BESLUIT van 6 maart 2001, houdende regels betreffende de aanleg van
de energie-infrastructuur door anderen dan de netbeheerders van het
desbetreffende gebied (Besluit aanleg energie-infrastructuur)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Staatssecretaris van Economische Zaken van
3 oktober 2000, nr. WJZ 00059434;
Gelet op de artikelen 20 van de Elektriciteitswet 1998 en 39 van de
Gaswet;
De Raad van State gehoord (advies van 17 november 2000, nr.
W10.000464/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van
28 februari 2001, nr. WJZ 01004766;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. energie-infrastructuur: een samenstel van een net als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Elektriciteitswet
1998, een gastransportnet als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel d, van de Gaswet of leidingen voor het transport van
warmte;
b. eisen voor de energie-infrastructuur: het programma van eisen
dat in acht genomen moet worden door de natuurlijke persoon of
rechtspersoon, bedoeld in artikel 5.
Artikel 2
Dit besluit is van toepassing ten aanzien van gebieden waarin
projecten voor de bouw of vernieuwing van ten minste 500 woningen of
woningequivalenten worden ontwikkeld.
Artikel 3
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin een
gebied als bedoeld in artikel 2 is gelegen bepaalt met inachtneming van
het belang van een betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en milieuhygiënisch
verantwoord functionerende energiehuishouding of de aanleg van de
energie-infrastructuur in dat gebied plaatsvindt:
a. door de netbeheerder, bedoeld in de Elektriciteitswet 1998,
voor zover het de aanleg van het net betreft, al dan niet tezamen
met anderen, voor zover het de aanleg van het gastransportnet of
leidingen voor het transport van warmte betreft, dan wel
b. door een natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in
artikel 5.
Artikel 4
1. Indien het college van burgemeester en wethouders, bedoeld
in artikel 3, bepaalt dat een natuurlijke persoon of rechtspersoon als
bedoeld in artikel 5 de energie-infrastructuur zal aanleggen, stelt
het voor dat gebied, met inachtneming van het belang van een
betrouwbare, duurzame, doelmatige en milieuhygiënisch verantwoorde
energievoorziening, de eisen voor de energie-infrastructuur vast.
2. Het college van burgemeester en wethouders bepaalt in de eisen
voor de energie-infrastructuur onder meer binnen welke termijn een begin
wordt gemaakt met de aanleg van de energie-infrastructuur en binnen
welke termijn deze wordt voltooid.
Artikel 5
1. Het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in
artikel 3, bepaalt door middel van een openbare procedure, waarbij
ingeschreven wordt op een opdracht om de energie-infrastructuur van
een gebied als bedoeld in artikel 2 aan te leggen, en met inachtneming
van de eisen voor de energie-infrastructuur welke natuurlijke persoon
of rechtspersoon die energie-infrastructuur mag aanleggen.
2. De opdracht wordt algemeen bekend gemaakt, waarbij een ieder
zich als gegadigde kan inschrijven, dan wel waarbij een ieder zich als
gegadigde kan aanmelden en twee of meer van de gegadigden voor
inschrijving kunnen worden uitgenodigd.
3. Het college van burgemeester en wethouders maakt een keuze uit
de voorstellen voor de aanleg van de energie-infrastructuur met
inachtneming van de eisen voor de energie-infrastructuur en bepaalt op
grond daarvan welke natuurlijke persoon of rechtspersoon de
energie-infrastructuur in het desbetreffende gebied aanlegt.
4. Is overeenkomstig het derde lid bepaald welke natuurlijke
persoon of rechtspersoon de energie-infrastructuur mag aanleggen, dan is
die natuurlijke persoon of rechtspersoon ook daartoe gerechtigd.
Artikel 6
Indien een gemeentebestuur voorafgaande aan de inwerkingtreding van
dit besluit door middel van een openbare procedure, die voldoet aan de
regels, gesteld in de artikelen 4 en 5, heeft bepaald welke natuurlijke
persoon of rechtspersoon de energie-infrastructuur in een gebied in de
gemeente mag aanleggen, dan is die natuurlijke persoon of rechtspersoon
ook daartoe gerechtigd.
Artikel 7
Onze Minister zendt binnen twee jaar na de plaatsing van dit besluit
in het Staatsblad aan de Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk.
Artikel 8
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanleg
energie-infrastructuur.
Artikel 9
Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de
tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 6 maart 2001
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
A. Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven de twintigste maart 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals