling ten behoeve van
partijkeuring
Artikel 43
Van het verbod, bedoeld in artikel 14,
eerste lid, van de wet, wordt vrijstelling verleend met uitzondering van
het verbod op het afleveren, voorhanden hebben, in voorraad hebben en
toepassen van geregistreerde sera, entstoffen of biologische diagnostica
die niet afkomstig zijn van een goedgekeurde partij.
Hoofdstuk III. Bepalingen inzake
vergunningen tot het bereiden, verpakken etiketteren en afleveren van
diergeneesmiddelen
§ 1. Aanvraag van een vergunning tot het
bereiden, verpakken, etiketteren en afleveren van diergeneesmiddelen
Artikel 44
1.Een aanvraag tot het verlenen van een
vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet wordt ingediend bij
het Bureau.
2.Een aanvraag als bedoeld in het
eerste lid bestaat uit een aanvraagformulier.
3.Aanvraagformulieren als bedoeld in
het tweede lid zijn op aanvraag verkrijgbaar bij het Bureau.
Artikel 45
Een aanvraag tot het verlenen van een
vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet wordt eerst in
behandeling genomen nadat de ingevolge artikel 110 verschuldigde
bedragen zijn voldaan.
Artikel 46
1.Alvorens een vergunning als bedoeld
in artikel 21 van de wet wordt verleend of gewijzigd wordt een
onderzoek ter plaatse verricht.
2.In afwijking van het eerste lid wordt
geen onderzoek ter plaatse verricht indien het een aanvraag tot
wijziging van de vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet,
betreft en deze aanvraag uitsluitend betrekking heeft op:
a. administratieve gegevens, of
b. het bereiden, verpakken,
etiketteren of afleveren van een diergeneesmiddel, indien:
1°. dat middel dezelfde
farmaceutische vorm heeft als een middel waarvoor ingevolge
artikel 21 van de wet reeds aan de aanvrager een vergunning
tot het verrichten van de betreffende handeling of handelingen
is verleend, en
2°. de handeling of
handelingen met behulp van dezelfde apparatuur en in dezelfde
lokaliteiten geschiedt.
Artikel 47
Een besluit omtrent de verlening van een
vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet wordt genomen binnen 12
weken na ontvangst van de betaling, bedoeld in artikel 111.
Artikel 48
1.De inschrijving van een vergunning
als bedoeld in artikel 21 van de wet in het vergunningenregister,
bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de wet, geschiedt onder
vermelding van:
a. de soort vergunning;
b. het nummer van de vergunning;
c. naam en adres van de
vergunninghouder;
d. de diergeneesmiddelen of de
soorten diergeneesmiddelen waarop de vergunning betrekking heeft.
2.Van de inschrijving, doorhaling of
wijziging van de inschrijving in het vergunningenregister wordt
mededeling gedaan in de Staatscourant.
3.Het vergunningenregister berust bij
het Bureau.
Artikel 49
Bij een houder van een vergunning tot het
bereiden, verpakken of etiketteren van diergeneesmiddelen als bedoeld in
artikel 21 van de wet wordt ten minste om de drie jaar een inspectie,
als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de wet uitgevoerd.
§ 2. Eisen voor de verkrijging van een
vergunning voor het bereiden, verpakken en etiketteren van
diergeneesmiddelen
Artikel 50
1.De eisen, bedoeld in artikel 26 van
het besluit voor het bereiden, verpakken en etiketteren van een
diergeneesmiddel, zijn de eisen, gesteld in de artikelen 51 tot en met
56 van deze regeling, de artikelen 6 tot en met 14 van richtlijn nr.
91/412/EEG, alsmede de door de Commissie van de Europese
Gemeenschappen geformuleerde gedetailleerde richtsnoeren, bedoeld in
artikel 51 van richtlijn nr. 2001/82/EG.
2.Voor de toepassing van het eerste lid
wordt aangewezen als bevoegde instantie als bedoeld in artikel 13 van
richtlijn nr. 91/412/EEG: de minister.
§ 3. Aanvullende eisen inzake personeel
Artikel 51
1.De houder van een vergunning als
bedoeld in artikel 21 van de wet, voor het bereiden, verpakken of
etiketteren van een diergeneesmiddel beschikt over ten minste één
met betrekking tot de bedrijfsuitoefening deskundige persoon, die:
a. in het bezit is van een diploma,
certificaat of ander bewijsstuk ter afsluiting van een
hoger-onderwijsopleiding behaald dan wel erkend in een lidstaat
van de Europese Gemeenschappen of van een opleiding die door de
minister als gelijkwaardig wordt erkend, die ten minste vier jaar
theoretisch en praktisch onderwijs omvat in farmacie, geneeskunde,
diergeneeskunde, scheikunde, farmaceutische scheikunde en
technologie of biologie, welke opleiding ten minste de
basisvakken, bedoeld in bijlage II omvat, en
b. over een praktijkervaring
beschikt met betrekking tot het uitvoeren van de controle vóór,
tijdens en ná het bereidingsproces, van twee jaar bij een
nominale opleidingsduur van vier jaar, één jaar bij een
opleidingsduur van vijf jaar en een half jaar bij een
opleidingsduur van ten minste zes jaar.
2.Het eerste lid is niet van toepassing
indien de fabrikant zelf voldoet aan de vereisten gesteld aan de
persoon, bedoeld in het eerste lid.
3.Personen, van wie ten genoegen van de
minister is aangetoond dat zij vóór 1 oktober 1986 verantwoordelijk
waren voor de controle, bedoeld in het eerste lid, doch die niet een
van de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, hebben voltooid, worden
voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld met personen die
opleidingen als bedoeld in het eerste lid hebben voltooid.
Artikel 52
De houder van een vergunning als bedoeld
in artikel 21, eerste lid, van de wet is verplicht om:
a. de persoon, bedoeld in artikel 51,
te allen tijde de gelegenheid te geven om te onderzoeken of:
1°. elke partij
diergeneesmiddelen voldoet aan de regels, bedoeld in de
artikelen 10 en 11 van richtlijn nr. 91/412/EEG, de artikelen
53, 54 en 55 alsmede aan de in voorkomend geval in de
vergunning, bedoeld in artikel 21 van de wet, gestelde
voorschriften;
2°. de volgens de gedetailleerde
richtsnoeren, bedoeld in artikel 51 van richtlijn nr.
2001/82/EG,vereiste documenten of protocollen aanwezig zijn.
b. het Bureau onverwijld in kennis te
stellen van het feit dat de persoon, bedoeld in artikel 51, zijn
controlewerkzaamheden niet langer uitoefent.
§ 4. Aanvullende eisen inzake
kwaliteitsbewaking
Artikel 53
1.De minister kan op schriftelijk
verzoek van de belanghebbende toestaan dat één of meer van de
verrichtingen, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van richtlijn nr.
91/412/EEG, worden uitgevoerd door een extern laboratorium als bedoeld
in artikel 11, tweede lid, van richtlijn nr. 91/412/EEG, mits:
a. wordt voldaan aan het ter zake
de uitbesteding in artikel 12 van richtlijn nr. 91/412/EEG
bepaalde, en
b. een afschrift van de
schriftelijke overeenkomst, bedoeld in de aanhef van artikel 12
van richtlijn nr. 91/412/EEG, wordt overgelegd.
2.Toestemming als bedoeld in het eerste
lid is niet vereist, indien één of meer controles of onderzoeken
wegens tijdelijke bijzondere omstandigheden niet in het eigen bedrijf
kunnen worden verricht of indien het externe laboratorium voor een
dergelijk onderzoek reeds een vergunning heeft ingevolge artikel 21
van de wet. In zodanig geval wordt hiervan, onder opgave van redenen
en met vermelding van de te verwachten tijdsduur, de naam en het adres
van het laboratorium waar de controles zullen worden verricht,
onverwijld kennis gegeven aan de minister.
Artikel 54
Een verzoek tot inschakeling van een
extern laboratorium als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van richtlijn
nr. 91/412/EEG:
a. is met redenen omkleed;
b. bevat een opgave van de
desbetreffende onderzoeken en controles;
c. bevat de naam en het adres van het
laboratorium alsmede een omschrijving van de voor de controles te
benutten lokaliteiten en uitrusting;
d. bevat de naam en hoedanigheid van
de persoon, bedoeld in artikel 51, die voor de uitbestede
verrichtingen verantwoordelijk is, en
e. bevat een afschrift van de
schriftelijke overeenkomst ter zake de uitbestede verrichtingen,
bedoeld in artikel 12 van richtlijn nr. 91/412/EEG.
Artikel 55
De monsters, bedoeld in artikel 11,
vierde lid, van richtlijn nr. 91/412/EEG, zijn zodanig verpakt en
gemerkt dat zij te allen tijde kunnen worden geïdentificeerd. De
verpakking kan niet zonder zichtbare en onherstelbare schade worden
geopend.
§ 5. Aanvullende eisen ter zake de
zelfinspectie
Artikel 56
De bevindingen van zelfinspecties als
bedoeld in artikel 14 van richtlijn nr. 91/412/EEG alsmede de daaruit
voortgevloeide maatregelen worden schriftelijk vastgelegd in een
document. Dit document wordt gedurende vijf jaar bewaard in het
documentatiesysteem, bedoeld in artikel 9 van richtlijn nr. 91/412/EEG.
§ 6. Eisen met betrekking tot een
vergunning voor het afleveren van een diergeneesmiddel
Artikel 57
De eisen, bedoeld in artikel 26 van het
besluit voor het afleveren van een diergeneesmiddel, zijn de eisen,
gesteld in de artikelen 58 tot en met 59c.
Artikel 58
Het personeel van de houder van de
vergunning voor het afleveren van diergeneesmiddelen is technisch
voldoende geschoold om de opgedragen werkzaamheden naar behoren te
kunnen verrichten.
Artikel 59
De houder van de vergunning voor het
afleveren van diergeneesmiddelen beschikt over een noodplan voor het uit
de handel nemen van een diergeneesmiddel.
Artikel 59a
1.De lokaliteit voldoet aan elk van de
volgende voorwaarden:
a. zij is goed onderhouden, schoon,
opgeruimd en goed verlicht;
b. zij is voorzien van een zodanige
klimaatbeheersing dat de temperatuur, de vochtigheidsgraad en de
ventilatie geen ongewenste invloed uitoefenen op de zich daarin
bevindende diergeneesmiddelen en apparatuur;
c. de vloeren, muren en plafonds
zijn zodanig geconstrueerd dat zij goed schoon te houden zijn;
d. leidingen, ventilatoren en
overige voorzieningen zijn zodanig aangelegd dat géén voor de
reiniging ontoegankelijke plaatsen ontstaan;
e. de gebouwen zijn zodanig
ontworpen en uitgerust dat zij optimale bescherming bieden tegen
het binnendringen van ongedierte;
f. de opslagruimtes beschikken over
voldoende capaciteit voor de ordelijke opslag van verschillende
materialen en diergeneesmiddelen;
g. opslagruimtes waar
gekanaliseerde diergeneesmiddelen worden opgeslagen, zijn niet
toegankelijk voor publiek;
h. er is een afgescheiden
opslagruimte voor diergeneesmiddelen die zijn afgekeurd,
teruggeroepen of geretourneerd;
i. op laad- en losplaatsen worden
diergeneesmiddelen tegen de invloed van weersomstandigheden
beschermd;
j. de ruimte waarin sterk werkzame
stoffen worden opgeslagen, wordt zodanig ontworpen, ingericht en
uitgerust, dat de in een zodanige ruimte werkzame personen niet
aan gevaren worden blootgesteld;
k. dierenbehuizingen zijn goed
afgescheiden van andere ruimtes.
2.In afwijking van het eerste lid,
onderdeel g, worden diergeneesmiddelen als bedoeld in artikel 77a,
eerste lid, buiten het directe bereik van het publiek opgeslagen.
Artikel 59b
De apparatuur voldoet aan elk van de
volgende voorwaarden:
a. zij is zodanig ontworpen dat zij
gemakkelijk en grondig kan worden schoongemaakt;
b. zij is zodanig geïnstalleerd dat
elke vergissing wordt uitgesloten.
Artikel 59c
1.Uit te voeren reparatie- en
onderhoudswerkzaamheden leveren geen enkel risico op voor de kwaliteit
van de diergeneesmiddelen.
2.Meet- en controleapparatuur worden
met regelmaat overeenkomstig passende methoden gekalibreerd en
gecontroleerd.
§ 7. Eisen met betrekking tot de invoer
van diergeneesmiddelen
Artikel 60
1.Degene die diergeneesmiddelen,
afkomstig uit een derde land, in Nederland in het vrije verkeer
brengt, voldoet aan de volgende eisen:
a. degene die diergeneesmiddelen
invoert, draagt ervoor zorg dat door of onder verantwoordelijkheid
van een persoon als bedoeld in artikel 51 in Nederland wordt
gecontroleerd dat de door hem ingevoerde partijen een volledige
kwalitatieve analyse, een kwantitatieve analyse van ten minste
alle werkzame bestanddelen en alle andere proefnemingen of
controles hebben ondergaan die nodig zijn om de kwaliteit van de
diergeneesmiddelen te waarborgen conform de artikelen 6 tot en met
14 van richtlijn nr. 91/412/EG en de artikelen 51 tot en met 56;
b. de controle, bedoeld in
onderdeel a, vindt plaats voordat de partij in Nederland wordt
bereid, verpakt, geëtiketteerd of afgeleverd;
c. het verloop en het resultaat van
de controle, bedoeld in het tweede lid, worden in een protocol
vastgelegd, dat wordt gedateerd en getekend door de persoon die de
controle, bedoeld in onderdeel a, heeft uitgevoerd;
2.Een uit een lidstaat ingevoerde
partij diergeneesmiddelen gaat vergezeld van de door een daartoe in
die lidstaat bevoegde persoon ondertekende controleverslagen, waaruit
blijkt dat de desbetreffende partij voldoet aan de in de betrokken
lidstaat geldende regels alsmede aan de bij de registratie gegeven
voorschriften;
a. de persoon, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, houdt van elke door hem ingevoerde partij
monsters aan van voldoende grootte voor het verrichten van
kwalitatieve en kwantitatieve controles;
b. het bepaalde in artikel 55 is op
de monsters, bedoeld in onderdeel a, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 61
1.Ten aanzien van uit derde landen
ingevoerde partijen diergeneesmiddelen kan de minister op aanvraag van
degene die diergeneesmiddelen invoert ontheffing verlenen van artikel
60, eerste lid, onderdeel a, indien tussen de Europese Gemeenschap en
het land van uitvoer passende afspraken zijn gemaakt om te waarborgen
dat de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste
lid, van de wet voor het bereiden van een diergeneesmiddel van de
betreffende diergeneesmiddelen normen voor goede praktijken bij het
vervaardigen hanteert die tenminste gelijkwaardig zijn aan die in de
artikelen 6 tot en met 14 van richtlijn nr. 91/412/EG en de artikelen
51 tot en met 56 en dat de controles, bedoeld in onderdeel a, in dat
land van uitvoer zijn verricht.
