| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Elektriciteitswet
1998
REGELING
CERTIFICATEN WARMTEKRACHTKOPPELING ELEKTRICITEITSWET
1998
Tekst zoals deze geldt op
25 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Economische Zaken van 6
juni 2003, nr. WJZ 3019622, tot vaststelling van uitvoeringsregels
omtrent onderzoek installatie, meting en uitgifte van certificaten met
betrekking tot elektriciteit opgewekt door middel van
warmtekrachtkoppeling (Regeling certificaten warmtekrachtkoppeling
Elektriciteitswet 1998)
De Minister
van Economische Zaken;
Gelet op artikel 31, zevende lid, van de
Elektriciteitswet 1998;
Besluit:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet: de Elektriciteitswet 1998;
b. WKK-elektriciteit: de elektriciteit, opgewekt in een
productie-installatie voor warmtekrachtkoppeling die voldoet aan
bijlagen 2 en 3 van de richtlijn, waarbij de
productie-installatie:
1°. bij maximale productie van nuttige warmte, nuttige
warmte en elektriciteit produceert met een verhouding groter
of gelijk aan 0,6;
2°. de installatie voor minimaal 90% op aardgas wordt
gestookt, en
3°. minimaal 90% van de door de productie-installatie
geproduceerde nuttige warmte wordt gebruikt in industriële
processen;
c. gecertificeerd meetbedrijf: een meetbedrijf, niet zijnde een
netbeheerder, dat op grond van de voorwaarden, bedoeld in artikel
31, eerste lid, onderdeel b, van de wet, is toegelaten tot het
verrichten van de in die voorwaarden neergelegde werkzaamheden en
dat de hoeveelheid elektriciteit meet die afkomstig is van een
productie-installatie;
d. WKK-certificaat: de gegevens op een WKK-certificatenrekening,
waarmee wordt aangetoond dat een producent met zijn installatie:
1°. een hoeveelheid WKK-elektriciteit, die een meervoud is
van 1 MWh, zonder emissie van kooldioxide heeft opgewekt en op
een net of een installatie heeft ingevoed, of
2°. een hoeveelheid mechanische energie, die een meervoud
is van 1 MWh, zonder emissie van kooldioxide heeft opgewekt en
heeft aangewend anders dan voor de opwekking van
elektriciteit;
e. WKK-certificatenrekening: de rekening in het systeem van
elektronische gegevensverwerking dat in stand wordt gehouden door
de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en waarmee
wordt bijgehouden voor welke hoeveelheid WKK-elektriciteit
WKK-certificaten zijn verstrekt en aan wie de WKK-certificaten op
enig moment toekomen;
f. meetprotocol: het document waarin beschreven zijn de
bemetering van een installatie voor warmtekrachtkoppeling, de
wijze van meten en de wijze van kwaliteitsborging van de
meetgegevens ten aanzien van de hoeveelheden brandstof die de
installatie verbruikt en de hoeveelheden elektriciteit, warmte en,
voor zover van toepassing, mechanische energie, die de installatie
opwekt;
g. meetrapport: het rapport dat alle meetgegevens van de
desbetreffende kalendermaand bevat;
h. gasmotor: een inwendige explosiemotor met elektrische
ontsteking of compressie-ontsteking;
i. WKK-eenheid: een onderdeel binnen een WKK-installatie dat
zelfstandig gecombineerd warmte en elektriciteit of mechanische
energie opwekt en waarvoor op grond van de WKK-meetvoorwaarden,
opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1, een
systeemgrens is bepaald;
j. productie-installatie: een installatie bestemd voor het
opwekken van elektriciteit, bestaande uit één of meer
WKK-eenheden;
k. systeemgrens van de WKK-installatie: een fictieve, gesloten
omhulling van de WKK-eenheden die deel uitmaken van de
WKK-installatie, welke omhulling voldoet aan hetgeen in de bijlage
bij de beschikking van de Commissie van 19 november 2008 tot
vastlegging van gedetailleerde richtsnoeren voor de
tenuitvoerlegging en toepassing van bijlage II bij Richtlijn
2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 338) is
bepaald ten aanzien van systeemgrenzen;
l. richtlijn: de Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 inzake de
bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar
nuttige warmte binnen de interne energiemarkt en tot wijziging van
Richtlijn 92/42/EEG (PbEU L 52).
2. Voor de toepassing van deze regeling wordt 1 kWh mechanische
energie die nuttig is aangewend anders dan voor de opwekking van
elektriciteit, gelijkgesteld met 1 kWh opgewekte elektriciteit.
Artikel 1a
Deze regeling berust op de artikelen 1, vijfde lid, en 31, negende
lid, van de Elektriciteitswet 1998.
§ 2. Onderzoek installatie voor warmtekrachtkoppeling en meten van
WKK-elektriciteit
Artikel 1b
1. Voor het verkrijgen van WKK-certificaten draagt de producent van
WKK-elektriciteit die een productie-installatie in stand houdt er zorg
voor dat ten aanzien van deze installatie een meetprotocol opgesteld
wordt, dat voldoet aan de WKK-meetvoorwaarden, opgenomen in de bij
deze regeling behorende bijlage 1.
2. De producent laat het meetprotocol vóór de eerste dag van de
kalendermaand waarin hij het verzoek, bedoeld in artikel 2, eerste
lid, indient, goedkeuren door een gecertificeerd meetbedrijf.
Artikel 2
1. Indien een in Nederland gevestigde producent van
WKK-elektriciteit de netbeheerder verzoekt om de vaststelling, bedoeld
in artikel 16, eerste lid, onderdeel h, van de wet, te verrichten,
gebruikt daarbij het formulier dat is opgenomen in de bij deze
regeling behorende bijlage 2.
2. Indien zich achter de aansluiting meerdere
productie-installaties bevinden, bepaalt de producent bij het verzoek
tot vaststelling, bedoeld in het eerste lid, de systeemgrens van
iedere productie-installatie.
3. Een wijziging van de systeemgrens van de productie-installatie
leidt er niet toe dat één of meer WKK-eenheden van de desbetreffende
productie-installatie gaan behoren aan een andere
productie-installatie.
4. Naar aanleiding van het verzoek stelt de netbeheerder vast:
a. of de installatie een productie-installatie voor het
opwekken van WKK-elektriciteit is en, indien dit het geval is,
welke eenheden binnen de installatie een WKK-eenheid zijn,
b. of de meetinrichting geschikt is om de hoeveelheid op een
net of een installatie ingevoede WKK-elektriciteit te meten en
c. of een goedgekeurd meetprotocol aanwezig is.
5. De netbeheerder doet de vaststelling door een administratief
onderzoek in te stellen naar de installatie en de aansluiting daarvan
op het net of op een installatie. De netbeheerder kan ten behoeve van
de vaststelling in aanvulling op het administratief onderzoek en ter
verificatie van de in het formulier opgenomen gegevens de installatie
van de producent onderzoeken om te bepalen welk gedeelte van de totale
hoeveelheid door de installatie opgewekte en op een net of een
installatie ingevoede elektriciteit kan worden aangemerkt als
WKK-elektriciteit.
6. De netbeheerder deelt het resultaat van de vaststelling binnen
vier weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid,
mee aan de producent en aan de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet.
7. Tenzij de tariefstructuren, bedoeld in artikel 27 van de wet,
iets anders bepalen, brengt de netbeheerder de kosten van het
vaststellen of de installatie en de meter van de producent geschikt
zijn in rekening bij de producent.
8. Indien de producent een aanpassing van zijn
productie-installatie doorvoert die een wijziging van één van de
gegevens, vermeld in het vaststellingsverzoek, ten gevolge heeft, is
een eerder verrichte vaststelling niet langer geldig.
9. De producent bericht de netbeheerder vooraf over zijn voornemen
een aanpassing als bedoeld in het achtste lid door te voeren en hij
dient een nieuw verzoek tot vaststelling in. Het eerste tot en met het
achtste lid zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2a
1. Voor het verkrijgen van WKK-certificaten draagt de producent van
WKK-elektriciteit er zorg voor dat de hoeveelheden brandstof die zijn
installatie verbruikt en de hoeveelheden elektriciteit en warmte die
zijn installatie opwekt, gemeten worden volgens het meetprotocol.
2. De producent draagt er zorg voor dat per kalendermaand onder
toepassing van het meetprotocol een meetrapport wordt opgesteld, dat:
a. voldoet aan de WKK-meetvoorwaarden, opgenomen in de bij deze
regeling behorende bijlage 1;
b. de wijze van totstandkoming van de meetgegevens beschrijft,
en
c. geverifieerd wordt door een gecertificeerd meetbedrijf.
3. De producent overlegt het meetrapport uiterlijk twee maanden na
afloop van het kwartaal waarvan de kalendermaand waarop het
meetrapport betrekking heeft deel uitmaakt, aan de netbeheerder van
het landelijk hoogspanningsnet.
4. Indien het meetrapport niet of niet tijdig wordt ingediend geeft
de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet voor de betreffende
kalendermaand geen WKK-certificaten uit.
Artikel 3
1. Vanaf de eerste dag van de kalendermaand waarin de producent het
verzoek, bedoeld in artikel 2, eerste lid, bij de netbeheerder heeft
ingediend, beschouwt de netbeheerder dan wel het gecertificeerd
meetbedrijf de overeenkomstig de voorwaarden, bedoeld in artikel 31,
eerste lid, onderdeel b, van de wet, gemeten hoeveelheid elektriciteit
die de producent met zijn installatie opwekt en op een net of een
installatie invoedt, als WKK-elektriciteit, voor zover de netbeheerder
overeenkomstig artikel 2 heeft vastgesteld of sprake is van een
installatie voor warmtekrachtkoppeling alsmede of de meetinrichting
geschikt is voor de meting van de elektriciteit die met de
productie-installatie wordt opgewekt en op een net of een installatie
wordt ingevoed.
2. De netbeheerder of het gecertificeerde meetbedrijf meet op
verzoek van de producent maandelijks de hoeveelheid in de afgelopen
maand op een net of een installatie ingevoede WKK-elektriciteit door
het iedere kalendermaand bepalen van de meterstand.
3. Indien de installatie van de producent voor de opwekking van
WKK-elektriciteit gebruik maakt van elektriciteit die is afgenomen van
een net, brengt de netbeheerder dan wel het gecertificeerd meetbedrijf
voor de bepaling van de hoeveelheid WKK-elektriciteit die op een net
of een installatie is ingevoed, de hoeveelheid elektriciteit die
daarvoor is afgenomen van een net in mindering op de hoeveelheid
WKK-elektriciteit die hij op grond van artikel 16, eerste lid,
onderdeel i, van de wet meet.
