|
BESLUIT van 5 december 2006 tot uitvoering en
vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet
inburgering (Besluit inburgering)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van
10 juli 2006, Directie Wetgeving, nr. 5430382/06/6;
Gelet op de artikelen 3, tweede en derde lid,
5, eerste lid, onderdeel c, derde en vierde lid, 6, tweede lid,
onderdeel b, 7, tweede lid, 13, vierde lid, 15, vierde, vijfde en
zesde lid, 16, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 18, eerste, derde en
vierde lid, 19, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 23,
vijfde lid, 28, 31, derde lid, 47, tweede lid, onderdeel a, en
derde lid, 48, tweede lid, onderdeel a en b, en derde lid,
52, derde lid, 64, vierde lid, en 73 van de Wet inburgering en de
artikelen 16a, tweede lid, 21, zesde lid, en 34, tweede lid, van
de Vreemdelingenwet 2000, de artikelen 64, negende lid, en 67, derde
lid, van de Wet werk en bijstand en artikel 17, derde lid, van de
Financiële-verhoudingswet;
De Raad van State gehoord (advies van
23 oktober 2006, nr. W03.06.0323/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister voor
Vreemdelingenzaken en Integratie van 1 december 2006, Directie
Wetgeving, nr. 5451387/06/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1.1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. wet: de Wet inburgering;
b. inburgeringsdiploma: het diploma, bedoeld in artikel 14,
tweede lid, van de wet;
c. Kwaliteitscentrum examinering inburgering: de krachtens
artikel 3.17, eerste lid, aangewezen rechtspersoon;
d. onderzoek: het onderzoek, bedoeld in artikel 25 van de wet;
e. Informatiesysteem Inburgering: het informatiesysteem, bedoeld
in artikel 47 van de wet;
f. Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen: het bestand,
bedoeld in artikel 48 van de wet;
g. potentiële inburgeringsplichtige: een persoon als bedoeld in
artikel 48, eerste lid, tweede volzin, van de wet;
h. rijksbijdrage: de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 52 van de
wet, zoals dat artikel luidde voor de datum van inwerkingtreding van
de Wet participatiebudget;
i. handhavingsbeschikking: de beschikking, bedoeld in artikel 26
van de wet, die niet tevens is gegeven op grond van artikel 19a,
tweede lid, onderdeel c, of artikel 22, tweede lid, van de wet;
j. inburgeringsvoorziening: de inburgeringsvoorzieningen, bedoeld
in hoofdstuk 5, paragrafen 2 en 3, van de wet, de Regeling
inburgering allochtone vrouwen G31, de Regeling inburgering
allochtone vrouwen niet-G31 en het extensieve deel van de Pilot
inburgering allochtone vrouwen Taal Totaal;
k. gecombineerde inburgeringsvoorziening: een
inburgeringsvoorziening, gecombineerd met een voorziening gericht op
arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 20, eerste lid, en
24b, eerste lid, van de wet;
l. lening: de lening, bedoeld in artikel 16 van de wet;
m. Wet inburgering nieuwkomers: Wet inburgering nieuwkomers zoals
die luidde op 31 december 2006;
n. persoonsvolgend budget: budget dat wordt verstrekt ten behoeve
van de inburgering van een persoon als bedoeld in het besluit van de
Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11,
houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Stcrt. 2007,
111), die inburgeringsplichtig is op grond van de artikelen 3 tot en
met 6 van de wet en die op 1 januari 2008 in een opvangvoorziening
als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet Centraal Orgaan
opvang asielzoekers verblijft;
o. duale inburgeringsvoorziening: inburgeringsvoorziening die met
het oog op de actieve deelname aan de Nederlandse samenleving mede
voorziet in activiteiten die in samenhang, en ten minste voor een
deel gelijktijdig, met het verwerven van mondelinge en schriftelijke
vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse
samenleving worden uitgevoerd;
p. instapvoorziening inburgering: een voorziening welke de
inburgeringsplichtige of de vrijwillige inburgeraar in staat stelt
zich voor te bereiden, teneinde aan de inburgeringsvoorziening te
kunnen deelnemen.
Hoofdstuk 2. Inburgeringsplicht
Afdeling 1. Inburgeringsplicht
Artikel 2.1
1. Het doel van het verblijf in Nederland van de houder van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van
de Vreemdelingenwet 2000 is tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste
lid, onderdeel a, van de wet, indien die verblijfsvergunning is
verleend onder een beperking verband houdend met:
a. gezinsvorming of gezinshereniging met, dan wel verblijf als
pleegkind bij, een persoon die voor een tijdelijk doel in
Nederland verblijft;
b. familiebezoek;
c. het verrichten van arbeid;
d. verblijf als kennismigrant;
e. het zoeken en verrichten van arbeid;
f. verblijf als stagiair of als practicant;
g. de voorbereiding op of het volgen van een studie;
h. verblijf als au pair;
i. verblijf in het kader van uitwisseling;
j. het ondergaan van medische behandeling of afwachten van
herstel;
k. de vervolging van mensenhandel;
l. het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de
Rijkswet op het Nederlanderschap;
m. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling;
n. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit
Nederland kan vertrekken;
o. verblijf als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG
van de Raad van 12 oktober 2005 betreffende een specifieke
procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met
het oog op wetenschappelijk onderzoek (PbEU L 289);
p. verblijf als houder van de Europese blauwe kaart.
2. Het doel van het verblijf van een houder van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van
de Vreemdelingenwet 2000, verleend onder een andere beperking dan
bedoeld in het eerste lid, is tijdelijk in de zin van artikel 3,
eerste lid, onderdeel a, van de wet, indien zulks met toepassing van
artikel 3.5, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is bepaald.
3. Het doel van het verblijf van de houder van een
verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 20, 28 en 33 van de
Vreemdelingenwet 2000 is niet tijdelijk in de zin van artikel 3,
eerste lid, onderdeel a, van de wet.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen de beperkingen, bedoeld in
het eerste en tweede lid, nader worden uitgewerkt.
Artikel 2.2
1. De inburgeringsplicht eindigt niet, indien de vreemdeling direct
aansluitend op de periode waarin hij op grond van artikel 3, eerste
lid, van de wet inburgeringsplichtig was of op de termijn, bedoeld in
artikel 3.82, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000,
rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdeel g of h, van de
Vreemdelingenwet 2000 heeft verkregen. In deze gevallen wordt de
inburgeringsplicht tijdens de termijn, bedoeld in artikel 3.82, eerste
lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, geacht niet te zijn
geëindigd.
2. De inburgeringsplicht wordt geacht niet te zijn geëindigd,
indien de vreemdeling tussen twee tijdvakken waarin hij op grond van
artikel 3, eerste lid, van de wet inburgeringsplichtig was, gedurende
een tijdvak van maximaal een jaar:
a. geen ingezetene in de zin van de Wet gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens was;
b. in Nederland verbleef voor een tijdelijk doel, of
c. zijn werkzaamheden als geestelijke bedienaar, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de wet heeft onderbroken.
Afdeling 2. Vrijstellingen
Artikel 2.3
1. Niet inburgeringsplichtig is degene die beschikt over:
a. het inburgeringsdiploma;
b. een op wettelijke basis uitgereikt diploma of getuigschrift
van afronding van een opleiding van wetenschappelijk onderwijs,
hoger beroepsonderwijs, algemeen voortgezet onderwijs,
beroepsonderwijs of leerlingwezen, na onderwijs te hebben gevolgd
in de Nederlandse taal;
c. een diploma staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II
als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs;
d. een met een van de in onderdeel b genoemde diploma’s of
getuigschriften vergelijkbaar diploma of ander document, behaald
in het Nederlandstalig onderwijs in België, mits een voldoende is
behaald voor het vak Nederlandse taal;
e. een met een van de in onderdeel b genoemde diploma’s of
getuigschriften vergelijkbaar diploma of ander document, behaald
in het Nederlandstalig onderwijs in Suriname, mits een voldoende
is behaald voor het vak Nederlandse taal;
f. een diploma, certificaat of ander document, behaald in het
Nederlandstalig onderwijs in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius of Saba, of in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, ten
bewijze van afronding van een bij regeling van Onze Minister
aangewezen opleiding, mits een voldoende behaald is voor het vak
Nederlandse taal;
g. het diploma van het Europees baccalaureaat van de Europese
school, bedoeld in het Statuut van de Europese school (Trb. 1957,
246), voor zover dat baccalaureaat het vak Nederlands als eerste
of tweede taal omvat en voor dat vak een voldoende is behaald;
h. het getuigschrift International Baccalaureate Middle Years
Certificate, International General Certificate of Secondary
Education of Internationaal Baccalaureaat, indien daartoe een
cursus Engels-Nederlandstalig onderwijs of een cursus
Internationaal Baccalaureaat met daarin het vak Nederlands is
gevolgd en voor dat vak een voldoende is behaald;
i. het certificaat, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het
Besluit naturalisatietoets, met daarop de in artikel 5, tweede
lid, van dat besluit bedoelde aantekening dat de verzoeker
beschikt over de vereiste kennis van de Nederlandse taal;
j. het certificaat, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de
Wet inburgering nieuwkomers alsmede de verklaring van het
regionaal opleidingencentrum op grond waarvan dat certificaat is
afgegeven, indien uit die verklaring blijkt dat ten minste de
volgende niveaus zijn behaald:
1°. de volgende niveaus van de eindtermen Referentiekader
Nederlands als Tweede Taal:
– niveau 2 voor de onderdelen «Luisteren» en
«Spreken», en
– niveau 1 voor de onderdelen«Lezen» en
«Schrijven»,en
2°. voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie:
– het niveau van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van
die wet, of
– een score van de MO-Profieltoets van ten minste: 85%,
indien die toets is afgelegd voor 1 september 2001,
respectievelijk 80%, indien die toets is afgelegd na 31
augustus 2001;
k. het certificaat, bedoeld in de Regeling certificaat
inburgering oudkomers, indien uit de vermelding daarop blijkt dat
ten minste de volgende niveaus zijn behaald:
1°. niveau NT2 2 voor de onderdelen «Luisteren» en
«Spreken», en
2°. niveau NT2 1 voor de onderdelen «Lezen»
en«Schrijven», of
l. het document, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid.