2.De minister doet mededeling in de
Staatscourant van de passende afspraken, bedoeld in het tweede lid.
§ 8. Etikettering
Artikel 62
Op de primaire verpakking en, in
voorkomend geval, op de buitenverpakking van een geregistreerd
diergeneesmiddel wordt, overeenkomstig de bij de registratie gegeven
voorschriften, vermeld:
a. de naam van het diergeneesmiddel,
onmiddellijk gevolgd door de concentratie en de farmaceutische vorm
met dien verstande dat in het geval het diergeneesmiddel slechts
één werkzaam bestanddeel bevat en voor dat diergeneesmiddel een
fantasienaam wordt gebruikt, die fantasienaam duidelijk leesbaar
vergezeld dient te gaan van de naam van het werkzame bestanddeel;
b. de kwalitatieve en kwantitatieve
samenstelling aan werkzame stoffen per doseringseenheid, of, naar
gelang van de toedieningsvorm, voor een bepaald volume of een
bepaald gewicht, waarbij de algemene benamingen worden gebruikt;
c. het nummer van de partij;
d. het nummer waaronder de
registratie is verleend, voorafgegaan door de letters ‘Reg. NL’;
e. de naam of handelsnaam en de
woonplaats of plaats van vestiging van de registratiehouder alsmede,
indien deze niet tevens registratiehouder is, de naam, handelsnaam
of het merk van de houder van een vergunning als bedoeld in artikel
21, eerste lid, van de wet voor het bereiden van een
diergeneesmiddel en, in voorkomend geval van de door de
registratiehouder aangewezen vertegenwoordiger;
f. de vermelding ‘diergeneesmiddel’
of ‘geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik’ dan wel in
voorkomend geval de woorden ‘homeopatisch diergeneesmiddel’ of
homeopatisch geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik’;
g. de diersoort of diersoorten
waarvoor de dosering of doseringen waarin en de wijze of wijzen
waarop het betrokken diergeneesmiddel uitsluitend mag worden
gebruikt;
h. de wachttermijn;
i. de uiterste gebruiksdatum;
j. de aanbevelingen omtrent de wijze
van bewaring en zo nodig aanwijzingen omtrent te nemen
voorzorgsmaatregelen bij het zich ontdoen van niet gebruikte
diergeneesmiddelen en daarvan afkomstige afvalproducten;
k. de veiligheidsmaatregelen en
bijzondere waarschuwingen voor de gebruiker;
Artikel 63
In afwijking van artikel 62 wordt op de
primaire verpakking en in voorkomend geval de buitenverpakking van een
homeopathisch diergeneesmiddel dat is geregistreerd overeenkomstig de
procedure, bedoeld in artikel 17 van richtlijn nr. 2001/82/EG,
overeenkomstig de bij de registratie gegeven voorschriften uitsluitend
vermeld:
a. de woorden ‘homeopathisch
diergeneesmiddel zonder goedgekeurde therapeutische indicatie’;
b. de naam van het diergeneesmiddel
en de wetenschappelijke benaming van de homeopathische grondstof of
grondstoffen, gevolgd door de verdunningsgraad, waarvoor gebruik
wordt gemaakt van de Europese Farmacopee;
c. het nummer waaronder de
registratie is verleend, voorafgegaan door de letters ‘Reg. NL H’;
d. de naam of handelsnaam en het
adres van de registratiehouder alsmede, indien deze niet tevens
registratiehouder is, de naam, de handelsnaam of het merk van de
houder van een vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van
de wet voor het bereiden van een diergeneesmiddel;.
e. de diersoort of diersoorten
waarvoor de dosering of doseringen waarin en de wijze of wijzen
waarop het betrokken diergeneesmiddel uitsluitend mag worden
gebruikt;
f. het nummer van de partij;
g. de uiterste gebruiksdatum;
h. de farmaceutische vorm;
i. de inhoud van de primaire
verpakking naar gewicht, volume of aantal doses;
j. de aanbevelingen omtrent de wijze
van bewaring en zo nodig aan wijzingen omtrent te nemen
voorzorgsmaatregelen bij het zich ontdoen van niet gebruikte
diergeneesmiddelen en daarvan afkomstige afvalproducten;
k. zonodig de veiligheidsmaatregelen
en bijzondere waarschuwingen voor de gebruiker.
Artikel 64
1.In afwijking van artikel 62 wordt de
informatie, bedoeld in dat artikel, uitsluitend vermeld op de
buitenverpakking van een ampul.
2.Op de primaire verpakking van een
ampul wordt, overeenkomstig de bij de registratie gegeven
voorschriften, vermeld:
a. de naam van het
diergeneesmiddel;
b. de hoeveelheid werkzame stoffen;
c. de wijze van toediening;
d. het nummer van de partij;
e. de uiterste gebuiksdatum;
f. de vermelding ‘diergeneesmiddel’
of ‘geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik’.
Artikel 65
Onverminderd artikel 69 wordt bij kleine
primaire verpakkingen die slechts één gebruiksdosis bevatten, waarop
de informatie, bedoeld in artikel 69 niet kan worden vermeld, de
informatie, bedoeld in artikel 62, overeenkomstig de bij de registratie
gegeven voorschriften, op de buitenverpakking vermeld.
Artikel 66
Op de primaire verpakking en, in
voorkomend geval, op de buitenverpakking van diergeneesmiddelen waarop
hoofdstuk IV van de wet van toepassing is, wordt onverminderd het
bepaalde in artikel 62 of 67 vermeld:
a. wanneer het diergeneesmiddel niet
krachtens artikel 30, vierde lid, van de wet is aangewezen: ‘uitsluitend
aflevering door de dierenarts of op recept van de dierenarts door de
apotheker’, dan wel ‘U.D.A.’ of, in voorkomend geval,
uitsluitend op recept afleveren, dan wel ‘U.R.A.’;
b. wanneer het diergeneesmiddel
krachtens artikel 30, vierde lid, van de wet is aangewezen: ‘uitsluitend
aflevering en toepassing door de dierenarts’, dan wel: ‘U.D.D.’.
Artikel 67
1.Op de primaire verpakking en, in
voorkomend geval, op de buitenverpakking van een niet-geregistreerd
diergeneesmiddel dat krachtens artikel 19 van het besluit van
registratieplicht uitgezonderd is, wordt vermeld:
a. de naam van het
diergeneesmiddel, onmiddellijk gevolgd door de kwalitatieve en
kwantitatieve samenstelling naar werkzame bestanddelen,
afhankelijk van de farmaceutische vorm aangegeven per dosis of in
procenten;
b. de naam of handelsnaam en het
adres van degene die voor het in de handel brengen van het
diergeneesmiddel in Nederland verantwoordelijk is;
c. het nummer van de partij;
d. de vermelding ‘diergeneesmiddel’
of ‘geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik’ en de
diersoort of diersoorten waarvoor het diergeneesmiddel is bestemd
en de dosering of doseringen waarin het dient te worden toegepast;
e. de uiterste gebruiksdatum,
indien de maximale houdbaarheidsduur minder dan 3 jaar bedraagt;
f. de aanbevelingen omtrent de
wijze van bewaring;
g. de veiligheidsmaatregelen voor
de gebruiker;
h. de farmaceutische vorm en de
inhoud naar gewicht, het volume of het aantal doses.
2.Op de primaire verpakking, en in
voorkomend geval, op de buitenverpakking van een homeopathisch
diergeneesmiddel, als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van het
besluit, wordt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid onder
d, in plaats van het woord ‘diergeneesmiddel’ vermeld: ‘homeopathisch
diergeneesmiddel vrijgesteld van registratieplicht en zonder
goedgekeurde therapeutische indicatie’.
Artikel 68
Op de primaire verpakking en, in
voorkomend geval, op de buitenverpakking van een door een dierenarts of
apotheker ingevolge het bepaalde in artikel 2, tweede lid, onderdeel a,
van de wet bereid diergeneesmiddel wordt, in afwijking van het bepaalde
in artikel 67, vermeld:
a. de naam van de bereider;
b. de naam van het diergeneesmiddel,
onmiddellijk gevolgd door de kwalitatieve en kwantitatieve
samenstelling van werkzame bestanddelen, afhankelijk van de
farmaceutische vorm aangegeven per dosis of in procenten;
c. de naam van de houder van het dier
of de dieren waarvoor het middel is bereid;
d. de dosering waarin het
diergeneesmiddel moet worden toegepast en wijze van toediening;
e. de wachttermijn;
f. de datum van bereiding;
g. aanbevelingen omtrent het gebruik
en de bewaring van het diergeneesmiddel;
h. de eventuele
veiligheidsmaatregelen voor de gebruiker;
i. de uiterste gebruiksdatum, indien
de maximale houdbaarheidstermijn minder dan drie jaar bedraagt.
Artikel 69
1.In afwijking van het bepaalde in de
artikelen 62, 63, 67 en 68 is het toegestaan niet alle informatie,
bedoeld in die artikelen, op de primaire verpakking en in voorkomend
geval op de buitenverpakking te vermelden, indien aan de volgende
voorwaarden is voldaan:
a. de buitenverpakking is aanwezig;
b. in de buitenverpakking, bedoeld
in onderdeel a, bevindt zich een bijsluiter, met dien verstande
dat de gegevens, bedoeld in het tweede lid, te allen tijde op de
primaire verpakking en in voorkomend geval op de buitenverpakking
voorkomen.
2.De gegevens, bedoeld in het eerste
lid, zijn:
a. de vermelding ‘diergeneesmiddel’
of ‘geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik’ en de naam van
het diergeneesmiddel;
b. de kwalitatieve en kwantitatieve
samenstelling aan werkzame bestanddelen;
c. de wijze van toediening;
d. indien het een geregistreerd
diergeneesmiddel betreft het nummer waaronder de registratie is
verleend voorafgegaan door de letters: Reg. NL en in voorkomend
geval Reg. NL H;
e. het nummer van de partij;
f. de uiterste gebruiksdatum.
Artikel 70
1.In de verpakking van een
diergeneesmiddel is een bijsluiter opgenomen, tenzij alle krachtens
artikel 71 vereiste informatie op de primaire verpakking en de
buitenverpakking wordt vermeld.
2.De bijsluiter heeft betrekking op het
betrokken diergeneesmiddel.
3.Andere vermeldingen betreffende het
diergeneesmiddel dienen duidelijk van vorenbedoelde gegevens
gescheiden te zijn.
Artikel 71
De bijsluiter vermeldt ten minste de
volgende gegevens overeenkomstig de bij de registratie gegeven
voorschriften:
a. de naam van het diergeneesmiddel,
onmiddellijk gevolgd door de concentratie en de farmaceutische vorm,
met dien verstande dat in het geval het diergeneesmiddel slechts
één werkzaam bestanddeel bevat en voor dat diergeneesmiddel een
fantasienaam wordt gebruikt, die fantasienaam duidelijk leesbaar
vergezeld dient te gaan van de naam van het werkzame bestanddeel;
b. de naam of handelsnaam en de
woonplaats of plaats van vestiging van de registratiehouder alsmede,
indien deze niet tevens registratiehouder is, de naam, handelsnaam
of het merk van de houder van een vergunning als bedoeld in artikel
21, eerste lid, van de wet voor het bereiden van een
diergeneesmiddel en, in voorkomend geval van de door de
registratiehouder aangewezen vertegenwoordiger;
c. de diersoort of diersoorten
waarvoor de dosering of doseringen waarin en de wijze of wijzen
waarop het betrokken diergeneesmiddel uitsluitend mag worden
gebruikt;
d. de wachttermijn;
e. in voorkomend geval de
aanbevelingen omtrent de wijze van bewaring en zo nodig aan
wijzingen omtrent te nemen voorzorgsmaatregelen bij het zich ontdoen
van niet gebruikte diergeneesmiddelen en daarvan afkomstige
afvalproducten;
f. therapeutische indicaties;
g. contra-indicaties en bijwerkingen
voor zover deze informatie noodzakelijk is voor het gebruik van het
diergeneesmiddel;
h. de veiligheidsmaatregelen en
bijzondere waarschuwingen voor de gebruiker;
Artikel 72
1.Alle ingevolge de artikelen 62 tot en
met 71 voorgeschreven vermeldingen dienen te zijn gesteld in de
Nederlandse taal in goed leesbaar en onuitwisbaar schrift en in
begrijpelijke bewoordingen.
2.Indien de bijsluiter in verschillende
talen is opgesteld, is de informatie in alle gebruikte talen gelijk.
3.Andere dan de ingevolge de artikelen
62 en 66 tot en met 72 voorgeschreven vermeldingen mogen op, aan of
bij de verpakking of op het begeleidend document slechts voorkomen
voor zover zij niet met de voorgeschreven vermeldingen in strijd zijn
en voor zover zij niet misleidend zijn ten aanzien van aard,
samenstelling, eigenschappen en toepassingswijze van het
diergeneesmiddel.
Artikel 73
Op de omdoos wordt, onverminderd het
bepaalde bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, vermeld:
a. de naam van het diergeneesmiddel
en het nummer waaronder het is geregistreerd, dan wel indien het een
niet-geregistreerd diergeneesmiddel betreft de ingevolge artikel 67
voorgeschreven naam;
b. de naam en het adres van de
registratiehouder;
c. het nummer van de partij.
Artikel 74
1.Op de primaire verpakking en, in
voorkomend geval, op de buitenverpakking van diergeneesmiddelen,
bestemd voor uitvoer, zijn de voorschriften van artikel 37 van het
besluit en de artikelen 62, 63, 64, 67, 69 en 72, derde lid, van
toepassing, met dien verstande dat alle aanduidingen op de verpakking
gesteld zijn in de taal of één der talen van het land van
bestemming.
2.Het bepaalde in het eerste lid is
niet van toepassing voor zover degene die het diergeneesmiddel
uitvoert aantoont, dat verpakking en etikettering in overeenstemming
zijn of zijn gebracht met de eisen van het land van bestemming.
§ 9. Uitvoer
Artikel 75
De minister kan op verzoek van een houder
van een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet of van de
bevoegde instanties van het land waar de diergeneesmiddelen worden
ingevoerd ten behoeve van de uitvoer hiervan een verklaring
certificeren, waaruit blijkt dat de betreffende fabrikant in het bezit
is van een vergunning voor het bereiden, verpakken, etiketteren of
afleveren van deze diergeneesmiddelen.
Artikel 76 [Vervallen per 28-04-2007]
Hoofdstuk IV. Bepalingen met betrekking
tot de kanalisatie van diergeneesmiddelen
Artikel 77
1. Als diergeneesmiddelen als bedoeld
in artikel 29, eerste lid, van de wet, waarop de bepalingen van
Hoofdstuk IV van de wet van toepassing zijn, worden aangewezen:
a. antimicrobiële
diergeneesmiddelen;
b. resistentie-inducerende
diergeneesmiddelen;
c. hormoonpreparaten;
d. sera, entstoffen en
immunologische diergeneesmiddelen;
e. biologische diagnostica;
f. diergeneesmiddelen die kunnen
worden toegediend door middel van injectie of implantatie, tenzij
uitsluitend subcutane, intramusculaire of intramammaire toediening
is toegestaan;
g. diergeneesmiddelen bestemd voor
algehele verdoving, alsmede per injectie toe te dienen middelen
voor plaatselijke verdoving;
h. spierrelaxantia;
i. diergeneesmiddelen, die een
werkzaam bestanddeel bevatten dat niet gedurende ten minste 5 jaar
in een geregistreerd diergeneesmiddel is verwerkt;
j. diergeneesmiddelen die bestemd
zijn om curatief te worden gebruikt bij ziekten van:
1°. zenuwstelsel;
2°. hart- en
bloedvatenstelsel;
3°. immuunsysteem of
bloedbereidende organen;
4°. inwendige nieuwvormingen;
k. diergeneesmiddelen voor zover
niet reeds uit andere hoofde onder het kanalisatieregime vallend
die tevens geneesmiddelen zijn als bedoeld in artikel 4, derde
lid, van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening;
l. diergeneesmiddelen die β-agonisten
bevatten;
m. diergeneesmiddelen die bestemd
zijn voor of mede bestemd zijn voor toepassing bij
voedselproducerende dieren, voor zover zij niet reeds zijn
aangewezen in de onderdelen a tot en met l;
n. niet-steroïde pijn-, koorts- en
ontstekingsremmers, die uitsluitend bestemd zijn om te worden
toegepast bij niet-voedselproducerende dieren.
2. In afwijking van het eerste lid zijn
de bepalingen van hoofdstuk IV van de wet niet van toepassing op:
a. antimicrobiële
diergeneesmiddelen en resistentie-inducerende diergeneesmiddelen
uitsluitend geschikt en bestemd voor toepassing bij aquarium- en
terrariumdieren, in een hoeveelheid van ten hoogste vijf gram van
de werkzame stof per verpakking;
b. diergeneesmiddelen uitsluitend
geschikt en bestemd voor orale toepassing bij kooi- en
volièrevogels en postduiven en niet bedrijfsmatig gehouden kleine
knaagdieren, konijnen en fretten die als werkzame stof slechts
chloortetracycline tetracycline, oxytetracycline of sulfonamiden
bevatten in een hoeveelheid van ten hoogte vijf gram per
verpakking.
Artikel 77a
1.In afwijking van artikel 30, eerste
lid, van de wet is het houders van een vergunning voor het afleveren
van diergeneesmiddelen als bedoeld in artikel 21 van de wet toegestaan
de volgende diergeneesmiddelen die bestemd zijn voor of mede bestemd
zijn voor voedselproducerende dieren op recept van een dierenarts aan
houders van dieren af te leveren:
a. ontwormingsmiddelen;
b. middelen tegen parasieten;
c. middelen tegen schimmels;
d. kalmeringsmiddelen;
e. niet-steroïde pijn-, koorts- en
ontstekingsremmers.
2.Het verbod, bedoeld in artikel 31,
eerste lid, van de wet geldt niet voor houders van dieren voor zover
het diergeneesmiddelen betreft bedoeld in het eerste lid.
Artikel 77b
1.Op grond van elk van de criteria
bedoeld in artikel 2 van Richtlijn nr. 2006/130/EG, zijn de bepalingen
van hoofdstuk IV van de wet, in afwijking van artikel 77, eerste lid,
onderdeel m, niet van toepassing op de volgende diergeneesmiddelen die
bestemd zijn voor of mede bestemd zijn voor toepassing bij
voedselproducerende dieren:
a. antidiarree middelen;
b. vloeistof voor intraveneuze
toediening uitsluitend bestemd voor het rund ter behandeling van
kopziekte of melkziekte, welke vloeistof als werkzame bestanddelen
calcium en magnesium bevat;
c. stofwisselingscorrigerende
middelen;
d. desinfectantia en antiseptica;
e. middelen tegen uitwendige
parasieten, zonder werking tegen inwendige parasieten;
f. slijmoplossers;
g. kruidengeneesmiddelen;
h. homeopatische
diergeneesmiddelen;
i. ijzerinjectie voor biggen en
kalveren;
j. laxeermiddelen;
k. maagzuursecretieremmers;
l. ondersteunende middelen bij
huidaandoeningen;
m. vitamines, electrolyten,
mineralen en sporenelementen.
2.In afwijking van het eerste lid
kunnen de diergeneesmiddelen met de werkzame stoffen diazinon en
amitraz uitsluitend overeenkomstig artikel 77a, eerste lid, worden
afgeleverd aan de houder van dieren.
Artikel 78
1. Van de diergeneesmiddelen, bedoeld
in artikel 77, die ingevolge artikel 30, vierde lid, van de wet, niet
aan apothekers of houders van dieren mogen worden afgeleverd worden
aangewezen:
a. hormoonpreparaten met een
gestagene, oestrogene of androgene werking;
b. sera, entstoffen en
immunologische diergeneesmiddelen;
c. biologische diagnostica;
d. diergeneesmiddelen die kunnen
worden toegediend door middel van injectie of implantatie, tenzij
uitsluitend subcutane, intramusculaire of intramammaire toediening
is toegestaan;
e. diergeneesmiddelen voor algehele
verdoving, alsmede per injectie toe te dienen middelen voor
plaatselijke verdoving;
f. spierrelaxantia;
g. diergeneesmiddelen die β-agonisten
bevatten.
2. De in het eerste lid, onderdeel a
tot en met e, gegeven aanwijzing is niet van toepassing op de
diergeneesmiddelen, die zijn genoemd in bijlage III bij deze regeling.
3. De aanwijzing van entstoffen,
bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is niet van
toepassing op een entstof die is bestemd om te worden toegepast bij
varkens ter voorkoming van, onderscheidenlijk, bij een besmetting met
influenza, vlekziekte, Porcine reproductive and Respiratory syndrome,
Atrofische rhinitis, Escherichia coli, Clostridium perfringens,
Mycoplasma hyopneumoniae, Actinobacillus pleuropneumoniae, parvovirus,
rotavirus, de ziekte van Glässer, Lawsonia intracellularis of Porcine
Circo Virus type 2, voorzover:
a. de entstof aan een houder van
varkens wordt afgeleverd:
1°. door een dierenarts op
grond van een overeenkomst tot begeleiding bij het gebruik van
entstoffen, of
2°. door een apotheker op
recept van een dierenarts die een overeenkomst als bedoeld
onder 1° met de houder heeft gesloten, en
b. is voldaan aan elk van de
voorwaarden, opgenomen in de punten 2 tot en met 5 van Bijlage IV
bij deze regeling.
4. De aanwijzing van immunologische
diergeneesmiddelen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b,
is niet van toepassing op een immunologisch diergeneesmiddel dat
bestemd is om te worden toegepast bij varkens ter voorkoming van
berengeur, voor zover:
a. het immunologisch
diergeneesmiddel aan een houder van varkens wordt afgeleverd:
1°. door een dierenarts op
grond van een overeenkomst tot begeleiding bij het gebruik van
een immunologisch diergeneesmiddel, of
2°. door een apotheker op
recept van een dierenarts die een overeenkomst als bedoeld
onder 1° met de houder heeft gesloten, en
b. is voldaan aan elk van de
voorwaarden, opgenomen in de punten 2 tot en met 5 van Bijlage IV
bij deze regeling.
5. Aan het bepaalde in het vierde lid,
onderdeel a, en aan de in het vierde lid, onderdeel b, bedoelde
voorwaarde opgenomen in Bijlage IV, punt 3, bij deze regeling, wordt
geacht te zijn voldaan, indien de houder van varkens, bedoeld in het
vierde lid, onderdeel a, een overeenkomst met een dierenarts is
aangegaan als bedoeld in het derde lid, onderdeel a.
Artikel 79
1.Als groepen als bedoeld in artikel
30, tweede lid, onderdeel f, van de wet worden aangewezen
dierverloskundigen en castreurs als bedoeld in artikel 5
onderscheidenlijk artikel 6 van de Wet op de uitoefening van de
diergeneeskunde 1990 .
2.Als diergeneesmiddelen, die aan
personen behorende tot de groep der dierverloskundigen, bedoeld in het
eerste lid, mogen worden afgeleverd, worden aangewezen:
a. diergeneesmiddelen uitsluitend
bestemd voor intra-uterine toediening, welke als werkzaam
bestanddeel uitsluitend oxytetracycline, chloortetracycline of
tetracycline hycrochloride bevatten;
b. hormoonpreparaten die geen
andere werking hebben dan de beïnvloeding van de contractiliteit
van de uterus;
c. diergeneesmiddelen uitsluitend
geschikt voor orale of nasale toediening, die als werkzaam
bestanddeel uitsluitend prethcamide bevatten;
d. vloeistof voor intraveneuze
toediening, welke vloeistof als werkzame bestanddelen slechts
calcium en magnesium bevat in een hoeveelheid van ten hoogste 500
ml;
e. diergeneesmiddelen die als
werkzaam bestanddeel lidocaïne bevatten bestemd voor
epiduraalanesthesie bij embryotomie;
f. diergeneesmiddelen die behoren
tot de groep prostaglandinen;
g. de diergeneesmiddelen ‘Buscopan’
en ‘Vetalgin’;
h. diergeneesmiddelen met een
combinatie van de werkzame stoffen ‘Trimethoprim’ en ‘Sulfadoxine’;
i. vloeistof bestemd voor
intraveneuze toediening bij runderen, welke vloeistof als werkzaam
bestanddeel uitsluitend glucose bevat.
3.Als diergeneesmiddelen, die aan
personen behorende tot de groepen, bedoeld in het eerste lid, mogen
worden afgeleverd, worden aangewezen:
a. antimicrobiële- en resistentie
inducerende diergeneesmiddelen, voor zover deze geschikt zijn voor
en dienen ten behoeve van wondbehandeling ten gevolge van
castratie of verlossing met uitzondering van die welke chlooramphenicol
bevatten;
b. penicilline-G, streptomycines en
tetracyclines uitsluitend geschikt voor intramusculaire
toediening.
4.Als diergeneesmiddelen, die aan
personen behorende tot de groep castreurs, bedoeld in het eerste lid,
mogen worden afgeleverd, worden aangewezen:
a. lokale anesthetica voor injectie
voor zover deze geschikt zijn voor en dienen om een castratie
pijnloos te laten verlopen;
b. diergeneesmiddelen die
uitsluitend als werkzaam bestanddeel xylazine bevatten voor zover
deze geschikt zijn voor en dienen om een castratie goed te laten
verlopen.
Artikel 80
1.Als diergeneeskundige instellingen,
onderscheidenlijk instellingen van wetenschap of onderzoek,als bedoeld
in de artikelen 30, tweede lid, onderdeel e, en 31, tweede lid,
onderdeel e, van de wet worden aangewezen de in bijlage V bij de
regeling opgenomen instellingen.
2.Als diergeneesmiddelen als bedoeld in
artikel 31, tweede lid, onderdeel e, van de wet worden aangewezen de
diergeneesmiddelen, artikel 82.
Artikel 80a
Als werkzame stoffen als bedoeld in
artikel 23, tweede lid, van het Diergeneesmiddelenbesluit worden
aangewezen de stoffen die zijn opgenomen in bijlage I bij verordening
(EG) nr. 1950/2006.
Hoofdstuk V. Verboden stoffen
Artikel 81
1.Als substanties als bedoeld in
artikel 46, eerste lid, van het besluit, die verboden zijn aan
landbouwhuisdieren of aquacultuurdieren toe te dienen, worden de
volgende substanties aangewezen:
a. substanties met thyreostatische,
oestrogene, androgene of gestagene werking;
b. stilbenen, stilbeenderivaten,
zouten en de esters daarvan;
c. β-agonisten.
2.In afwijking van artikel 46, eerste
lid, van het besluit mogen de volgende substanties onder de volgende
omstandigheden aan landbouwhuisdieren worden toegediend:
a. diergeneesmiddelen die
testosteron, progesteron en derivaten daarvan bevatten, die bij de
hydrolyse na resorptie op de toedieningsplaats gemakkelijk weer de
stamverbinding opleveren, in het kader van een therapeutische
behandeling, toegediend in de vorm van een injectie of, voor de
behandeling van stoornissen aan de eierstokken, door middel van
spiraaltjes of vergelijkbare toedieningsvormen;
b. diergeneesmiddelen die
allyltrenbolon voor orale toediening of β-agonisten bevatten,
voor toediening aan paardachtigen, in het kader van een
therapeutische behandeling;
c. diergeneesmiddelen die β-agonisten
bevatten voor de toediening aan vrouwelijke runderen ter
behandeling van tocolyse tijdens het kalven, toegediend in de vorm
van een injectie;
d. diergeneesmiddelen met
oestrogene, androgene of gestagene werking, met uitzondering van
17-β-oestradiol, voor de toediening in het kader van
zoötechnische behandeling als bedoeld in artikel 1, tweede lid,
onderdeel c, onder i, van richtlijn nr. 96/22/EG.
3.In afwijking van artikel 46, eerste
lid, van het besluit mogen diergeneesmiddelen met androgene werking
aan jonge aquacultuurdieren worden toegediend gedurende de eerste drie
maanden met het oog op geslachtsverandering.
4.Het bepaalde in het tweede lid is
niet van toepassing op de registratie van diergeneesmiddelen aan
gebruiksdieren en aan dieren die bestemd zijn voor de mesterij, met
inbegrip van voor de fokkerij afgeschreven dieren.
5.Het bepaalde in het tweede lid is
niet van toepassing op substanties:
a. met hormonale en depotwerking;
b. hormonale werking waarvan de
wachttermijn meer dan 15 dagen na beëindiging van de behandeling
bedraagt;
c. die β-agonisten bevatten en
waarvan de wachttermijn meer dan 28 dagen na beëindiging van de
behandeling bedraagt;
d. waarvan de gebruiksvoorwaarden
niet bekend zijn, of
e. waarvan reagentia of het nodige
materiaal voor analysemethoden waarmee de aanwezigheid van
residuen boven de toegestane maxima kan worden aangetoond, niet
voorhanden zijn.
Artikel 82
Als substanties als bedoeld in artikel 44
van de wet worden aangewezen:
a. stilbenen, stilbeenderivaten,
zouten en de esters daarvan;
b. somatotropines;
c. substanties die kunnen worden
gebruikt voor de bereiding van diergeneesmiddelen welke zijn
aangewezen ingevolge artikel 29 van de wet;
d. substanties die niet zijn
opgenomen in bijlage I, II of III bij verordening (EEG) nr. 2377/90
of, indien en voor zover de in artikel 27, eerste lid, van
verordening (EG) nr. 470/2009 bedoelde verordening in werking is
getreden en de bijlagen bij verordening (EEG) nr. 2377/90 niet
langer van toepassing zijn, substanties die niet in een lijst zijn
ingedeeld overeenkomstig artikel 14, tweede lid, onderdeel a, b of c
van verordening (EG) nr. 470/2009;
e. entstoffen voor honden en katten
die een niet-geïnactiveerd hondsdolheidvirus bevatten;
f. substanties met thyreostatische,
oestrogene, androgene of gestagene werking;
g. β-agonisten.
Hoofdstuk VI. Bepalingen met betrekking
tot gemedicineerde voeders
Artikel 83
Het bestuur van het Productschap
Diervoeder verleent vergunningen als bedoeld in artikel 33 van de
Diergeneesmiddelenwet.
Artikel 83a
Het is verboden gemedicineerde voeders
aan houders van dieren af te leveren zonder recept van een dierenarts.
Hoofdstuk VII. Bepalingen met betrekking
tot smetstoffen
Artikel 84
Als smetstoffen als bedoeld in artikel
37, eerste lid, van de wet worden aangewezen alle smetstoffen die gevaar
opleveren voor de gezondheid van dieren met uitzondering van
smetstoffen, die tevens infectie- of parasitaire ziekten bij mensen
kunnen veroorzaken.
Artikel 85
Als instellingen van wetenschap of
onderzoek als bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de wet worden
aangewezen:
a. Centraal Instituut voor
DierziekteControle Lelystad;
b. Faculteit der Diergeneeskunde
Universiteit Utrecht;
c. Rijksinstituut voor
Volksgezondheid en Milieuhygiëne.
Hoofdstuk VIII. Bepalingen met betrekking
tot de administratie
§ 1. Administratie door de houder van
een vergunning
Artikel 86
1. Een houder van een vergunning voor
het bereiden van diergeneesmiddelen als bedoeld in artikel 21 van de
wet voert een administratie inzake iedere transactie met
diergeneesmiddelen.
2. De administratie, bedoeld in het
eerste lid, inzake de aflevering van diergeneesmiddelen aan een houder
van een vergunning voor het afleveren van diergeneesmiddelen als
bedoeld in artikel 21 van de wet, bevat de kopieën van facturen met
daarop of daarbij ten minste de volgende gegevens:
a. datum van de transactie;
b. benaming en, in voorkomend
geval, het registratienummer van het diergeneesmiddel;
c. partijnummer;
d. afgeleverde hoeveelheid, en
e. naam en adres van de ontvanger.
3. De administratie, bedoeld in het
tweede lid, heeft tevens betrekking op de grondstoffen die door de
houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, worden
gebruikt.
Artikel 87
1. Een houder van een vergunning voor
het afleveren van diergeneesmiddelen als bedoeld in artikel 21 van de
wet voert een administratie inzake iedere transactie met
diergeneesmiddelen.
2. De administratie, bedoeld in het
eerste lid, inzake de aankoop van diergeneesmiddelen bevat de facturen
behorende bij de ontvangst met daarop of daarbij ten minste de
volgende gegevens:
a. datum van de transactie;
b. benaming en, in voorkomend
geval, het registratienummer van het diergeneesmiddel;
c. partijnummer;
d. uiterste gebruiksdatum;
e. ontvangen hoeveelheid;
f. naam van de leverancier;
3. De administratie, bedoeld in het
eerste lid, inzake de aflevering van diergeneesmiddelen aan een
dierenarts, een apotheker onderscheidenlijk een persoon als bedoeld
artikel 30, tweede lid, onderdeel f, van de wet, bevat de kopieën van
facturen met daarop of daarbij ten minste de volgende gegevens:
a. datum van de transactie;
b. benaming en, in voorkomend
geval, het registratienummer van het diergeneesmiddel;
c. partijnummer;
d. uiterste gebruiksdatum;
e. afgeleverde hoeveelheid, en
f. naam en adres van de ontvanger.
4. De administratie, bedoeld in het
eerste lid, inzake de aflevering van diergeneesmiddelen aan een houder
van een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet, bevat:
a. een betaalbewijs, voor zover het
een transactie tegen betaling betreft, en
b. een bewijs voor aflevering met
de gegevens, bedoeld in het derde lid.
5. De administratie, bedoeld in het
eerste lid, inzake de aflevering van diergeneesmiddelen waarop de
bepalingen van hoofdstuk IV van de wet van toepassing zijn en
diergeneesmiddelen waarvoor een wachttermijn geldt, aan een houder van
dieren bevat:
a. het recept, bedoeld in artikel
97, voor zover een recept is uitgeschreven, en
b. kopieën van facturen met daarop
of daarbij ten minste de volgende gegevens:
1°. datum van de transactie;
2°. benaming en, in voorkomend
geval, het registratienummer van het diergeneesmiddel;
3°. partijnummer;
4°. afgeleverde hoeveelheid,
en
5°. naam en adres van de
ontvanger of uniek bedrijfsnummer van de locatie waarop de
dieren gehouden worden.
Artikel 88
1. Een houder van een vergunning voor
het afleveren van diergeneesmiddelen als bedoeld in artikel 21 van de
wet houdt ten minste éénmaal per kalenderjaar een nauwkeurige
controle van de administratie, bedoeld inartikel 87, eerste lid, door
vergelijking van de ontvangen en afgeleverde diergeneesmiddelen met de
aanwezige voorraden, ten bewijze waarvan een verslag wordt gemaakt dat
in elk geval de geconstateerde verschillen bevat.
2. De administratie, bedoeld in de
artikelen 86, tweede lid, en 87, derde en vierde lid, de bescheiden
die verband houden met de aantekeningen in de administratie en het
verslag, bedoeld in het vorige lid, worden gedurende drie jaar
bewaard.
3. De administratie, bedoeld in het
artikel 87, vijfde lid, en de bescheiden die verband houden met de
aantekeningen in de administratie worden gedurende vijf jaar bewaard.
4. De administratie, bedoeld in artikel
87, tweede lid, wordt gedurende drie jaar bewaard, voor zover deze
betrekking heeft op de ontvangst van diergeneesmiddelen die vervolgens
worden afgeleverd aan degene, bedoeld in artikel 87, derde
onderscheidenlijk vierde lid.
5. De administratie, bedoeld in artikel
87, tweede lid, wordt gedurende vijf jaar bewaard, voor zover deze
betrekking heeft op de ontvangst van diergeneesmiddelen die vervolgens
worden afgeleverd aan degene, bedoeld in artikel 87, vijfde lid.
Artikel 89
1. Een houder van een vergunning als
bedoeld in artikel 33 van de wet voor het bereiden of afleveren van
gemedicineerde voeders, voert een administratie inzake iedere
transactie met gemedicineerde voeders.
2. De administratie, bedoeld in het
eerste lid, bevat:
a. het recept, bedoeld in artikel
98, en
b. bewijzen, waaronder de facturen
bij de ontvangst en de kopieën van facturen voor de aflevering,
met ten minste de volgende gegevens:
1°. aard en hoeveelheid van de
bereide en afgeleverde gemedicineerde diervoeders;
2°. aard en hoeveelheid van de
gemedicineerde diervoeders die op het bedrijf opgeslagen zijn,
3°. aard en hoeveelheid van de
diervoeders, de voormengsels met medicinale werking en de
halffabricaten met medicinale werking die bij de bereiding van
gemedicineerde voeders zijn gebruikt,
4°. naam en adres van de
ontvanger, en
5°. naam en adres van de
dierenarts door wie het recept voor het gemedicineerd voeder
werd uitgeschreven.
3. In de administratie worden de
gegevens, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 3, voor elk
voormengsel met medicinale werking, voor elk halffabricaat met
medicinale werking en voor elk gemedicineerd voeder afzonderlijk
vermeld.
4. De administratie en de bescheiden
die verband houden met de aantekeningen in de administratie worden
gedurende drie jaar bewaard.
Paragraaf 2. Administratie door de
dierenarts, de apotheker en aangewezen personen
Artikel 90
1. Een dierenarts voert een
administratie inzake transacties met diergeneesmiddelen waarop de
bepalingen van hoofdstuk IV van de wet van toepassing zijn en
diergeneesmiddelen waarvoor een wachttermijn geldt.
2. De administratie, bedoeld in het
eerste lid, inzake de ontvangst van diergeneesmiddelen bevat de
facturen met daarop of daarbij ten minste de volgende gegevens:
a. datum van de transactie;
b. benaming en, in voorkomend
geval, het registratienummer van het diergeneesmiddel;
c. partijnummer;
d. ontvangen hoeveelheid;
e. naam van de leverancier;
3. De administratie, bedoeld in het
eerste lid, inzake het voorschrijven van diergeneesmiddelen door een
dierenarts die deze niet zelf aflevert, bevat een afschrift van het
door de dierenarts opgestelde recept, bedoeld in artikel 97.
4. De administratie, bedoeld in het
eerste lid, inzake de aflevering van diergeneesmiddelen bevat:
a. voor zover een recept als
bedoeld in artikel 97 is uitgeschreven, een afschrift van dat
recept en
b. kopieën van facturen met daarop
of daarbij ten minste de volgende gegevens:
1°. datum van de transactie;
2°. benaming en, in voorkomend
geval, het registratienummer van het diergeneesmiddel;
3°. partijnummer;
4°. afgeleverde hoeveelheid,
en
5°. naam en adres van de
ontvanger of uniek bedrijfsnummer van de locatie waarop de
dieren worden gehouden.
5. Het vierde lid is van
overeenkomstige toepassing op de toediening van diergeneesmiddelen
door de dierenarts, met dien verstande dat in onderdeel b, onder 4,
onder afgeleverde hoeveelheid wordt verstaan toegediende hoeveelheid.
6. Voor zover een apotheker de
transacties, bedoeld in het eerste lid, verricht, zijn het eerste,
tweede en vierde lid van overeenkomstige toepassing.
7. Voor zover een persoon als bedoeld
in artikel 30, tweede lid, onderdeel f, van de wet, de transacties,
bedoeld in het eerste lid, verricht, zijn het eerste, tweede en vierde
lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 91
1. Een dierenarts houdt bij toediening
aan een voedselproducerend dier van een diergeneesmiddel dat
overeenkomstig artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van de wet is
bereid, onderscheidenlijk een diergeneesmiddel als bedoeld in artikel
22 van het besluit, gedurende vijf jaar in een register als bedoeld in
artikel 11, vierde lid, van richtlijn nr. 2001/82/EG de volgende
gegevens bij:
a. de datum waarop de dieren werden
onderzocht;
b. naam en adres van de houder van
de dieren;
c. het aantal behandelde dieren;
d. de diagnose;
e. de diergeneeskundige motivering
voor de toediening van het diergeneesmiddel;
f. de voorgeschreven
diergeneesmiddelen;
g. de toegediende dosering;
h. de duur van de behandeling;
i. de vastgestelde wachttermijnen.
2. De administratie van een dierenarts
inzake het voorschrijven van diergeneesmiddelen die bestemd zijn om
als zodanig aan dieren te worden vervoederd in de vorm van
gemedicineerde voeders, bevat een afschrift van het door de dierenarts
opgestelde recept, bedoeld in artikel 98.
Artikel 92
1. Onverminderd het bepaalde in artikel
90, tekent de dierenarts bij toediening aan een voedselproducerend
dier van een diergeneesmiddel als bedoeld in artikel 90, eerste lid,
of 91, eerste of tweede lid, in de administratie van de houder van
dieren aan:
a. de datum van de behandeling met
diergeneesmiddelen voor zover door de dierenarts uitgevoerd;
b. benaming en, in voorkomend
geval, registratienummer van het diergeneesmiddel;
c. de identificatie van de
behandelde dieren;
d. de in acht te nemen
wachttermijn.
2. Indien het diergeneesmiddel, bedoeld
in artikel 90 een stof is als bedoeld in bijlage II bij richtlijn nr.
