§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1. In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. wet: Elektriciteitswet 1998;
b. Minister: de Minister van Economische Zaken;
c. garantie van oorsprong voor niet-netlevering: een garantie van
oorsprong die op een installatie ingevoede elektriciteit betreft;
d. toegelaten meetbedrijf: een meetbedrijf dat op grond van de
voorwaarden, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b, van de
wet, is toegelaten en dat de hoeveelheid elektriciteit meet die
afkomstig is van een productie-installatie;
e. eindafnemer: een afnemer aan wie uitsluitend voor eigen verbruik
elektriciteit wordt geleverd;
f. productie-installatie voor de opwekking van elektriciteit door
middel van windenergie op zee: een productie-installatie waarin
elektriciteit wordt opgewekt door middel van windenergie, die is
opgericht in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone;
g. productie-installatie voor de opwekking van elektriciteit door
middel van windenergie op land: een productie-installatie waarin
elektriciteit wordt opgewekt door middel van windenergie, niet zijnde
een productie-installatie als bedoeld in onderdeel f;
h. zuivere biomassa: producten, afvalstoffen en residuen van de
landbouw – met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen –,
de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, die geheel biologisch
afbreekbaar zijn, alsmede industrieel en huishoudelijk afval dat
geheel biologisch afbreekbaar is;
i. NTA 8003:2008: de Nederlands Technische Afspraak 8003,
Classificatie van biomassa voor energietoepassingen, uitgegeven door
het Nederlands Normalisatie-Instituut, zoals deze luidde op 31
december 2008;
j. naar haar aard zuivere biomassa: de zuivere biomassa opgenomen
in de NTA 8003:2008, met uitzondering van de groepsnummers 701, 709,
729, 800 tot en met 804, 809, 900 tot en met 904 en 909, waarbij
brandstof na pyrolyse, torrefactie en carbonisatie worden toegevoegd
aan de nummers 802, 803 en 804;
k. naar zijn aard zuiver biogas: stortgas, rioolwaterzuiveringsgas
en biogas dat is ontstaan door inwerking van micro-organismen op
biologisch afbreekbare materialen;
l. partij: de op basis van één specificatie
geleverde hoeveelheid materiaal die voor controle op het aandeel
onvermijdbare kunststoffen en ander materiaal van langcyclisch
organische oorsprong door de producent, die door middel van het
materiaal elektriciteit opwekt, gedurende een door hem vastgestelde
periode als eenheid wordt aangemerkt en als zodanig identificeerbaar
is;
m. afvalverbrandingsinstallatie: een productie-installatie waarin al
dan niet de opgewekte warmte wordt teruggewonnen en die uitsluitend of
in hoofdzaak bestemd is voor:
1°.
de verbranding door
oxidatie van afvalstoffen;
2°.
een
andere thermische behandeling van afvalstoffen dan bedoeld onder 1°
ingeval de producten daarvan vervolgens worden verbrand, of;
3°.
de verbranding van
producten die voortkomen uit thermische behandeling van afvalstoffen;
n. richtlijn hernieuwbare energie: richtlijn nr. 2009/28/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2009 ter
bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en
houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn
2003/30/EG (PbEU L 140);
o. meetprotocol: een document waarin beschreven zijn de bemetering
van een productie-installatie, de wijze van meten en de wijze van
kwaliteitsborging van de meetgegevens ten aanzien van de hoeveelheden
elektriciteit en, voorzover van toepassing, warmte die de installatie
opwekt en, voor zover van toepassing, de hoeveelheden brandstof die de
installatie verbruikt en de wijze van bepaling van de calorische waarde
van de brandstof;
p. meetrapport: een rapport dat alle meetgegevens van de
desbetreffende kalendermaand bevat alsmede, indien het meetrapport van
toepassing is op een afvalverbrandingsinstallatie, het rendement van de
afvalverbrandingsinstallatie in het geheel en de AVI-eenheden
afzonderlijk;
q. AVI-eenheid: een onderdeel binnen een afvalverbrandingsinstallatie
die ten minste bestaat uit een verbrandingsoven met bijbehorende ketel
en een rookgasreinigingsinstallatie, en waarvoor op grond van de
AVI-meetvoorwaarden een systeemgrens is bepaald;
r. systeemgrens van een AVI-eenheid: een fictieve gesloten omhulling
van de AVI-eenheid die de AVI-eenheid onderscheidt van andere
AVI-eenheden binnen het bedrijf;
s. productie-installatie: een installatie
bestemd voor het opwekken van elektriciteit, bestaande uit één of meer
productie-eenheden;
t. productie-eenheid: een deel van een productie-installatie dat
zelfstandig kan worden ingezet voor het opwekken van elektriciteit,
waaronder tevens begrepen een AVI-eenheid;
u. systeemgrens van de productie-installatie:
een fictieve gesloten omhulling van één of meer productie-eenheden die
dezelfde wijze van opwekking van elektriciteit gebruiken;
v. nuttig aangewende warmte: de restwarmte, uitgedrukt in GJ, die
vrijkomt bij de productie van duurzame elektriciteit uit biomassa en die
wordt aangewend voor:
1°.
gebouwklimatisering van de
binnenruimten van gebouwen;
2°.
tapwaterverwarming en
verwarming van water dat wordt ingezet in bedrijfsprocessen, met
uitzondering van het gebruik als voedingswater voor een
productie-installatie waarmee elektriciteit wordt opgewekt;
3°.
verwarming
in industriële processen en van tuinbouwkassen, met uitzondering van:
i. de inzet in een turbine of organische rankine cyclus waarmee
elektriciteit wordt opgewekt;
ii. de inzet bij aardgasexpansie;
iii. het drogen en verwarmen van inputstromen van een
productie-installatie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief het
voorverwarmen van verbrandingslucht;
iv. de inzet voor rookgasreiniging en waterzuivering van een
productie-installatie voor het opwekken van elektriciteit;
v. de verwarming van een installatie of een onderdeel daarvan,
waarmee energie of een energiedrager wordt geproduceerd;
vi. de verwarming van opslagtanks van grondstoffen en producten die
gebruikt worden om energie mee op te wekken;
4°.
klimaatregeling
van koelcellen en industriële koelingstoepasssingen;
5°.
levering aan een warmtenet,
mits de producent aannemelijk kan maken dat de warmte gebruikt wordt
voor een van de toepassingen bedoeld onder ten eerste tot en met ten
vierde.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel h, worden
producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw – met inbegrip van
plantaardige en dierlijke stoffen –, de bosbouw en aanverwante
bedrijfstakken, alsmede industrieel en huishoudelijk afval, met een
aandeel onvermijdbare kunststoffen en ander materiaal van langcyclisch
organische oorsprong van ten hoogste 3,00 massaprocent per partij geacht
geheel biologisch afbreekbaar te zijn.
3.
Het rendement van een afvalverbrandingsinstallatie of van een
AVI-eenheid bedraagt:
a. de som van:
1°.
de door de
afvalverbrandingsinstallatie of door een AVI-eenheid per kalendermaand
opgewekte en aan het net of aan andere productie-installaties dan de
productie-installatie of de AVI-eenheid die de elektriciteit opwekt
geleverde elektriciteit, en
2°.
tweederde van de door de
afvalverbrandingsinstallatie of door de AVI-eenheid per kalendermaand
opgewekte en nuttig aangewende warmte,
b. gedeeld door het product van:
1°.
de massa van het in de
afvalverbrandingsinstallatie of de AVI-eenheid per kalendermaand
verwerkte afval en overige brandstoffen, en
2°.
de calorische waarde van
het verwerkte afval en overige brandstoffen.
4. Het gewogen maandelijks rendement van een
afvalverbrandingsinstallatie of van een AVI-eenheid bedraagt de uitkomst
van:
(Em*Rm + Em-1*Rm-1 + ...Em-11*Rm-11) / (Em + Em-1 + ...Em-11)
waarbij
Em = de hoeveelheid opgewekte elektriciteit in maand m
Rm = het rendement als bedoeld in het derde lid voor maand m
Em-1 = de hoeveelheid opgewekte elektriciteit in de maand voorafgaand
aan m
Rm-1 = het rendement als bedoeld in het derde lid voor de maand
voorafgaand aan m
5. Een producent die een afvalverbrandingsinstallatie
instandhoudt en aan wie subsidie op grond van artikel 72m van de wet of
artikel 2 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie is
verleend, ontvangt subsidie voor het gewogen maandelijkse rendement.
Artikel 1a
Deze regeling berust op de artikelen 31, negende lid, en 77c van de
Elektriciteitswet 1998.
§ 2. Onderzoek productie-installatie en meten van duurzame
elektriciteit
Artikel 1b
1. De producent die een
afvalverbrandingsinstallatie instandhoudt waarvoor subsidie op grond van
artikel 72m van de wet of artikel 2 van het Besluit stimulering duurzame
energieproductie is verleend:
a. draagt er zorg voor dat ten aanzien van zijn installatie iedere
vijf jaar een meetprotocol opgesteld wordt, dat voldoet aan de
AVI-meetvoorwaarden, opgenomen in de bij deze regeling behorende
bijlage 1, en
b. laat het meetprotocol vóór de eerste dag
van de kalendermaand waarin hij het verzoek, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, indient en indien op grond van onderdeel a een nieuw
meetprotocol wordt opgesteld, goedkeuren door een toegelaten
meetbedrijf.
2.
De producent die een productie-installatie in stand houdt
waarin biomassa wordt verwerkt, niet zijnde een
afvalverbrandingsinstallatie, kan bij de garantiebeheerinstantie een
verzoek indienen om de nuttig aangewende warmte te laten registreren.
Deze producent:
a. draagt er zorg voor dat ten aanzien van zijn installatie iedere
vijf jaar een meetprotocol opgesteld wordt, dat voldoet aan de
meetvoorwaarden, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4
en
b. laat het meetprotocol voor de eerste dag van de kalendermaand
waarin hij dit verzoek indient bedoeld in artikel 2, eerste lid en
indien op grond van onderdeel a een nieuw meetprotocol wordt
opgesteld, goedkeuren door een toegelaten meetbedrijf.
3.
De producent die een productie-installatie in stand houdt
waarin naar zijn aard zuiver biogas wordt verwerkt en waarvan het
nominaal elektrisch vermogen kleiner is dan of gelijk is aan 2 MW:
a. draagt er zorg voor dat ten aanzien van zijn installatie iedere
vijf jaar een meetprotocol opgesteld wordt dat voldoet aan de
meetvoorwaarden, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage
4, en
b. laat het meetprotocol voor de eerste dag van de kalendermaand
waarin het verzoek, bedoeld in artikel 2, eerste lid, indient en
indien op grond van onderdeel a een nieuw meetprotocol wordt
opgesteld, goedkeuren door een toegelaten meetbedrijf.
4.
Indien de producent, bedoeld in het eerste, tweede en derde
lid, voornemens is een aanpassing door te voeren die een wijziging van
het meetprotocol tot gevolg heeft, draagt hij er zorg voor dat alvorens
hij die aanpassing daadwerkelijk doorvoert, een nieuw meetprotocol wordt
opgesteld en wordt goedgekeurd door een toegelaten meetbedrijf. De
termijn van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, het tweede
lid, onder a en het derde lid, onder a, wordt geacht aan te vangen op
het moment van goedkeuring van het nieuwe meetprotocol.
Artikel 2
1. Een in Nederland gevestigde producent van duurzame
elektriciteit verzoekt de netbeheerder iedere vijf jaar de
vaststelling, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel h, van de
wet, te verrichten, met gebruikmaking van het origineel van een
ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling
behorende bijlage 2. Een producent, bedoeld in artikel 1b, eerste lid,
legt tevens een meetprotocol over aan de netbeheerder. De netbeheerder
stelt vast dat een toepasselijk meetprotocol aanwezig is dat
is goedgekeurd door een toegelaten meetbedrijf vòòr de eerste dag van
de kalendermaand waarin de producent het verzoek, bedoeld in de eerste
volzin, heeft ingediend.
2. De producent van een
productie-installatie met een aansluitwaarde gelijk aan of kleiner dan 3
× 80 A die een verzoek als bedoeld in het eerste lid, eerste volzin,
indient, kan afzien van het installeren van een meetinrichting die
geschikt is voor meting van de hoeveelheid duurzaam opgewekte
elektriciteit die op een net of installatie wordt ingevoed. Hij maakt
hiervan melding op het formulier bedoeld in het eerste lid.
3. Indien zich achter de
aansluiting meerdere productie-installaties bevinden, bepaalt de
producent bij het verzoek tot vaststelling, bedoeld in het eerste lid,
de systeemgrens van iedere productie-installatie.
4. Een wijziging van de systeemgrens van de
productie-installatie leidt er niet toe dat één of meer
productie-eenheden van de desbetreffende productie-installatie gaan
behoren aan een andere productie-installatie.
5. Ten behoeve van de
vaststelling stelt de netbeheerder een administratief onderzoek in. In
aanvulling op het administratief onderzoek en ter verificatie van de in
het formulier opgenomen gegevens kan de netbeheerder de
productie-installatie ter plekke onderzoeken.
6. De netbeheerder deelt het resultaat van de vaststelling binnen
vier weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, mee
aan de producent en aan de garantiebeheerinstantie.
7. Onverminderd de tariefstructuren, bedoeld in artikel 27 van de
wet, brengt de netbeheerder de kosten van de vaststelling in rekening
bij de producent.
8. Indien de producent voornemens is een aanpassing door te
voeren die een wijziging van een van de onderdelen 2 tot en met 5 van
het formulier ten gevolge heeft, dient de producent alvorens hij die
aanpassing daadwerkelijk doorvoert, een volledig nieuw ingevuld
formulier in bij de netbeheerder. Het vijfde tot en met zevende lid zijn
in dat geval van toepassing, de eerder verrichte vaststelling vervalt en
de termijn van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt geacht aan te
vangen op het moment van indiening van het nieuw ingevulde formulier.
Artikel 2a
1. De producent die een afvalverbrandingsinstallatie
instandhoudt en waarvoor hij subsidie op grond van artikel 72m van de
wet of artikel 2 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie
aanvraagt draagt er zorg voor dat de hoeveelheden brandstof die zijn
installatie verbruikt en de hoeveelheden elektriciteit en warmte die
zijn installatie opwekt, gemeten worden volgens het meetprotocol.
