1.1. Meten: het vaststellen en registreren van de
hoeveelheid energie die over een kalendermaand de systeemgrens van de
WKK-eenheid is gepasseerd.
1.2. Meetgegeven: het resultaat van het meten voor
één vorm van energie. Er is ten minste één meetgegeven van elk van
de afzonderlijke energievormen, te weten brandstof, elektriciteit,
warmte en, voor zover van toepassing, mechanische energie. Indien een
energievorm op meer dan één punt op de systeemgrens wordt gemeten,
zullen er ook meer meetgegevens voor die energievorm zijn.
1.3. Bemetering: het geheel van alle
meetinrichtingen en systemen voor dataopslag en datatransmissie dat
nodig is om alle energie die de systeemgrens van de WKK-eenheid
passeert, te meten en te waarborgen.
1.4. Meetinrichting: het totaal van onderling
samenhangende meters en meetmiddelen die nodig zijn om een hoeveelheid
energie te meten. Er is ten minste één meetinrichting voor het meten
van elk van de afzonderlijke energievormen, te weten brandstof,
elektriciteit, warmte en, voor zover van toepassing, mechanische
energie.
1.5. Meter: een toestel dat één parameter meet,
nodig voor het vaststellen van de hoeveelheid energie.
1.6. Meetmiddel: een onderdeel van de
meetinrichting, nodig voor het meten, anders dan een meter.
1.7. Systeemgrens: een fictieve gesloten omhulling
van de HR-WKK-eenheid die de HR-WKK-eenheid onderscheidt van de andere
systemen binnen het bedrijf.
2. Algemene eisen
Meetprotocol
2.1. Het meetprotocol van de HR-WKK-installatie
bevat ten minste de volgende elementen:
a. beschrijving van de verschillende
componenten van de HR-WKK-installatie, inclusief de eventuele
afzonderlijke HR-WKK-eenheden en de verschillende hulpinstallaties
daarbij;
b. beschrijving en schets van de systeemgrens
of systeemgrenzen van de HR-WKK-eenheden waaruit de
HR-WKK-installatie bestaat zoals uitgewerkt in hoofdstuk 3;
c. beschrijving en schets van de bemetering
van elk van de HR-WKK-eenheden;
d. beschrijving van de meters en meetmiddelen
van elk van de meetinrichtingen;
e. beschrijving van het onderhoud van elk van
de meetinrichtingen;
f. beschrijving van de apparatuur voor de
opslag en de verwerking van de gegevens afkomstig van de
meetinrichtingen;
g. beschrijving van de onnauwkeurigheid van
elk van de meetinrichtingen;
h. beschrijving van de borging van de
kwaliteit van de metingen;
i. beschrijving van de wijze van reparatie van
meetgegevens en alternatieve meetmethoden in geval van storing van
de meetinrichting;
j. beschrijving van de borging van de
kwaliteit van de verwerking van de gegevens afkomstig van de
meetinrichtingen;
k. beschrijving van de frequentie van ijking
van elk van de meetinrichtingen;
l. beschrijving van de vaststelling dan wel de
berekening van de hoeveelheid HR-WKK-elektriciteit die op het net is
ingevoed en van de berekening van de besparing op primaire energie,
overeenkomstig artikel 7 van de regeling.
Administratie
2.2. Bij het meetprotocol behoort een
administratie waarin per meetinrichting de volgende gegevens worden
geregistreerd:
a. fabrikaat, type, fabrieksnummer en bouwjaar
van de geïnstalleerde meetinrichtingen, meters en meetmiddelen;
b. kalibratiecertificaten van de
meetinrichting en de meters en meetmiddelen daarvan;
c. het jaar waarin de meetinrichting is
geïnstalleerd dan wel voor het laatst is gereviseerd;
d. het soort zegel waarmee de meetinrichting
is verzegeld, dan wel de wijze van borging die voor de
meetinrichting is aangebracht;
e. het jaar en de maand, waarin de
meetinrichting voor het laatst is gecontroleerd;
f. het jaar en de maand, waarin de
meetinrichting voor het laatst is geijkt;
g. de resultaten van de aan de meetinrichting
uitgevoerde controles en ijkingen;
h. een overzicht van de functionarissen die
bevoegd zijn metingen uit te voeren en meetinrichtingen te
onderhouden respectievelijk te beheren.
Aanvullend geldt voor warmte norm EN 1434-sectie
2.
De producent is verantwoordelijk voor het actueel
houden van deze administratie.
Onzekerheid
2.3. De onzekerheid van een meetgegeven wordt
berekend uit de onnauwkeurigheden van de afzonderlijke meetinrichtingen
op de wijze als beschreven in de ‘Guide to the expression of
uncertainty in measurement’ (uitgave van BIPM, IEC, IFCC, ISO, IUPAC,
IUPAP en OIML; International Organization for Standardization, Geneva,
1995, ISBN 92-67-10188-9).