96/22/EG, waarvan toediening is toegestaan op grond van artikel 4 van
die richtlijn, tekent de dierenarts, onverminderd het bepaalde in het
eerste lid, in de administratie, bedoeld in het eerste lid, tevens
aan:
a. het doel van de behandeling;
b. de wijze van toediening van het
diergeneesmiddel.
3. De administratie, bedoeld in artikel
90, eerste lid, en artikel 91, tweede lid, en de bescheiden die
verband houden met de aantekeningen in de administratie worden
gedurende vijf jaar bewaard.
4. Voor zover de toediening, bedoeld in
het eerste lid, van een diergeneesmiddel als bedoeld in artikel 90,
eerste lid, geschiedt door een persoon als bedoeld in artikel 30,
tweede lid, onderdeel f, zijn het eerste, tweede en vierde lid van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 93
1. Voorafgaand aan de toepassing van
een diergeneesmiddel als bedoeld in artikel 22 van het besluit,
informeert de dierenarts de houder van dieren over de toepassing van
middelen in afwijking van de in de registratiebeschikking vermelde
toepassing en over de mogelijk daaraan verbonden risico’s.
2. Onverminderd het bepaalde in de
artikelen 90, 91 en 92, meldt de dierenarts bij aflevering of bij het
voorschrijven van diergeneesmiddelen waarop de bepalingen van
hoofdstuk IV van de wet van toepassing zijn en diergeneesmiddelen
waarvoor een wachttermijn geldt, schriftelijk aan de houder van de
dieren waarvoor de diergeneesmiddelen bestemd zijn en die gehouden
worden voor de productie van levensmiddelen:
a. naam en hoeveelheid van het
afgeleverde diergeneesmiddel, en
b. de in acht te nemen
wachttermijn.
3. Onverminderd het bepaalde in de
artikelen 90, 91 en 92, maakt de dierenarts, in het geval een
diergeneesmiddel waarop de bepalingen van hoofdstuk IV van de wet van
toepassing zijn of een diergeneesmiddel waarvoor een wachttermijn
geldt, geheel of gedeeltelijk verloren gaat, aantekening van de
verloren gegane hoeveelheid, onder vermelding van datum van verlies en
de wijze van verloren gaan.
Artikel 94
1. Onverminderd het bepaalde in de
artikelen 90, 91 en 92, voert de dierenarts, bedoeld in artikel 34, in
het geval door hem een niet in Nederland geregistreerd
diergeneesmiddel is toegepast of afgeleverd, een administratie die de
volgende gegevens bevat:
a. de behandelde dieren;
b. naam en adres van de houder van
de dieren;
c. de gestelde diagnose;
d. het toegepaste en afgeleverde
diergeneesmiddel alsmede de voorgeschreven dosis;
e. de duur van de behandeling;
f. de door de dierenarts opgegeven
wachttermijn, indien voor het betrokken diergeneesmiddel een
wachttermijn in acht moet worden genomen.
2. De dierenarts, bedoeld in artikel
34, houdt de administratie, bedoeld in het eerste lid, gedurende drie
jaren beschikbaar en toont deze op eerste afroep aan de ingevolge
artikel 17, eerste lid, onderdeel 2, van de Wet op de economische
delicten met de opsporing belaste personen of aan ambtenaren, bedoeld
in artikel 99.
Artikel 95
Dierenartsen noteren de bijzonderheden
van een behandeling met stoffen als bedoeld in artikel 80a, in hoofdstuk
IX van het identificatiedocument voor paardachtigen, bedoeld in
verordening (EG) nr. 504/2008.
Paragraaf 3. Administratie door de houder
van dieren
Artikel 96
1. Een houder van dieren die de dieren
houdt voor de productie van levensmiddelen voert een administratie
inzake transacties met diergeneesmiddelen waarop de bepalingen van
hoofdstuk IV van de wet van toepassing zijn en diergeneesmiddelen
waarvoor een wachttermijn geldt, in welke administratie de volgende
documenten en gegevens zijn opgenomen:
a. voor zover een recept als
bedoeld in artikel 97 is opgesteld, een gewaarmerkt afschrift van
dat recept;
b. de facturen bij aankoop van
diergeneesmiddelen;
c. een lijst met de data van de
uitgevoerde behandelingen met diergeneesmiddelen en de
registratienummers van deze diergeneesmiddelen, voor zover de
behandelingen door de houder zijn uitgevoerd;
d. de identificatie van de
behandelde dieren;
e. de vastgestelde wachttermijn,
voor zover deze niet reeds op een recept als bedoeld in onderdeel
a, is vermeld;
f. de aantekeningen, bedoeld in
artikel 92, eerste lid, van de dierenarts of van de persoon als
bedoeld in artikel 30, tweede lid, onderdeel f, van de wet.
2. De houder van dieren, bedoeld in het
eerste lid, kan de administratie, bedoeld in het eerste lid, doen
uitvoeren in de door de dierenarts overeenkomstig de artikelen 90 en
91 te voeren administratie.
3. In het geval een diergeneesmiddel
als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk verloren gaat,
tekent de houder van dieren, bedoeld in het eerste lid, in zijn
administratie de verloren gegane hoeveelheid aan, onder vermelding van
de naam van het diergeneesmiddel, de datum van verlies en de wijze van
verloren gaan.
4. Een houder van dieren die de dieren
houdt voor de productie van levensmiddelen voert een administratie
inzake transacties met gemedicineerd voeder,in welke administratie de
volgende gegevens zijn opgenomen:
a. een gewaarmerkt afschrift van
een recept als bedoeld in artikel 96, en, voor zover dit niet
reeds op dat afschrift is vermeld:
b. naam en hoeveelheid van het
voorgeschreven gemedicineerde voeder;
c. de datum waarop het
gemedicineerde voeder werd voorgeschreven;
d. de in acht te nemen
wachttermijn;
e. in het geval het gemedicineerde
voeder geheel of gedeeltelijk verloren gaat, aantekening van de
verloren gegane hoeveelheid, onder vermelding van datum van
verlies en de wijze van verloren gaan.
5. De administratie, bedoeld in het
eerste, derde en vierde lid, en de bescheiden die verband houden met
de aantekeningen in de administratie, worden gedurende vijf jaar
bewaard.
Paragraaf 4. Recept
Artikel 97
1. Het recept voor een diergeneesmiddel
bevat in ieder geval de informatie, bedoeld in artikel 42a, eerste
lid, van het besluit, in de volgorde als in dat lid bepaald.
2. Een recept heeft een geldigheidsduur
van twee weken na de datum van uitschrijven, bedoeld in artikel 42a,
eerste lid, onderdeel a, van het besluit.
3. Een diergeneesmiddel wordt door
houders van een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet voor
het afleveren van diergeneesmiddelen en apothekers niet afgeleverd na
verloop van de periode, bedoeld in het tweede lid.
4. Het derde lid is niet van toepassing
op diergeneesmiddelen als bedoeld inartikel 77a, eerste lid,
onderdelen a tot en met d.
5. In het recept is de hoeveelheid af
te leveren diergeneesmiddelen beperkt tot hetgeen noodzakelijk is om
de beoogde behandeling of therapie uit te kunnen voeren:
a. in een periode van maximaal
één maand of
b. in geval het diergeneesmiddelen
als bedoeld in artikel 77a, eerste lid, onderdelen a tot en met d,
betreft, in een periode van maximaal één jaar.
6. Houders van een vergunning als
bedoeld in artikel 21 van de wet, en apothekers maken van iedere
levering die betrekking heeft op een deel van het recept, aantekening
op het recept, onder vermelding van de datum.
Artikel 98
1. Het recept voor de aflevering van
gemedicineerd voeder aan een houder van dieren, bedoeld in artikel 95,
derde lid, wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage A bij richtlijn
nr. 90/167/EEG en bestaat uit een origineel en drie afschriften.
2. Het origineel en één afschrift van
het recept zijn bestemd voor de bereider van het voorgeschreven
gemedicineerde voeder.
3. De overige twee afschriften van het
recept zijn bestemd voor de dierenarts en de houder van de dieren.
4. De bereider, bedoeld in het tweede
lid, overlegt het afschrift, bedoeld in het tweede lid, aan de houder
van de dieren bij de aflevering van het voorgeschreven gemedicineerde
voeder.
5. Een recept geeft slechts recht op
een eenmalige behandeling met het voorgeschreven gemedicineerde voeder
binnen een termijn van drie maanden na dagtekening van het recept.
Hoofdstuk IX. Toezicht
§ 1. Aanwijzing ambtenaren belast met
toezicht op de naleving
Artikel 99
Als ambtenaren als bedoeld in artikel 52,
eerste lid, van de wet worden aangewezen:
a. ambtenaren van de Algemene
Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit;
b. ambtenaren van de Voedsel en Waren
Autoriteit van het Ministerie van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit;
c. ambtenaren van de Inspectie voor
de Gezondheidszorg van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport voor zover het betreft het toezicht op de naleving van:
1°. het bepaalde bij of
krachtens hoofdstuk III van de wet;
2°. het bepaalde bij of
krachtens hoofdstuk II van de wet ten aanzien van goede
laboratoriumpraktijken als bedoeld in Bijlage I, Inleiding en
algemene beginselen, onderdeel 6, van richtlijn nr. 2001/82/EG;
d. ambtenaren van de Belastingdienst
bevoegd inzake douane.
§ 2. Aanwijzing instelling
monsteronderzoek
Artikel 100
Als instellingen als bedoeld in artikel
57, eerste lid, van de wet worden aangewezen:
a. RIKILT – instituut voor
voedselveiligheid; onderdeel van Wageningen UR;
b. Laboratorium Voedsel en
Warenautoriteit regio Oost;
c. het Centraal Veterinair Instituut;
d. Rijksinstituut voor
volksgezondheid en milieu;
e. TNO Voeding;
f. laboratorium van de
gezondheidsdienst voor dieren B.V..
Hoofdstuk X. Bepalingen met betrekking
tot retributies
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 101
1.Voor door het Bureau op grond van
deze regeling verzonden nota’s geldt een betalingstermijn van twee
weken, gerekend vanaf de datering van de nota’s.
2.Indien twee weken na de datering van
de in het eerste lid bedoelde nota het verschuldigde niet is voldaan,
kan ten aanzien van de schuldenaar worden bepaald, zolang het
verschuldigde niet is voldaan, dat het verrichten van werkzaamheden of
het leveren van materialen slechts kan geschieden indien een door de
minister goed te keuren bankinstelling zich voor twee jaar borg stelt
voor de uit dien hoofde verschuldigde bedragen.
3.Voor de bestaande vorderingen kan
worden overgegaan tot gerechtelijke invordering.
4.Voor zover verschuldigd wordt de
omzetbelasting geacht in het tarief te zijn begrepen.
Artikel 102
1.Als kosten als bedoeld in artikel 79,
tweede lid, van het besluit worden aangemerkt de kosten van:
a. het onderzoek naar de redenen
voor de aanwezigheid van residuen in de onderzochte monsters op
enig bedrijf waar de bemonsterde dieren of producten van afkomstig
zijn of kunnen zijn;
b. het nemen van monsters;
c. de analyse van de genomen
monsters;
d. overige onderzoeken.
2.De kosten, bedoeld in het eerste lid,
worden door de minister in rekening gebracht en zijn, in voorkomend
geval, opgebouwd uit de volgende componenten:
a. de laboratoriumkosten;
b. de met de analyse van de
monsters gemoeide verzendkosten;
c. de administratiekosten;
d. de verblijfskosten van de bij de
werkzaamheden betrokkenen;
e. de reiskosten van de bij de
werkzaamheden betrokkenen;
f. een bedrag per uur per met de
werkzaamheden belaste persoon;
g. overige kosten die verband
houden met de werkzaamheden.
3.Indien kosten in rekening worden
gebracht ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Regeling verbod
handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten kan het in
het eerste lid bedoelde bedrag in rekening gebracht worden tezamen met
de ingevolge die regeling in rekening te brengen kosten.
§ 2. Retributies met betrekking tot de
registratie van diergeneesmiddelen
Artikel 103
De vergoeding, bedoeld in artikel 3 van
het besluit, bedraagt € 522.
Artikel 104 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 105
Ingeval het diergeneesmiddel is bedoeld
om mede of uitsluitend te worden toegepast bij voedselproducerende
dieren bedragen de kosten voor het in behandeling nemen van een
aanvraag, inclusief de kosten van het onderzoek, bedoeld in artikel 3,
tweede lid, onderdeel b, van de wet:
a. € 21.965 voor een aanvraag als
bedoeld in Hoofdstuk II, paragraaf 2, indien aan elk van de volgende
voorwaarden is voldaan:
1°. artikel 4, zesde lid, van
het besluit en artikel 6, onderdeel a, zijn niet van toepassing;
2°. de registratie vindt niet
plaats overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr. 2001/82/EG;
b. € 34.972 voor een aanvraag als
bedoeld in Hoofdstuk II, paragraaf 2, indien aan elk van de volgende
voorwaarden is voldaan:
1°. artikel 4, zesde lid, van
het besluit en artikel 6, onderdeel a, zijn niet van toepassing;
2°. de registratie vindt plaats
overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr. 2001/82/EG, waarbij
Nederland referentielidstaat is;
c. € 5.707 voor een aanvraag als
bedoeld in Hoofdstuk II, paragraaf 2, indien aan elk van de volgende
voorwaarden is voldaan:
1°. artikel 4, eerste tot en met
vijfde lid, van het besluit en artikel 6, onderdeel a, zijn van
toepassing;
2°. artikel 4, zesde lid, van
het besluit is niet van toepassing;
3°. de registratie vindt niet
plaats overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr. 2001/82/EG;
d. € 8.959 voor een aanvraag als
bedoeld in Hoofdstuk II, paragraaf 2, indien aan elk van de volgende
voorwaarden is voldaan:
1°. artikel 4, eerste tot en met
vijfde lid, van het besluit en artikel 6, onderdeel a, zijn van
toepassing;
2°. artikel 4, zesde lid, van
het besluit is niet van toepassing;
3°. de registratie vindt plaats
overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr. 2001/82/EG, waarbij
Nederland referentielidstaat is;
e. € 21.965 voor een aanvraag tot
registratie van een homeopathisch diergeneesmiddel, voorzover de
registratie plaatsvindt overeenkomstig artikel 10;
f. € 14.378 voor een aanvraag als
bedoeld in artikel 32, tweede lid, van richtlijn nr. 2001/82/EG,
waarbij Nederland wordt verzocht als referentielidstaat op te
treden, indien de aanvraag die aan de verleende registratie is
voorafgegaan aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:
1°. artikel 4, zesde lid, van
het besluit en artikel 6, onderdeel a, waren niet van
toepassing;
2°. de registratie heeft niet
plaatsgevonden overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr.
2001/82/EG;
3°. uit de aanvraag blijkt niet
dat de registratie mede was bestemd om te worden erkend in een
volgende lidstaat, als bedoeld in artikel 32 van richtlijn nr.
2001/82/EG;
g. € 4.025 voor een aanvraag als
bedoeld in artikel 32, tweede lid, van richtlijn nr. 2001/82/EG,
waarbij Nederland wordt verzocht als referentielidstaat op te
treden, indien de aanvraag die aan de verleende registratie is
voorafgegaan aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:
1°. artikel 4, eerste tot en met
vijfde lid, van het besluit en artikel 6, onderdeel a, waren van
toepassing;
2°. artikel 4, zesde lid, van
het besluit was niet van toepassing;
3°. de registratie heeft niet
plaatsgevonden overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr.
2001/82/EG;
4°. uit de aanvraag blijkt niet
dat de registratie mede was bestemd om te worden erkend in een
volgende lidstaat, als bedoeld in artikel 32 van richtlijn nr.
2001/82/EG;
h. € 13.628 voor een aanvraag als
bedoeld in Hoofdstuk II, paragraaf 2, indien aan elk van de volgende
voorwaarden is voldaan:
1°. artikel 4, zesde lid, van
het besluit en artikel 6, onderdeel a, zijn niet van toepassing;
2°. de registratie vindt plaats
overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr. 2001/82/EG, waarbij
Nederland geen referentielidstaat is;
i. € 3.623 voor een aanvraag als
bedoeld in Hoofdstuk II, paragraaf 2, indien aan elk van de volgende
voorwaarden is voldaan:
1°. artikel 4, eerste tot en met
vijfde lid, van het besluit en artikel 6, onderdeel a, zijn van
toepassing;
2°. artikel 4, zesde lid, van
het besluit is niet van toepassing;
3°. de registratie vindt plaats
overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr. 2001/82/EG, waarbij
Nederland geen referentielidstaat is;
j. € 4.480 voor een aanvraag als
bedoeld in artikel 32, tweede lid, van richtlijn nr. 2001/82/EG,
indien voldaan is aan elk van de volgende voorwaarden:
1°. Nederland is
referentielidstaat;
2°. de aanvraag heeft betrekking
op een diergeneesmiddel dat reeds eerder op grond van artikel 32
van richtlijn nr. 2001/82/EG is geregistreerd;
3°. met de aanvraag wordt beoogd
een eerder verleende registratie als bedoeld in onderdeel 2°,
uit te breiden naar andere lidstaten;
k. € 1.344 voor een aanvraag als
bedoeld in Hoofdstuk II, paragraaf 2, indien artikel 4, zesde lid,
van het besluit van toepassing is.
Artikel 106
Ingeval het diergeneesmiddel is bedoeld
om uitsluitend te worden toegepast bij andere dan voedselproducerende
dieren, bedragen de kosten voor het in behandeling nemen van een
aanvraag, inclusief de kosten van het onderzoek, bedoeld in artikel 3,
tweede lid, onderdeel b, van de wet:
a. € 14.378 voor een aanvraag als
bedoeld in Hoofdstuk II, paragraaf 2, indien aan elk van de volgende
voorwaarden is voldaan:
1°. artikel 4, zesde lid, van
het besluit en artikel 6, onderdeel a, zijn niet van toepassing;
2°. de registratie vindt niet
plaats overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr. 2001/82/EG;
b. € 24.133 voor een aanvraag als
bedoeld in Hoofdstuk II, paragraaf 2, indien aan elk van de volgende
voorwaarden is voldaan:
1°. artikel 4, zesde lid, van
het besluit en artikel 6, onderdeel a, zijn niet van toepassing;
2°. de registratie vindt plaats
overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr. 2001/82/EG, waarbij
Nederland referentielidstaat is;
c. € 5.707 voor een aanvraag als
bedoeld in Hoofdstuk II, paragraaf 2, indien aan elk van de volgende
voorwaarden is voldaan:
1°. artikel 4, eerste tot en met
vijfde lid, van het besluit en artikel 6, onderdeel a, zijn van
toepassing;
2°. artikel 4, zesde lid, van
het besluit is niet van toepassing;
3°. de registratie vindt niet
plaats overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr. 2001/82/EG;
d. € 8.959 voor een aanvraag als
bedoeld in Hoofdstuk II, paragraaf 2, indien aan elk van de volgende
voorwaarden is voldaan:
1°. artikel 4, eerste tot en met
vijfde lid, van het besluit en artikel 6, onderdeel a, zijn van
toepassing;
2°. artikel 4, zesde lid, van
het besluit is niet van toepassing;
3°. de registratie vindt plaats
overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr. 2001/82/EG, waarbij
Nederland referentielidstaat is;
e. € 5.707 voor een aanvraag tot
registratie van een homeopathisch diergeneesmiddel, voorzover de
registratie plaatsvindt overeenkomstig artikel 9;
f. € 2.456 voor een aanvraag tot
registratie van een homeopathisch diergeneesmiddel, voorzover de
registratie plaatsvindt overeenkomstig artikel 10;
g. € 11.127 voor een aanvraag als
bedoeld in artikel 32, tweede lid, van richtlijn nr. 2001/82/EG,
waarbij Nederland wordt verzocht als referentielidstaat op te
treden, indien de aanvraag die aan de verleende registratie is
voorafgegaan aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:
1°. artikel 4, zesde lid, van
het besluit en artikel 6, onderdeel a, waren niet van
toepassing;
2°. de registratie heeft niet
plaatsgevonden overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr.
2001/82/EG;
3°. uit de aanvraag blijkt niet
dat de registratie mede was bestemd om te worden erkend in een
volgende lidstaat, als bedoeld in artikel 32 van richtlijn nr.
2001/82/EG;
h. € 3.163 voor een aanvraag als
bedoeld in artikel 32, tweede lid, van richtlijn nr. 2001/82/EG,
waarbij Nederland wordt verzocht als referentielidstaat op te
treden, indien de aanvraag die aan de verleende registratie is
voorafgegaan aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:
1°. artikel 4, eerste tot en met
vijfde lid, van het besluit en artikel 6, onderdeel a, waren van
toepassing;
2°. artikel 4, zesde lid, van
het besluit was niet van toepassing;
3°. de registratie heeft niet
plaatsgevonden overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr.
2001/82/EG;
4°. uit de aanvraag blijkt niet
dat de registratie mede was bestemd om te worden erkend in een
volgende lidstaat, als bedoeld in artikel 32 van richtlijn nr.
2001/82/EG;
i. € 8.626 voor een aanvraag als
bedoeld in Hoofdstuk II, paragraaf 2, indien aan elk van de volgende
voorwaarden is voldaan:
1°. artikel 4, zesde lid, van
het besluit en artikel 6, onderdeel a, zijn niet van toepassing;
2°. de registratie vindt plaats
overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr. 2001/82/EG, waarbij
Nederland geen referentielidstaat is;
j. € 3.623 voor een aanvraag als
bedoeld in Hoofdstuk II, paragraaf 2, indien aan elk van de volgende
voorwaarden is voldaan:
1°. artikel 4, eerste tot en met
vijfde lid, van het besluit en artikel 6, onderdeel a, zijn van
toepassing;
2°. artikel 4, zesde lid, van
het besluit is niet van toepassing;
3°. de registratie vindt plaats
overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr. 2001/82/EG, waarbij
Nederland geen referentielidstaat is;
k. € 4.480 voor een aanvraag als
bedoeld in artikel 32, tweede lid, van richtlijn nr. 2001/82/EG,
indien voldaan is aan elk van de volgende voorwaarden:
1°. Nederland is
referentielidstaat;
2°. de aanvraag heeft betrekking
op een diergeneesmiddel dat reeds eerder op grond van artikel 32
van richtlijn nr. 2001/82/EG is geregistreerd;
3°. met de aanvraag wordt beoogd
een eerder verleende registratie als bedoeld in onderdeel 2°,
uit te breiden naar andere lidstaten;
l. € 1.344 voor een aanvraag als
bedoeld in Hoofdstuk II, paragraaf 2, indien artikel 4, zesde lid,
van het besluit van toepassing is.
Artikel 106a
1.De kosten voor het in behandeling
nemen van een aanvraag, inclusief de kosten van het onderzoek, bedoeld
in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de wet, bedragen € 4.457
voor een aanvraag als bedoeld in artikel 14.
2.In afwijking van het eerste lid
bedragen de kosten € 896, indien het diergeneesmiddel dat betrokken
wordt uit een andere lidstaat en het diergeneesmiddel waarvoor reeds
een registratie is verleend, beide zijn vervaardigd door dezelfde
fabrikant of door fabrikanten die vennootschapsrechtelijk of
contractueel met elkaar verbonden zijn.
Artikel 106b
De kosten voor het in behandeling nemen
van een aanvraag tot wijziging van een registratie als bedoeld in
Hoofdstuk II, paragraaf 5, inclusief de kosten van het onderzoek,
bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de wet, bedragen:
a. € 8.626 voor een aanvraag tot
een ingrijpende wijziging, indien deze niet heeft plaatsgevonden
overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr. 2001/82/EG;
b. € 8.626 voor een aanvraag tot
een ingrijpende wijziging, indien deze heeft plaatsgevonden
overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr. 2001/82/EG, waarbij
Nederland referentielidstaat is geweest;
c. € 8.626 voor een aanvraag tot
een ingrijpende wijziging, indien deze heeft plaatsgevonden
overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr. 2001/82/EG, waarbij
Nederland geen referentielidstaat is geweest;
d. € 1.956 voor een aanvraag tot
een kleine wijziging van de tweede categorie, indien de te wijzigen
registratie niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 32 van
richtlijn nr. 2001/82/EG;
e. € 1.956 voor een aanvraag tot
een kleine wijziging van de tweede categorie, indien de te wijzigen
registratie heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 32 van
richtlijn nr. 2001/82/EG, waarbij Nederland referentielidstaat is
geweest.
Artikel 106c
1.De kosten voor het in behandeling
nemen van een aanvraag tot wijziging van een registratie als bedoeld
in Hoofdstuk II, paragraaf 5, bedragen:
a. € 336 voor een aanvraag tot
een ingrijpende wijziging, indien voldaan is aan elk van de
volgende voorwaarden:
1° er vindt geen onderzoek als
bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de wet
plaats;
2° de aanvraag heeft niet
plaatsgevonden overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr.
2001/82/EG;
b. € 1.568 voor een aanvraag tot
een ingrijpende wijziging, indien voldaan is aan elk van de
volgende voorwaarden:
1° er vindt geen onderzoek als
bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de wet
plaats;
2° de aanvraag heeft
plaatsgevonden overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr.
2001/82/EG, waarbij Nederland referentielidstaat is geweest;
c. € 448 voor een aanvraag tot
een ingrijpende wijziging, indien voldaan is aan elk van de
volgende voorwaarden:
1° er vindt geen onderzoek als
bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de wet
plaats;
2° de aanvraag heeft
plaatsgevonden overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr.
2001/82/EG, waarbij Nederland geen referentielidstaat is
geweest;
d. € 336 voor een aanvraag tot
een kleine wijziging van de tweede categorie, indien voldaan is
aan elk van de volgende voorwaarden:
1° er vindt geen onderzoek als
bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de wet
plaats;
2° de aanvraag heeft niet
plaatsgevonden overeenkomstig 32 van richtlijn nr. 2001/82/EG;
e. € 1.568 voor een aanvraag tot
een kleine wijziging van de tweede categorie, indien voldaan is
aan elk van de volgende voorwaarden:
1° er vindt geen onderzoek als
bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de wet
plaats;
2° de aanvraag heeft
plaatsgevonden overeenkomstig 32 van richtlijn nr. 2001/82/EG,
waarbij Nederland referentielidstaat is geweest;
f. € 448 voor een aanvraag tot
een kleine wijziging van de tweede categorie, indien voldaan is
aan elk van de volgende voorwaarden:
1° er vindt geen onderzoek als
bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de wet
plaats;
2° de aanvraag heeft
plaatsgevonden overeenkomstig 32 van richtlijn nr. 2001/82/EG,
waarbij Nederland geen referentielidstaat is geweest;
g. € 336 voor een aanvraag tot
een kleine wijziging van de eerste categorie, indien voldaan is
aan elk van de volgende voorwaarden:
1° er vindt geen onderzoek als
bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de wet
plaats;
2° de aanvraag heeft niet
plaatsgevonden overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr.
2001/82/EG;
h. € 1.568 voor een aanvraag tot
een kleine wijziging van de eerste categorie, indien voldaan is
aan elk van de volgende voorwaarden:
1° er vindt geen onderzoek als
bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de wet
plaats;
2° de aanvraag heeft
plaatsgevonden overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr.
2001/82/EG, waarbij Nederland referentielidstaat is geweest;
i. € 448 voor een aanvraag tot
een kleine wijziging van de eerste categorie, indien voldaan is
aan elk van de volgende voorwaarden:
1° er vindt geen onderzoek als
bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de wet
plaats;
2° de aanvraag heeft
plaatsgevonden overeenkomstig artikel 32 van richtlijn nr.
2001/82/EG, waarbij Nederland geen referentielidstaat is
geweest.
2.Indien door één aanvrager
uitsluitend met het oog op een zelfde wijziging van verschillende
registraties gelijktijdig meer dan één aanvraag tot een kleine
wijziging van de eerste categorie wordt ingediend, bedragen de kosten,
bedoeld in het eerste lid, onderdelen g, h en i, in totaal niet meer
dan € 2.990.
