| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Drank- en Horecawet
BESLUIT
EISEN ZEDELIJK GEDRAG DRANK- EN HORECAWET
1999
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 25 augustus 1999, houdende eisen ten aanzien van het
zedelijk gedrag van bedrijfsleiders en beheerders (Besluit eisen
zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport van 29 januari 1999, GZB/GZ 99342;
Gelet op artikel 5, derde lid, van de Drank- en Horecawet;
De Raad van State gehoord (advies van 30 maart 1999,
nr.
W13.99.0048/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport van 18 augustus 1999, GZB/GZ 992987;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Een leidinggevende voldoet aan de in dit besluit gestelde eisen ten
aanzien van het zedelijk gedrag of daaraan gelijkwaardige eisen van een
andere lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische
Ruimte.
Artikel 2
Een leidinggevende is niet met toepassing van artikel 37 van het
Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met
toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter
beschikking gesteld.
Artikel 3
1.Een leidinggevende is niet binnen de laatste vijf jaar wegens
misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
vrijheidsstraf van meer dan zes maanden door de rechter in Nederland,
de Nederlandse Antillen of Aruba.
2.Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid wordt
gelijkgesteld een onherroepelijke veroordeling tot een
onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden door een
andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een
bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid, van
het Wetboek van Strafvordering is toegelaten.
3.Met een veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf als
bedoeld in het eerste lid wordt gelijk gesteld een bevel tot
tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke vrijheidsstraf.
4.De periode van vijf jaar, genoemd in het eerste lid, wordt:
a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de
datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;
b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de
datum van de intrekking van deze vergunning.
Artikel 4
1.Onverminderd artikel 3, is een leidinggevende niet binnen de
laatste vijf jaar bij meer dan één uitspraak onherroepelijk
veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of
tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, onder a, van het
Wetboek van Strafrecht wegens dan wel mede wegens overtreding van:
a. bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet,
de Opiumwet en de Absintwet;
b. bepalingen gesteld bij of krachtens de Wet op de accijns en
de Algemene douanewet, voor zover het betreft alcoholhoudende
dranken;
c. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b , 250ter , 252,
416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
Strafrecht;
d. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 j°
artikel 8 of j° artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;
e. de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de
Wet op de kansspelen;
f. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;
g. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
2.Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, wordt
gelijkgesteld betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74,
tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76,
derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ter
zake van een overtreding als bedoeld in het eerste lid, tenzij de
geldsom € 375 of minder bedraagt.
3.Met een veroordeling tot een onvoorwaardelijke geldboete van €
500 of meer als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld een
bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf.
4.Artikel 3, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5
1.Een leidinggevende is binnen de laatste vijf jaar geen
leidinggevende geweest van een inrichting waarvan de vergunning is
ingetrokken op grond van artikel 31, eerste lid, onder d, van de
Drank- en Horecawet of die voor ten minste een maand is gesloten op
grond van artikel 13b van de Opiumwet of van artikel 174 Gemeentewet
of van een op grond van artikel 149 van de Gemeentewet vastgestelde
verordening, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt
treft.
2.Artikel 3, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6
In afwijking van artikel 3 en 4 gelden, gedurende 5 jaar na
inwerkingtreding van dit besluit, ten aanzien van een leidinggevende die
op de datum van inwerkingtreding van dit besluit vermeld staat op een
vergunning als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Drank- en
Horecawet, voor wat betreft veroordelingen die voor die datum zijn
uitgesproken, de artikelen 3 en 4 van het Besluit eisen zedelijk gedrag
Drank- en Horecawet.
Artikel 7
Het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet wordt
ingetrokken.
Artikel 8
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit eisen zedelijk gedrag
Drank- en Horecawet 1999.
Artikel 9
Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de
tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin het wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 25 augustus 1999
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
Uitgegeven de veertiende september 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|