2. Bij regeling van Onze Minister kan worden voorzien in
vrijstelling van de inburgeringsplicht op grond van andere diploma’s,
certificaten of documenten dan genoemd in het eerste lid.
Artikel 2.4
1. Van de verplichting om mondelinge en schriftelijke vaardigheden
in de Nederlandse taal te verwerven en het betreffende deel van het
inburgeringsexamen te behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige
die beschikt over het certificaat, bedoeld in artikel 13, tweede lid,
van de Wet inburgering nieuwkomers, alsmede de verklaring van het
regionaal opleidingencentrum op grond waarvan dat certificaat is
afgegeven, indien uit die verklaring blijkt dat voor het onderdeel
Nederlands als tweede taal ten minste de volgende niveaus van de
eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal zijn behaald:
a. niveau 2 voor de onderdelen «Luisteren» en «Spreken», en
b. niveau 1 voor de onderdelen «Lezen»en «Schrijven».
2. Van de verplichting om kennis van de Nederlandse samenleving te
verwerven en het betreffende deel van het inburgeringsexamen te
behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige:
a. die beschikt over het certificaat, bedoeld in artikel 13,
tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers, alsmede de
verklaring van het regionaal opleidingencentrum op grond waarvan
dat certificaat is afgegeven, indien uit die verklaring blijkt dat
voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie is behaald:
1°. het niveau van artikel 11, eerste lid, onderdeel b,
van die wet, of
2°. een score van de MO-Profieltoets van ten minste: 85%,
indien die toets is afgelegd voor 1 september 2001,
respectievelijk 80%, indien die toets is afgelegd na 31
augustus 2001;
b. die kan aantonen dat hij in Nederland is geslaagd voor het
toetsonderdeel van de kennis van de staatsinrichting en
maatschappij van de naturalisatietoets, zoals deze gold voor 1
april 2007.
3. Bij regeling van Onze Minister kan worden voorzien in
gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht op grond van
andere diploma’s, certificaten of documenten dan genoemd in het
eerste of tweede lid.
Artikel 2.5
Geheel vrijgesteld van de inburgeringsplicht is degene:
a. ten aanzien van wie met toepassing van artikel 5, tweede lid,
van de Wet inburgering nieuwkomers is besloten het vaststellen van
een inburgeringsprogramma achterwege te laten;
b. die een toets als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Wet
inburgering nieuwkomers met goed gevolg heeft afgelegd, als gevolg
waarvan hij beschikt over een besluit inhoudende dat de vaststelling
van een inburgeringsprogramma achterwege wordt gelaten, of
c. die kan aantonen dat hij ingevolge artikel 4 van het Besluit
naturalisatietoets de naturalisatietoets niet behoeft of behoefde af
te leggen.
Afdeling 3. Verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd
Artikel 2.6
1. Het verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd,
bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de wet, blijkt uit
inschrijving als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens, dan wel inschrijving in de daaraan voorafgaande
bevolkingsboekhouding.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de inschrijving in de bevolkingsboekhouding, bedoeld
in het eerste lid, en kan van het eerste lid worden afgeweken op grond
van concrete aanwijzingen dat de inschrijving kennelijk onjuist was.
Afdeling 4. Vrijstelling op grond van korte vrijstellingstoets
Artikel 2.7
1. Geheel vrijgesteld van de inburgeringsplicht is degene die
beschikt over een document waaruit blijkt dat ten minste de volgende
niveaus zijn behaald:
a. vaardigheden in de Nederlandse taal op het niveau B1 van het
Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen, en
b. kennis van de Nederlandse samenleving op het krachtens
artikel 2.10, eerste lid, vastgestelde niveau.
2. Door Onze Minister wordt op aanvraag een document verstrekt aan
degene die een toets heeft afgelegd, waaruit blijkt dat hij beschikt
over de in het eerste lid bedoelde vaardigheden en kennis.
3. Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid kan niet worden
gedaan door degene:
a. die reeds eerder de toets heeft afgelegd;
b. die een lening heeft aangevraagd, of
c. ten aanzien van wie een inburgeringsvoorziening is
vastgesteld.
4. Onze Minister stelt de toets vast en neemt deze af door middel
van een geautomatiseerd systeem. Artikel 3.5, eerste, derde en vierde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
5. De toets wordt onder toezicht van Onze Minister afgelegd op een
door Onze Minister vast te stellen tijdstip en in een door Onze
Minister vast te stellen ruimte, nadat de aanvrager overeenkomstig
door Onze Minister gestelde regels de terzake verschuldigde kosten
heeft voldaan en zich met een document als bedoeld in artikel 1 van de
Wet op de identificatieplicht heeft geïdentificeerd.
6. Onze Minister beoordeelt de resultaten van de toets door middel
van het geautomatiseerde systeem, bedoeld in het vierde lid. Deze
resultaten worden niet herbeoordeeld.
7. Bij regeling van Onze Minister worden het model van het
document, bedoeld in het tweede lid, en de kosten, bedoeld in het
vijfde lid, vastgesteld en kunnen nadere regels worden gesteld omtrent
de toepassing van dit artikel.
Afdeling 5. Ontheffing
Artikel 2.8
1. Bij de aanvraag tot ontheffing van de inburgeringsplicht op
grond van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel
verstandelijke handicap als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de
wet, legt de inburgeringsplichtige een advies over van een door het
college aangewezen onafhankelijke arts, die is ingeschreven in het
betreffende register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op
de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
2. Het college geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag
een beschikking.
3. Indien het college, op grond van het advies, bedoeld in het
eerste lid, van oordeel is dat de inburgeringsplichtige het
inburgeringsexamen slechts kan afleggen onder bijzondere
examenomstandigheden die zijn aangepast aan de mogelijkheden van die
inburgeringsplichtige, wordt in de beschikking vermeld welke
bijzondere examenomstandigheden het betreft.
4. De ontheffing kan worden verleend indien redelijkerwijs verwacht
mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke
belemmering dan wel verstandelijke handicap zodanig zijn dat het
inburgeringsexamen niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de
ontheffing kan worden behaald.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de verlening van de ontheffing alsmede omtrent het
advies, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2.8a
1. Het college verleent op aanvraag ontheffing van de
inburgeringsplicht, indien het college van oordeel is dat een
inburgeringsplichtige aantoonbaar voldoende is ingeburgerd.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de verlening van de ontheffing.
Afdeling 6. Niveau van kennis en vaardigheden
Artikel 2.9
1. De inburgeringsplichtige verwerft de volgende vaardigheden in de
Nederlandse taal op het niveau A2 van het Europees Raamwerk voor
Moderne Vreemde Talen:
a. spreekvaardigheid;
b. luistervaardigheid;
c. gespreksvaardigheid;
d. schrijfvaardigheid;
e. leesvaardigheid.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdelen d en e, verwerft de
oudkomer, niet zijnde een geestelijke bedienaar, de daargenoemde
schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal ten minste op het
niveau A1 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen.
Artikel 2.10
1. De inburgeringsplichtige verwerft kennis van de Nederlandse
samenleving, op het niveau van de bij regeling van Onze Minister vast
te stellen eindtermen. De te verwerven kennis van de Nederlandse
samenleving heeft in ieder geval betrekking op:
a. werk en inkomen;
b. omgangsvormen, waarden en normen;
c. wonen;
d. gezondheid en gezondheidszorg;
e. geschiedenis en geografie;
f. instanties;
g. staatsinrichting en rechtsstaat;
h. onderwijs en opvoeding.
2. Onverminderd het eerste lid, verwerft de inburgeringsplichtige
die geestelijke bedienaar is, tevens op het niveau van de bij regeling
van Onze Minister vast te stellen eindtermen kennis van de Nederlandse
samenleving die naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk is
voor de vervulling van zijn sociaal-maatschappelijke en pastorale
taken.
Afdeling 7. Verlenging van de termijn
Artikel 2.11
De termijn, genoemd in artikel 7, eerste lid, van de wet wordt
verlengd met de duur van de periode, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid.
Hoofdstuk 3. Inburgeringsexamen
Afdeling 1. Het inburgeringsexamen
§ 1. Algemeen
Artikel 3.1
1. Degene die wenst te worden toegelaten tot het praktijkdeel van
het inburgeringsexamen, meldt zich daartoe aan overeenkomstig de door
de exameninstelling gestelde regels.
2. De exameninstelling bevestigt de aanmelding schriftelijk.
Artikel 3.2
1. Degene die wenst te worden toegelaten tot een examen van het
centraal deel van het inburgeringsexamen, meldt zich daartoe
schriftelijk aan bij Onze Minister overeenkomstig de door Onze
Minister gestelde regels.
2. Onze Minister bevestigt de aanmelding schriftelijk.
Artikel 3.3
1. Voor toelating tot de bij Onze Minister af te leggen examens is
examengeld verschuldigd, dat overeenkomstig door Onze Minister
vastgestelde regels wordt voldaan.
2. Het examengeld voor de examens die bij Onze Minister worden
afgelegd, wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister.
3. Het examengeld voor de examens die bij een op grond van artikel
3.14, eerste lid, aangewezen exameninstelling worden afgelegd, wordt
vastgesteld door die exameninstelling.
Artikel 3.4
Op verzoek van degene die het examen afneemt of daarop toezicht
houdt, identificeert de kandidaat zich met een document als bedoeld in
artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
Artikel 3.5
1. Onze Minister stelt de kandidaat met een psychische of
lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap op diens verzoek
in de gelegenheid het inburgeringsexamen dan wel een deel daarvan af
te leggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.
2. Indien het college bij de toepassing van artikel 2.8 heeft
geoordeeld dat de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen dan wel
een deel daarvan slechts kan afleggen op een wijze die is aangepast
aan de mogelijkheden van die inburgeringsplichtige, legt de kandidaat
bij de aanvraag de beschikking, bedoeld in het derde lid van dat
artikelover.
3. In de overige gevallen legt de kandidaat een advies over van een
onafhankelijke arts, die is ingeschreven in het betreffende register,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de
individuele gezondheidszorg, waaruit blijkt dat hij het
inburgeringsexamen dan wel een deel daarvan slechts kan afleggen op
een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.
4. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de
toepassing van dit artikel.
Artikel 3.6
1. Indien een kandidaat zich ten aanzien van enig examen aan enige
onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt, kan de
examencommissie op voorstel van de desbetreffende examinator het
examen ongeldig verklaren en bepalen dat de kandidaat het examen of
een onderdeel daarvan opnieuw moet afleggen. De examinator doet het
voorstel zo spoedig mogelijk nadat de onregelmatigheid aan hem bekend
is geworden.
2. Indien de onregelmatigheid eerst na afloop van het examen wordt
ontdekt, kan de exameninstelling Onze Minister voorstellen, het
examenresultaat ongeldig te verklaren. De exameninstelling doet het
voorstel zo spoedig mogelijk nadat de onregelmatigheid aan haar bekend
is geworden.
§ 2. Inhoud van het inburgeringsexamen
Artikel 3.7
1. Het praktijkdeel van het inburgeringsexamen omvat een
beoordeling van de taalvaardigheden, bedoeld in artikel 2.9, in een
aantal praktijksituaties ontleend aan de domeinen burgerschap, werk,
ondernemerschap, maatschappelijke participatie alsmede onderwijs,
gezondheid en opvoeding.
2. Het praktijkdeel van het inburgeringsexamen bestaat uit een
assessment, een portfolio dan wel een combinatie daarvan.
3. Het assessment dan wel de combinatie van een assessment en een
portfolio, wordt afgenomen door een exameninstelling die is aangewezen
op grond van artikel 3.14, eerste lid.
4. Het portfolio wordt beoordeeld door een exameninstelling die is
aangewezen op grond vanartikel 3.14, eerste lid, of Onze Minister.
5. Het resultaat van het praktijkdeel wordt vastgesteld door de
exameninstelling en uitgedrukt in «geslaagd» of «niet geslaagd».
6. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent het praktijkdeel van het inburgeringsexamen.
Artikel 3.8
1. Onverminderd artikel 3.7 omvat het praktijkdeel van het
inburgeringsexamen van de kandidaat die geestelijke bedienaar is,
tevens een examen in de kennis, bedoeld inartikel 2.10, tweede lid.
2. In afwijking van artikel 3.7, eerste lid, omvat het praktijkdeel
een beoordeling van de taalvaardigheden, bedoeld in artikel 2.9, in
een aantal praktijksituaties ontleend aan de domeinen burgerschap,
werk alsmede sociaal-maatschappelijke en pastorale dienstverlening.
3. In afwijking vanartikel 3.7, derde en vierde lid, worden de daar
genoemde onderdelen van het praktijkdeel afgenomen onderscheidenlijk
beoordeeld door een door Onze Minister aan te wijzen exameninstelling.
4. Het examen, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden
afgelegd nadat de examens, bedoeld in artikel 3.7 en het tweede lid,
alsmede het centraal deel van het inburgeringsexamen is afgelegd.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld
omtrent het examen, bedoeld in het eerste lid, en de exameninstelling,
bedoeld in het derde lid.
Artikel 3.9
1. Het centraal deel van het inburgeringsexamen bestaat uit:
a. een elektronisch praktijkexamen,
b. een toets gesproken Nederlands, en
c. een examen in de kennis van de Nederlandse samenleving.
2. De in het eerste lid genoemde examens worden afgelegd door
middel van een door Onze Minister beheerd geautomatiseerd systeem.
3. De resultaten van de in het eerste lid genoemde examens worden
door Onze Minister beoordeeld door middel van het geautomatiseerde
systeem, bedoeld in het tweede lid. De resultaten worden uitgedrukt in
«geslaagd» of «niet geslaagd». De resultaten worden niet
herbeoordeeld.
4. De resultaten van het in het eerste lid genoemde examen waarbij
het geautomatiseerde systeem niet tot een beoordeling heeft kunnen
komen, worden beoordeeld door examinatoren.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de examens, genoemd in het eerste lid.
Artikel 3.10
1. Het inburgeringsdiploma wordt uitgereikt door Onze Minister.
2. Het inburgeringsdiploma wordt ondertekend door Onze Minister.
3. Duplicaten van inburgeringsdiploma’s worden tegen betaling van
de kostprijs, uitsluitend door Onze Minister verstrekt.
§ 3. Examencommissies en commissies van beroep
Artikel 3.11
1. De exameninstelling stelt een examencommissie in, die bestaat
uit ten minste drie leden, onder wie ten minste twee examinatoren.
2. De examencommissie heeft tot taak het afnemen van een of meer
van de examens van het inburgeringsexamen.
3. De leden van de examencommissie beschikken over relevante
deskundigheid op het gebied van examinering en
taalvaardigheidsonderwijs.
4. Een examinator kan slechts worden benoemd tot lid van de
examencommissie, indien hij de bij regeling van Onze Minister
vastgestelde training met goed gevolg heeft afgerond.
5. Bij de uitoefening van de taak, bedoeld in het tweede lid, heeft
ten minste een van de examinatoren, bedoeld in het eerste lid, niet
het inburgeringsonderwijs van de kandidaat verzorgd.
6. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de examencommissie.
Artikel 3.12
1. De exameninstelling stelt een onafhankelijke commissie van
beroep in, dan wel sluit zich bij een dergelijke commissie aan.
2. De commissie heeft tot taak de behandeling en beslechting van
geschillen over beslissingen van de examencommissie of van de
examinatoren terzake van het praktijkdeel van het inburgeringsexamen.
3. De commissie bestaat uit een even aantal gewone leden en
evenveel plaatsvervangende leden, een voorzitter, tevens lid, en een
plaatsvervangend voorzitter.
4. De leden en de plaatsvervangende leden maken geen deel uit van
het bevoegd gezag van de exameninstelling of van een examencommissie
als bedoeld in artikel 3.11.
5. De commissie stelt een onderzoek in alvorens te beslissen. Zij
stelt bij haar beslissing zo nodig vast op welke wijze de kandidaat
alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het examen geheel of
gedeeltelijk af te leggen.
6. De commissie maakt haar beslissing bekend aan de kandidaat, aan
de ouders, voogden of verzorgers van de kandidaat indien deze
minderjarig is, aan het bevoegd gezag van de exameninstelling en aan
Onze Minister.
7. Indien de commissie het beroep gegrond acht, vernietigt zij de
beslissing geheel of gedeeltelijk. Zij kan bepalen dat opnieuw of
alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het praktijkdeel van het
inburgeringsexamen of enig onderdeel daarvan opnieuw wordt afgenomen
onder door de commissie te stellen voorwaarden. De examencommissie of
de examinator van wie de beslissing is vernietigd, voorziet voor zover
nodig opnieuw in de zaak met inachtneming van de uitspraak van de
commissie van beroep voor de praktijkexamens. De commissie kan
daarvoor in haar uitspraak een termijn stellen.
8. Indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dit
vereist, kan de commissie op verzoek van de kandidaat, in afwachting
van de uitspraak in de hoofdzaak, een voorlopige voorziening treffen,
na de desbetreffende examencommissie dan wel de desbetreffende
examinator te hebben gehoord, althans behoorlijk te hebben opgeroepen.
9. Herziening van een uitspraak van de commissie kan op verzoek van
elk van beide partijen plaatsvinden op grond van nader gebleken feiten
of omstandigheden die indien deze eerder bekend waren geweest tot een
andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
10. De leden van de examencommissie en de examinatoren verstrekken
aan de commissie de inlichtingen die de commissie voor de uitvoering
van haar taak nodig oordeelt.
11. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld
omtrent de commissie van beroep. Daarbij worden in ieder geval regels
gesteld omtrent de benoeming en het ontslag van de voorzitter, de
plaatsvervangend voorzitter en de overige leden en plaatsvervangende
leden.
§ 4. Kwaliteit van het inburgeringsexamen
Artikel 3.13
Bij regeling van Onze Minister worden normen voor de kwaliteit van de
examinering vastgesteld die in ieder geval betrekking hebben op:
a. de afname van de examens;
b. de voorwaarden voor toelating tot de examens;
c. de deskundigheid van de examinatoren;
d. het vaststellen van de uitslag van de examens;
e. de waarborging van de kwaliteit van de examinering.