2. De producent draagt er zorg voor dat per kalendermaand onder
toepassing van het meetprotocol een meetrapport wordt opgesteld, dat:
a. voldoet aan de AVI-meetvoorwaarden, opgenomen in de bij deze
regeling behorende bijlage 1;
b. de wijze van totstandkoming van de meetgegevens beschrijft, en
c. geverifieerd wordt door een toegelaten meetbedrijf.
3. De producent overlegt het meetrapport uiterlijk twee maanden
na afloop van het kwartaal waarvan de kalendermaand waarop het
meetrapport betrekking heeft deel uitmaakt aan de
garantiebeheerinstantie.
4. Indien het meetrapport niet of niet tijdig wordt ingediend:
a. bedraagt het rendement voor de betreffende kalendermaand 20%, en
b. ontvangt de producent voor de betreffende kalendermaand over de
opgewekte duurzame elektriciteit garanties van oorsprong waarop geen
gewogen maandelijks rendement is aangegeven.
Artikel 2b
1. Een producent als bedoeld in artikel 1b, tweede lid, draagt
er zorg voor dat alle energiestromen die zijn omschreven in de
meetvoorwaarden, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4
en die de systeemgrens passeren gemeten worden volgens het
meetprotocol.
2. Een producent draagt er zorg voor dat per kalendermaand onder
toepassing van het meetprotocol een meetrapport wordt opgesteld, dat:
a. voldoet aan de meetvoorwaarden, opgenomen in de bij deze
regeling behorende bijlage 4,
b. de wijze van totstandkoming van de meetgegevens beschrijft en
c. geverifieerd wordt door een toegelaten meetbedrijf.
3. De producent legt het meetrapport uiterlijk vier maanden na
afloop van het kalenderjaar waarvan de kalendermaand waarop het
meetrapport betrekking heeft, deel uitmaakt, over aan de
garantiebeheerinstantie.
4. Indien het meetrapport niet of niet tijdig wordt ingediend,
stelt de garantiebeheerinstantie de nuttig aangewende warmte over de
desbetreffende kalendermaand vast op nul GJ.
Artikel 3
1. Bij productie-installaties met een aansluitwaarde groter dan
3 x 80 A wordt de hoeveelheid opgewekte duurzame elektriciteit iedere
kalendermaand gemeten.
2. Bij productie-installaties met een aansluitwaarde gelijk aan
of kleiner dan 3 x 80 A geschiedt de meting gelijktijdig met de
jaarlijkse bepaling van de meterstanden, tenzij de producent de
netbeheerder of het toegelaten meetbedrijf verzoekt iedere kalendermaand
te meten.
3. Indien de duurzame elektriciteit jaarlijks wordt gemeten,
verdeelt de netbeheerder de meetgegevens in gelijke delen over de twaalf
voorafgaande kalendermaanden, tenzij de producent aantoont dat deze
meetgegevens op een andere wijze over de twaalf voorafgaande
kalendermaanden verdeeld moeten worden.
Artikel 4
1. Indien de producent voor de opwekking van duurzame
elektriciteit gebruik maakt van elektriciteit die is afgenomen van een
net, brengt de netbeheerder of het toegelaten meetbedrijf de
hoeveelheid elektriciteit die is afgenomen van het net in mindering op
de hoeveelheid duurzame elektriciteit die hij op grond van artikel 16,
eerste lid, onderdeel i, van de wet meet.
2. Indien zich achter de aansluiting één
productie-installatie bevindt en de producent hiervoor garanties van
oorsprong heeft aangevraagd, meldt de netbeheerder, onder vermelding van
de unieke 18-cijferige code van de aansluiting, aan de
garantiebeheerinstantie:
a. de hoeveelheid duurzame elektriciteit die de betreffende
productie-installatie op het net heeft ingevoed, en
b. indien garanties van oorsprong voor niet-netlevering zijn
aangevraagd door de producent, de hoeveelheid duurzame elektriciteit die
de betreffende productie-installatie heeft opgewekt.
3.
Indien zich achter de aansluiting meerdere
productie-installaties bevinden, meldt de netbeheerder, onder vermelding
van de unieke 18-cijferige code van iedere productie-installatie
waarvoor de producent garanties van oorsprong heeft aangevraagd, aan de
garantiebeheerinstantie:
a. de hoeveelheid duurzame elektriciteit die de betreffende
productie-installaties op het net hebben ingevoed, en
b. de hoeveelheid duurzame elektriciteit die de betreffende
productie-installaties hebben opgewekt.
4.
De hoeveelheid duurzame elektriciteit die door de betreffende
productie-installaties aan het net wordt geleverd, wordt bepaald door de
elektriciteit die wordt verbruikt door de installatie achter de
aansluiting naar rato van de feitelijke elektriciteitopwekking van alle
productie-installaties achter de aansluiting, in mindering te brengen op
de duurzame elektriciteit en andere vormen van elektriciteit, die is
opgewekt door de betreffende productie-installaties.
5.
Indien een producent, bedoeld in artikel 2, tweede lid, voor
de opwekking van duurzame elektriciteit heeft afgezien van het
installeren van een meetinrichting die geschikt is voor de meting van de
hoeveelheid duurzaam opgewekte elektriciteit die op een net wordt
ingevoed, wordt, in afwijking van het vierde lid, de hoeveelheid
duurzaam opgewekte elektriciteit die door de betreffende
productie-installaties op een net wordt ingevoed steeds gesteld op nul
kWh.
6.
De meetinrichting van de productie-installatie voldoet aan
dezelfde nauwkeurigheidseisen als de meetinrichting op de aansluiting
waarachter deze productie-installatie zich bevindt en zoals deze zijn
omschreven in de voorwaarden op grond van artikel 31, eerste lid, onder
b, van de wet.
7.
Onverminderd de tariefstructuren, bedoeld in artikel 27 van de
wet, brengt de netbeheerder of het toegelaten meetbedrijf de kosten van
het meten van de hoeveelheid elektriciteit die afkomstig is van een
productie-installatie voor duurzame elektriciteit, in rekening bij de
producent.
§ 3. Garanties van oorsprong
Artikel 5
1. Een garantie van
oorsprong heeft betrekking op een hoeveelheid duurzame elektriciteit ter
grootte van 1 MWh.
2. De garanties van oorsprong die de garantiebeheerinstantie
boekt overeenkomstig artikel 77, derde lid, van de wet, hebben
betrekking op de duurzame elektriciteit die is opgewekt vanaf de eerste
dag van de kalendermaand waarin de producent het verzoek, bedoeld in
artikel 2, eerste lid, heeft gedaan, voor zover:
a. de netbeheerder de aldaar bedoelde vaststelling daadwerkelijk
heeft verricht, en
b. de producent de benodigde meetgegevens met betrekking tot de
hoeveelheid duurzame elektriciteit die vanaf dat moment is opgewekt,
overlegt.
3. Indien zich achter een aansluiting meerdere
productie-installaties bevinden, vraagt een producent voor elke
productie-installatie waarvoor hij een verzoek doet als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, garanties van oorsprong voor niet-netlevering
aan.
4. De garantiebeheerinstantie boekt op verzoek van degene aan wie
garanties van oorsprong toekomen, een bij het verzoek aan te geven
hoeveelheid garanties van oorsprong, niet zijnde garanties van oorsprong
voor niet-netlevering, over op een daarbij aangegeven andere rekening.
5. Op een garantie van oorsprong wordt in ieder geval vermeld:
a. de hernieuwbare energiebron waarmee de elektriciteit is
geproduceerd;
b. de begindatum en einddatum van de productie;
c. een aanduiding van de productie-installatie, waaronder de
locatie, het type en de capaciteit van de productie-installatie;
d. de datum waarop de productie-installatie in gebruik is genomen;
e. of en in welke mate voor de productie-installatie subsidie is
verstrekt en op welke grondslag;
f. dat de garantie van oorsprong betrekking heeft op elektriciteit;
g. een uniek identificatienummer;
h. de datum en het land van afgifte.
Artikel 5a
1. De garantiebeheerinstantie bepaalt na
ontvangst van het meetrapport het rendement en het gewogen maandelijks
rendement van een afvalverbrandingsinstallatie en van een AVI-eenheid.
Het rendement wordt niet bepaald voor de periode die ligt vóór het
moment dat de producent een verzoek als bedoeld in artikel 2, eerste
lid, heeft gedaan. Het gewogen maandelijks rendement wordt in het eerste
jaar bepaald over de maanden nadat de producent een verzoek als bedoeld
in artikel 2, eerste lid, heeft gedaan.
2. De garantiebeheerinstantie
kan het product van de massa van het in de afvalverbrandingsinstallatie
en de AVI-eenheid per kalendermaand verwerkte afval en overige
brandstoffen, en de calorische waarde van het verwerkte afval en overige
brandstoffen mede bepalen op basis van de in de meetvoorwaarden
beschreven iteratieve methode.
Artikel 5b
De garantiebeheerinstantie bepaalt na ontvangst van het meetrapport
van de producent, bedoeld in artikel 1b, tweede lid, de nuttig
aangewende warmte in GJ.
Artikel 6
1. De leverancier boekt als bewijs van
levering van duurzame elektriciteit aan een in Nederland gevestigde
eindafnemer, binnen één maand na levering de hoeveelheid garanties van
oorsprong die correspondeert met de hoeveelheid duurzame elektriciteit
die is geleverd aan een in Nederland gevestigde eindafnemer van zijn
Nederlandse rekening af.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid, draagt de leverancier er zorg voor dat hij op de eerste dag
van de kalendermaand van levering beschikt over de benodigde hoeveelheid
garanties van oorsprong op zijn rekening bij de garantiebeheerinstantie.
3. Een garantie van oorsprong kan slechts worden gebruikt binnen
twaalf maanden na de einddatum van de productie van de duurzame
elektriciteit waarvoor de garantie van oorsprong is geboekt.
4. Een garantie van oorsprong, niet zijnde een garantie van
oorsprong voor niet-netlevering, verliest haar geldigheid:
a. na afboeking als bewijs van levering als bedoeld in het eerste
lid;
b. uiterlijk één jaar na de datum van
boeking op grond van artikel 77, derde lid, van de wet.
5.
Voor de toepassing van het eerste lid geldt een garantie van
oorsprong voor niet-netlevering niet als bewijs. Een garantie van
oorsprong voor niet-netlevering verliest haar geldigheid nadat ze is
gebruikt om het voorschot, bedoeld in artikel 72w, tweede lid, van de
wet zoals dat luidde op 31 december 2007 dan wel in artikel 66 van het
Besluit stimulering duurzame energieproductie, te ontvangen.
6.
De garantiebeheerinstantie brengt de kosten van het beheer van
de rekening in rekening bij degene die de aanvraag, bedoeld in artikel
77, eerste lid, doet.
7.
In afwijking van het zesde lid brengt de
garantiebeheerinstantie de kosten van het beheer van de rekening in
rekening bij de minister indien aan de rekeninghouder subsidie is
verleend op grond van artikel 2 van het Besluit stimulering duurzame
energieproductie juncto:
a. artikel 9, eerste lid, van de Regeling
aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008;
b. artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de
Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009;
c. artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de
Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010.
§ 4. Biomassaverklaring
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 8
1. Indien in de productie-installatie
zuivere biomassa wordt verwerkt, verklaart de producent dat hij door
middel van een daartoe geëigende methode aan de hand van bemonstering
per partij vaststelt dat het materiaal waaruit de duurzame elektriciteit
wordt opgewekt, is aan te merken als zuivere biomassa.
2. In afwijking van het eerste lid,
hanteert de producent, indien in de productie-installatie
getorreficeerde biomassa wordt verwerkt , een daartoe geëigende methode
om vast te stellen dat de biomassa vóór torrefactie is aan te merken
als zuivere biomassa.
3. Indien in de productie-installatie
niet-zuivere biomassa wordt verwerkt, verklaart de producent dat hij
door middel van een daartoe geëigende methode aan de hand van
bemonstering per partij vaststelt wat het biologisch afbreekbare
gedeelte is van de niet-zuivere biomassa waaruit de duurzame
elektriciteit wordt opgewekt. Het biologisch afbreekbare gedeelte dient
te worden bepaald op grond van de energiebasis met twee decimalen
nauwkeurigheid.
4. Indien de duurzame
elektriciteit uitsluitend wordt opgewekt door middel van naar haar aard
zuivere biomassa of naar zijn aard zuiver biogas, verklaart de producent
dat hij gedurende de periode waarop de verklaring betrekking heeft,
uitsluitend door middel van naar haar aard zuivere biomassa of naar zijn
aard zuiver biogas duurzame elektriciteit zal opwekken.
Artikel 9
Indien in de productie-installatie niet naar zijn aard zuiver biogas
of niet-zuiver biogas wordt verwerkt, hanteert de producent ten aanzien
van de grondstof die bij het ontstaan van dit biogas gebruikt een
daartoe geëigende methode om aan de hand van bemonstering per partij
vast te stellen dat het materiaal waaruit de duurzame elektriciteit is
opgewekt, is aan te merken als zuivere of als niet-zuivere biomassa.
Artikel 10
1. De methode van vaststelling, bedoeld
in de artikelen 8, eerste en derde lid, en 9, is geëigend als de
producent ter zake van de werkzaamheden voor de bepaling van het
biologisch afbreekbare gedeelte van de biomassa beschikt over:
a. een productcertificaat als bedoeld in de
Kiwa-beoordelingsrichtlijn BRL-K 10016 voor de vaststelling van het
aandeel biomassa in secundaire brandstoffen, of
b. een schriftelijk bewijs dat hij voldoet aan vergelijkbare
procesnormen als vastgelegd in de Kiwa-beoordelingsrichtlijn BRL-K
10016.
2. De methode van vaststelling, bedoeld in
artikel 8, tweede lid, is geëigend als de producent beschikt over:
a. een certificaat behorend bij de getorreficeerde biomassa,
afgegeven door een certificeringsinstantie, waaruit blijkt dat de
oorsprong van de biomassa van die partijen volledig is aan te merken als
zuivere biomassa, en
b. het certificaat voldoet aan de eis dat dit per partij wordt
aangebracht en gevolgd en gereproduceerd kan worden.
3.
De certificeringinstantie is onafhankelijk en werkt volgens
kwaliteitsstandaarden die zijn gecertificeerd door een organisatie is
geaccrediteerd door accreditatie-instantie die is aangesloten bij de
European co-operation for Accredition of het International Accreditation
Forum.
§ 5. Garanties van oorsprong en assurancerapport of meetrapport voor
biomassa
Artikel 11
1. Indien de duurzame
elektriciteit waarvoor boeking van garanties van oorsprong wordt
aangevraagd, is opgewekt door middel van biomassa, deelt de producent
gelijktijdig met de overlegging van de meetgegevens mee, in twee
decimalen nauwkeurig, welk gewogen percentage van de door zijn
productie-installatie in de desbetreffende kalendermaand of het
desbetreffende kalenderjaar opgewekte totale hoeveelheid elektriciteit
is opgewekt door middel van:
a. zuivere biomassa;
b. niet-zuivere biomassa, waarbij hij een onderscheid maakt in het
biologisch afbreekbare en het niet biologisch afbreekbare gedeelte;
c. overige brandstoffen.
2. De garantiebeheerinstantie geeft op garanties van oorsprong,
geboekt ten behoeve van duurzame elektriciteit opgewekt door middel van
biomassa, aan door middel van welke soorten biomassa de duurzame
elektriciteit is opgewekt.
3. De producent kan gelijktijdig met de overlegging van de
meetgegevens de garantiebeheerinstantie verzoeken om op garanties van
oorsprong, geboekt ten behoeve van duurzame elektriciteit door middel
van biomassa, te vermelden welke certificaten met betrekking tot de
gebruikte biomassa zijn afgegeven. Bij het verzoek overlegt de producent
een verklaring waaruit de norm blijkt conform welke de ingezette
biomassa is gecertificeerd en welke certificeerder het certificaat heeft
verstrekt.
Artikel 12
1. Een producent als bedoeld in artikel 1b, derde lid, draagt
er zorg voor dat alle energiestromen die zijn omschreven in de
meetvoorwaarden, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage
4, en die de systeemgrens passeren, gemeten worden volgens het
meetprotocol.
2. Een producent als bedoeld in artikel 1b, derde lid, draagt er
zorg voor dat per kalenderjaar, uitgesplitst naar kalendermaanden, onder
toepassing van het meetprotocol een meetrapport wordt opgesteld dat:
a. voldoet aan de meetvoorwaarden die zijn opgesteld voor dat type
installatie;
b. de wijze van totstandkoming van de meetgegevens beschrijft;
c. geverifieerd wordt door een toegelaten meetbedrijf.
3. Een producent als bedoeld in artikel 1b, derde lid, legt het
meetrapport uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar waarop
het meetrapport betrekking heeft over aan de garantiebeheerinstanstie.
Artikel 12a
1. Uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar legt
de producent, niet zijnde een producent als bedoeld in artikel 1b,
derde lid, een assurancerapport van een externe accountant over aan de
garantiebeheerinstantie dat betrekking heeft op dat kalenderjaar en
dat is opgesteld met inachtneming van het onderzoeksprotocol
assurancerapport biomassa, opgenomen in de bij deze regeling behorende
bijlage 5.
2. Uit het assurancerapport blijkt eenduidig:
a. per kalendermaand wat de aard en de verhouding van de in de
productie-installatie verwerkte brandstoffen is in honderdste van
procenten nauwkeurig;
b. of de door de producent op grond van artikel 11, eerste lid,
meegedeelde percentages overeenstemmen met de verhouding van de onder
a bedoelde brandstoffen;
c. of uit de administratie van de producent of uit andere de
accountant ter beschikking staande gegevens volgt dat er gedurende het
afgelopen jaar in overeenstemming is gehandeld met de overgelegde
verklaring, bedoeld in artikel 11, derde lid.
3. Ten behoeve van het bepalen van de
gegevens, bedoeld in het tweede lid, gaat de accountant na of een juiste
toepassing is gegeven aan de geëigende methode, bedoeld in de artikelen
8 tot en met 10.
Artikel 13
1. Indien de overeenkomstig
artikel 11, eerste lid, meegedeelde percentages afwijken van de
percentages die uit het meetrapport of het assurancerapport blijken,
corrigeert de garantiebeheerinstantie het ten gevolge van deze afwijking
ontstane verschil door garanties van oorsprong bij te boeken op of af te
boeken van de desbetreffende rekening.
2. Indien het in artikel 12, derde lid of artikel 12a, eerste
lid, bedoelde tijdstip van indiening van het meetrapport of het
assurancerapport wordt overschreden, boekt de garantiebeheerinstantie in
de komende periode garanties van oorsprong af met toepassing van de
formule:
hoeveelheid af te boeken garanties van oorsprong = [DE/KM * OT] / 1
MWh,
waarbij:
DE = de hoeveelheid duurzame elektriciteit, opgewekt in de periode
waarop het meetrapport of het assurancerapport betrekking heeft;
KM = aantal kalendermaanden in die periode;
OT = aantal overschrijdingstijdvakken van een dag tot en met een
maand.
3. Indien het meetrapport of het assurancerapport niet voldoet
aan de vereisten, bedoeld in artikel 12, eerste en tweede lid of artikel
12 a, tweede en derde lid, geeft de garantiebeheerinstantie de producent
vier weken de tijd om het meetrapport of het assurancerapport alsnog aan
deze eisen te laten voldoen. Indien de producent hieraan geen gehoor
geeft, boekt de garantiebeheerinstantie garanties van oorsprong af met
toepassing van de in het tweede lid opgenomen formule.
Artikel 14
1. Indien duurzame elektriciteit wordt opgewekt door middel van
niet-zuivere biomassa in een afvalverbrandingsinstallatie gaat de
garantiebeheerinstantie uit van het percentage, bedoeld in het tweede
lid. De artikelen 8 tot en met 13 zijn in dat geval niet van
toepassing.
2. De Minister stelt jaarlijks uiterlijk op 1 december ten
behoeve van het daaropvolgende kalenderjaar een percentage vast, dat
uitdrukt welk gedeelte van de totale hoeveelheid elektriciteit die wordt
opgewekt door middel van niet-zuivere biomassa in een
afvalverbrandingsinstallatie, duurzame elektriciteit is.
3. Indien de garantiebeheerinstantie
constateert dat in een afvalverbrandingsinstallatie of in een
AVI-eenheid substantiële hoeveelheden homogene afvalstromen worden
verwerkt met een substantieel ander percentage dan het percentage
bedoeld in het tweede lid of dat er substantiële hoeveelheden fossiele
brandstoffen worden gebruikt, stelt de garantiebeheerinstantie de
minister hiervan op de hoogte. In afwijking van het tweede lid kan de
minister voor die afvalverbrandingsinstallatie of die AVI-eenheid het percentage
vaststellen dat uitdrukt welk gedeelte van de totale hoeveelheid
elektriciteit die wordt opgewekt door middel van die homogene
afvalstromen, duurzame elektriciteit is.
§ 6. Garanties van oorsprong uit andere lidstaten van de Europese
Unie
Artikel 15 [Vervallen per 17-12-2005]
Artikel 16 [Vervallen per 17-12-2005]
§ 7. Gegevensverstrekking
Artikel 17
De garantiebeheerinstantie deelt iedere maand aan de Minister de
volgende gegevens mee:
a. de hoeveelheid en soorten duurzame elektriciteit waarvoor
garanties van oorsprong en garanties van oorsprong voor
niet-netlevering zijn geboekt;
b. de hoeveelheid en soorten duurzame elektriciteit waarvoor
garanties van oorsprong en garanties van oorsprong voor
niet-netlevering zijn afgeboekt, alsmede de reden voor afboeking;
c. de hoeveelheid en soorten duurzame elektriciteit waarvoor
garanties van oorsprong, afkomstig uit andere lidstaten van de
Europese Unie, in Nederland ingevoerd zijn, onderverdeeld naar de
diverse lidstaten;
d. de hoeveelheid en soorten duurzame elektriciteit waarvoor
garanties van oorsprong naar andere lidstaten van de Europese Unie
uit Nederland uitgevoerd zijn, onderverdeeld naar de diverse
lidstaten.
§ 8. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 18
Een producent als bedoeld in artikel 1b, derde lid, beschikt
uiterlijk 1 januari 2012 over een meetprotocol, dat voldoet aan de
meetvoorwaarden, opgenomen in bijlage 4, en dat is goedgekeurd door een
toegelaten meetbedrijf. Indien de producent voor de kalenderjaren voor
2012 geen meetrapport als bedoeld in artikel 12, tweede lid, kan
overleggen is artikel 12a van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat het assurancerapport over het kalenderjaar 2010 uiterlijk
1 oktober 2011 wordt overgelegd.
Artikel 19
De Regeling groencertificaten Elektriciteitswet 1998 wordt
ingetrokken.
Artikel 20
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.
Artikel 22
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling garanties van oorsprong
voor duurzame elektriciteit.
Deze regeling zal met de toelichting in de
Staatscourant worden
geplaatst, met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage worden
gelegd bij de garantiebeheerinstantie, Utrechtseweg 310, Arnhem.
Den Haag, 8 december 2003.
De Minister van Economische Zaken
L.J. Brinkhorst.
Bijlagen niet opgenomen