Artikel 106d
De kosten voor het in behandeling nemen
van een aanvraag tot verlenging van een registratie als bedoeld in
artikel 15 bedragen:
a. € 288, indien de te verlengen
registratie niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 32 van
richtlijn nr. 2001/82/EG;
b. € 4.480, indien de te verlengen
registratie heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 32 van
richtlijn nr. 2001/82/EG, waarbij Nederland referentielidstaat is
geweest;
c. € 288, indien de te verlengen
registratie heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 32 van
richtlijn nr. 2001/82/EG, waarbij Nederland geen referentielidstaat
is geweest.
Artikel 107
De kosten van de werkzaamheden, bedoeld
in artikel 24, bedragen € 3.450.
Artikel 108 [Vervallen per 01-07-2009]
§ 3. Retributies met betrekking tot
partijkeuring van sera, entstoffen en biologische diagnostica
Artikel 109
1.Ingeval de partijkeuring tevens een
experimentele keuring betreft, bedragen de kosten voor de aanvraag tot
keuring van een partij, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet:
a. € 4.697 voor sera en
entstoffen voor pluimvee;
b. € 5.479 voor sera en
entstoffen voor schaap of geit;
c. € 6.262 voor sera en
entstoffen voor varken, hond of kat;
d. € 10.437 voor sera en
entstoffen voor rund of paard;
e. € 1.826 voor sera en
entstoffen voor overige dieren;
f. € 1.826 voor alle biologische
diagnostica
2.Ingeval geen experimentele keuring
noodzakelijk is of indien ten aanzien van het betrokken
diergeneesmiddel reeds eerder een zodanige keuring heeft plaatsgehad,
waarbij goedkeuring plaatsvond, danwel een verklaring wordt overgelegd
waaruit blijkt dat een partij een experimentele keuring heeft
ondergaan in een andere lidstaat en is goedgekeurd, bedragen de kosten
voor de administratieve behandeling van de aanvraag tot keuring van
een partij, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet, € 224.
§ 4. Retributies met betrekking tot de
vergunning tot het bereiden, verpakken, etiketteren en afleveren van een
diergeneesmiddel
Artikel 110
1.De kosten verbonden aan de
behandeling van een aanvraag van een vergunning, bedoeld in artikel 21
van de wet bedragen € 261.
2.De kosten van een aanvraag tot
wijziging van een vergunning bedragen € 104.
Artikel 111
De kosten verbonden aan een onderzoek ter
plaatse als bedoeld in artikel 24, onderdeel b, van de wet bedragen
indien de aanvraag betrekking heeft op het:
a. bereiden, etiketteren of verpakken
van diergeneesmiddelen € 1.044 per halve dag;
b. afleveren van diergeneesmiddelen
€ 261 per halve dag.
Artikel 112
De kosten van een inspectie als bedoeld
in artikel 25, derde lid, van de wet bedragen € 1.044 per halve dag.
§ 5. Retributies met betrekking tot het
gebruik van diergeneesmiddelen in een proefstadium
Artikel 113
De kosten verbonden aan de behandeling
van de aanvraag, bedoeld in artikel 114 bedragen:
a. voor de administratieve
behandeling van de aanvraag een bedrag van € 288;
b. voor de beoordeling van de
aanvraag een bedrag van € 1.150;
c. voor de administratieve
behandeling van aanvragen tot wijziging of verlenging een bedrag van
€ 288.
§ 6. Retributies met betrekking tot een
verzoek tot certificering
Artikel 113a
De kosten verbonden aan de behandeling
van een verzoek tot certificering als bedoeld in artikel 75 bedragen €
56.
Hoofdstuk XI. Overige bepalingen
§ 1. Bepalingen over het gebruik van
diergeneesmiddelen in een proefstadium
Artikel 114
1.Een aanvraag om toestemming als
bedoeld in artikel 75, eerste lid, van het besluit wordt ingediend bij
het Bureau.
2.Een aanvraag wordt ingediend door een
in een lidstaat gevestigd persoon.
Artikel 115
1.Een aanvraag als bedoeld in artikel
114 bestaat uit een dossier waarvan het aanvraagformulier deel
uitmaakt.
2.Aanvraagformulieren als bedoeld in
het eerste lid zijn op aanvraag verkrijgbaar bij het Bureau.
Artikel 116
Een besluit omtrent toestemming als
bedoeld in artikel 114 wordt genomen binnen 60 dagen na ontvangst van de
aanvraag.
§ 2. Wijziging andere regelingen
Artikel 117
[Wijzigt de Regeling verbod handel met
bepaalde stoffen behandelde dieren en producten.]
§ 3. Overgangsbepalingen
Artikel 118
1.In afwijking van artikel 2, eerste
lid, van de wet en onverminderd het bepaalde in het tweede lid,
onderdeel b, van dat artikel, is het toegestaan een diergeneesmiddel,
waarvoor voor 1 mei 1987 een registratie is aangevraagd doch deze door
de aanvrager schriftelijk werd ingetrokken of waarvan de beslissing
tot het niet-ontvankelijk verklaren van de aanvraag dan wel tot
afwijzing van de aanvraag onherroepelijk is geworden, te bereiden
voorhanden of in voorraad te hebben, af te leveren of bij dieren toe
te passen, mits ten aanzien van vorenstaande gevallen niet
uitdrukkelijk anders wordt beslist, gedurende de in het tweede lid
gestelde periode.
2.De in het eerste lid bedoelde periode
bedraagt:
a. zes maanden voor het bereiden,
voorhanden of in voorraad hebben ten behoeve van het afleveren in
het geval een aanvraag is ingetrokken dan wel de termijn
waarbinnen het beroep kon worden ingesteld is verstreken of de
termijn waarbinnen beroep kon worden ingesteld is verstreken of de
beslissing bedoeld in het eerste lid onherroepelijk is geworden;
b. twaalf maanden voor het
bereiden, voorhanden of in voorraad hebben met het oog op het
afleveren of het afleveren ingeval de aanvraag is ingetrokken dan
wel de termijn waarbinnen beroep kon worden ingesteld is
verstreken of wel de beslissing bedoeld in het eerste lid
onherroepelijk is geworden;
c. twaalf maanden voor het
voorhanden of in voorrad hebben met het oog op het toepassen of
het toepassen bij dieren ingeval de aanvraag is ingetrokken dan
wel de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld is
verstreken of de beslissing bedoeld in het eerste lid
onherroepelijk is geworden.
3.De in het tweede lid bedoelde periode
is van overeenkomstige toepassing op het voorhanden of in voorraad,
afleveren en toepassen van een diergeneesmiddel, waarvoor en afgeleide
registratie of en registratie als parallel-geïmporteerd
diergeneesmiddel van het in het eerste lid bedoelde diergeneesmiddel
is aangevraagd.
Artikel 119
Van een beslissing als bedoeld in artikel
118, eerste lid, wordt nadat de termijn van beroep is verstreken dan wel
de beslissing onherroepelijk is geworden door het Bureau mededeling
gedaan in de Staatscourant waarbij ook wordt vermeld op welk
diergeneesmiddel, waarvoor een afgeleide registratie of een registratie
als parallel-geïmporteerd diergeneesmiddel werd aangevraagd, de
regeling toepassing vindt.
Artikel 120
Het is slechts toegestaan een
diergeneesmiddel waarvan de registratie is ingetrokken of een beslissing
als bedoeld in artikel 118, eerste lid, is genomen, gedurende de in het
tweede lid, onderdeel c, van dat artikel bedoelde periode bij dieren toe
te passen, voor zover de toepassing geschiedt overeenkomstig de bij de
aanvraag tot registratie verstrekte gegevens.
Artikel 121
De artikelen 118 tot en met 120 zijn niet
van toepassing op diergeneesmiddelen waarvoor voor de bekendmaking van
de onderhavige regeling in de Staatscourant een aparte voorziening is
getroffen.
Artikel 121a
Tot 1 januari 2008 is het fabrikanten, in
afwijking van artikel 62, onderdeel f en artikel 66, onderdeel a,
toegestaan de volgende aanduidingen niet te vermelden:
a. diergeneesmiddel, uitsluitend op
recept afleveren;
b. geneesmiddel voor diergeneeskundig
gebruik, uitsluitend op recept afleveren, of
c. uitsluitend op recept afleveren,
dan wel ‘U.R.A.’.
Artikel 121b
Tot en met 1 juli 2008 kunnen houders van
een vergunning voor het afleveren van diergeneesmiddelen als bedoeld in
artikel 21, eerste lid, van de wet, dierenartsen en apothekers primaire
verpakkingen en, in voorkomend geval, buitenverpakkingen van
diergeneesmiddelen bedoeld in artikel 77a afleveren, voorhanden en in
voorraad hebben waarop, in afwijking van de artikelen 62, onderdeel f en
66, onderdeel a, de volgende aanduidingen niet zijn vermeld:
a. diergeneesmiddel, uitsluitend op
recept afleveren, of
b. geneesmiddel voor diergeneeskundig
gebruik, uitsluitend op recept afleveren, of
c. diergeneesmiddel, ‘U.R.A.’, of
d. geneesmiddel voor diergeneeskundig
gebruik, ‘U.R.A’.
Artikel 121c
In afwijking van artikel 77a, eerste lid,
is het toegestaan de in dat artikel bedoelde diergeneesmiddelen tot en
met 1 juli 2008 zonder recept van een dierenarts af te leveren aan
houders van dieren.
Artikel 121d
Tot en met 15 december 2008 is het
fabrikanten, in afwijking van artikel 62, onderdeel f, en artikel 66,
onderdeel a, toegestaan op de primaire verpakking en, in voorkomend
geval, op de buitenverpakking van diergeneesmiddelen als bedoeld in
artikel 77, eerste lid, onderdeel n, de volgende aanduidingen niet te
vermelden:
a. diergeneesmiddel, uitsluitend
aflevering door de dierenarts of op recept van de dierenarts door de
apotheker;
b. geneesmiddel voor diergeneeskundig
gebruik, uitsluitend aflevering door de dierenarts of op recept van
de dierenarts door de apotheker, of
c. uitsluitend aflevering door de
dierenarts of op recept van de dierenarts door de apotheker, dan wel
‘U.D.A.’.
Artikel 121e
Tot en met 15 juni 2009 kunnen houders
van een vergunning voor het afleveren van diergeneesmiddelen als bedoeld
in artikel 21, eerste lid, van de wet, personen die diergeneesmiddelen
als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b, van het besluit
afleveren, dierenartsen en apothekers primaire verpakkingen en, in
voorkomend geval, buitenverpakkingen van diergeneesmiddelen als bedoeld
in artikel 77, eerste lid, onderdeel n, afleveren, voorhanden en in
voorraad hebben waarop in afwijking van artikel 62, onderdeel f en
artikel 66, onderdeel a, de volgende aanduidingen niet zijn vermeld:
a. diergeneesmiddel, uitsluitend
aflevering door de dierenarts of op recept van de dierenarts door de
apotheker;
b. geneesmiddel voor diergeneeskundig
gebruik, uitsluitend aflevering door de dierenarts of op recept van
de dierenarts door de apotheker, of
c. uitsluitend aflevering door de
dierenarts of op recept van de dierenarts door de apotheker, dan wel
‘U.D.A.’.
Artikel 121f
In afwijking van artikel 30, derde lid,
onderdeel b, van de wet, is het apothekers tot en met 15 juni 2009
toegestaan diergeneesmiddelen als bedoeld in artikel 77, eerste lid,
onderdeel n, zonder recept van een dierenarts af te leveren aan houders
van dieren.
§ 4. Intrekking van andere regelingen
Artikel 122
1.De volgende regelingen worden
ingetrokken:
a. Regeling van de Minister van
Landbouw en Visserij van 23 april 1987, houdende de Regeling
verboden substanties voor houders van dieren (Stcrt. 80);
b. Regeling van de Minister van
Landbouw en Visserij van 13 juli 1987, houdende de
vrijstellingsregeling voor additieven van verplichtingen van
artikel 8 Eisen – en Controlebesluit vergunningen
diergeneesmiddelen (Stcrt. 134);
c. Regeling van de Staatssecretaris
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 21 september 1993,
houdende vaststelling Regeling medebewind vergunningverlening
artikel 33 (Stcrt. 190);
d. Regeling van de Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 23 januari 1990, houdende
de uitvoering regeling administratievoorschriften
Diergeneesmiddelen (Stcrt. 26);
e. Regeling van de Staatssecretaris
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 24 augustus 1993,
houdende inwerkingtreding artikelen Regeling
administratievoorschriften Diergeneesmiddelenwet (Scrt. 165);
f. Algemene uitverkoop- en
opgebruikregeling;
g. Kanalisatieregeling
diergeneesmiddelen en –gemedicineerde voeders;
h. Regeling aanwijzing smetstoffen;
i. Regeling administratieve
voorschriften ingevolge Diergeneesmiddelenwet;
j. Regeling gebruik hormonen en
β-agonisten;
k. Regeling partijkeuring;
l. Regeling registratie
diergeneesmiddelen 1995;
m. Regeling verboden substanties
voor houders van dieren;
n. Regeling vergunningen
diergeneesmiddelen;
o. Vrijstellingsregeling artikel 2
Diergeneesmiddelenwet 1999;
p. Vrijstellingsregeling
diergeneesmiddelen voor EEG-dierenartsen;
q. Vrijstellingsregeling
ectoparasiticiden;
r. Vrijstellingsregeling
gemedicineerd voeder;
s. Vrijstellingsregeling ten
behoeve van dierproeven;
t. Vrijstelling vergunningplicht
dierenartsen bij gemedicineerd voeder.
2.De volgende besluiten worden
ingetrokken:
a. Beschikking van de
Staatssecretaris van Landbouw en Visserij van 26 mei 1986, nr. J.
1774, houdende aanwijzing als instellingen van wetenschap of
onderzoek Diergeneesmiddelenwet (Stcrt. 101);
b. Beschikking van de Minister van
Landbouw en Visserij van 25 september 1987, nr. J. 1291, houdende
aanwijzing toezichthoudende ambtenaren ex artikel 52
Diergeneesmiddelenwet (Stcrt. 187);
c. Besluit aanwijzing laboratoria
voor monsteronderzoek Diergeneesmiddelenwet.
§ 5. Overgangsbepalingen
Artikel 122a
Op aanvragen om kleine wijzigingen van de
eerste of tweede categorie en ingrijpende wijzigingen, waarop nog geen
besluit is genomen op 1 januari 2010, wordt beslist met toepassing van
het recht zoals dat gold onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip.
Hoofdstuk XII. Slotbepalingen
Artikel 123
1.Deze regeling treedt in werking met
ingang van de datum van inwerkingtreding van het
Diergeneesmiddelenbesluit.
2.In afwijking van het eerste lid,
treedt artikel 15, eerste lid, in werking met ingang van 30 april
2006.
Artikel 124
Deze regeling wordt aangehaald als:
Diergeneesmiddelenregeling.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.P. Veerman.
Bijlage I bij artikel 29
Lijst van substanties als bedoeld in
artikel 19, onderdeel f, van het besluit
Acium aceticum (tot en met 30%)
Acidum hydrochloricum dilutum
Adeps lanae hydrosus
Aether cum Spritu
Alcohol alle sterkten
Ammonia (tot en met 10%)
Aqua Aurantil Ploris
Aqua Foeniculi
Aquz Hamamelidis
Aqua Menthae pipertae
Aqua Rosae
Argenti
Nitra in bacilis
Collodium
Collodium cum Oleo Ricini
Glycerium
Glycerium cum Solutio Camphorae
spirituosa
Liquor Formaldehydi saponatus
Lotio contra Pytyriasin
Paraformaldehydi tabletten
Pulvis Acidi Salicylici cum Talco
Sapo aromaticus
Solutio Camphorae spirituosa
Solutio Formaldehydi (tot en met 10%)
Solutio Hydrogenii Peroxydi (tot en met
3%)
Solutio Iodii spirituosa 2% (buisje
max. 3 ml.)
Spiritus dilitus cum Acido salicylico
1%
Spiritus Ketonatus dilitus cum Mentholo
2%
Spiritus saponatus
Succus Liquiritiae
Succus Liquiritiae of Succus
Liquiritiae deglycyrrhizinatus gemengd met Amomonii Chloridum
Talcum cum Mentholo 2%
Bijlage II bij artikel 51, eerste lid,
onder a
Lijst van de basisvakken, bedoeld in
artikel 51, eerste lid, onderdeel a
– experimentele natuurkunde,
– algemene en anorganische
scheikunde,
– organische scheikunde,
– analytische scheikunde,
– farmaceutische scheikunde, met
inbegrip van geneesmiddelenanalyse,
– algemene en toegepaste (medische)
biochemie,
– fysiologie,
– microbiologie,
– farmacologie,
– farmaceutische technologie,
– toxicologie,
– farmacognosie (studie van de
samenstelling en van de werking van de werkzame bestanddelen van
natuurlijke stoffen van plantaardige of dierlijke oorsprong).
Bijlage III bij artikel 78, tweede lid
Lijst van diergeneesmiddelen, waarop
het UDD-regime niet van toepassing is
1. Entstoffen
a. entstoffen, uitsluitend bestemd
voor bedrijfsmatig gehouden pelsdieren, vissen en pluimvee;
b. entstoffen voor kanaries ter
preventie van kanariepokken;
c. sera en entstoffen welke zijn
verwerkt in gemedicineerd voeder, voor zover die verwerking is
toegestaan.
2. Hormoonpreparaten
a. Hormoonpreparaten met een
gestagene, oestragene of androgene werking, uitsluitend geschikt
en bestemd voor orale toepassing bij honden of katten in een
verpakking die ten hoogste 30 gebruikseenheden bevat;
b. diergeneesmiddelen met androgene
werking die uitsluitend bestemd zijn voor de behandeling van jonge
vissen gedurende de eerste drie maanden met het oog op
geslachtsverandering;
c. hormoonpreparaten met een
gestagene, oestrogene of androgene werking die zijn bestemd als
anticonceptiva of voor bronstsynchronisatie, met uitzondering van
17-β-oestradiol.
3. Overig
a. vloeistof voor intraveneuze
toediening uitsluitend bestemd voor het rund, welke vloeistof als
werkzame bestanddelen uitsluitend calcium en magnesium bevat in
een hoeveelheid van ten hoogste 500 ml;
b. diergeneesmiddelen die als
werkzaam bestanddeel lidocaïne bevatten, bestemd voor
epiduraalanesthesie bij embryotomie, voor zover het toepassen
daarvan geschiedt door dierverloskundigen in het kader van de hun
daartoe ingevolge artikel 5 van de Wet op de uitoefening van de
Diergeneeskunst verleende vergunning dan wel door castreurs in het
kader van de hun daartoe ingevolge artikel 6 van de Wet op de
uitoefening van de Diergeneeskunst verleende vergunning;
c. diergeneesmiddelen die
uitsluitend als werkzaam bestanddeel xylazine bevatten ten behoeve
van toepassing van castratie, voor zover het toepassen daarvan
geschiedt door castreurs in het kader van de hun daartoe ingevolge
artikel 6 van de Wet op de uitoefening van de Diergeneeskunst
verleende vergunning;
d. diergeneesmiddelen die als
werkzaam bestanddeel β-agonisten bevatten, voor zover zij
uitsluitend bestemd zijn voor toediening aan andere diersoorten
dan runderen.
BIJLAGE IV BIJ ARTIKEL 78, DERDE LID,
ONDERDEEL B, EN VIERDE LID, ONDERDEEL B
Voorwaarden, waaronder het UDD-regime
niet van toepassing is op entstoffen onderscheidenlijk immunologische
diergeneesmiddelen
1. In deze bijlage wordt verstaan
onder:
a. entstof: entstof als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, Diergeneesmiddelenwet en artikel 78,
derde lid, onderdeel b, van de regeling;
b. immunologisch
diergeneesmiddel: immunologisch diergeneesmiddel als bedoeld in
artikel 1, onderdeel i, en artikel 78, derde lid, onderdeel b,
van de regeling;
c. overeenkomst: overeenkomst als
bedoeld in artikel 78, derde lid, onderscheidenlijk vierde lid,
van de regeling;
d. dierenarts: dierenarts die
partij is bij de overeenkomst;
e. NEN-EN 45004: algemene
criteria voor het functioneren van verschillende soorten
instellingen die keuringen uitvoeren, uitgegeven door het
Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidden op 1
oktober 1996.
2. De entstof onderscheidenlijk het
immunologisch diergeneesmiddel is geregistreerd overeenkomstig het
bepaalde bij en krachtens artikel 3 van de Diergeneesmiddelenwet.
3. De overeenkomst:
a. is schriftelijk vastgelegd;
b. verplicht de houder ertoe om:
1°. De entstoffen,
antimicrobiële diergeneesmiddelen onderscheidenlijk de
immunologische diergeneesmiddelen uitsluitend af te nemen
van de dierenarts of een apotheker op recept van de
dierenarts;
2°. De dierenarts toegang te
verschaffen tot alle lokaliteiten waar door de houder
varkens worden gehouden en inzage te verschaffen in het
logboek, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de
Diergeneesmiddelenwet;
c. verplicht beide partijen ertoe
om zich ten minste eenmaal per jaar te laten controleren op het
nakomen van de in deze bijlage opgenomen voorwaarden door een
instelling die:
1°. voldoet aan NEN-EN
45004;
2°. door de Stichting Raad
voor Accreditatie te Utrecht is geaccrediteerd voor het
uitvoeren van inspecties op varkenshouderijen;
3°. onverwijld de Algemene
Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit op de hoogte brengt van een geconstateerde
overtreding van die voorwaarden door de dierenarts of de
houder; en
d. voorziet in ontbinding van de
overeenkomst ingeval niet wordt voldaan aan de
controleverplichting, bedoeld in onderdeel c.
4. De dierenarts:
a. schrijft entstoffen,
antimicrobiële diergeneesmiddelen, onderscheidenlijk
immunologische diergeneesmiddelen, voor een periode van ten
hoogste vier weken voor;
b. bezoekt ten minste eenmaal per
vier weken alle lokaliteiten waar door de houder varkens worden
gehouden, waarbij in elk geval het volgende wordt onderzocht:
1°. de noodzaak tot het
toepassen van de entstoffen, antimicrobiële
diergeneesmiddelen, onderscheidenlijk immunologische
diergeneesmiddelen;
2°. nakoming van de
verplichting, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de wet;
c. maakt een verslag van elk
bezoek als bedoeld in onderdeel b en bewaart dat verslag tot ten
minste één jaar na de datum van het bezoek;
d. schoolt de kennis, benodigd
voor de uitvoering van de in dit punt genoemde taken, ten minste
eenmaal per twee jaar bij.
5. De houder:
a. heeft zich voorafgaand aan de
eerste toediening laten scholen in het verantwoord toepassen van
de entstoffen, onderscheidenlijk immunologische
diergeneesmiddelen, bij varkens en in het omgaan met eventuele
complicaties bij varkens na toepassing van entstoffen,
onderscheidenlijk immunologische diergeneesmiddelen;
b. bewaart de entstof, het
antimicrobiële diergeneesmiddel, onderscheidenlijk het
immunologisch diergeneesmiddel, en dient deze, onderscheidenlijk
dit, bij varkens toe overeenkomstig de aanwijzingen van de
dierenarts;
c. beschikt uitsluitend over
entstoffen, antimicrobiële diergeneesmiddelen,
onderscheidenlijk immunologische diergeneesmiddelen, die zijn
afgeleverd door de dierenarts of door een apotheker op recept
van de dierenarts;
d. beschikt uitsluitend over
entstoffen, antimicrobiële diergeneesmiddelen onderscheidenlijk
immunologische diergeneesmiddelen gedurende de periode, bedoeld
in punt 4, onderdeel a.
Bijlage V. Bij artikel 80, eerste lid
Lijst van instellingen als bedoeld
Universiteit Utrecht, Faculteit
Diergeneeskunde, Yalelaan 1, 3584 CL Utrecht.
Universiteit Utrecht, Gemeenschappelijk
Dierenlaboratorium, Heidelberglaan 8, 3584 CS Utrecht.
Wageningen Universiteit, Vakgroep
Dierfysiologie, Haarweg 10, 6709 PJ Wageningen.
Wageningen Universiteit,
Proefdierakkommodatie Zodiac, Marijkeweg 40, 6709 PG Wageningen.
Wageningen Universiteit, Centrum Kleine
Proefdieren, De Dreijen 12, 6703 BC Wageningen.
Universiteit van Amsterdam,
Gemeenschappelijk Diereninstituut, Meibergdreef 31, 1105 AZ Amsterdam.
Klinisch Dierexperimenteel
Laboratorium, Vrije Universiteit, Van der Boechorststraat 7, 1081 BT
Amsterdam.
TNO Defensie en Veiligheid, Lange
Kleiweg 151, 2288 GJ Rijswijk.
TNO Defensie en Veiligheid, Lange
Kleiweg 151, 2288 GJ Rijswijk.
BPRC, Lange Kleiweg 151, 2288 GJ
Rijswijk.
TNO kwaliteit van Leven, Herenstraat
5d, 2313 AD Leiden.
Universiteit Leiden, Faculteit der
Geneeskunde, Wassenaarseweg 62, 2333 AL Leiden.
Universiteit Leiden, Faculteit der
Wiskunde en Natuurwetenschappen, Subfaculteit Biologie, Wassenaarseweg
80, 2333 AL Leiden.
Leids Universitair Medisch Centrum,
Centraal Proefdierenbedrijf, Rijnsburgerweg 10, 2333 AA Leiden.
Centraal Dierenlaboratorium, UMC St
Radboud, Geert Grooteplein Noord 29, 6525 EZ Nijmegen.
Technische Universiteit Twente,
Vakgroep Bio-informatica, faculteit Elektrotechniek, Drienerlolaan 5,
7522 NB Enschede.
Centrale Proefdiervoorzieningen van de
Universiteit Maastricht, Biomedisch Centrum, Universiteitssingel 50
101, 6229 ER Maastricht.
Erasmus MC, Centraal
Proefdierenbedrijf, Dr. Molewaterplein 50, 3015 GE Rotterdam.
Koninklijke Nederlandse Akademie van
Wetenschappen, Hubrecht Lab., Ned. Inst. voor Ontwikkelingsbiologie,
Uppsalalaan 8, 3584 CT Utrecht.
Erasmus MC, Dr. Molewaterplein 40, 3015
GD Rotterdam.
Proefstation voor de Rundveehouderij,
de Schapenhouderij en de Paardenhouderij (P.R.), Runderweg 6, 8219 PK
Lelystad.
Centraal Veterinair Instituut,
Houtribweg 39, 8221 RA Lelystad
Nederlands Vaccin Instituut, Antonie
van Leeuwenhoeklaan 9, 3721 MA Bilthoven.
Rijks-Kwaliteitsinstituut voor Land- en
Tuinbouwprodukten (RIKILT). Bornsesteeg 45, 6708 PD Wageningen.
Gezondheidsdienst voor Dieren BV,Arnsbergstraat
7, 7418 EZ Deventer.
TNO Kwaliteit van Leven, Utrechtseweg
48, 3704 HE Zeist.
TNO Kwaliteit van Leven, Lange Kleiweg
139, 2288 GJ Rijswijk (ZH).
Rijks Universiteit Groningen, Faculteit
der Wiskunde en Natuurwetenschappen, Biologisch Centrum, Kerklaan 30,
9751 NN Haren.
Rijks Universiteit Groningen, Faculteit
der Geneeskunde, Centraal Dieren Laboratorium, A. Deusinghlaan 50,
9713 AZ Groningen.
Academisch Ziekenhuis, Apotheek,
Oostersingel 59, 9713 EZ Groningen.
Nederlands Instituut voor
Hersenonderzoek, Meibergdreef 33, 1105 AZ Amsterdam.
Het Nederlands Kankerinstituut,
Plesmanlaan 121, 1066 CC Amsterdam.
Farma Research B.V., Adelbertusplein 1,
6525 EK Nijmegen
|
|
|