| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Elektriciteitswet
1998
REGELING
KWALITEITSASPECTEN NETBEHEER ELEKTRICITEIT EN
GAS
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Economische Zaken van 20 december 2004,
nr. WJZ 4082582, houdende nadere regels ten aanzien van de
kwaliteitsaspecten van het netbeheer op het terrein van elektriciteit en
gas (Regeling kwaliteitsaspecten netbeheer elektriciteit en gas)
De Minister van Economische
Zaken;
Gelet op de artikelen 19a, vijfde lid, en 21, derde lid, van de
Elektriciteitswet 1998 en de artikelen 8, derde lid, en 35a, vijfde lid,
van de Gaswet;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. onderbreking: een onderbreking in het transport van
elektriciteit of van gas;
b. onderbreking in het transport van elektriciteit: een
niet-beschikbaarheid van een onderdeel van een net die gepaard
gaat met onderbreking van de transportdienst bij een of meer
afnemers die ten minste vijf seconden duurt;
c. onderbreking in het transport van gas: een onderbreking van
de transportdienst bij een of meer afnemers, of een situatie
waarin de druk in een gastransportnet zo laag is dat een of meer
op dat net aangesloten installaties niet kunnen functioneren;
d. voorziene onderbreking: een onderbreking die ten minste drie
werkdagen tevoren door de netbeheerder bij de betrokken afnemers
is aangekondigd;
e. storing: een ongewilde verandering in het functioneren van
een onderdeel van een gastransportnet, waarvoor naar het oordeel
van de netbeheerder binnen vierentwintig uren maatregelen moeten
worden getroffen;
f. aanvangstijdstip onderbreking: het moment van ontvangst van
de eerste melding van een onderbreking door een afnemer of, indien
dat eerder is, het moment van vaststelling van de onderbreking
door de netbeheerder;
g. aanvangstijdstip storing: het moment van ontvangst van de
eerste melding van een storing of, indien melding niet
plaatsvindt, het moment van vaststelling van de storing door de
netbeheerder;
h. tijdstip van beëindiging onderbreking: het moment waarop
bij alle afnemers het transport van elektriciteit of gas op het
oorspronkelijke niveau is hervat;
i. tijdstip van veiligstellen storing: het moment waarop de
monteur vaststelt dat er geen onmiddellijk gevaar voor personen of
objecten meer bestaat;
j. het totale aantal afnemers: het totale aantal afnemers die
op 1 januari van het jaar waarop de registratie betrekking heeft,
zijn aangesloten op het net van de netbeheerder of op
onderliggende netvlakken die door andere netbeheerders worden
beheerd;
k. het aantal getroffen afnemers: de sommatie, per
onderbreking, van
1°. het aantal afnemers die door de onderbreking zijn
getroffen en die zijn aangesloten op het net van de
netbeheerder in wiens net de onderbreking veroorzaakt is, en
2°. het aantal afnemers die door de onderbreking zijn
getroffen en die zijn aangesloten op onderliggende netvlakken
van het net waarin de onderbreking is veroorzaakt die door
andere netbeheerders worden beheerd;
l. kwaliteits- en capaciteitsdocument: het document, bedoeld in
artikel 21, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 of artikel
8, tweede lid, van de Gaswet;
m. capaciteitsknelpunten: netdelen of onderdelen van het net
waarvan de capaciteit op enig moment minder bedraagt of zal
bedragen dan de geraamde behoefte aan capaciteit voor het
transport van elektriciteit of gas, rekening houdend met de door
de netbeheerder gehanteerde marges omtrent nauwkeurigheid en
onzekerheid;
n. aanrijdtijd storing: het aantal minuten vanaf het tijdstip
van de melding van een storing tot het tijdstip waarop een
vertegenwoordiger van de netbeheerder op de gemelde
storingslocatie aankomt.
2. Waar in deze regeling naar de netbeheerder wordt verwezen, wordt
daarmee bedoeld de netbeheerder, bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel k, van de Elektriciteitswet 1998 en de netbeheerder, bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Gaswet.
3. Waar in deze regeling naar het net wordt verwezen, wordt daarmee
bedoeld het net, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de
Elektriciteitswet 1998 en het gastransportnet, bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel d, van de Gaswet.
4. Waar in deze regeling naar de netbeheerder van een landelijk net
wordt verwezen, wordt daarmee bedoeld de netbeheerder van het
landelijk hoogspanningnet, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel
j, van de Elektriciteitswet 1998, en de netbeheerder van het landelijk
gastransportnet, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de
Gaswet.
5. Bij de toepassing van de artikelen 2, eerste lid, 3 tot en met
5, 7, eerste lid en tweede lid, onderdelen a, b, d, e, h, i en k, 8,
eerste lid, 10, eerste lid, en 16, eerste lid, onderdeel c, maakt de
netbeheerder een onderscheid tussen voorziene en onvoorziene
onderbrekingen.
Hoofdstuk 2. Registratieverplichtingen
§ 1. Kwaliteitsindicatoren
Artikel 2
1. In de registratie, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de
Elektriciteitswet 1998, worden de volgende kwaliteitsindicatoren
opgenomen:
a. de jaarlijkse uitvalduur;
b. de gemiddelde onderbrekingsduur;
c. de onderbrekingsfrequentie.
2. In de registratie, bedoeld in artikel 35a, eerste lid, van de
Gaswet, worden de volgende kwaliteitsindicatoren opgenomen:
a. de kwaliteitsindicatoren, bedoeld het eerste lid;
b. het aantal voorvallen dat de dood of letsel van een persoon
dan wel schade aan een zaak of het milieu heeft veroorzaakt dat
aan de Onderzoeksraad voor veiligheid is gemeld op grond van
artikel 9, eerste lid, onderdeel g, van het Besluit Onderzoeksraad
voor veiligheid;
c. het aantal voorvallen dat gevaar voor de dood of letsel van
een persoon dan wel schade aan een zaak of het milieu in het leven
heeft geroepen dat aan de Onderzoeksraad voor veiligheid is gemeld
op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel g, van het Besluit
Onderzoeksraad voor veiligheid;
d. de gemiddelde aanrijdtijd bij een storing;
e. het aantal door de netbeheerder vastgestelde lekken in het
gastransportnet;
f. het aantal door de netbeheerder vastgestelde lekken in de
aansluitingen.
3. Bij de registratie van de kwaliteitsindicatoren, bedoeld in het
tweede lid, onderdelen e en f, maakt de netbeheerder onderscheid
tussen lekken die een onmiddellijk gevaar opleveren voor personen en
objecten en overige lekken.
4. In afwijking van het tweede lid, onderdelen a en d, wordt door
de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdeel n, van de Gaswet als kwaliteitsindicatoren
opgenomen:
a. het aantal transportonderbrekingen, zijnde het aantal keren
dat voor een netgebruiker gedurende bepaalde tijd geen transport
van gas kon worden verricht of dat een netgebruiker gedurende
bepaald tijd door lage druk geen gebruik kon maken van het
verrichte gastransport, met uitzondering van
transportonderbrekingen die aan de netgebruiker kunnen worden
toegerekend;
b. de gemiddelde tijdsduur voor het veiligstellen van een
storing.
5. De kwaliteitsindicatoren betreffen de gegevens over het
desbetreffende jaar van registratie.
Artikel 3
De jaarlijkse uitvalduur, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel
a, wordt bepaald met toepassing van de volgende formule:
jaarlijkse uitvalduur = Σ (GA × T) / TA, waarbij:
GA = het aantal getroffen afnemers;
T = de tijdsduur in minuten die verstrijkt tussen het
aanvangstijdstip onderbreking en het tijdstip van beëindiging
onderbreking;
TA = het totale aantal afnemers;
Σ = sommatie over alle onderbrekingen van het desbetreffende
jaar van registratie betreft.