Afdeling 2. Aanwijzing exameninstellingen
Artikel 3.14
1. Een instelling kan slechts als exameninstelling in de zin van
artikel 15, eerste lid, van de wet worden aangewezen, indien:
a. de instelling een onderneming of rechtspersoon is die is
ingeschreven in het handelsregister of een register dat wordt
gehouden door een daartoe bevoegde instantie in een andere
lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde
een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe
strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt,
en dat een gelijkwaardig doel dient;
b. de continuïteit van de instelling en de examinering
redelijkerwijs zijn gewaarborgd, en
c. de instelling beschikt over een examenreglement, waaruit
blijkt dat de instelling en de examinering voldoen aan de bij en
krachtens de wet gestelde eisen.
2. Over de aanvraag tot aanwijzing wordt het Kwaliteitscentrum
examinering inburgering gehoord.
3. Bij de aanvraag legt de aanvrager in ieder geval het rapport van
het onderzoek, bedoeld in artikel 3.17, tweede lid, onderdeel a, over.
4. Op de aanvraag wordt beslist binnen acht weken na ontvangst van
de aanvraag.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent het eerste lid alsmede omtrent de aanvraag en de
behandeling daarvan.
Artikel 3.15
1. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de
gegevens en bescheiden die de instelling bij zijn verzoek om een
onderzoek als bedoeld in artikel 3.17, tweede lid, onderdeel a,
verschaft.
2. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering bevestigt de
ontvangst van het verzoek om een onderzoek schriftelijk.
3. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering stelt het rapport
vast binnen zes weken na ontvangst van het verzoek om een onderzoek.
Deze termijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het
Kwaliteitscentrum examinering inburgering de instelling uitnodigt het
verzoek aan te vullen, tot de dag waarop het verzoek is aangevuld of
de daarvoor door het Kwaliteitscentrum examinering inburgering
gestelde termijn van ten hoogste vier weken ongebruikt is verstreken.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld
omtrent het in rekening brengen van een vergoeding ter zake van het
onderzoek, bedoeld in het eerste lid, door het Kwaliteitscentrum
examinering inburgering aan de instelling.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld
omtrent de inrichting van het onderzoek en het rapport.
Artikel 3.16
1. De aanwijzing kan worden geschorst of ingetrokken, indien zij is
verleend op grond van onjuiste of onvolledige gegevens of indien de
exameninstelling niet voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde
eisen.
2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt niet genomen dan
nadat de exameninstelling op grond van de bevindingen over de
examinering een waarschuwing is gegeven, onder bepaling van de termijn
waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven.
3. De instelling kan niet eerder dan na verloop van een jaar na de
in het eerste lid bedoelde intrekking opnieuw overeenkomstig artikel
3.14 worden aangewezen.
Afdeling 3. Toezicht op de exameninstellingen
§ 1. Kwaliteitscentrum examinering inburgering
Artikel 3.17
1. Het toezicht op de exameninstellingen wordt uitgeoefend door een
door Onze Minister aangewezen rechtspersoon (Kwaliteitscentrum
examinering inburgering).
2. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering heeft tot taak het
verrichten van onderzoek naar de mate waarin:
a. een instelling die voornemens is een aanvraag tot aanwijzing
als bedoeld in artikel 3.14 in te dienen, voldoet aan de bij en
krachtens de wet aan een exameninstelling gestelde eisen;
b. de exameninstellingen en de examinering voldoen aan de bij
en krachtens de wet gestelde eisen.
3. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering verricht het
onderzoek op zodanige wijze dat instellingen niet meer worden belast
dan voor een zorgvuldig onderzoek noodzakelijk is.
Artikel 3.18
1. Het bestuur van het Kwaliteitscentrum examinering inburgering
richt een stelsel van kwaliteitszorg in en draagt er zorg voor dat
wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van de
taakuitoefening, met betrokkenheid van onafhankelijke deskundigen.
2. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering zendt jaarlijks
voor 1 juli een jaarverslag aan Onze Minister. Het Kwaliteitscentrum
examinering inburgering maakt in het jaarverslag de uitkomsten van de
beoordeling, bedoeld in het eerste lid, en het voorgenomen beleid in
het licht van die uitkomsten bekend.
3. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering zendt jaarlijks
voor 1 oktober een jaarwerkplan voor het daaropvolgende kalenderjaar
aan Onze Minister.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld over
de inrichting van het jaarverslag en het jaarwerkplan.
5. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering stelt jaarlijks
voor 1 november een verslag op over zijn bevindingen over de
exameninstellingen en de examinering in het voorafgaande studiejaar.
Artikel 3.19
1. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering zendt jaarlijks
voor 1 oktober aan Onze Minister de begroting voor het daaropvolgende
jaar.
2. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering brengt jaarlijks
voor 1 juli een jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar uit,
die vergezeld gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid en de
rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel
393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Het Kwaliteitscentrum
examinering inburgering stelt de stukken, bedoeld in de eerste volzin,
algemeen verkrijgbaar.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld
omtrent de verstrekking door Onze Minister aan het Kwaliteitscentrum
examinering inburgering van een subsidie voor de op grond van artikel
3.17 uit te voeren taken, en omtrent de inrichting van de begroting,
de jaarrekening en aandachtspunten voor de accountantscontrole.
Artikel 3.20
1. Onze Minister is bevoegd tot het treffen van noodzakelijke
voorzieningen, waaronder het intrekken van de aanwijzing, bedoeld in
artikel 3.17, eerste lid, indien het Kwaliteitscentrum examinering
inburgering naar het oordeel van Onze Minister zijn taken ernstig
verwaarloost.
2. De voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, worden niet eerder
getroffen dan nadat het Kwaliteitscentrum examinering inburgering in
de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen
termijn alsnog zijn taken naar behoren uit te voeren.
§ 2. De uitvoering van het toezicht op de exameninstellingen
Artikel 3.21
1. Ter uitvoering van de taak, bedoeld inartikel 3.17, tweede lid,
onderdeel b, onderzoekt het Kwaliteitscentrum examinering inburgering
jaarlijks de exameninstellingen en de examinering door de
exameninstellingen.
2. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering stelt de
exameninstelling in kennis van de aanvangsdatum alsmede van de
planning van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. Kennisgeving
geschiedt ten minste vier weken voor aanvang van een onderzoek.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld
omtrent het in rekening brengen van een vergoeding ter zake van het
onderzoek door het Kwaliteitscentrum examinering inburgering aan de
exameninstelling.
Artikel 3.22
1. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering legt zijn oordeel
na een onderzoek als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, vast in een
verklaring. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering verstrekt:
a. een goedkeurende verklaring indien de exameninstelling en de
examinering voldoen aan de bij en krachtens de wet gestelde eisen;
b. een afkeurende verklaring indien de exameninstelling en de
examinering niet voldoen aan de bij en krachtens de wet gestelde
eisen, waarbij het naar het oordeel van het Kwaliteitscentrum
examinering inburgering niet aannemelijk is dat dit binnen een
half jaar alsnog het geval zal zijn, alsmede in gevallen als
bedoeld in het derde lid, of
c. een voorwaardelijke verklaring indien de exameninstelling en
de examinering niet voldoen aan de bij en krachtens de wet
gestelde eisen, waarbij het naar het oordeel van het
Kwaliteitscentrum examinering inburgering aannemelijk is dat dit
binnen een half jaar alsnog het geval zal zijn.
2. Indien er naar het oordeel van het Kwaliteitscentrum examinering
inburgering op enig moment tijdens het onderzoek sprake is van een
zodanige afwijking van de bij en krachtens de wet gestelde eisen, dat
vaststaat dat zonder verbeteringen aan het eind van het onderzoek een
afkeurende verklaring zal worden afgegeven, meldt het
Kwaliteitscentrum examinering inburgering dit onverwijld aan Onze
Minister.
3. Indien na het afgeven van een voorwaardelijke verklaring bij het
eerstvolgende onderzoek blijkt dat opnieuw niet wordt voldaan aan de
bij en krachtens de wet gestelde eisen, wordt een afkeurende
verklaring afgegeven.
4. Een verklaring wordt door het Kwaliteitscentrum examinering
inburgering voorzien van een onderbouwing van het oordeel.
5. Alvorens een verklaring vast te stellen, stelt het
Kwaliteitscentrum examinering inburgering de exameninstelling in de
gelegenheid van de ontwerpverklaring kennis te nemen en daarover
overleg te voeren. Indien in het overleg geen overeenstemming is
bereikt over door de exameninstelling gewenste wijzigingen in de
ontwerpverklaring, wordt de door de exameninstelling aangegeven
zienswijze in een bij de verklaring behorende bijlage opgenomen.
6. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering zendt een
verklaring onverwijld aan de exameninstelling. Indien het een
goedkeurende verklaring betreft, meldt het Kwaliteitscentrum
examinering inburgering dit aan Onze Minister. Indien het een
afkeurende of voorwaardelijke verklaring betreft, zendt het
Kwaliteitscentrum examinering inburgering een afschrift van die
verklaring onverwijld aan Onze Minister.
7. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld
omtrent de inrichting van de verklaring.
Artikel 3.23
1. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering maakt een
verklaring als bedoeld in artikel 3.22 in de vijfde week na
vaststelling daarvan openbaar.
2. Tevens verstrekt het Kwaliteitscentrum examinering inburgering
aan derden op verzoek een afschrift van de verklaring. Het
Kwaliteitscentrum examinering inburgering kan een vergoeding van de
kosten vragen overeenkomstig een door Onze Minister vast te stellen
tarief voor de afgifte van een verklaring.
3. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering verstrekt een
verklaring niet eerder aan derden dan nadat deze op grond van het
eerste lid openbaar is gemaakt.
Artikel 3.24
Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering stelt een
klachtenregeling vast inzake behandeling van klachten over gedragingen
van personen die belast zijn met het uitoefenen van taken voor het
Kwaliteitscentrum examinering inburgering.
Artikel 3.25
1. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering verstrekt
desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitvoering van zijn taak
benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van
zakelijke gegevens en bescheiden, voorzover dat voor de vervulling van
zijn taak redelijkerwijs nodig is.
2. De instelling en de exameninstelling verstrekken desgevraagd aan
het Kwaliteitscentrum examinering inburgering alle voor de uitvoering
van zijn taken, bedoeld in artikel 3.17, benodigde inlichtingen.
Artikel 3.26
1. De exameninstellingen zenden het Kwaliteitscentrum examinering
inburgering jaarlijks een verslag over de afgenomen examens, waaruit
blijkt op welke wijze de exameninstelling en de examinering voldoen
aan de bij en krachtens de wet gestelde eisen.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld
omtrent de inrichting en openbaarmaking van de verslagen, bedoeld in
het eerste lid.
Hoofdstuk 4. Faciliteiten
Afdeling 1. Lening
§ 1. Vaststelling van de lening
Artikel 4.1
1. De lening wordt verstrekt ten behoeve van:
a. het volgen bij een cursusinstelling van een cursus die
opleidt tot, alsmede het afleggen van:
1°. het inburgeringsexamen op de voor de betrokken
inburgeringsplichtige op grond van artikel 7, tweede lid,
onderdeel a, van de wet vastgestelde niveaus, en
2°. indien de inburgeringsplichtige oudkomer is, het
inburgeringsexamen op de niveaus, bedoeld in deartikelen 2.9,
eerste lid, en 2.10, of
b. het volgen bij een cursusinstelling van een cursus die
opleidt tot het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid,
onderdeel c.
2. De lening wordt slechts verstrekt indien de
inburgeringsplichtige een cursus volgt of heeft gevolgd bij een
cursusinstelling die op het tijdstip waarop de inburgeringsplichtige
zich voor de cursus heeft aangemeld, in het bezit is van het in
artikel 1, onderdeel j, van de wet bedoelde keurmerk of certificaat.
3. De lening wordt niet verstrekt indien op enig moment voor de
inburgeringsplichtige een inburgeringsvoorziening is vastgesteld,
tenzij deze inburgeringsvoorziening op grond van artikel 23, vierde
lid, van de wet is vervallen en geen beschikking als bedoeld in
artikel 4.25, tweede lid, eerste volzin, is vastgesteld.
4. Een lening ten behoeve van het afleggen van het
inburgeringsexamen wordt slechts verstrekt indien de
inburgeringsplichtige tevens een lening ontvangt ten behoeve van het
volgen van een cursus.
5. De lening wordt niet verstrekt indien aan de
inburgeringsplichtige een persoonsvolgend budget is verstrekt.
Artikel 4.2
1. De inburgeringsplichtige heeft aanspraak op de lening gedurende
een periode van ten hoogste drie jaar gerekend vanaf de eerste dag van
de maand volgend op de eerste verstrekking van de lening.
2. Het geleende bedrag wordt niet uitgekeerd, indien de
inburgeringsplichtige:
a. niet langer ingezetene is in de zin van de Wet gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens;
b. als vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer heeft in de
zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e, dan wel l, van de
Vreemdelingenwet 2000, dan wel, in de in artikel 2.2, eerste lid,
bedoelde gevallen, in de zin van artikel 8, onderdelen g of h, van
de Vreemdelingenwet 2000.
3. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de
hoogte en de betaling van de lening.
Artikel 4.3
1. In de aanvraag vermeldt de aanvrager zijn burgerservicenummer.
2. Bij de aanvraag overlegt de aanvrager een door hem ondertekende
verklaring waarin hij Onze Minister machtigt het bedrag van de
maandelijkse termijnen die hij op grond van artikel 4.8 of 4.11 moet
terugbetalen, automatisch van zijn bankrekening af te schrijven.
Artikel 4.4
Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag
een beschikking.
§ 2. Terugbetaling van de lening
Artikel 4.5
1. Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1 december ten behoeve van
het daarop volgende jaar een rentepercentage vast dat gelijk is aan
het gemiddeld effectief rendement over de maand oktober van dat jaar
van de openbare lening, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en
toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van
Amsterdam, met een resterende looptijd, zo dicht mogelijk bij 10
jaren, tussen 8 en 11 jaren.
2. De renteberekening gaat in op de dag waarop het bedrag aan
lening bij Onze Minister is afgeschreven.
3. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld
omtrent de wijze waarop de rente wordt berekend over de aangegane
lening.
4. In afwijking van het eerste lid geldt voor 2007 een
rentepercentage dat door Onze Minister is vastgesteld vóór 1 januari
2007.
Artikel 4.6
1. De terugbetalingsperiode beslaat ten hoogste drie jaren.
2. In geval van wijziging van het bedrag van de maandelijkse
termijn naar aanleiding van een verzoek tot draagkrachtvaststelling
als bedoeld in artikel 4.9, kan deze periode worden verlengd tot ten
hoogste zeven jaren.
3. De terugbetalingsperiode vangt aan op de eerste dag van de maand
volgend op het in artikel 17, eerste lid, van de wet bedoelde
tijdstip. De terugbetalingsperiode kan op schriftelijk verzoek van de
debiteur aanvangen op een eerder tijdstip, in welk geval de aanspraak
op de lening vervalt.
4. Gedurende de in artikel 17, eerste lid, van de wet bedoelde
aanloopfase van zes maanden bestaat geen verplichting tot
terugbetaling, doch is wel rente verschuldigd over het bedrag van de
lening.
Artikel 4.7
1. De terugbetaling van de lening geschiedt in maandelijkse
termijnen, behoudens in de bij regeling van Onze Minister genoemde
gevallen.
2. Het bedrag van de maandelijkse termijn wordt op basis van het
aantal maanden van de terugbetalingsperiode tot een gelijk bedrag
vastgesteld bij de aanvang van de aanloopfase, bedoeld in artikel 4.6,
vierde lid, dan wel binnen acht weken na ontvangst van een verzoek als
bedoeld in artikel 4.6, derde lid, tweede volzin.
3. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld over
de hoogte van het bedrag van de maandelijkse termijn alsmede de wijze
waarop deze wordt berekend.
Artikel 4.8
1. Binnen acht weken na de aanvang van de aanloopfase, bedoeld in
artikel 4.6, vierde lid, dan wel de ontvangst van een verzoek als
bedoeld in artikel 4.6, derde lid, tweede volzin, stelt Onze Minister
het bedrag vast dat de debiteur overeenkomstig deartikelen 4.5 tot en
met 4.7 maandelijks moet terugbetalen alsmede de periode waarbinnen
dit moet gebeuren.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld voor
het geval de debiteur meer betaalt dan het bedrag van de in het eerste
lid bedoelde termijn.
Artikel 4.9
Indien de debiteur niet in staat is het overeenkomstig artikel 4.8
vastgestelde bedrag van de termijn te voldoen, kan hij bij Onze Minister
een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de
resterende terugbetalingsperiode.
Artikel 4.10
1. Ter bepaling van de draagkracht van de debiteur wordt het
toetsingsinkomen van de debiteur en dat van zijn partner in aanmerking
genomen.
2. Het toetsingsinkomen wordt berekend overeenkomstig artikel 8,
eerste tot en met derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen.
3. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten
aanzien van de wijze waarop de draagkracht van de debiteur wordt
vastgesteld.
Artikel 4.11
1. Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de
aanvraag, bedoeld in artikel 4.9, een beschikking.
2. Indien het bedrag van de draagkracht lager is dan het bedrag van
de overeenkomstig artikel 4.8 vastgestelde termijn, wordt zijn termijn
opnieuw vastgesteld met ingang van de maand daaropvolgend. Daarbij
wordt tevens zijn resterende terugbetalingsperiode bepaald.
3. Indien het bedrag van de draagkracht hoger is dan het bedrag van
de overeenkomstig artikel 4.8 vastgestelde termijn, betaalt de
debiteur het bedrag van de in artikel 4.8 vastgestelde termijn.
Artikel 4.12
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent verzuim,
aanmaning en de invordering van de schuld.
Artikel 4.13
1. De schuld kan op verzoek van de inburgeringsplichtige door Onze
Minister in bij regeling van Onze Minister aan te wijzen gevallen
geheel of gedeeltelijk worden kwijtgescholden.
2. Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de
aanvraag van een debiteur om gehele of gedeeltelijke kwijtschelding
een beschikking.
Artikel 4.14
1. De schuld die bij het einde van de terugbetalingsperiode
resteert omdat overeenkomstig artikel 4.11, tweede lid, de termijn
opnieuw is vastgesteld, gaat op dat ogenblik teniet, met uitzondering
van achterstallige termijnen.
2. De schuld die resteert bij het overlijden van de debiteur gaat
op dat ogenblik teniet.
Artikel 4.15
De termijnen, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet en
artikel 4.2, eerste lid, worden verlengd met de duur van de periode,
bedoeld inartikel 2.2, tweede lid.
§ 3. Slotbepaling
Artikel 4.16
De artikelen 3, 4 en 6, eerste lid, van de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2. Vergoeding
Artikel 4.17
1. De in artikel 18, eerste lid, van de wet bedoelde vergoeding
bestaat uit:
a. een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag,
of
b. een bij regeling van Onze Minister vast te stellen gedeelte
van de kosten die de gewezen inburgeringsplichtige heeft gemaakt
ten behoeve van:
1°. het volgen van een cursus bij een cursusinstelling die
op het tijdstip waarop de inburgeringsplichtige zich voor de
cursus heeft aangemeld, over het in artikel 1, eerste lid,
onderdeel j, van de wet bedoelde keurmerk of certificaat
beschikte, en
2°. het inburgeringsexamen op de voor de betrokken
inburgeringsplichtige op grond van artikel 7, tweede lid,
onderdeel a, van de wet vastgestelde niveaus alsmede, indien
de inburgeringsplichtige oudkomer is, het inburgeringsexamen
op de niveaus, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste lid,
en2.10.
2. Indien een inburgeringsplichtige binnen drie jaar het examen,
bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c, heeft behaald,
verstrekt Onze Minister aan die gewezen inburgeringsplichtige:
a. een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag,
of
b. een bij regeling van Onze Minister vast te stellen gedeelte
van de kosten die die gewezen inburgeringsplichtige heeft gemaakt
ten behoeve van het volgen van een cursus bij een cursusinstelling
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1°.
Indien de gewezen inburgeringsplichtige oudkomer was, wordt de
termijn van drie jaar berekend vanaf het tijdstip waarop het college
ten aanzien van hem toepassing aan artikel 26 van de wet gaf.
3. Onverminderd het eerste lid, verstrekt Onze Minister een bij
regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag aan de gewezen
oudkomer, niet zijnde een geestelijke bedienaar, die binnen drie jaar
nadat het college ten aanzien van hem toepassing aan artikel 26 van de
wet heeft gegeven, het inburgeringsexamen op de niveaus, bedoeld in de
artikelen 2.9, eerste lid, en 2.10, heeft behaald.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de verstrekking van de bedragen, bedoeld in het tweede
en derde lid.
Artikel 4.18
De termijn van drie jaar, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de
wet enartikel 4.17, tweede en derde lid, wordt verlengd met de duur van
de periode, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid.
Artikel 4.19
Onze Minister verstrekt ambtshalve de in artikel 4.17, eerste lid,
onderdeel a, tweede lid, onderdeel a, of derde lid, bedoelde vergoeding
binnen acht weken nadat de gewezen inburgeringsplichtige het examen
heeft behaald.
Artikel 4.20
1. Onze Minister verstrekt ambtshalve of op aanvraag de in artikel
4.17, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, onderdeel b, bedoelde
vergoeding, voorzover het bedrag daarvan het inartikel 4.17, eerste
lid, onderdeel a, onderscheidenlijk tweede lid, onderdeel a, bedoelde
bedrag te boven gaat.
2. Ambtshalve verstrekking geschiedt binnen acht weken nadat de
gewezen inburgeringsplichtige het examen heeft behaald. Indien een
aanvraag is gedaan, geeft Onze Minister binnen acht weken na ontvangst
van de aanvraag een beschikking.
3. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld
omtrent de aanvraag en de betaling van de in artikel 4.17, eerste lid,
onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, bedoelde vergoedingen.
Artikel 4.21
1. Geen recht op een vergoeding als bedoeld in artikel 4.17, eerste
lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, heeft de gewezen
inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening is
vastgesteld, tenzij deze inburgeringsvoorziening op grond van artikel
23, vierde lid, van de wet is vervallen en geen beschikking als
bedoeld in artikel in artikel 4.25, tweede lid, eerste volzin, is
vastgesteld.
2. Geen recht op een vergoeding als bedoeld in artikel 4.17, eerste
lid, onderdelen a en b, en tweede lid, onderdelen a en b, heeft degene
die op het tijdstip waarop het inburgeringsexamen of het examen,
bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c is behaald, niet
inburgeringsplichtig was, tenzij de inburgeringsplicht is geëindigd
wegens:
a. het bereiken van de 65-jarige leeftijd, of
b. een andere omstandigheid en op dat tijdstip een schuld
bestond uit een niet eerder dan drie jaar voor dat tijdstip
overeenkomstig artikel 4.1 verstrekte lening.
3. Geen recht op een vergoeding als bedoeld in artikel 4.17, eerste
lid, onderdelen a en b, tweede lid, onderdelen a en b, en derde
lidheeft:
a. de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in de zin van
artikel 8, onderdelen a tot en met e, dan wel l, van de
Vreemdelingenwet 2000, tenzij het betreft een vreemdeling als
bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, met rechtmatig verblijf in de
zin van artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000;
b. degene aan wie de vergoeding reeds eerder is verstrekt;
c. degene aan wie een persoonsvolgend budget is verstrekt.
Artikel 4.22
1. Indien op de gewezen inburgeringsplichtige nog een verplichting
rust tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling van een lening,
verrekent Onze Minister de vergoeding met het terug te betalen bedrag.
2. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld
omtrent deze verrekening.
Afdeling 3. Gemeentelijk aanbod aan bijstands- en
uitkeringsgerechtigden
Artikel 4.23
De socialezekerheidswetten en socialezekerheidsregelingen, bedoeld in
de artikelen 19, vierde lid, 24a, vierde lid, en 24b, eerste lid, van de
wet, zijn:
a. de Werkloosheidswet;
b. de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
d. de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
e. de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
f. de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
g. de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
h. de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria;
i. de Tijdelijke regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde
arbeidsongeschikten;
j. de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen.
Afdeling 4. Gemeentelijk aanbod aan geestelijke bedienaren
Artikel 4.24
1. De inburgeringsvoorziening voor geestelijke bedienaren, bedoeld
in de artikelen 19, eerste lid, onderdeel b, en 24a, eerste lid, van
de wet, omvat een cursus die toeleidt naar de ingevolge paragraaf 2,
afdeling 1, van hoofdstuk 3, voor de geestelijke bedienaren en
geestelijke bedienaren die vrijwillige inburgeraar zijn geldende
onderdelen van het inburgeringsexamen.
2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de
cursus.
Afdeling 5. Inburgeringsalternatief bij verval
inburgeringsvoorziening
Artikel 4.25
1. Indien op grond van artikel 23, vierde lid, van de wet een
inburgeringsvoorziening vervalt, roept het college de
inburgeringsplichtige binnen zes weken op voor het onderzoek.
2. Binnen zes weken na afloop van het onderzoek geeft het college
ten aanzien van de inburgeringsplichtige voorzover van toepassing een
beschikking waarin als gelijkwaardig inburgeringsalternatief een op
dat tijdstip passende inburgeringsvoorziening is vastgesteld. Het
bepaalde bij en krachtens de artikelen 22, eerste lid, en 23, eerste,
tweede en derde lid, van de wet is van toepassing.
Afdeling 6. Overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar
Artikel 4.26
1. De overeenkomst, bedoeld in artikel 24d, tweede lid, van de wet,
bevat ten minste een omschrijving van de overeengekomen voorziening,
alsmede een omschrijving van de rechten en verplichtingen van de
vrijwillige inburgeraar ten aanzien van:
a. de termijn waarbinnen de vrijwillige inburgeraar moet hebben
deelgenomen aan het inburgeringsexamen dan wel het examen, bedoeld
in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c;
b. de eventuele verschuldigdheid van de eigen bijdrage en de
mogelijkheid van betaling in termijnen;
c. de gevolgen van niet-nakoming van de overeenkomst.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid.
Afdeling 7. Persoonlijk inburgeringsbudget
Artikel 4.27
1. Indien het college een persoonlijk inburgeringsbudget als
bedoeld in artikel 19, tweede lid, of artikel 24a, tweede lid, van de
wet aanbiedt, begeleidt het college de inburgeringsplichtige of de
vrijwillige inburgeraar bij de vormgeving van zijn inburgering en de
keuze van een inburgeringsbedrijf.
2. Het voorstel van de inburgeringsplichtige of de vrijwillige
inburgeraar behoeft de goedkeuring van het college.
3. De gemeenteraad bepaalt bij verordening wie als enige partij of
partijen met het inburgeringsbedrijf een overeenkomst met betrekking
tot de inburgering van de inburgeringsplichtige of de vrijwillige
inburgeraar sluit.
Hoofdstuk 5. Handhaving
Afdeling 1. Oproepen van personen
Artikel 5.1
1. Het college roept de vreemdeling die inburgeringsplichtig of
potentieel inburgeringsplichtig is, met uitzondering van de oudkomer
en de potentieel inburgeringsplichtige oudkomer, op voor het
onderzoek:
a. indien hij in een opvangcentrum als bedoeld in artikel 1,
onderdeel d, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers
verblijft, binnen zes weken nadat hij na vertrek uit het centrum
voor de eerste keer aangifte van verblijf en adres als bedoeld in
artikel 65 van de Wet gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens heeft gedaan;
b. in de overige gevallen, binnen zes weken na het ontstaan van
de grond waarop de vreemdeling inburgeringsplichtig is geworden of
waarop het college kan vermoeden dat de vreemdeling
inburgeringsplichtig is geworden.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent het eerste lid, onderdeel b.
Artikel 5.2
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de wijze waarop het aantal oudkomers wordt vastgesteld
aan wie het college in een door Onze Minister te bepalen tijdvak een
handhavingsbeschikking bekendmaakt.
Artikel 5.3
1. Indien niet aan de inburgeringsplicht is voldaan, verstrekt het
college informatie over de rechten en plichten van de
inburgeringsplichtige die uit de wet voortvloeien.
2. Binnen twaalf weken na afloop van het onderzoek geeft het
college ten aanzien van de inburgeringsplichtige voorzover van
toepassing een beschikking als bedoeld in de artikelen 22, eerste lid,
en 26 van de wet.
3. Indien ten aanzien van de inburgeringsplichtige geen beschikking
als bedoeld in de artikelen 22, eerste lid, en 26 van de wet wordt
gegeven, stelt het college hem binnen twaalf weken na het onderzoek
schriftelijk in kennis van de voor hem geldende termijn, bedoeld in
artikel 7, eerste lid, van de wet.