4. Indien zich achter de aansluiting één productie-installatie
bevindt en de producent hiervoor WKK-certificaten heeft aangevraagd,
meldt de netbeheerder, onder vermelding van de unieke 18-cijferige
code van de aansluiting, aan de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet:
a. de hoeveelheid WKK-elektriciteit die de betreffende
productie-installatie op het net heeft ingevoed, en
b. indien WKK-certificaten voor niet-netlevering zijn
aangevraagd door de producent, de hoeveelheid WKK-elektriciteit
die de betreffende productie-installatie heeft opgewekt.
5. Indien zich achter de aansluiting meerdere
productie-installaties bevinden, meldt de netbeheerder, onder
vermelding van de unieke 18-cijferige code van iedere
productie-installatie waarvoor de producent WKK-certificaten heeft
aangevraagd, aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet:
a. de hoeveelheid WKK-elektriciteit die de betreffende
productie-installaties hebben opgewekt, en
b. de hoeveelheid WKK-elektriciteit die de betreffende
productie-installaties op het net hebben ingevoed.
6. De hoeveelheid WKK-elektriciteit die door de betreffende
productie-installaties aan het net wordt geleverd, wordt bepaald door
de elektriciteit die wordt verbruikt door de installatie achter de
aansluiting naar rato van de feitelijke elektriciteitopwekking van
alle productie-installaties achter de aansluiting, in mindering te
brengen op de WKK-elektriciteit of andere vormen van elektriciteit,
die is opgewekt door de betreffende productie-installaties.
7. Tenzij de tariefstructuren, bedoeld in artikel 27 van de wet,
iets anders bepalen, brengt de netbeheerder dan wel het gecertificeerd
meetbedrijf de kosten van het meten van de hoeveelheid
WKK-elektriciteit in rekening bij de producent.
Artikel 4
1.De producent van WKK-elektriciteit stelt de netbeheerder in staat
de vaststelling en het onderzoek, bedoeld in artikel 2, te verrichten
en stelt de netbeheerder dan wel het gecertificeerd meetbedrijf in
staat de hoeveelheid WKK-elektriciteit te meten die met zijn
installatie is opgewekt en op een net of een installatie is ingevoed.
2.Indien zich een omstandigheid voordoet die van belang is voor de
bepaling hoeveel WKK-elektriciteit is opgewekt en op een net of een
installatie is ingevoed, meldt de producent die omstandigheid en het
tijdstip waarop deze zich voordeed binnen twee weken aan de
netbeheerder of aan het gecertificeerd meetbedrijf.
§ 3. WKK-certificaten
Artikel 5
1. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet opent op
verzoek van een in Nederland gevestigde producent een
WKK-certificatenrekening.
2. De producent deelt bij het verzoek de uitkomst van het
onderzoek, verkregen overeenkomstig artikel 2, mee aan de netbeheerder
van het landelijk hoogspanningsnet.
3. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet boekt op
verzoek WKK-certificaten op een daarbij aangegeven
WKK-certificatenrekening, indien een in Nederland gevestigde producent
bij het verzoek de meetgegevens omtrent WKK-elektriciteit, ontvangen
overeenkomstig artikel 16a, tweede en derde lid, van de wet, overlegt.
Alvorens een WKK-certificaat op een WKK-certificatenrekening te boeken
controleert de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet het
meetrapport op volledigheid en juistheid.
4. Nadat een WKK-certificaat is gebruikt om de hoogte van het
voorschot, bedoeld in artikel 67, vijfde lid, van het Besluit
stimulering duurzame energieproductie, vast te stellen boekt de
netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet het certificaat af van
de WKK-certificatenrekening.
5. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet brengt de
kosten van het beheer van de WKK-certificatenrekening in rekening bij
degene die het verzoek, bedoeld in het eerste lid, doet.
6. Indien zich achter een aansluiting meerdere
productie-installaties bevinden, vraagt een producent voor elke
productie-installatie waarvoor hij een verzoek als bedoeld in artikel
2, eerste lid doet, WKK-certificaten voor niet-netlevering aan.
Artikel 6
1. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet bepaalt de
hoeveelheid WKK-elektriciteit die de producent op een net of een
installatie heeft ingevoed en de besparing op primaire energie met
toepassing van:
a. de bijlagen 2 en 3 van de richtlijn;
b. de door de Europese Commissie op 21 december 2006
vastgestelde referentiewaarden (PbEU 2007 L 32);
c. de beschikking van de Commissie van 19 november 2008 tot
vastlegging van gedetailleerde richtsnoeren voor de
tenuitvoerlegging en toepassing van bijlage II bij Richtlijn
2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 338).
2. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet gebruikt bij
de bepaling als bedoeld in het eerste lid:
a. de gegevens, verstrekt bij het verzoek, bedoeld in artikel
2, eerste lid;
b. het meetrapport, bedoeld in artikel 2a;
c. de gegevens, bedoeld in artikel 5, derde lid.
3. Voor het bepalen van de elektriciteit-warmteratio conform
bijlage 2, onderdeel b), van de richtlijn zal gebruik worden gemaakt
van de volgende formule:
C = Eη / (85% – Eη)
waarin:
C de elektriciteit-warmteratio is,
Eη het elektriciteitsrendement van het proces is,
gedefinieerd als de maandelijkse opbrengst aan elektriciteit,
gedeeld door de brandstofinvoer die is gebruikt om de som van de
maandelijkse opbrengst aan warmte en elektriciteit te produceren.