Artikel 4
De gemiddelde onderbrekingsduur, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdeel b, wordt bepaald met toepassing van de volgende formule:
gemiddelde onderbrekingsduur = Σ (GA × T) / Σ GA,
waarbij:
GA = het aantal getroffen afnemers;
T = de tijdsduur in minuten die verstrijkt tussen het
aanvangstijdstip onderbreking en het tijdstip van beëindiging
onderbreking;
Σ = sommatie over alle onderbrekingen van het desbetreffende
jaar van registratie betreft.
Artikel 5
De onderbrekingsfrequentie, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdeel c, wordt bepaald met toepassing van de volgende formule:
onderbrekingsfrequentie = Σ GA / TA, waarbij:
GA = het totale aantal getroffen afnemers;
TA = het totale aantal afnemers;
Σ = sommatie over alle onderbrekingen van het desbetreffende
jaar van registratie betreft.
Artikel 6
1. De gemiddelde tijdsduur voor het veiligstellen van een storing,
bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel b, wordt bepaald met
toepassing van de volgende formule:
gemiddelde tijdsduur veiligstellen storing = Σ (TV) / S,
waarbij:
TV = de tijdsduur in minuten die verstrijkt tussen het
aanvangstijdstip storing en het tijdstip van veiligstellen storing;
S = het totale aantal storingen;
Σ = sommatie over alle storingen van het desbetreffende jaar
van registratie betreft.
2. De gemiddelde aanrijdtijd bij een storing als bedoeld in artikel
2, tweede lid, onderdeel d, wordt bepaald met toepassing van de
volgende formule:
gemiddelde aanrijdtijd bij een storing = ∑ (TR)/S, waarbij:
TR = de aanrijdtijd storing;
S = het totale aantal storingen;
∑ = sommatie over alle storingen van het desbetreffende
jaar van registratie betreft.
§ 2. Gegevens, procedures en wijze van registratie
Artikel 7
1.In de registratie, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de
Elektriciteitswet 1998, worden de volgende gegevens opgenomen,
onderscheiden naar spanningsniveau:
a. het identificatienummer dat de netbeheerder toekent aan de
onderbreking;
b. de locatiegegevens van de onderbreking;
c. de datum en het aanvangstijdstip van de onderbreking;
d. de datum en het tijdstip van beëindiging van de
onderbreking;
e. de aard en de oorzaak van de onderbreking;
f. het totale aantal getroffen afnemers;
g. het spanningsniveau van het deel van het net waarin de
onderbreking zich voordoet.
2.In de registratie, bedoeld in artikel 35a, eerste lid, van de
Gaswet, worden de volgende gegevens opgenomen, onderscheiden naar
drukniveau:
a. het identificatienummer dat de netbeheerder toekent aan de
storing, de onderbreking of het vastgestelde lek;
b. de locatiegegevens van de storing, de onderbreking of het
vastgestelde lek;
c. de datum waarop de netbeheerder het lek vaststelt;
d. de datum en het aanvangstijdstip van de storing of de
onderbreking;
e. de datum en het tijdstip van beëindiging van de
onderbreking;
f. het onderscheid tussen storingen waarbij de veiligheid van
personen of objecten in onmiddellijk gevaar is en storingen
waarbij dat niet het geval is;
g. de datum en het tijdstip van veiligstellen van storingen
waarbij de veiligheid van personen of objecten in onmiddellijk
gevaar is;
h. de aard en de oorzaak van de storing, de onderbreking of het
vastgestelde lek;
i. het drukniveau van het onderdeel van het gastransportnet
waarin de storing of onderbreking zich voordoet of waarin het lek
is vastgesteld;
j. de wijze waarop de netbeheerder het lek heeft vastgesteld;
k. het totale aantal getroffen afnemers.
Artikel 8
1.De netbeheerder draagt zorg voor het opstellen en toepassen van
procedures voor het ontvangen en verwerken van meldingen van
onderbrekingen en storingen en voor het meten en registreren van de
gegevens, bedoeld in artikel 7.
2.De netbeheerder waarborgt de volledigheid, betrouwbaarheid en
juistheid van de registratie.
3.In het kader van de waarborg, bedoeld in het tweede lid, beschikt
de netbeheerder over een beschrijving van:
a. het registratieproces;
b. de toedeling van verantwoordelijkheden binnen dat proces;
c. de wijze waarop hij de vakbekwaamheid van de bij de
registratie betrokken personen borgt;
d. de wijze waarop verlies of wijziging van geregistreerde
gegevens wordt voorkomen.
Artikel 9
In de rapportage, bedoeld in artikel 19a, tweede lid, van de
Elektriciteitswet 1998 en artikel 35a, tweede lid, van de Gaswet, neemt
de netbeheerder op:
a. de kwaliteitsindicatoren, bedoeld in artikel 2, eerste en
tweede lid;
b. de oorzaken van de wijzigingen ten opzichte van het
voorafgaande jaar.
Hoofdstuk 3. Kwaliteitsbeheersing en capaciteit
§ 1. Kwaliteits- en capaciteitsdocument
Artikel 10
1. In het kwaliteits- en capaciteitsdocument geeft de netbeheerder,
met uitzondering van de netbeheerder van het landelijk
gastransportnet, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de
Gaswet, aan welke waarden hij nastreeft voor:
a. de jaarlijkse uitvalduur;
b. de gemiddelde onderbrekingsduur;
c. de onderbrekingsfrequentie.
2. De formules, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 5, zijn van
overeenkomstige toepassing op het bepalen van de door een netbeheerder
na te streven waarden voor de kwaliteitsindicatoren, bedoeld in het
eerst lid, met dien verstande dat de variabelen in die formules geen
betrekking hebben op gerealiseerde maar op na te streven eenheden.
3. De netbeheerder, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e,
van de Gaswet geeft naast de waarden, bedoeld in het eerste lid, in
het document aan welke normen, richtlijnen en overige relevante
voorschriften hij toepast in het kader van de veiligheid bij de
aanleg, het onderhoud en het beheer van zijn gastransportnet en bij
het verrichten van transport van gas via het gastransportnet.
Artikel 11
1. In het kwaliteits- en capaciteitsdocument neemt de netbeheerder
op:
a. de resultaten van de raming van de totale behoefte aan
capaciteit voor het transport van elektriciteit of van gas,
bedoeld in artikel 14, eerste lid;
b. de capaciteitsknelpunten;
c. de wijze waarop hij voornemens is te voorzien in de totale
behoefte aan capaciteit, bedoeld in artikel 14, eerste lid, en de
wijze waarop hij daarbij voornemens is de capaciteitsknelpunten op
te lossen;
d. een afschrift van de procedure, bedoeld in artikel 14,
tweede lid;
e. de vastgestelde risico’s en een afschrift van de
uitgevoerde risicoanalyse, bedoeld in artikel 15, tweede lid;
f. de maatregelen ten aanzien van onderhoud en vervanging,
bedoeld in artikel 15, vierde lid;
g. een afschrift van het investeringsplan, bedoeld in artikel
16, eerste lid, onderdeel a;
h. een afschrift van het onderhoudsplan, bedoeld in artikel 16,
eerste lid, onderdeel b;
i. een afschrift van het plan, bedoeld in artikel 16, eerste
lid, onderdeel c.
2. Het kwaliteits- en capaciteitsdocument wordt gebaseerd op
gegevens uit het kwaliteitsbeheersingssysteem, bedoeld in artikel 15,
eerste lid.
3. De periodes waarop het kwaliteits- en capaciteitsdocument
betrekking heeft, zijn voor de netbeheerder van het landelijk net ten
aanzien van de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a
tot en met d, en f tot en met h, de periodes, bedoeld in de artikelen
14, eerste lid, 15, zesde lid, en 16, derde lid.
Artikel 12
1. De eerste keer dat de netbeheerder een kwaliteits- en
capaciteitsdocument indient, geeft hij de informatie, bedoeld in
artikel 11, integraal weer, voor zover deze informatie niet reeds in
een ander kader aan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit
is verstrekt.
2. In de daaropvolgende kwaliteits- en capaciteitsdocumenten geeft
de netbeheerder naar keuze de informatie, bedoeld in artikel 11,
integraal weer of geeft de netbeheerder uitsluitend de wijzigingen
weer ten opzichte van de laatste keer dat de informatie, bedoeld in
artikel 11, integraal in een kwaliteits- en capaciteitsdocument is
weergegeven.
Artikel 13
De netbeheerder dient het kwaliteits- en capaciteitsdocument
uiterlijk op 1 december van de oneven kalenderjaren in bij de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit.
§ 2. Ramen van de capaciteitsbehoefte
Artikel 14
1. De netbeheerder raamt steeds in de oneven kalenderjaren voor de
komende tien jaren de totale behoefte aan capaciteit voor het
transport van elektriciteit voor netten met een spanning van 25 kV of
meer of van gas voor gastransportnetten met een druk van 200 mbar of
meer.
2. De raming van de netbeheerder, bedoeld in het eerste lid, berust
voor de eerste drie jaren op een door hem daartoe vastgestelde
procedure met daarin:
a. de methode van ramen;
b. een schets van de ontwikkeling van meerdere scenario’s die
de totale capaciteitsbehoefte prognosticeren;
c. een uitwerking op hoofdlijnen van het scenario waarvan het
meest waarschijnlijk is dat het zich zal verwezenlijken;
d. een indicatie van de te hanteren uitgangspunten en de
daarbij behorende vooronderstellingen die aan de scenario’s,
bedoeld in onderdeel b, ten grondslag liggen;
e. een analyse voor het bepalen van de betrouwbaarheid van de
raming;
f. een analyse van de wijze waarop de netbeheerder omgaat met
het risico dat zich uiteindelijk een ander scenario verwezenlijkt
dan door hem is geprognosticeerd;
g. een methode voor het bepalen van capaciteitsknelpunten.
3. Bij de raming, bedoeld in het eerste lid, die op een procedure,
bedoeld in het tweede lid, berust maakt de netbeheerder gebruik van:
a. de ingediende capaciteitsvraag en, voor zover dat niet
mogelijk is of tot een evident onjuiste raming leidt, van
onderbouwde schattingen;
b. de capaciteitsvraag die is gerealiseerd ten opzichte van de
vorige raming.
4. De uitwerking van het meest waarschijnlijke scenario, bedoeld in
het tweede lid, onderdeel c, omvat in ieder geval een motivering van
de netbeheerder voor de keuze van dat scenario als meest
waarschijnlijke, waarbij ten minste aandacht wordt besteed aan de
invloed van de ingediende, eventueel geschatte en eerder gerealiseerde
capaciteitsvraag op die keuze.
5. De uitwerking van een methode voor het bepalen van
capaciteitsknelpunten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel g, richt
zich in ieder geval op:
a. de wijze waarop een verband wordt gelegd tussen het bepalen
van een capaciteitsknelpunt en een ontwikkelingsscenario;
b. de waarschijnlijkheid waarmee, de termijn waarbinnen en de
omstandigheden waaronder een capaciteitsknelpunt zich naar
verwachting voordoet.
6. De netbeheerder stemt de indicatie, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel d, af met de netbeheerders van andere netten waarmee zijn
net verbonden is, en voor zover van toepassing, in het bijzonder met
de netbeheerder van het landelijk net.
7. In afwijking van het tweede lid, berust de raming van de
netbeheerder van het landelijk net voor de eerste vijf jaren op een
door hem daartoe vastgestelde procedure die voldoet aan de eisen,
bedoeld in het tweede lid.
§ 3. Eisen aan het kwaliteitsbeheersingssysteem
Artikel 15
1. Het kwaliteitsbeheersingssysteem is gericht op de beheersing van
de risico’s voor het realiseren of in stand houden van de kwaliteit
van de transportdienst op korte en lange termijn die de netbeheerder
nastreeft.
2. De netbeheerder stelt de naar zijn oordeel belangrijkste risico’s
vast op basis van een actuele risicoanalyse.
3. De netbeheerder maakt in de actuele risicoanalyse, bedoeld in
het tweede lid, inzichtelijk op welke wijze hij de belangrijkste
risico’s heeft geïnventariseerd en op hun relevantie heeft
beoordeeld, en op welke aspecten binnen de bedrijfsvoering die risico’s
betrekking hebben.
4. De netbeheerder stelt vast welke maatregelen ten aanzien van
onderhoud en vervanging naar zijn oordeel in de komende zeven jaren,
met uitzondering van de eerste drie jaren, moeten worden getroffen
voor het realiseren of in stand houden van de door hem nagestreefde
kwaliteit van de transportdienst.
5. De netbeheerder betrekt bij de risicoanalyse, bedoeld in het
tweede lid, de in het bedrijfsmiddelenregister opgenomen gegevens die
relevant zijn voor het bepalen van de kwaliteit van de verbindingen,
leidingen en hulpmiddelen.
6. In afwijking van het vierde lid, bedraagt voor de netbeheerder
van het landelijk net de periode waarop de vast te stellen maatregelen
betrekking hebben vijftien jaren, met uitzondering van de eerste vijf
jaren.
Artikel 16
1. De netbeheerder werkt overeenkomstig:
a. een investeringsplan voor de komende drie jaren, waarin hij
voor ieder jaar afzonderlijk de te plegen investeringen en de
daarvoor benodigde werkzaamheden beschrijft met een uitsplitsing
naar vervangings- en uitbreidingsinvesteringen;
b. een onderhoudsplan voor de komende drie jaren, waarin hij
het te plegen onderhoud en de daarvoor benodigde werkzaamheden
beschrijft;
c. een plan waarin hij beschrijft hoe storingen en
onderbrekingen worden opgelost en waarin de organisatie van de
onderhouds- en storingsdienst wordt beschreven.
2. In de plannen, bedoeld in het eerste lid:
a. specificeert de netbeheerder de benodigde tijd en
financiële middelen en licht hij toe op welke wijze de
aanpassingen ten opzichte van voorgaande plannen voortkomen uit de
realisatie daarvan of uit gewijzigde inzichten over de
ontwikkeling in de te verwachten capaciteitsbehoefte;
b. licht de netbeheerder toe hoe met de resultaten van de
risicoanalyse, bedoeld inartikel 15, tweede lid, in die plannen
rekening is gehouden en betrekt hij daarbij tevens eventuele
resterende risico’s.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, bedraagt
voor de netbeheerder van het landelijk net de periode waarop het
investeringsplan respectievelijk het onderhoudsplan betrekking heeft
vijf jaren.
Artikel 17
1. De netbeheerder hanteert een bedrijfsmiddelenregister, dat een
beschrijving bevat van alle verbindingen, leidingen en hulpmiddelen
van het net, aangeduid naar locatie, aard, type en overige relevante
gegevens.
2. De netbeheerder maakt gebruik van een procedure die ertoe leidt
dat het bedrijfsmiddelenregister actueel en compleet is en dat
wijzigingen met betrekking tot de bedrijfsmiddelen binnen twee maanden
zijn verwerkt.
3. De netbeheerder geeft steeds in de oneven kalenderjaren op basis
van de procedure, bedoeld in het tweede lid:
a. een beschrijving van het geautomatiseerde systeem waarin de
gegevens zijn vastgelegd die deel uitmaken van het
bedrijfsmiddelenregister, en in geval van meerdere van die
systemen tevens de wijze waarop gewaarborgd is dat die gezamenlijk
actueel en compleet zijn;
b. een beschrijving van de componenten van het net en een
kwalitatieve beoordeling van de technische toestand van deze
componenten;
c. de wijzigingen van de toestand van de componenten ten
opzichte van het voorafgaande jaar.
Artikel 18
1. De beschrijving van de leidingen en hulpmiddelen, bedoeld in
artikel 17, eerste lid, betreffende een net als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel d, van de Gaswet bevat in ieder geval een
beschrijving van:
a. de materiaalsoort, de functie, de diameter en de lengte van
een leiding;
b. het legjaar van de leiding of, indien die niet bekend is,
een gemotiveerde aanduiding van de periode waarin die leiding is
gelegd;
c. de druk gemeten in bar waaronder een leiding gebruikt wordt;
d. in geval van een stalen leiding, de bekleding van de leiding
en de vermelding of sprake is van kathodische bescherming van de
leiding;
e. de stations en appendages, alsmede de datum van
ingebruikneming of, indien die niet bekend is, een gemotiveerde
aanduiding van de periode van ingebruikneming.
2. De beschrijving van de verbindingen en hulpmiddelen, bedoeld in
artikel 17, eerste lid, betreffende een net als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel i, van de Elektriciteitswet 1998 bevat in ieder
geval een beschrijving van:
a. het materiaal van de kern, het isolatiemateriaal en de
diameter van de verbinding;
b. het aanlegjaar van de verbinding of, indien die niet bekend
is, een gemotiveerde aanduiding van de periode waarin de
verbinding is aangelegd;
c. de vermelding van het spanningsniveau waarop een verbinding
functioneert;
d. de lengte van een verbinding tussen twee schakelstations en
de lengte van elk verbindingsdeel van die verbinding;
e. de transformatoren, spanningsruimtes, stationsvelden en
schakel- en regelstations, alsmede de datum van ingebruikneming
of, indien die niet bekend is, een gemotiveerde aanduiding van de
periode van ingebruikneming.
Artikel 19
De onderdelen van het kwaliteitsbeheersingssysteem van een
netbeheerder, de resultaten van en de procedure voor het ramen van de
capaciteitsbehoefte, bedoeld in artikel 14, de streefwaarden, bedoeld in
artikel 10, eerste lid, het registratieproces, bedoeld in artikel 8,
derde lid, en de jaarlijkse begroting van de netbeheerder zijn onderling
consistent.
Artikel 20
1. De netbeheerder evalueert het registratieproces, bedoeld in
artikel 8, derde lid, en de procedures en plannen, bedoeld in de
artikelen 14, 16 en17, ten minste een maal per zes jaren.
2. De evaluatie betreft ten minste de wijze waarop het
registratieproces en de procedures en plannen hebben bijgedragen aan
de realisatie van het door hem nagestreefde kwaliteitsniveau.
3. Indien dit naar zijn oordeel naar aanleiding van de evaluatie
noodzakelijk is, wijzigt en vernieuwt de netbeheerder het
registratieproces en de procedures en plannen.
Hoofdstuk 3a. Calamiteitenplannen en voorvallen
Artikel 20a
1. De netbeheerder beschikt over een calamiteitenplan waarin de
volgende onderdelen in ieder geval aan bod komen:
a. de visie, uitgangspunten en strategie met betrekking tot
crisismanagement;
b. de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van
crisismanagers;
c. de crisisorganisatie;
d. de besluitvormingsstructuur;
e. de wijze van alarmering en opschaling van activiteiten;
f. interne en externe communicatieafspraken.
2. De netbeheerder stemt het calamiteitenplan, bedoeld in het
eerste lid, af met de hulpverlenende diensten die bij calamiteiten
over het algemeen worden ingeschakeld.
Artikel 20b
De netbeheerder verstrekt met betrekking tot een voorval, bedoeld in
artikel 8a, eerste lid, van de Gaswet, zodra zij bekend zijn, aan de
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie de gegevens over:
a. de oorzaken van het voorval en de omstandigheden waaronder het
voorval zich heeft voorgedaan;
b. de ten gevolge van het voorval vrijgekomen gassen, alsmede hun
eigenschappen en de hoeveelheden die zijn vrijgekomen;
c. de aard en de ernst van de gevolgen voor de mens of het milieu
van het voorval;
d. de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de
gevolgen van het voorval te voorkomen, te beperken of ongedaan te
maken;
e. de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om te
voorkomen dat het voorval zich nogmaals kan voordoen.
Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 21 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 22
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2005, met
uitzondering van de artikelen 15 tot en met 20, die op 1 november 2005
in werking treden.
Artikel 23
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling kwaliteitsaspecten
netbeheer elektriciteit en gas.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Den Haag, 20 december 2004.
De Minister van Economische Zaken,
L.J. Brinkhorst.
|
|
|