Afdeling 2. Termijnverlenging en ontheffing van de inburgeringsplicht
Artikel 5.4
1. Een aanvraag tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige
geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, kan
niet eerder worden ingediend dan zes maanden voor het verstrijken van
die termijn. Het college geeft binnen acht weken na ontvangst van de
aanvraag een beschikking.
2. In bijzondere gevallen die de inburgeringsplichtige betreffen,
kan het college ambtshalve besluiten tot verlenging van de voor de
inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste
lid, van de wet. De beschikking kan niet eerder worden gegeven dan zes
maanden voor het verstrijken van die termijn.
3. In de beschikking wordt de duur van de verlenging vermeld.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de verlenging van de termijn.
Artikel 5.5
1. Een aanvraag tot verlening van ontheffing van de
inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel c,
van de wet, kan niet eerder worden ingediend dan zes maanden voor het
verstrijken van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn,
bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet. Het college geeft binnen
acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.
2. In bijzondere gevallen die de inburgeringsplichtige betreffen,
kan het college ambtshalve besluiten tot het verlenen van ontheffing.
De beschikking kan niet eerder worden gegeven dan zes maanden voor het
verstrijken van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn,
bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet.
3. Het college kan op aanvraag de termijn, genoemd in het eerste
lid, buiten toepassing laten, indien toepassing daarvan naar zijn
oordeel, gelet op de door de inburgeringsplichtige aantoonbaar
geleverde inspanningen om te voldoen aan de inburgeringsplicht, zou
leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent het verlenen van de ontheffing.
Hoofdstuk 6. Informatiebepalingen
Afdeling 1. Het informatiesysteem inburgering
Artikel 6.1
1. Het Informatiesysteem Inburgering bevat uitsluitend
persoonsgegevens van:
a. inburgeringsplichtigen en gewezen inburgeringsplichtigen;
b. andere dan de in onderdeel a bedoelde personen, die
deelnemen aan het inburgeringsexamen;
c. vrijwillige inburgeraars, personen ten aanzien van wie op
grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet participatiebudget een
inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is vastgesteld,
alsmede andere dan de in onderdeel a of b bedoelde personen, ten
aanzien van wie een naar het inburgeringsexamen toeleidende
inburgeringsvoorziening is vastgesteld op grond van:
1°. de Regeling inburgering allochtone vrouwen G31,
2°. de Regeling inburgering allochtone vrouwen niet-G31,
3°. de Pilot inburgering allochtone vrouwen Taal Totaal,
4°. de Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal,
integratie en veiligheid, of
5°. de Regeling vrijwillige inburgering niet-G31 2007;
d. partners van debiteuren als bedoeld in artikel 4.10, indien
overeenkomstig dat artikel de draagkracht van de debiteur wordt
bepaald;
e. kinderen van debiteuren als bedoeld in artikel 4.10, indien
overeenkomstig dat artikel de draagkracht van de debiteur wordt
bepaald en van deze debiteur geen inkomensgegevens bij de
rijksbelastingdienst bekend zijn;
f. personen ten aanzien van wie na een onderzoek als bedoeld in
artikel 25 van de wet, dan wel na een onderzoek door Onze Minister
naar het bezit van een diploma, certificaat of document als
bedoeld in artikel 2.3, is vastgesteld dat zij niet
inburgeringsplichtig zijn;
g. personen ten aanzien van wie is gebleken dat zij aansluitend
op de leerplicht of kwalificatieplicht een opleiding volgen als
bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van de wet;
h. personen ten aanzien van wie op redelijke gronden kan worden
vermoed dat zij inburgeringsplichtig zijn.
2. Het Informatiesysteem Inburgering bevat de in debijlage bij dit
besluit opgenomen gegevens. Persoonsgegevens worden opgenomen zoals
deze zijn opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens.
3. Bij regeling van Onze Minister kan de bijlage bij dit besluit
worden gewijzigd.
Artikel 6.2
1. De volgende instanties verstrekken ten behoeve van opneming in
het Informatiesysteem Inburgering aan de beheerder daarvan uit eigen
beweging of op verzoek alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van de taken die bij of krachtens de wet aan die instanties
zijn opgedragen:
a. het college;
b. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
c. Onze Minister van Justitie;
d. de rijksbelastingdienst;
e. de exameninstellingen;
f. de cursusinstellingen;
g. de organisatie die belast is met het beheer van het in
artikel 1, onderdeel j, van de wet bedoelde keurmerk;
h. het Kwaliteitscentrum examinering inburgering;
i. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
j. Onze Minister;
k. het College voor examens, genoemd in artikel 2, eerste lid,
van de Wet College voor examens;
l. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
2. Onverminderd de gegevensverstrekking aan het college, Onze
Minister van Justitie en Onze Minister, bedoeld in artikel 47, tweede
lid, van de wet worden gegevens die zijn opgenomen in het
Informatiesysteem Inburgering slechts ter beschikking gesteld aan:
a. de exameninstellingen;
b. de cursusinstellingen;
c. de organisatie die belast is met het beheer van het in
artikel 1, onderdeel j, van de wet bedoelde keurmerk;
d. het Kwaliteitscentrum examinering inburgering;
e. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Deze gegevens worden niet gebruikt voor een ander doel dan genoemd
in artikel 47, tweede lid, van de wet.
3. De verstrekking van gegevens met het oog op de evaluatie van
bestaand beleid en de voorbereiding van toekomstig beleid, bedoeld in
artikel 47, tweede lid, onderdeel b, van de wet, geschiedt zodanig dat
de gegevens niet kunnen worden herleid tot een natuurlijk persoon.
4. De gegevens omtrent de beschikking, vastgesteld op grond van de
artikelen 19a, tweede lid, 22 en 26 van de wet, en de kennisgeving,
verstrekt op grond van artikel 5.3, derde lid, alsmede de gegevens
omtrent de overeenkomst, vastgesteld op grond van artikel 24d, tweede
lid, van de wet, worden door het college zo spoedig mogelijk doch
uiterlijk binnen vier weken na de dagtekening van de beschikking, de
kennisgeving dan wel de overeenkomst elektronisch verstrekt aan de
beheerder van het Informatiesysteem Inburgering. Indien de gegevens na
ommekomst van de in de eerste volzin genoemde termijn nog niet zijn
verstrekt, worden deze alsnog door het college binnen vier weken
schriftelijk verstrekt aan de beheerder ten behoeve van opname in het
Informatiesysteem Inburgering.
5. De instanties, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en e tot
en met h, verstrekken de overige gegevens zo spoedig mogelijk doch
uiterlijk binnen twee weken na het ontstaan van de noodzaak tot
opneming in het Informatiesysteem Inburgering.
6. Bij regeling van Onze Minister kunnen andere instanties worden
aangewezen ten aanzien waarvan de in het eerste lid bedoelde
verplichting eveneens geldt of waaraan eveneens gegevens uit het
Informatiesysteem Inburgering worden verstrekt.
7. In opdracht van Onze Minister kunnen ten behoeve van het
verrichten van rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoeken gegevens
uit het Informatiesysteem Inburgering worden verstrekt die kunnen
worden herleid tot een natuurlijk persoon. In de rapportages over deze
onderzoeken worden geen tot die persoon herleidbare gegevens
opgenomen.
Artikel 6.3
1. In het Informatiesysteem Inburgering opgenomen persoonsgegevens
worden verwijderd:
a. na verloop van twintig jaren, of
b. indien de betrokken persoon is overleden.
2. In afwijking van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde
termijn worden de volgende gegevens van personen als bedoeld in
artikel 6.1, eerste lid, onderdeel a, verwijderd na verloop van
vijftig jaar:
a. burgerservicenummer;
b. naamgegevens;
c. adresgegevens;
d. woonplaats;
e. geboortedatum;
f. gegevens die betrekking hebben op gehele of gedeeltelijke
vrijstelling van de inburgeringsplicht;
g. gegevens die betrekking hebben op een ontheffing van de
inburgeringsplicht;
h. de datum waarop het inburgeringsdiploma is behaald;
i. gegevens over een tijdelijke of definitief niet invorderbare
schuld terzake van een lening.
3. In afwijking van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde
termijn worden de volgende gegevens van personen als bedoeld in
artikel 6.1, eerste lid, onderdeel b, verwijderd na verloop van
vijftig jaar:
a. burgerservicenummer;
b. naamgegevens;
c. adresgegevens;
d. woonplaats;
e. geboortedatum;
f. de datum waarop het inburgeringsdiploma is behaald.
4. De termijnen, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, en in de
aanhef van het tweede en derde lid, vangen aan op de dag waarop de
gegevens in het Informatiesysteem Inburgering zijn opgenomen.
Afdeling 2. Het bestand potentiële inburgeringsplichtigen
Artikel 6.4
1. Het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen bevat de volgende
persoonsgegevens van potentiële inburgeringsplichtigen, zoals deze
zijn opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens:
a. burgerservicenummer;
b. A-nummer;
c. naamgegevens;
d. geslacht;
e. geboortedatum;
f. geboorteplaats;
g. geboorteland of land van herkomst;
h. adresgegevens;
i. woonplaats;
j. nationaliteit;
k. gegevens inzake vestiging in en vertrek uit Nederland.
2. Het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen bevat tevens de
volgende persoonsgegevens van potentiële inburgeringsplichtigen,
zoals deze bekend zijn bij Onze Minister van Justitie:
a. gegevens inzake de aard van het verblijfsdoel;
b. gegevens inzake het al dan niet rechtmatig verblijf in
Nederland.