Meetrapport
2.4. Het meetrapport bevat voor elk van de
HR-WKK-eenheden ten minste de meetgegevens van het brandstofverbruik, de
totale hoeveelheid opgewekte elektriciteit, de netto opgewekte warmte
en, voor zover van toepassing, mechanische energie en in aanvulling
daarop het aantal draaiuren.
2.5. Het meetrapport bevat een samenvatting,
bestaande uit de geaggregeerde meetgegevens, die voor de berekening van
de hoeveelheid HR-WKK-elektriciteit die op het net is ingevoed en van de
besparing op primaire energie, overeenkomstig artikel 7 van de regeling,
moeten worden gebruikt.
2.6. Indien aardgas als brandstof wordt gebruikt,
wordt de hoeveelheid aardgas gerapporteerd in kubieke meters van
standaard Groningen-kwaliteit (met een energie-inhoud van 35,17 MJ/Nm3)
onder normaalcondities. De omrekening van de gemeten hoeveelheid aardgas
naar aardgas van standaard Groningen-kwaliteit geschiedt aan de hand van
de feitelijke energie-inhoud van het gebruikte aardgas, zoals de
leverancier deze bij de facturering van het aardgas aan de producent
opgeeft.
Het meetrapport bevat een opgave van de gemeten
hoeveelheid aardgas, de door de leverancier opgegeven energie-inhoud van
het aardgas en de omgerekende hoeveelheid aardgas van standaard
Groningen-kwaliteit.
2.7. In het meetrapport wordt tevens vermeld, voor
zover van toepassing,
a. storingen van meetinrichtingen en daarmee
samenhangende reparatie van meetgegevens;
b. storingen in andere onderdelen van de
bemetering en de gevolgen daarvan voor de betrouwbaarheid van de
meetgegevens,
c. dat meetgegevens door middel van
alternatieve meting zijn bepaald;
d. correctie van meetgegevens, en
e. wijzigingen in installatie, bemetering en
andere omstandigheden die van belang kunnen zijn voor het bepalen
van de hoeveelheid garanties van oorsprong.
2.8. Het meetrapport bevat voorts een verklaring
dat de meetgegevens zijn totstandgekomen door onverkorte toepassing van
het meetprotocol.
2.9. In aanvulling op deze gegevens kan in het
meetrapport ook de verbrandingswaarde van de brandstof worden
gerapporteerd ten behoeve van rapportage aan het Centraal bureau voor de
statistiek. Dit is niet verplicht.
2.9a. Indien de producent op grond van de Regeling
certificaten warmtekrachtkoppeling Elektriciteitswet 1998 reeds
maandelijks over (HR-)WKK-eenheden een meetrapport aan de netbeheerder
van het landelijk hoogspanningsnet overlegt, kan hij ten aanzien van de
HR-WKK-elektriciteit volstaan met het aanvullen van dit rapport met de
hiervoor onder 2.4, 2.5 en 2.7-e bedoelde gegevens.
Storingen
2.10. De meetgegevens van een meetinrichting, die
door een storing niet langer functioneert of niet langer voldoet aan de
gestelde meeteisen, mogen voor een periode van maximaal vier werkdagen
nadat de storing is opgemerkt worden berekend uit controlemetingen.
2.11. Indien de storing niet binnen vier werkdagen
verholpen is, kan de producent meten volgens de in hoofdstuk 5
beschreven methode en procedure.
2.12. Indien een storing is opgetreden, wordt dit
vermeld in het meetrapport over de desbetreffende kalendermaand. Hierbij
wordt aangegeven welke meetgegevens het betreft en op welke wijze de
reparatie is aangebracht.
Eisen aan meetinrichtingen en meters
2.13. Het meten van de hoeveelheden energie
geschiedt volgens algemeen geaccepteerde comptabele meetinrichtingen.
2.14. Voor zover een meetinrichting of meter onder
de IJkwet valt, zijn deze meetvoorwaarden niet van toepassing ten
aanzien van het (de) onderwerp(en) dat (die) voor die meetinrichting of
meter in de IJkwet word(t)(en) geregeld.
2.15. De meters en meetmiddelen voldoen aan de
typekeuringseisen van de voor die meters en meetmiddelen van toepassing
zijnde EN-normen of daarmee vergelijkbare nationale normen. Het bewijs
van typegoedkeuring is verstrekt conform de IJkwet of door een
organisatie die gecertificeerd is conform NEN-ISO 17025.
2.16. De capaciteit, het ontwerp en de aanleg van
de meetinrichtingen is in overeenstemming met de maximale hoeveelheden
energie die de HR-WKK-eenheid kan consumeren respectievelijk produceren.
2.17. Plaatsing van de meters voldoet aan de
plaatsingsvoorschriften die onderdeel uitmaken van de genoemde normen en
aangevuld met de plaatsingsvoorschriften van de fabrikant van de meter
of meetmiddel.
2.18. Elk van de meters en de meetmiddelen is
geborgd dan wel verzegeld. De borging is zodanig dat een meting niet kan
worden beïnvloed, zonder dat dit duidelijk gesignaleerd wordt. De
verzegeling is zodanig dat een meting niet kan worden beïnvloed zonder
de verzegeling zichtbaar te verbreken.
2.19. De meetinrichting wordt zodanig onderhouden
dat deze voortdurend aan deze meetvoorwaarden voldoet.
3. Systeemgrens
3.1. De systeemgrens omsluit één of meerdere
HR-WKK-eenheden van een HR-WKK-installatie.
3.2. Indien de systeemgrens meerdere
HR-WKK-eenheden omsluit, worden alle eenheden binnen die systeemgrens
voor de toepassing van artikel 7 van de regeling beschouwd als één
HR-WKK-eenheid.
3.3. Indien een systeemgrens meerdere
HR-WKK-eenheden omsluit, geldt voor de berekening van de hoeveelheid
HR-WKK-elektriciteit die op het net is ingevoed en van de besparing op
primaire energie, overeenkomstig artikel 7 van de regeling, voor de
HR-WKK-eenheden binnen deze systeemgrens als bouwjaar het bouwjaar van
de meest recent gebouwde HR-WKK-eenheid.
3.4. Op de systeemgrens van de HR-WKK-eenheid
worden alle vormen van energie-input en energie-output gemeten.
3.5. Alle onderdelen van de HR-WKK-eenheid
bevinden zich binnen de systeemgrens.
3.6. Niet aan de HR-WKK-eenheid gerelateerde
systemen die elektriciteit, mechanische energie of warmte opwekken
vallen buiten de systeemgrens.
3.7. De consumptie van elektriciteit, mechanische
energie of warmte van systemen die zich binnen de systeemgrens bevinden,
wordt niet gemeten.
3.8. Voor elke HR-WKK-eenheid wordt een schema
opgesteld met daarop aangegeven de systeemgrens, de energiestromen die
de systeemgrens passeren en voor elk van deze energiestromen de
meetinrichtingen die zich op de HR-WKK-systeemgrens bevinden.
3.9. Voor de gehele HR-WKK-installatie wordt in
een schets aangegeven waarop de systeemgrenzen van de HR-WKK-eenheden in
onderling verband zijn aangegeven.
4. Nauwkeurigheidseisen aan meetinrichtingen en
meters
Brandstof
4.1. Elke brandstof die in de HR-WKK-eenheid wordt
verbruikt, wordt afzonderlijk gemeten.
4.2. Het volume aardgas of een ander gas wordt
gemeten en naar normaalcondities herleid met een meetinrichting die
voldoet aan de IJkregeling gasmeters, waarbij voor balgengasmeters de
eisen voor nauwkeurigheidsklasse I gelden.
4.3. De hoeveelheid kolen wordt gemeten op basis
van weging dan wel op basis van de inkoop en voorraadbalans, met een
maximaal toelaatbare afwijking van 1,0%, zoals bepaald in ISO 9411-1 (monstername
voor de bepaling van de onderste verbrandingswaarde).
4.4. De hoeveelheid vloeibare brandstof wordt
gemeten door middel van een meetinrichting die voldoet aan de
IJkregeling vloeistofmeters en vloeistofmeetinstallaties, waarbij de
eisen voor klasse 1.0 gelden.
4.5. De hoeveelheid andere brandstof wordt bepaald
volgens een algemeen geaccepteerde comptabele meting, met een maximaal
toelaatbare afwijking van 1,0%.
Elektriciteit en mechanische energie
4.6. Alle hoeveelheden door de HR-WKK-eenheid
opgewekte elektriciteit worden gemeten met een meetinrichting die
voldoet aan de bepalingen met betrekking tot de nauwkeurigheidseisen die
de Meetcode Elektriciteit stelt voor een meetinrichting op een
aansluiting.
4.7. De hoeveelheid mechanische energie wordt
gemeten met een ‘torquemeter’ volgens norm ASME-PCI 19.7 ‘Measurement
of shaft power’, dan wel met een meetinrichting die voldoet aan een
vergelijkbare norm. De maximaal toelaatbare afwijking van de meting
bedraagt 1,0%.
Warmte
4.8. De hoeveelheid warmte, getransporteerd als
warm water, wordt gemeten met een meetinrichting die voldoet aan die
voldoet aan EN 1434 sectie 1, klasse 1, dan wel een vergelijkbare norm.
4.9. De hoeveelheid warmte, getransporteerd als
stoom en eventueel verminderd met retourcondensaat, wordt gemeten met
een meetinrichting die voldoet aan norm ISO 5167-1 of aan een
vergelijkbare norm. Voor een stoomdebiet van 50% tot 100% van het
meetbereik van de meetinrichting bedraagt de maximaal toelaatbare
afwijking van de meting 2% van de volle schaal van de meetinrichting.
Voor een stoomdebiet van minder dan 50% van het meetbereik van de
meetinrichting bedraagt de maximaal toelaatbare afwijking van de meting
4% van de meetwaarde. De temperatuur wordt gemeten met een
weerstandsthermometer die voldoet aan norm IEC-751,
nauwkeurigheidsklasse B, een thermokoppel die voldoet aan norm IEC-584,
nauwkeurigheidsklasse 2, of een meter die voldoet aan een vergelijkbare
norm.
Bagatelbepaling
4.10. Voor ten hoogste 2,5% van de per energievorm
in totaal gemeten hoeveelheid energie, kunnen de maximaal toelaatbare
afwijkingen ten hoogste tweemaal zoveel bedragen als de volgens de
voorgaande bepalingen van dit hoofdstuk voorgeschreven maximaal
toelaatbare afwijkingen.
5. Alternatieve meting
5.1. De producent kan een meetgegeven via een
alternatieve meting bepalen, indien meten met meetinrichtingen als
bedoeld in hoofdstuk 4 niet mogelijk is omdat:
a. geen goede meting mogelijk is van de
energiehoeveelheid,
b. het plaatsen van een meetinrichting tot
aantasting van de veiligheid van de installatie zou leiden,
c. het plaatsen of verbeteren van een
meetinrichting tot onevenredig hoge kosten zou leiden, of
d. een meetinrichting in storing is geraakt
als bedoeld onder 2.10 tot en met 2.12.
5.2. De alternatieve meting voldoet aan de
hieronder genoemde voorwaarden.
5.3. De producent verstrekt in het meetprotocol
een uitvoerige motivatie voor het afwijken van hoofdstuk 4, waarin ten
minste wordt opgenomen:
a. een beschrijving van de technische
onmogelijkheid om hoofdstuk 4 toe te passen, of
b. de overwegingen omtrent de veiligheid van
de installatie op grond waarvan hoofdstuk 4 niet toegepast kan
worden, of
c. een onderbouwde raming van de kosten die
het aanpassen van de betrokken meetinrichting aan het toepassen van
hoofdstuk 4 zouden vergen, en
d. de onnauwkeurigheid die bij toepassing van
hoofdstuk 4 bereikt zou zijn, en
e. de onnauwkeurigheid die bij toepassing van
de alternatieve meting bereikt zal worden.
5.4. De wijze van het bepalen van de meetgegevens
door middel van alternatieve meting wordt nauwkeurig vastgelegd in het
meetprotocol voor de HR-WKK-installatie en wordt voorafgaand aan de
toepassing daarvan goedgekeurd door een gecertificeerd meetbedrijf.
5.5. De alternatieve meting gebruikt geen
kentallen of andere gegevens die het meten van de daadwerkelijke
hoeveelheid energie beïnvloeden.
5.6. De onnauwkeurigheid van een meetgegeven,
vastgesteld op grond van alternatieve meting, is in beginsel gelijk aan
of lager dan de onnauwkeurigheid die hoofdstuk 4 ten aanzien van de
desbetreffende meting vereist.
5.7. Indien de onnauwkeurigheid van een
meetgegeven, vastgesteld op grond van alternatieve meting, hoger is dan
de onnauwkeurigheid die hoofdstuk 4 ten aanzien van de desbetreffende
meting vereist, wordt het opgegeven meetgegeven als volgt gecorrigeerd,
a. voor energie die aan de HR-WKK-eenheid
wordt toegevoerd: de meetwaarde wordt vermeerderd met het verschil
tussen de feitelijke onnauwkeurigheid en de vereiste
onnauwkeurigheid en
b. voor energie die de HR-WKK-eenheid
produceert: de meetwaarde wordt verminderd met het verschil tussen
de feitelijke onnauwkeurigheid en de vereiste onnauwkeurigheid.
5.8. De wijze waarop de correctie volgens 5.7
wordt aangebracht, wordt beschreven in het meetprotocol.
5.9. Zowel het oorspronkelijke meetgegeven als het
meetgegeven na de correctie volgens 5.7 wordt in het meetrapport
opgenomen.