4. De hoeveelheid WKK-elektriciteit voor de maand waarop het
meetrapport betrekking heeft bedraagt nihil indien:
a. de verhouding tussen warmte en elektriciteit minder dan 0,6
bedraagt;
b. het aandeel aardgas op het totaal aan ingezette brandstoffen
minder dan 90% bedraagt of
c. minder dan 90% van de door de productie-installatie
geproduceerde nuttige warmte wordt gebruikt in industriële
processen.
5. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet geeft
WKK-certificaten uit voor de op basis van het eerste tot en met vierde
lid bepaalde hoeveelheid WKK-elektriciteit.
Artikel 6a [Vervallen per 23-01-2010]
§ 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 7 [Vervallen per 23-01-2010]
Artikel 8
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2003.
Artikel 9
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling certificaten
warmtekrachtkoppeling Elektriciteitswet 1998.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt
gelegd bij de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet,
Utrechtseweg 310, Arnhem.
's-Gravenhage, 6 juni 2003.
De Minister van Economische Zaken,
L.J. Brinkhorst.
Bijlage 1, behorend bij de artikelen 1,
eerste lid, onderdeel i, 1b en 2a van de Regeling certificaten
warmtekrachtkoppeling Elektriciteitswet 1998
WKK-meetvoorwaarden
Hoofdstuk 1. Definities
1.1. Meten: het vaststellen en registreren van de hoeveelheid
energie die over een kalendermaand de systeemgrens van de WKK-eenheid
is gepasseerd.
1.2. Meetgegeven: het resultaat van het meten voor één vorm van
energie. Er is ten minste één meetgegeven van elk van de
afzonderlijke energievormen, te weten brandstof, elektriciteit, warmte
en, voor zover van toepassing, mechanische energie. Indien een
energievorm op meer dan één punt op de systeemgrens wordt gemeten,
zullen er ook meer meetgegevens voor die energievorm zijn.
1.3. Bemetering: het geheel van alle meetinrichtingen en systemen
voor dataopslag en datatransmissie dat nodig is om alle energie die de
systeemgrens van de WKK-eenheid passeert, te meten en te waarborgen.
1.4. Meetinrichting: het totaal van onderling samenhangende meters
en meetmiddelen die nodig zijn om een hoeveelheid energie te meten. Er
is ten minste één meetinrichting voor het meten van elk van de
afzonderlijke energievormen, te weten brandstof, elektriciteit, warmte
en, voor zover van toepassing, mechanische energie.
1.5. Meter: een toestel dat één parameter meet, nodig voor het
vaststellen van de hoeveelheid energie.
1.6. Meetmiddel: een onderdeel van de meetinrichting, nodig voor
het meten, anders dan een meter.
1.7. Systeemgrens: een fictieve gesloten omhulling van de
WKK-eenheid die de WKK-eenheid onderscheidt van de andere systemen
binnen het bedrijf.
Hoofdstuk 2. Algemene eisen
Meetprotocol
2.1. Het meetprotocol van de WKK-installatie bevat ten minste de
volgende elementen:
a. beschrijving van de verschillende componenten van de
WKK-installatie, inclusief de eventuele afzonderlijke WKK-eenheden
en de verschillende hulpinstallaties daarbij;
b. beschrijving en schets van de systeemgrens of systeemgrenzen
van de WKK-eenheden waaruit de WKK-installatie bestaat zoals
uitgewerkt in hoofdstuk 3;
c. beschrijving en schets van de bemetering van elk van de
WKK-eenheden;
d. beschrijving van de meters en meetmiddelen van elk van de
meetinrichtingen;
e. beschrijving van het onderhoud van elk van de
meetinrichtingen;
f. beschrijving van de apparatuur voor de opslag en de
verwerking van de gegevens afkomstig van de meetinrichtingen;
g. beschrijving van de onnauwkeurigheid van elk van de
meetinrichtingen;
h. beschrijving van de borging van de kwaliteit van de
metingen;
i. beschrijving van de wijze van reparatie van meetgegevens en
alternatieve meetmethoden in geval van storing van de
meetinrichting;
j. beschrijving van de borging van de kwaliteit van de
verwerking van de gegevens afkomstig van de meetinrichtingen;
k. beschrijving van de frequentie van ijking van elk van de
meetinrichtingen;
l. beschrijving van de vaststelling dan wel de berekening van
de hoeveelheid WKK-elektriciteit die op een net of een installatie
is ingevoed en van de berekening van de besparing op primaire
energie, overeenkomstig artikel 6 van de regeling.
Administratie
2.2. Bij het meetprotocol behoort een administratie waarin per
meetinrichting de volgende gegevens worden geregistreerd:
a. fabrikaat, type, fabrieksnummer en bouwjaar van de
geïnstalleerde meetinrichtingen, meters en meetmiddelen;
b. kalibratiecertificaten van de meetinrichting en de meters en
meetmiddelen daarvan;
c. het jaar waarin de meetinrichting is geïnstalleerd dan wel
voor het laatst is gereviseerd;
d. het soort zegel waarmee de meetinrichting is verzegeld, dan
wel de wijze van borging die voor de meetinrichting is
aangebracht;
e. het jaar en de maand, waarin de meetinrichting voor het
laatst is gecontroleerd;
f. het jaar en de maand, waarin de meetinrichting voor het
laatst is geijkt;
g. de resultaten van de aan de meetinrichting uitgevoerde
controles en ijkingen;
h. een overzicht van de functionarissen die bevoegd zijn
metingen uit te voeren en meetinrichtingen te onderhouden
respectievelijk te beheren.
