BESLUIT van 14 februari 2006, houdende regels inzake voorzieningen in
verband met de leveringszekerheid (Besluit leveringszekerheid
Elektriciteitswet 1998)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van
15 november 2005, nr. WJZ 5712882;
Gelet op de artikelen 16, negende lid, en 95f, tweede lid, van de
Elektriciteitswet 1998 en op de artikelen 10a, vierde lid en 47, tweede
lid, van de Gaswet;
De Raad van State gehoord (advies van 12 januari 2006, nr.
W10.05.0503/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van
8 februari 2006, nr. WJZ 6009332;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: de Elektriciteitswet 1998;
b. kleinverbruiker: in artikel 95a, eerste lid, van de wet
bedoelde afnemer;
c. leveringsvergunning: vergunning, bedoeld in artikel 95a,
eerste lid, van de wet.
Artikel 2
1. De vergunninghouder doet, indien hij voorziet of behoort te
voorzien dat hij niet langer in staat zal zijn om zijn plicht tot
levering van elektriciteit aan zijn kleinverbruikers na te komen of
indien hij surseance van betaling heeft aangevraagd dan wel te zijnen
aanzien faillissement is aangevraagd, daarvan onverwijld mededeling
aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en aan Onze
Minister.
2. Indien een netbeheerder uit de hem ter beschikking staande
gegevens redenen heeft om te vermoeden, dat de continuďteit van de
levering door een vergunninghouder in gevaar komt, meldt hij dat zo
spoedig mogelijk aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet
en aan Onze Minister.
3. De vergunninghouder dan wel, indien aan deze surseance van
betaling is verleend onderscheidenlijk deze failliet is verklaard, de
bewindvoerder en vergunninghouder tezamen, onderscheidenlijk de curator,
plegen op verzoek van Onze Minister overleg met hem en met de
netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet met het oog op zijn
leveringsplicht en de toepassing van dit artikel.
4. Een beschikking tot intrekking van een leveringsvergunning
treedt ten hoogste tien werkdagen na de dag, waarop die beschikking is
genomen, in werking. De vergunninghouder dan wel de bewindvoerder en
vergunninghouder tezamen onderscheidenlijk de curator geeft daarvan
onverwijld bericht aan de kleinverbruikers aan wie hij elektriciteit
levert.
5. Na het tijdstip, waarop een beschikking tot intrekking van een
leveringsvergunning is genomen,
a. zijn de kleinverbruikers van de betrokken vergunninghouder niet
bevoegd hun verbintenis op te schorten, en voert een netbeheerder geen
leverancierswisseling op een na dat tijdstip gedaan verzoek van die
kleinverbruikers uit, tot de inwerkingtreding of intrekking van de
betreffende beschikking;
b. draagt de vergunninghouder dan wel de bewindvoerder en
vergunninghouder tezamen, onderscheidenlijk de curator het bestand aan
kleinverbruikers zo spoedig mogelijk geheel of in gedeelten over aan
één of meer andere vergunninghouders, die de levering van
elektriciteit aan de betrokken kleinverbruikers voortzetten;
c. neemt de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, voor
zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is om te waarborgen dat,
gedurende de periode vanaf het tijdstip waarop de
intrekkingsbeschikking is genomen tot aan het tijdstip waarop zij in
werking treedt of wordt ingetrokken, de levering van elektriciteit aan
de kleinverbruikers kan worden voortgezet, op verzoek van de
vergunninghouder dan wel de bewindvoerder en vergunninghouder tezamen
onderscheidenlijk de curator de betalingsverplichting over met
betrekking tot toelevering van elektriciteit ten behoeve van
kleinverbruikers in die periode.
6. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet draagt er
zorg voor dat de levering van elektriciteit aan kleinverbruikers, die op
het tijdstip waarop de intrekkingsbeschikking in werking treedt nog een
overeenkomst met de betrokken vergunninghouder hebben, met ingang van
dat tijdstip wordt voortgezet door een andere vergunninghouder. Daartoe
coördineert hij de verdeling van die kleinverbruikers over de andere
vergunninghouders en geeft daartoe aanwijzingen aan de netbeheerders. De
aldus aangewezen vergunninghouder zet de levering van elektriciteit aan
de aan hem toegewezen kleinverbruikers vanaf dat tijdstip voort onder
zijn voorwaarden. De verdeling geschiedt naar evenredigheid van het
totale aantal kleinverbruikers dat de andere vergunninghouders reeds
beleveren, tenzij Onze Minister tot een andere wijze van verdeling
besluit. Netbeheerders verstrekken aan de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet de gegevens, die deze nodig heeft voor de uitvoering
van deze taak.
7. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet brengt aan
alle vergunninghouders, naar evenredigheid van het aantal
kleinverbruikers dat zij beleveren, een deel van de te zijnen laste
blijvende kosten, gemaakt ter uitvoering van zijn taak bedoeld in het
vijfde lid, onderdeel c, in rekening. Elke vergunninghouder berekent het
desbetreffende bedrag door aan de kleinverbruikers die hij elektriciteit
levert, waarbij elke kleinverbruiker een gelijk bedrag in rekening wordt
gebracht.
8. Vergunninghouders hanteren in hun overeenkomsten met
kleinverbruikers voorwaarden die in overeenstemming zijn met hetgeen bij
of krachtens de wet is bepaald.
9. De inkoopcontracten van vergunninghouders bevatten geen beding
tot ontbinding van rechtswege van die overeenkomsten ingeval aan de
vergunninghouder surseance van betaling is verleend of deze failliet is
verklaard, dan wel ingeval diens surseance of faillissement is
aangevraagd, dan wel ingeval diens vergunning zal worden ingetrokken,
noch bedingen die het de toeleverende producent of handelaar mogelijk
maken in die gevallen de nakoming van de verbintenis op te schorten of
te ontbinden of onder gewijzigde voorwaarden voort te zetten, een en
ander voor zover betrekking hebbend op de levering van elektriciteit ten
behoeve van kleinverbruikers.
Artikel 3
[Wijzigt het Besluit leveringszekerheid Gaswet]
Artikel 4
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 5
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit leveringszekerheid
Elektriciteitswet 1998.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 14 februari 2006
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
L.J. Brinkhorst
Uitgegeven de tweede maart 2006
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner