BESLUIT van 11 oktober 2000, houdende sociaal-hygiënische
eisen
waaraan inrichtingen ingevolge artikel 10 van de Drank- en Horecawet
moeten voldoen (Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport van 6 juli 2000, kenmerk GZB/GZ 2.084.060;
Gelet op artikel 10 van de Drank- en Horecawet;
De Raad van State gehoord (advies van 11 augustus 2000,
nr.
W13.00.0278);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport van 2 oktober 2000, met kenmerk GZB/GZ 2.108.414;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemeen
Artikel 1
1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. loopafstand: de afstand, gemeten langs een denkbeeldige, kortst
realiseerbare vloeiend verlopende lijn tussen twee punten, waarover op
een afstand van ten minste 0,30 m van constructie-onderdelen kan
worden gelopen;
b. neringruimte: ruimte binnen een gebouw, welke ruimte in gebruik
is voor het uitoefenen van de kleinhandel of de
zelfbedieningsgroothandel of een van de hierna te noemen activiteiten:
1°. het bedrijfsmatig aan particulieren verkopen van goederen in
het kader van een openbare verkoping, als bedoeld in artikel 1 van
de Wet ambtelijk toezicht bij openbare verkopingen;
2°. het bedrijfsmatig aanbieden van diensten;
3°. het bedrijfsmatig verhuren van goederen;
4°. het in het openbaar bedrijfsmatig opkopen van goederen;
c. verbindingslokaliteit: een tot een inrichting waarin het
slijtersbedrijf wordt uitgeoefend behorende lokaliteit in gebruik als
passage tussen een neringruimte en een slijtlokaliteit.
2. In dit besluit worden aan elkaar grenzende ruimten als één
lokaliteit beschouwd, indien zij hetzij verbonden zijn door een
permanente wandopening met een hoogte van ten minste 2,20 m van de vloer
af gemeten en een breedte van ten minste twee/derde van de
scheidingswand met een minimum van 2,40 m, hetzij slechts gescheiden
door een afscheiding van geringere hoogte dan 1,25 m van de vloer af
gemeten.
§ 2. Inrichtingen waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend
Artikel 2
Onverminderd het Bouwbesluit 2003, voldoet een inrichting waarin het
horecabedrijf wordt uitgeoefend, aan de in artikelen 3 tot en met 7 van
het onderhavige besluit vervatte bepalingen.
Artikel 3
Een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, heeft ten
minste één horecalokaliteit met een vloeroppervlakte van ten minste 35
m2.
Artikel 4
Een horecalokaliteit heeft een hoogte van ten minste 2,40 m van de
vloer af gemeten.
Artikel 5
Een horecalokaliteit is voorzien van een rechtstreeks met de
buitenlucht in verbinding staande goed werkende mechanische
ventilatie-inrichting met een luchtverversingscapaciteit van 3,8●10-3
m3/s per m2 vloeroppervlakte.
Artikel 6
1. In een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend
is, opdat op veilige wijze kan worden beschikt over energie, een
voorziening voor elektriciteit aanwezig.
2. In een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend
is, opdat kan worden beschikt over voor de menselijke consumptie en
hygiëne geschikt water, een voorziening voor drinkwater aanwezig.
3. In een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend
is, mede ten behoeve van de bezoekers, een voorziening voor het voeren
van telefoongesprekken aanwezig.
Artikel 7
1. In de onmiddellijke nabijheid van een horecalokaliteit zijn,
ten behoeve van de bezoekers, ten minste twee volledig van elkaar
gescheiden toiletgelegenheden aanwezig.
2. Elke toiletgelegenheid bevat ten minste:
a. een of meer behoorlijke en afsluitbare toiletruimten;
b. een of meer behoorlijke voorzieningen om de handen met stromend
deugdelijk drinkwater te kunnen wassen.
3. De in de toiletruimten aanwezige toiletpotten en urinoirs zijn
voorzien van een waterspoeling.
4. De toiletruimten zijn niet rechtstreeks toegankelijk vanuit
een horecalokaliteit.
§ 3. Inrichtingen waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend
Artikel 8
Onverminderd het Bouwbesluit, voldoet een inrichting waarin het
slijtersbedrijf wordt uitgeoefend, aan de in artikelen 9 tot en met 11
van het onderhavige besluit vervatte bepalingen.
Artikel 9
Een inrichting waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend heeft ten
minste één slijtlokaliteit met een vloeroppervlakte van ten minste 15
m2.
Artikel 10
Een slijtlokaliteit heeft aan alle zijden gesloten wanden met een
hoogte van ten minste 2,40 m van de vloer af gemeten.
Artikel 11
1. Een slijtlokaliteit staat niet rechtstreeks in verbinding
met een neringruimte.
2. Een verbindingslokaliteit heeft aan alle zijden gesloten
wanden met een hoogte van ten minste 2,40 m van de vloer af gemeten.
3. Een verbindingslokaliteit bestemd of mede bestemd voor
bezoekers, heeft ten hoogste één afsluitbare toegang met een breedte
van ten hoogste 2,40 m naar de slijtlokaliteit en ten hoogste één
afsluitbare toegang met een breedte van ten hoogste 2,40 m naar de
neringruimte. De loopafstand tussen de toegang naar de slijtlokaliteit
en de toegang naar de neringruimte bedraagt ten minste 2,00 m.
4. Een verbindingslokaliteit uitsluitend bestemd voor personeel
van het slijtersbedrijf, heeft ten hoogste één afsluitbare toegang met
een breedte van ten hoogste 1,00 m naar de slijtlokaliteit en ten
hoogste één afsluitbare toegang met een breedte van ten hoogste 1,00 m
naar de neringruimte. De loopafstand tussen de toegang naar de
slijtlokaliteit en de toegang naar de neringruimte bedraagt ten minste
1,00 m.
§ 4. Slotbepalingen
Artikel 12
Het Besluit inrichtingseisen Drank- en Horecawet wordt ingetrokken.
Artikel 13
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit eisen inrichtingen Drank-
en Horecawet.
Artikel 14
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de
onderdelen I en N van artikel I van de Wet van 13 april 2000, Stb.
2000, 184,
tot wijziging van de Drank- en Horecawet in werking treden.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 11 oktober 2000
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
Uitgegeven de vierentwintigste oktober 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals