|
nummer en korte
omschrijving |
Definitie
verdeelmaatstaf |
Bron |
Peildatum of
tijdsaanduiding (indien deze anders luidt dan 1 januari van het
uitkeringsjaar) |
|
1. Maatstaf Ozb waarde woningen
eigenaren |
Het op grond van artikel 8, tweede
lid, van de Financiële-verhoudingswet gecorrigeerde totaal van de
vastgestelde waarden van onroerende zaken. Het gecorrigeerde
totaal wordt gedeeld door de uitkeringsfactor over het
uitkeringsjaar. Het betreft de onroerende zaken die tot woning
dienen waarover onroerende zaakbelastingen (Ozb), bedoeld in
artikel 220, onderdeel b, van de Gemeentewet, geheven kan worden
van eigenaren. De waarde van de onroerende zaken wordt bepaald op
grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken. |
CBS |
|
|
1a. Maatstaf Ozb niet-woningen
eigenaren |
Het op grond van artikel 8, tweede
lid, van de Financiële-verhoudingswet gecorrigeerde totaal van de
vastgestelde waarden van onroerende zaken in de gemeente. Het
gecorrigeerde totaal wordt gedeeld door de uitkeringsfactor over
het uitkeringsjaar. Het betreft onroerende zaken die niet in
hoofdzaak tot woning dienen en waarover onroerende zaakbelastingen
(Ozb), bedoeld in artikel 220, onderdeel b, van de Gemeentewet,
kan worden geheven van eigenaren. De waarde van de onroerende
zaken wordt bepaald op grond van hoofdstuk IV van de Wet
waardering onroerende zaken. |
CBS |
|
|
1b. Maatstaf Ozb niet-woningen
gebruikers |
Het op grond van artikel 8, tweede
lid, van de Financiële-verhoudingswet gecorrigeerde totaal van de
vastgestelde waarden van onroerende zaken in de gemeente.
Het gecorrigeerde totaal wordt
gedeeld door de uitkeringsfactor over het uitkeringsjaar. Het
betreft onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen
en waarover onroerende zaakbelastingen (Ozb) kan worden geheven
van de gebruikers, zoals bedoeld in artikel 220, onderdeel a, van
de Gemeentewet. De waarde van de onroerende zaken wordt bepaald op
grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken. |
CBS |
|
|
2. Maatstaf inwoners |
Het aantal inwoners van de
gemeente. |
CBS |
|
|
3. Maatstaf éénouderhuishoudens |
Het aantal particuliere huishoudens
in een gemeente bestaande uit een ouder met een of meer
thuiswonende kinderen. |
CBS |
|
|
4. Maatstaf jongeren |
Het aantal inwoners van de gemeente
dat 19 jaar of jonger is. |
CBS |
|
|
5. Maatstaf ouderen |
Het aantal inwoners van de gemeente
dat 65 jaar of ouder is. |
CBS |
|
|
5a. Maatstaf inwoners 75 tot 85
jaar |
Het aantal inwoners van een
gemeente van 75 jaar tot 85 jaar. |
CBS |
|
|
6. Maatstaf inwoners
waddengemeenten |
Voor de gemeenten Texel, Vlieland,
Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog: het aantal inwoners van
de gemeente. Daarbij vindt een verdeling plaats in drie
maatstaven, overeenkomstig de volgende schijven: a. het aantal
inwoners in het interval tot en met 2500 inwoners; b. het aantal
inwoners in het interval van 2501 tot en met 7500 inwoners; c. het
aantal inwoners boven de 7500 inwoners. |
CBS |
|
|
7. Maatstaf huishoudens met een
laag inkomen |
Het aantal huishoudens in de
gemeente met een inkomen hoger dan inkomensgrens s en niet hoger
dan inkomensgrens t. Inkomensgrens s wordt zodanig bepaald dat
juist bij 10% van het landelijk aantal huishoudens het inkomen
onder de grens ligt. Inkomensgrens t wordt zodanig bepaald dat
juist bij 40% van het landelijk aantal huishoudens het inkomen
onder de grens ligt. |
CBS |
De meest recente op het
uitkeringsjaar of een daarvóór gelegen tijdstip betrekking
hebbende inkomensstatistiek, voor zover deze is bekendgemaakt op
uiterlijk 1 september van het tweede jaar volgend op het
uitkeringsjaar. |
|
7a. Maatstaf huishoudens met een
laag inkomen met drempel |
Het aantal huishoudens in de
gemeente volgens maatstaf 7, voor zover dit aantal méér is dan
10% van het aantal woonruimten in de gemeente. |
CBS |
De meest recente op het
uitkeringsjaar of een daarvóór gelegen tijdstip betrekking
hebbende inkomensstatistiek, voor zover deze is bekendgemaakt op
uiterlijk 1 september van het tweede jaar volgend op het
uitkeringsjaar. |
|
8. Bijstandsmaatstaf |
Het totaal aantal personen die in
een gemeente een periodieke uitkering ontvangen op grond van:
1. de Wet werk en bijstand (WWB)
voor zover die personen thuiswonend en jonger dan 65 jaar zijn;
2. het Besluit WWB of het Besluit
WWB 2007;
3. de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of
4. de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
Indien een normuitkering wordt
verdeeld onder verschillende personen, worden deze personen geteld
als één persoon. |
CBS |
31 december van het jaar
voorafgaand aan het uitkeringsjaar |
|
9. Maatstaf schaalnadeel uitvoering
regelgeving SZW |
Het aantal personen met een
uitkering volgens maatstaf 8, gedeeld door de som van 350 en dit
aantal. |
CBS |
31 december van het jaar
voorafgaand aan het uitkeringsjaar |
|
10. Maatstaf schaalvoordeel
uitvoering regelgeving SZW |
Het aantal personen met een
uitkering volgens maatstaf 8 tot de macht 0,87. |
CBS |
31 december van het jaar
voorafgaand aan het uitkeringsjaar |
|
11. Maatstaf uitkeringsontvangers |
Het aantal personen met een
uitkering volgens maatstaf 8 plus
1. het aantal volgens de Wet
sociale werkvoorziening (Wsw) geïndiceerde inwoners in een
gemeente die een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 1 van de
Wsw hebben. Meegeteld worden de volgens de Wsw geïndiceerde
personen die op de wachtlijst staan en beschikbaar zijn om een
dienstbetrekking als eerder genoemd te aanvaarden, plus
2. het aantal personen jonger dan
65 jaar van de gemeentemet een periodieke uitkering op grond van
a. bij of krachtens de Kaderwet
militaire pensioenen vastgestelde bepalingen;
b. de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
c. de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
d. de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
e. de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen of
f. het Reglement van het Algemeen
Mijnwerkersfonds. |
1. SZW
2, onderdeel a: de Algemene
Pensioen Groep (APG)
2, onderdelen b t/m e: het
Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV)
2, onderdeel f: het Algemeen
Mijnwerkersfonds van de steenkolenmijnen in Limburg |
31 december van het jaar
voorafgaand aan het uitkeringsjaar |
|
12. Maatstaf minderheden |
Het totaal van het aantal inwoners
van de gemeente dat behoort tot een etnische minderheid. Hiertoe
worden in ieder geval gerekend personen van Turkse, Marokkaanse,
Surinaamse of Antilliaanse afkomst van de eerste en tweede
generatie, alsmede houders van een verblijfsvergunning op grond
van asiel. |
CBS |
|
|
13. Maatstaf klantenpotentieel
lokaal |
Het aantal potentiële lokale
klanten van een woonkern. Dat is het aantal klanten dat een
woonkern van een gemeente aantrekt uit alle woonkernen binnen een
straal van 20 kilometer rondom de eigen woonkern, met inbegrip van
die woonkern zelf. Verondersteld wordt dat de lokale
aantrekkingskracht van een kern lineair toeneemt met het aantal
inwoners van die kern en afneemt met het kwadraat van de afstand
tot die kern. Het totaal aantal potentiële lokale klanten in
Nederland is gelijk aan het aantal inwoners. |
CBS |
|
|
14. Maatstaf klantenpotentieel
regionaal |
Het aantal potentiële regionale
klanten van een woonkern. Dat is het aantal klanten dat een
woonkern van een gemeente aantrekt uit alle woonkernen binnen een
straal van 60 kilometer rondom de eigen woonkern, met inbegrip van
die woonkern zelf. Verondersteld wordt dat de regionale
aantrekkingskracht van een kern toeneemt met het kwadraat van het
aantal inwoners van die kern en afneemt met het kwadraat van de
afstand tot die kern. Het totaal aantal potentiële regionale
klanten in Nederland is gelijk aan het aantal inwoners. |
CBS |
|
|
15. Leerlingmaatstaf voortgezet
onderwijs |
Het gecorrigeerde aantal leerlingen
die in een gemeente op de peildatum voortgezet onderwijs volgen. |
OCW |
1 oktober van het jaar voorafgaand
aan het uitkeringsjaar |
|
15a. Leerlingmaatstaf speciale
school voor basisonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs |
Het gecorrigeerde aantal leerlingen
die in een gemeente op de peildatum één van de volgende vormen
van onderwijs volgen:
1.onderwijs aan een speciale school
voor basisonderwijs;
2. voortgezet speciaal onderwijs. |
OCW |
1 oktober van het jaar voorafgaand
aan het uitkeringsjaar |
|
15b. Maatstaf extra groei
leerlingen voortgezet onderwijs |
Het aantal leerlingen boven de
toename van het ongecorrigeerde aantal leerlingen van 10%, in een
gemeente waar het ongecorrigeerde aantal leerlingen, bedoeld in
maatstaf 15, in tien jaar tijd met meer dan 10% is toegenomen. |
OCW |
|
|
15c. Maatstaf extra groei jongeren |
Voor de gemeente waar het aantal
jongeren, bedoeld in maatstaf 4, in 10 jaar tijds met meer dan 10%
is toegenomen, het aantal jongeren waarmee de toename de 10
procent overstijgt. |
CBS |
|
|
16. Maatstaf land |
Het aantal hectaren land in de
gemeente. |
CBS |
|
|
17. Maatstaf land ∗
percentage slechte grond |
Het aantal hectaren land als
bedoeld in maatstaf 16 vermenigvuldigd met het percentage slechte
grond als bedoeld in artikel 12 eerste lid. |
CBS |
|
|
18. Maatstaf land ∗
bodemfactor gemeente |
Het aantal hectaren land als
bedoeld in maatstaf 16, vermenigvuldigd met de bodemfactor als
omschreven in artikel 12, tweede lid. |
|
|
|
19. Maatstaf binnenwater |
Het aantal hectaren binnenwater in
de gemeente. |
CBS |
|
|
20. Maatstaf buitenwater |
Het aantal hectaren buitenwater in
de gemeente. |
CBS |
|
|
21. Maatstaf oppervlak bebouwing |
Het totale oppervlak van de
bebouwing binnen de gemeente. Indien nodig wordt dit oppervlak
jaarlijks geïndexeerd |
CBS |
|
|
22. Maatstaf oppervlak bebouwing
woonkern ∗ bodemfactor woonkern |
Het oppervlak van de bebouwing
binnen de woonkernen, vermenigvuldigd met de bodemfactor bedoeld
in artikel 12, tweede lid, voor de woonkernen van de gemeente. |
CBS |
|
|
23. Maatstaf oppervlak bebouwing
buitengebied ∗ bodemfactor buitengebied |
Het oppervlak van de bebouwing
buiten de woonkernen, vermenigvuldigd met de bodemfactor bedoeld
in artikel 12, tweede lid, voor de gebieden buiten de woonkernen. |
CBS |
|
|
24. Maatstaf woonruimten |
Het aantal woonruimten in de
gemeente. |
CBS |
|
|
24a Maatstaf nieuwbouwwoningen |
Voor de gemeenten Aalburg,
Amersfoort, Apeldoorn, Arnhem, Bloemendaal, Delfzijl, Deventer,
Eindhoven, Enschede, Geertruidenberg, Groningen, Hengelo,
Lansingerland, Lingewaard, Nederbetuwe, Nijmegen, Noordenveld,
Overbetuwe, Pijnacker-Nootdorp, Rijssen-Holten, Rijswijk, Sluis,
Tilburg, Twenterand, Venlo, Zandvoort, Zwolle het aantal
nieuwbouwwoningen |
CBS |
|
|
25. Maatstaf woonruimten ∗
bodemfactor woonkern |
Het aantal woonruimten in de
gemeente vermenigvuldigd met de voor het gebied binnen de woonkern
berekende bodemfactor als bedoeld in artikel 12, tweede lid. |
CBS |
|
|
26. Maatstaf woonruimten ∗
percentage slechte grond |
Het aantal woonruimten in de
gemeente vermenigvuldigd met het percentage slechte grond als
bedoeld in artikel 12, eerste lid. |
CBS |
|
|
27. Maatstaf historische kernen |
Voor de gemeente waarin historiche
kernen zijn gelegen, bedoeld in artikel 17, het aantal hectaren
historische kernen in de gemeente. Kernen met een oppervlak van
minder dan 5 hectaren worden buiten beschouwing gelaten. |
CBS |
|
|
28. Maatstaf historische waterweg |
Voor de gemeente waarin historische
kernen zijn gelegen het aantal meters historische waterweg in en
rondom de kernen |
CBS |
|
|
29. Maatstaf bewoonde oorden 1930 |
Voor de gemeente, waarin oorden
zijn gelegen, die in de in 1930 gehouden volkstelling zijn
geregistreerd als een bewoond oord met 500 of meer woningen het
historisch aantal woningen in deze oorden. |
CBS |
|
|
30. Maatstaf woningen 1930 in
bewoonde oorden |
Voor de gemeente, waarin bewoonde
oorden zijn gelegen als bedoeld in maatstaf 29, waarbij in de
bewoonde oorden historische kernen zijn gelegen als bedoeld in
maatstaf 27: het historisch aantal woningen in deze bewoonde
oorden. |
CBS |
|
|
31. Maatstaf ISV |
Het aandeel van de gemeente in de
tegemoetkoming zoals door Onze Ministers op grond van artikel 18
is vastgesteld. |
Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer |
|
|
32. Maatstaf
omgevingsadressendichtheid |
De gemiddelde
omgevingsadressendichtheid van de adressen in de gemeente, in
adressen per vierkante kilometer, vermenigvuldigd met het aantal
woonruimten in de gemeente. |
CBS |
|
|
33. Maatstaf
omgevingsadressendichtheid ∗ percentage slechte grond |
De uitkomst van de berekening in
maatstaf 32, vermenigvuldigd met het percentage slechte grond als
bedoeld in artikel 12, eerste lid. |
CBS |
|
|
34. Maatstaf
oeverlengte*bodemfactor gemeente |
Voor de gemeente waarin binnenwater
is gelegen: de totale lengte van de oevers van het binnenwater in
hectometers, vermenigvuldigd met de bodemfactor voor de gemeente,
bedoeld in artikel 12, tweede lid |
|
|
|
35. Maatstaf oeverlengte *
bodemfactor gemeente * dichtheidsfactor |
Voor de gemeente waarin binnenwater
is gelegen als bedoeld in maatstaf 34: de uitkomst van de volgende
berekening:
(oeverlengte + 2x oeverlengte in
veen/ kleiveengebied) x bodemfactor gemeente x de
dichtheidsfactor. De dichtheidsfactor bestaat uit het quotiënt
van het aantal inwoners volgens maatstaf 2 en de som van de
oppervlakten land en binnenwater volgens de maatstaven 16 en 19. |
CBS |
|
|
36. Maatstaf meerkernigheid |
Het aantal woonkernen in de
gemeente. |
CBS |
|
|
36a. Maatstaf grote woonkernen |
In afwijking van artikel 1,
onderdeel f, van het Besluit financiële verhouding 2001, worden
voor deze maatstaf alleen de woonkernen meegeteld die ieder 500
adressen of meer omvatten. |
CBS |
|
|
37. Maatstaf meerkernigheid ∗
bodemfactor buitengebied |
Het aantal woonkernen in de
gemeente, vermenigvuldigd met de bodemfactor bedoeld in artikel
12, tweede lid, voor het gebied buiten de woonkernen. |
|
|
|
38. Maatstaf bedrijven |
Het aantal bedrijfsvestigingen in
de gemeente. |
CBS |
|
|
38a. Maatstaf belastingcapaciteit
niet-woningen |
Het totaal van de vastgestelde
waarden van woningen die niet in hoofdzaak tot woning dienen, als
bedoeld in artikel 220, onderdeel b, van de Gemeentewet en
waarover naar de toestand op 1 januari van het uitkeringsjaar door
de gemeente onroerende zaakbelastingen (Ozb) kan worden geheven.
De maatstaf bedraagt 70% van de Ozb-waarde en wordt uitgedrukt in
miljoenen euro’s. De waarde van de onroerende zaken wordt
bepaald op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende
zaken (Woz). |
CBS |
|
|
39. Maatstaf vast bedrag |
Eén eenheid voor iedere gemeente. |
|
|
|
40. Maatstaf vast bedrag Amsterdam |
Eén eenheid voor de gemeente
Amsterdam. |
|
|
|
41. Maatstaf vast bedrag Rotterdam |
Eén eenheid voor de gemeente
Rotterdam. |
|
|
|
42. Maatstaf vast bedrag Den Haag |
Eén eenheid voor de gemeente Den
Haag. |
|
|
|
43. Maatstaf vast bedrag Utrecht |
Eén eenheid voor de gemeente
Utrecht. |
|
|
|
44. Maatstaf vast bedrag
Waddengemeenten |
Voor de gemeenten Texel, Vlieland,
Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog: één eenheid. |
|
|
|
44a. Vast bedrag Baarle-Nassau |
Eén eenheid voor de gemeente
Baarle-Nassau |
|
|
|
45. Herindelingsmaatstaf |
Voor gemeenten waar een wijziging
van de gemeentelijke indeling heeft plaatsgevonden, indien ten
gevolge van deze wijziging twee of meer gemeenten zijn
samengevoegd tot één gemeente, en de datum van samenvoeging ligt
in het uitkeringsjaar of in één van de drie daaraan voorafgaande
jaren, de uitkomst van de volgende berekening in euro:
[1585065*a + 53,29* (b–c) ]*d
Waarin:
a = het aantal gemeenten waarmee
het totaal aantal gemeenten ten gevolge van de samenvoeging
verminderd wordt;
b = het totaal aantal inwoners per
1 januari van het jaar voorafgaand aan de samenvoeging van de
gemeenten die bij de herindeling worden samengevoegd;
c = het aantal inwoners per 1
januari van het jaar voorafgaand aan de samenvoeging van de bij de
samenvoeging betrokken gemeente met het grootste aantal inwoners;
d = de uitkeringsfactor die is
vastgesteld voor het jaar waarin de samenvoeging plaatsvindt.
Het aldus berekende bedrag wordt
uitgekeerd in vier jaarlijkse gecorrigeerde termijnen, verdeeld
als volgt:
40% van het bedrag wordt uitgekeerd
in het uitkeringsjaar waarin de samenvoeging plaatsvindt;
20% van het bedrag wordt uitgekeerd
in elk der drie daarop volgende uitkeringsjaren.
Correctie vindt plaats door de
termijnen te delen door de uitkeringsfactor over het
uitkeringsjaar. |
CBS |
|