Aanvullend geldt voor warmte norm EN 1434-sectie 2.
De producent is verantwoordelijk voor het actueel houden van deze
administratie.
Onzekerheid
2.3. De onzekerheid van een meetgegeven wordt berekend uit de
onnauwkeurigheden van de afzonderlijke meetinrichtingen op de wijze
als beschreven in de ‘Guide to the expression of uncertainty in
measurement’ (uitgave van BIPM, IEC, IFCC, ISO, IUPAC, IUPAP en OIML;
International Organization for Standardization, Geneva, 1995, ISBN
92-67-10188-9).
Meetrapport
2.4 Het meetrapport bevat voor elk van de WKK-eenheden tenminste de
meetgegevens van:
a. het brandstofverbruik (per type brandstof);
b. de totale hoeveelheid opgewekte elektriciteit;
c. de netto opgewekte warmte (per toepassingsgebied en
temperatuurniveau);
d. mechanische energie (voor zover van toepassing);
en in aanvulling daarop het aantal draaiuren.
2.5. Het meetrapport bevat een samenvatting, bestaande uit de
geaggregeerde meetgegevens, die voor de berekening van de hoeveelheid
WKK-elektriciteit die op een net of een installatie is ingevoed en van
de besparing op primaire energie, overeenkomstig artikel 6 van de
regeling, moeten worden gebruikt.
2.6. Indien aardgas als brandstof wordt gebruikt, wordt de
hoeveelheid aardgas gerapporteerd in kubieke meters van standaard
Groningen-kwaliteit (met een energie-inhoud van 35,17 MJ/Nm3) onder
normaalcondities. De omrekening van de gemeten hoeveelheid aardgas
naar aardgas van standaard Groningen-kwaliteit geschiedt aan de hand
van de feitelijke energie-inhoud van het gebruikte aardgas, zoals de
leverancier deze bij de facturering van het aardgas aan de producent
opgeeft.
Het meetrapport bevat een opgave van de gemeten hoeveelheid
aardgas, de door de leverancier opgegeven energie-inhoud van het
aardgas en de omgerekende hoeveelheid aardgas van standaard
Groningen-kwaliteit.
2.7. In het meetrapport wordt tevens vermeld, voor zover van
toepassing,
a. storingen van meetinrichtingen en daarmee samenhangende
reparatie van meetgegevens;
b. storingen in andere onderdelen van de bemetering en de
gevolgen daarvan voor de betrouwbaarheid van de meetgegevens,
c. dat meetgegevens door middel van alternatieve meting zijn
bepaald;
d. correctie van meetgegevens, en
e. wijzigingen in installatie, bemetering en andere
omstandigheden die van belang kunnen zijn voor het bepalen van de
hoeveelheid garanties van oorsprong.
2.8. Het meetrapport bevat voorts een verklaring dat de
meetgegevens zijn totstandgekomen door onverkorte toepassing van het
meetprotocol.
Storingen
2.9. De meetgegevens van een meetinrichting, die door een storing
niet langer functioneert of niet langer voldoet aan de gestelde
meeteisen, mogen voor een periode van maximaal vier werkdagen nadat de
storing is opgemerkt worden berekend uit controlemetingen.
2.10. Indien de storing niet binnen vier werkdagen verholpen is,
kan de producent meten volgens de in hoofdstuk 5 beschreven methode en
procedure.
2.11. Indien een storing is opgetreden, wordt dit vermeld in het
meetrapport over de desbetreffende kalendermaand. Hierbij wordt
aangegeven welke meetgegevens het betreft en op welke wijze de
reparatie is aangebracht.
Eisen aan meetinrichtingen en meters
2.12. Het meten van de hoeveelheden energie geschiedt volgens
algemeen geaccepteerde comptabele meetinrichtingen.
2.13. Voor zover een meetinrichting of meter onder de IJkwet valt,
zijn deze meetvoorwaarden niet van toepassing ten aanzien van het (de)
onderwerp(en) dat (die) voor die meetinrichting of meter in de IJkwet
word(t)(en) geregeld.
2.14. De meters en meetmiddelen voldoen aan de typekeuringseisen
van de voor die meters en meetmiddelen van toepassing zijnde EN-normen
of daarmee vergelijkbare nationale normen. Het bewijs van
typegoedkeuring is verstrekt conform de IJkwet of door een organisatie
die gecertificeerd is conform NEN-ISO 17025.
2.15. De capaciteit, het ontwerp en de aanleg van de
meetinrichtingen is in overeenstemming met de maximale hoeveelheden
energie die de WKK-eenheid kan consumeren respectievelijk produceren.
2.16. Plaatsing van de meters voldoet aan de
plaatsingsvoorschriften die onderdeel uitmaken van de genoemde normen
en aangevuld met de plaatsingsvoorschriften van de fabrikant van de
meter of meetmiddel.
2.17. Elk van de meters en de meetmiddelen is geborgd dan wel
verzegeld. De borging is zodanig dat een meting niet kan worden
beïnvloed, zonder dat dit duidelijk gesignaleerd wordt. De
verzegeling is zodanig dat een meting niet kan worden beïnvloed
zonder de verzegeling zichtbaar te verbreken.
2.18. De meetinrichting wordt zodanig onderhouden dat deze
voortdurend aan deze meetvoorwaarden voldoet.
Hoofdstuk 3. Systeemgrens
3.1. De systeemgrens omsluit één of meerdere WKK-eenheden van een
WKK-installatie.
3.2. Indien de systeemgrens meerdere WKK-eenheden omsluit, worden
alle eenheden binnen die systeemgrens voor de toepassing van artikel 6
van de regeling beschouwd als één WKK-eenheid.
3.3. Indien een systeemgrens meerdere WKK-eenheden omsluit, geldt
voor de berekening van de hoeveelheid WKK-elektriciteit die op een net
of een installatie is ingevoed en van de besparing op primaire
energie, overeenkomstig artikel 6 van de regeling, voor de
WKK-eenheden binnen deze systeemgrens als bouwjaar het bouwjaar van de
meest recent gebouwde WKK-eenheid.
3.4. Op de systeemgrens van de WKK-eenheid worden alle vormen van
energie-input en energie-output gemeten.
3.5. Alle onderdelen van de WKK-eenheid bevinden zich binnen de
systeemgrens.
3.6. Niet aan de WKK-eenheid gerelateerde systemen die
elektriciteit, mechanische energie of warmte opwekken vallen buiten de
systeemgrens.
3.7. De consumptie van elektriciteit, mechanische energie of warmte
van systemen die zich binnen de systeemgrens bevinden, wordt niet
gemeten.
3.8. Voor elke WKK-eenheid wordt een schema opgesteld met daarop
aangegeven de systeemgrens, de energiestromen die de systeemgrens
passeren en voor elk van deze energiestromen de meetinrichtingen die
zich op de WKK-systeemgrens bevinden.
3.9. Voor de gehele WKK-installatie wordt in een schets aangegeven
waarop de systeemgrenzen van de WKK-eenheden in onderling verband zijn
aangegeven.
Hoofdstuk 4. Nauwkeurigheidseisen aan meetinrichtingen en meters
Brandstof
4.1. Elke brandstof die in de WKK-eenheid wordt verbruikt, wordt
afzonderlijk gemeten.
4.2. Het volume aardgas of een ander gas wordt gemeten en naar
normaalcondities herleid met een meetinrichting die voldoet aan de
IJkregeling gasmeters, waarbij voor balgengasmeters de eisen voor
nauwkeurigheidsklasse I gelden.
4.3. De hoeveelheid kolen wordt gemeten op basis van weging dan wel
op basis van de inkoop en voorraadbalans, met een maximaal toelaatbare
afwijking van 1,0%, zoals bepaald in ISO 9411-1 (monstername voor de
bepaling van de onderste verbrandingswaarde).
4.4. De hoeveelheid vloeibare brandstof wordt gemeten door middel
van een meetinrichting die voldoet aan de IJkregeling vloeistofmeters
en vloeistofmeetinstallaties, waarbij de eisen voor klasse 1.0 gelden.
4.5. De hoeveelheid andere brandstof wordt bepaald volgens een
algemeen geaccepteerde comptabele meting, met een maximaal toelaatbare
afwijking van 1,0%.
Elektriciteit en mechanische energie
4.6. Alle hoeveelheden door de WKK-eenheid opgewekte elektriciteit
worden gemeten met een meetinrichting die voldoet aan de bepalingen
met betrekking tot de nauwkeurigheidseisen die de Meetcode
Elektriciteit stelt voor een meetinrichting op een aansluiting.
4.7. De hoeveelheid mechanische energie wordt gemeten met een ‘torquemeter’
volgens norm ASME-PCI 19.7 ‘Measurement of shaft power’, dan wel
met een meetinrichting die voldoet aan een vergelijkbare norm. De
maximaal toelaatbare afwijking van de meting bedraagt 1,0%.
4.8. Wanneer de WKK-eenheid elektriciteit invoedt op meerdere
spanningsniveau’s wordt voor de toepassing van artikel 6 van de
regeling uitgegaan van het spanningsniveau met het grootste aandeel.
Warmte
4.9. De hoeveelheid warmte, getransporteerd als warm water, wordt
gemeten met een meetinrichting die voldoet aan die voldoet aan EN 1434
sectie 1, klasse 1, dan wel een vergelijkbare norm.
4.10. De hoeveelheid warmte, getransporteerd als stoom wordt
gemeten met een meetinrichting die voldoet aan norm ISO 5167-1 of aan
een vergelijkbare norm. Het retourcondensaat dient in mindering te
worden gebracht op de hoeveelheid warmte getransporteerd als stoom.
Voor een stoomdebiet van 50% tot 100% van het meetbereik van de
meetinrichting bedraagt de maximaal toelaatbare afwijking van de
meting 2% van de volle schaal van de meetinrichting. Voor een
stoomdebiet van minder dan 50% van het meetbereik van de
meetinrichting bedraagt de maximaal toelaatbare afwijking van de
meting 4% van de meetwaarde. De temperatuur wordt gemeten met een
weerstandsthermometer die voldoet aan norm IEC-751,
nauwkeurigheidsklasse B, een thermokoppel die voldoet aan norm
IEC-584, nauwkeurigheidsklasse 2, of een meter die voldoet aan een
vergelijkbare norm.
4.11. Wanneer de WKK-eenheid meerdere soorten warmte produceert,
wordt voor de toepassing van artikel 6, eerste tot en met derde lid,
van de regeling, uitgegaan van het type warmte met het grootste
energetische aandeel.
Bagatelbepaling
4.12. Voor ten hoogste 2,5% van de per energievorm in totaal
gemeten hoeveelheid energie, kunnen de maximaal toelaatbare
afwijkingen ten hoogste tweemaal zoveel bedragen als de volgens de
voorgaande bepalingen van dit hoofdstuk voorgeschreven maximaal
toelaatbare afwijkingen.
Hoofdstuk 5. Alternatieve meting
5.1. De producent kan een meetgegeven via een alternatieve meting
bepalen, indien meten met meetinrichtingen als bedoeld in hoofdstuk 4
niet mogelijk is omdat:
a. geen goede meting mogelijk is van de energiehoeveelheid,
b. het plaatsen van een meetinrichting tot aantasting van de
veiligheid van de installatie zou leiden,
c. het plaatsen of verbeteren van een meetinrichting tot
onevenredig hoge kosten zou leiden, of
d. een meetinrichting in storing is geraakt als bedoeld onder
2.10 tot en met 2.12.
5.2. De alternatieve meting voldoet aan de hieronder genoemde
voorwaarden.
5.3. De producent verstrekt in het meetprotocol een uitvoerige
motivatie voor het afwijken van hoofdstuk 4, waarin ten minste wordt
opgenomen:
a. een beschrijving van de technische onmogelijkheid om
hoofdstuk 4 toe te passen, of
b. de overwegingen omtrent de veiligheid van de installatie op
grond waarvan hoofdstuk 4 niet toegepast kan worden, of
c. een onderbouwde raming van de kosten die het aanpassen van
de betrokken meetinrichting aan het toepassen van hoofdstuk 4
zouden vergen, en
d. de onnauwkeurigheid die bij toepassing van hoofdstuk 4
bereikt zou zijn, en
e. de onnauwkeurigheid die bij toepassing van de alternatieve
meting bereikt zal worden.
5.4. De wijze van het bepalen van de meetgegevens door middel van
alternatieve meting wordt nauwkeurig vastgelegd in het meetprotocol
voor de WKK-installatie en wordt voorafgaand aan de toepassing daarvan
goedgekeurd door een gecertificeerd meetbedrijf.
5.5. De alternatieve meting gebruikt geen kentallen of andere
gegevens die het meten van de daadwerkelijke hoeveelheid energie
beïnvloeden.
5.6. De onnauwkeurigheid van een meetgegeven, vastgesteld op grond
van alternatieve meting, is in beginsel gelijk aan of lager dan de
onnauwkeurigheid die hoofdstuk 4 ten aanzien van de desbetreffende
meting vereist.
5.7. Indien de onnauwkeurigheid van een meetgegeven, vastgesteld op
grond van alternatieve meting, hoger is dan de onnauwkeurigheid die
hoofdstuk 4 ten aanzien van de desbetreffende meting vereist, wordt
het opgegeven meetgegeven als volgt gecorrigeerd,
a. voor energie die aan de WKK-eenheid wordt toegevoerd: de
meetwaarde wordt vermeerderd met het verschil tussen de feitelijke
onnauwkeurigheid en de vereiste onnauwkeurigheid en
b. voor energie die de WKK-eenheid produceert: de meetwaarde
wordt verminderd met het verschil tussen de feitelijke
onnauwkeurigheid en de vereiste onnauwkeurigheid.
5.8. De wijze waarop de correctie volgens 5.7 wordt aangebracht,
wordt beschreven in het meetprotocol.
5.9. Zowel het oorspronkelijke meetgegeven als het meetgegeven na
de correctie volgens 5.7 wordt in het meetrapport opgenomen.
Bijlage 2. behorende bij artikel 2, eerste lid, van bij de Regeling
certificaten warmtekrachtkoppeling Elektriciteitswet 1998
Verzoek tot vaststelling van een productie-installatie voor de
opwekking van HR-WKK-elektriciteit en mededeling van meetgegevens
omtrent HR-WKK-elektriciteit
Met dit formulier verklaart u WKK-elektriciteit te produceren,
verzoekt u de netbeheerder vast te stellen of uw installatie geschikt is
voor de opwekking van WKK-elektriciteit en of uw meetinrichting geschikt
is voor de meting van WKK-elektriciteit en verzoekt u de netbeheerder de
meetgegevens met betrekking tot de door u geproduceerde
WKK-elektriciteit als zodanig mede te delen aan de netbeheerder van het
landelijk hoogspanningsnet.
In het algemeen geldt het volgende: Indien zich meerdere
productie-installaties achter één aansluiting bevinden waarvoor u
WKK-certificaten en/of Garanties van Oorsprong heeft aangevraagd, dient
u tevens de systeemgrenzen van de productie-installaties te bepalen.
Deze systeemgrenzen kunnen meerdere productie-eenheden omvatten.
1. Gegevens producent
Vul onderstaande gegevens juist en volledig in.
a. Naam:
b. Adres:
c. Postcode:
d. Woonplaats:
e. Land:
f. Telefoonnummer:
g. Faxnummer:
h. E-mail adres:
i. Inschrijfnummer Kamer van Koophandel te ..........:
j. Sofi-nummer:
k. SBI-code *niet verplicht*:
2. Locatiegegevens productie-installatie
a. Adres:
b. Postcode:
c. Plaats:
d. Locatienummer Kadaster:
e. EAN-code van de aansluiting op het net (18-cijferig):
f. EAN-code van de netbeheerder van het net waarop de installatie
is aangesloten:
g. Zijn er meerdere productie-installaties waarvoor
WKK-certificaten en/of garanties van oorsprong zijn aangevraagd
aangesloten via dezelfde netaansluiting?
o Ja
o Nee
Indien u deze vraag heeft beantwoord met ‘ja’ dient u ook vraag
2h in te vullen en een tekening met de systeemgrenzen van de
productie-installaties bij te voegen. Indien u bij deze vraag ‘nee’
heeft geantwoord, kunt u verder gaan met vraag 2i.
h. EAN-code van de productie-installatie waarop dit verzoek tot
vaststelling betrekking heeft:
i. SBI-code van de afnemer(s) van de door de installatie opgewekte
warmte *niet verplicht*:
j. Naam en adres van de afnemer van de warmte *niet verplicht*:
3. Typegegevens productie-installatie
Geef aan om wat voor soort installatie het gaat bij deze aanvraag en
welke brandstof in deze installatie wordt gebruikt. Zowel bij de vraag
over het installatie-type als bij de vraag over de brandstofsoort zijn
meerdere antwoorden mogelijk.
Uit hoeveel afzonderlijke WKK-eenheden bestaat uw WKK-installatie?
Vul voor elk van deze eenheden de volgende vragen in
a. Welk type krachtbron is geïnstalleerd?
o Stoom- en gasturbine met warmteterugwinning
o Tegendrukstoomturbine
o Aftap-condensatiestoomturbine
o Gasturbine met warmteterugwinning
o Interne verbrandingsmotor
o Microturbine
o Stirlingmotor
o Brandstofcel
o Stoommachine
o ORC
o Anders:
b. Op welk spanningsniveau is de eenheid aangesloten op het net?
o 200 kV of meer
o 100–200 kV
o 50–100 kV
o 0,4–50 kV
o < 0,4 kV
o niet van toepassing: de eenheid wekt uitsluitend
mechanische energie op
c. Op welk temperatuurniveau levert de eenheid warmte?
o stoom
o heet water
o direct gebruik van afgassen (meer dan 250°C)
o direct gebruik van afgassen (onder de 250°C)
d. Toepassingsgebied warmte
o huishoudelijk
o industrie
o landbouw
e. Welke brandstof wordt gebruikt?
Gasvormig
o Aardgas
o Raffinagegas of waterstof
o Biogas
o Cokesovengas, hoogovengas, andere afvalgassen, industriële
overtollige hitte
Vloeibaar
o Olie (gasolie + stookolie)
o Biobrandstoffen
o Biologisch afbreekbaar afval
o Niet-hernieuwbaar afval
Vaste stof
o Steenkool
o Bruinkool/bruinkoolbriketten
o Turf/turfbriketten
o Houtbrandstoffen
o Agrarische biomassa
o Biologisch afbreekbaar (stedelijk) afval
o Niet-hernieuwbaar (stedelijk en industrieel) afval
o Oliehoudende leisteen
f. Nominaal elektrisch vermogen WKK-eenheid (MW):
g. Aansluitwaarde WKK-eenheid (MVA):
U dient een meetprotocol, dat voldoet aan de eisen vastgelegd in de
WKK-meetvoorwaarden (bijlage 1 bij de regeling) en dat door een
gecertificeerd meetbedrijf is goedgekeurd, als bijlage bij dit verzoek
te voegen.
4. Algemene verklaring
U verklaart door het invullen en ondertekenen van deze verklaring:
a. Dat de in dit formulier bedoelde productie-installatie zodanig
op een net of op een (andere) installatie is aangesloten en voorzien
is van (een) meter(s) die voldoe(t)(n) aan de criteria gesteld in de
Meetcode Elektriciteit, dat door de netbeheerder dan wel door het
gecertificeerd meetbedrijf de op een net of een installatie
ingevoede elektriciteit eenduidig kan worden gemeten, dan wel uit
een combinatie van metingen eenduidig kan worden berekend;
b. Dat u te allen tijde zult meewerken aan door de netbeheerder
uit te voeren controles van de in dit formulier bedoelde
productie-installatie en de bijbehorende meter(s), voor zover deze
controles betrekking hebben op dit verzoek ;
c. Dat u, in het geval dat één van de zaken zoals door u
aangegeven bij de vragen 2, 3, 4 of 5 verandert, hiervan vooraf
melding maakt door dit formulier opnieuw in te vullen en te doen
toekomen aan de netbeheerder;
d. Dat u deze verklaring naar waarheid heeft ingevuld.
5. Ondertekening
Plaats:
Datum:
Handtekening aanvrager:
Bijlage(n):
Let op! Maak een kopie van deze ingevulde verklaring voor eigen
gebruik.
Ruimte voor opmerkingen producent:
Plaats:
Datum:
Naam netbeheerder:
Handtekening netbeheerder:
Ruimte voor opmerkingen netbeheerder:
Bijlage 3, behorend bij artikel 6a, tweede
lid, van de Regeling certificaten warmtekrachtkoppeling
Elektriciteitswet 1998
[Ligt ter inzage bij de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet te Arnhem]
Bijlage 4
[Ligt ter inzage bij de netbeheerder van het landelijk
hoogspanningsnet te Arnhem]
|
|
|