Artikel 6.5
1. De volgende instanties verstrekken aan de beheerder van het
Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen uit eigen beweging of op
verzoek alle gegevens die noodzakelijk zijn voor het bijhouden dan wel
schonen van dat bestand:
a. het college;
b. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
c. Onze Minister van Justitie;
d. Onze Minister;
e. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
2. Persoonsgegevens die zijn opgenomen in het Bestand Potentiële
Inburgeringsplichtigen worden slechts ter beschikking gesteld aan het
college, Onze Minister en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen. Deze gegevens worden niet gebruikt voor een
ander doel dan genoemd in artikel 48, tweede lid, van de wet.
3. De verstrekking, bedoeld in artikel 48, tweede lid, onderdeel c,
van de wet geschiedt zodanig dat de gegevens niet kunnen worden
herleid tot een natuurlijk persoon.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen andere instanties worden
aangewezen ten aanzien waarvan de in het eerste lid bedoelde
verplichting eveneens geldt of waaraan eveneens gegevens uit het
Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen worden verstrekt.
Artikel 6.6
Onze Minister verwijdert de gegevens van een in het Bestand
Potentiële Inburgeringsplichtigen opgenomen persoon, indien de
betrokkene:
a. is overleden;
b. blijkens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen of uit Nederland is
vertrokken, of
c. in het Informatiesysteem Inburgering wordt opgenomen.
Artikel 6.7
Het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen wordt opgeheven op 1
januari 2057.
Afdeling 3. Overige bepalingen
Artikel 6.8
Met betrekking tot het Informatiesysteem Inburgering en het Bestand
Potentiële Inburgeringsplichtigen is Onze Minister de verantwoordelijke
in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens.
Artikel 6.9
Onder«college» wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk mede
verstaan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar
een persoon wiens gegevens in het Informatiesysteem Inburgering of het
Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen zijn opgenomen, woonplaats
heeft in de zin van titel 3 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen
Afdeling 1. Vaststelling rijksbijdrage
Artikel 7.1
1. De rijksbijdrage voor 2007 en 2008 voor een gemeente omvat een
vast deel, een prestatie-afhankelijk deel en een variabel deel.
2. Het vaste deel, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld met
behulp van de verdeelsleutel, bedoeld in artikel 7.2, tweede lid,
zoals dat artikel luidde op 31 december 2008.
3. Het prestatie-afhankelijke deel, bedoeld in het eerste lid,
wordt berekend op de grondslag van:
a. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19,
eerste lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten
behoeve van wie het college voor de eerste keer een
inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening
is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel
is terugbetaald;
b. het aantal in onderdeel a bedoelde inburgeringsplichtigen
dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de
inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het
inburgeringsexamen;
c. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19,
eerste lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten
behoeve van wie het college voor de eerste keer een gecombineerde
inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening
is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel
is terugbetaald;
d. het aantal in onderdeel c bedoelde inburgeringsplichtigen
dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de gecombineerde
inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het
inburgeringsexamen;
e. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19,
tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31
december 2008, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer
een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen
lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn
geheel is terugbetaald;
f. het aantal in onderdeel g bedoelde inburgeringsplichtigen
dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de
inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het
inburgeringsexamen;
g. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19,
tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31
december 2008, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer
een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan
wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die
lening in zijn geheel is terugbetaald;
h. het aantal in onderdeel i bedoelde inburgeringsplichtigen
dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de gecombineerde
inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het
inburgeringsexamen;
i. het aantal inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het
college voor de eerste keer een duale inburgeringsvoorziening
heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten
behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
j. het aantal inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het
college voor de eerste keer een taalkennisvoorziening als bedoeld
in artikel 19, derde lid, van de wet, zoals die luidde op 31
december 2008 heeft vastgesteld en aan wie geen lening is
verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is
terugbetaald.
4. Het variabele deel, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld
op de grondslag van:
a. het aantal inburgeringsplichtigen aan wie het college een
handhavingsbeschikking bekend heeft gemaakt;
b. het aantal inburgeringsplichtigen aan wie het college een
kennisgeving als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, heeft
verstrekt;
c. het aantal geestelijke bedienaren ten behoeve van wie het
college een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld;
d. het aantal geestelijke bedienaren dat heeft deelgenomen aan
het inburgeringsexamen;
e. het aantal geestelijke bedienaren dat heeft deelgenomen aan
het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in
artikel 3.8, eerste lid.
Artikel 7.1a
De inburgeringsplichtigen, bedoeld in het besluit van de
Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende
wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, worden voor de berekening
van de rijksbijdrage in deze afdeling niet meegerekend.
Artikel 7.2 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 7.3 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 7.4 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 7.5
1. Het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage voor een
gemeente wordt berekend met de formule:
A = ( [ B x C ] + [ D x E ] + [ H x I ] + [ J x K ] + [ L x M ] + [
N x O ] + [ R x S ] + [ T x U ] + [V x W] + [X x Y] + [Z x AA] + [BB x
CC] + DD) x EE
waarin wordt voorgesteld:
– met de letter A: het prestatie-afhankelijke deel van de
rijksbijdrage;
– met de letter B: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld
in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde op 31
december 2008, ten behoeve van wie het college in het jaar waarop
de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een
inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening
is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel
is terugbetaald;
– met de letter C: de bijdragevergoeding ten aanzien van de
vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van
inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de
wet, zoals die luidde op 31 december 2008;
– met de letter D: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld
in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde op 31
december 2008, ten behoeve van wie het college in het jaar waarop
de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde
inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening
is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel
is terugbetaald;
– met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de
vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten
behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste
lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008;
– met de letter H: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld
in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die
luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college in het
jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een
inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening
is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel
is terugbetaald;
– met de letter I: de bijdragevergoeding ten aanzien van de
vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van
inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid,
onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008;
– met de letter J: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld
in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die
luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college in het
jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een
gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie
geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in
zijn geheel is terugbetaald;
– met de letter K: de bijdragevergoeding ten aanzien van de
vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten
behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede
lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31 december
2008;
– met de letter L: het aantal in de letter B bedoelde
inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de
prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het
inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste
lid, onderdeel c;
– met de letter M: de bijdragevergoeding ten aanzien van de
deelname aan een van de examens, bedoeld in letter L;
– met de letter N: het aantal in de letter D bedoelde
inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de
prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het
inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste
lid, onderdeel c;
– met de letter O: de bijdragevergoeding ten aanzien van de
deelname aan een van de examens, bedoeld in letter N;
– met de letter R: het aantal in de letter H bedoelde
inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de
prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het
inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste
lid, onderdeel c;
– met de letter S: de bijdragevergoeding ten aanzien van de
deelname aan een van de examens, bedoeld in letter R;
– met de letter T: het aantal in de letter J bedoelde
inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de
prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het
inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste
lid, onderdeel c;
– met de letter U: de bijdragevergoeding ten aanzien van de
deelname aan een van de examens, bedoeld in letter T;
– met de letter V: het aantal inburgeringsplichtigen ten
behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose
betrekking heeft voor de eerste keer een duale
inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening
is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel
is terugbetaald;
– met de letter W: de bijdragevergoeding ten aanzien van de
vaststelling van de duale inburgeringsvoorziening;
– met de letter X: het aantal inburgeringsplichtigen, niet
zijnde geestelijke bedienaar, ten behoeve van wie het college in
het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer
een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid,
van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, heeft
vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten
behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
– met de letter Y: de bijdragevergoeding ten aanzien van de
vaststelling van de taalkennisvoorziening;
– met de letter Z: het aantal door het college in 2007 op
grond van de Wet inburgering nieuwkomers genomen beschikkingen
omtrent een inburgeringsprogramma;
– met de letters AA: de door Onze Minister vast te stellen
vergoeding met betrekking tot een inburgeringsprogramma als
bedoeld in de letter Z;
– met de letters BB: het aantal door het college in 2007 en
2008 ontvangen afschriften, welke betrekking hebben op in 2007
aangevangen inburgeringsprogramma’s, van door het bevoegd gezag
van een instelling ingevolge de Wet inburgering nieuwkomers
uitgereikte verklaringen als bedoeld in artikel 7.4.15, eerste
lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals dat artikel
luidde op 31 december 2006;
– met de letters CC: de door Onze Minister vast te stellen
vergoeding met betrekking tot een verklaring als bedoeld in de
letters BB;
– met de letters DD: het bedrag, bedoeld in artikel 9.3,
derde lid;
– met de letters EE: de door Onze Minister vast te stellen
correctiefactor.
2. Het college verstrekt de gegevens, bedoeld in de letters B, D,
H, J, L, N, R, T, V en X van het eerste lid, tezamen met de
jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke
betrekking heeft op het jaar 2011. Het college verstrekt de gegevens,
bedoeld in de letters Z en BB van het eerste lid, tezamen met de
jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke
betrekking heeft op het jaar 2008. De jaarrekening is voorzien van de
accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de
Gemeentewet. Het college vergewist zich ervan dat de gegevens zijn
opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering.
3. Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring
niet voor binnen zesentwintig weken na het verstrijken van de termijn,
bedoeld in artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de
Financiële-verhoudingswet heeft ontvangen, stelt Onze Minister de
hoogte van de letters B, D, H, J, L, N, R, T, V en X, respectievelijk
de letters Z en BB in de formule, bedoeld in het eerste lid, vast op
nul.
4. Onze Minister stelt het prestatie-afhankelijke deel van de
rijksbijdrage uiterlijk dertig weken na het verstrijken van de
termijn, bedoeld in artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van
de Financiële-verhoudingswet, welke betrekking heeft op de
jaarrekening van het jaar 2011, vast.
5. Het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage wordt
vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare
middelen door de begrotingswetgever en kan worden verlaagd in verband
met wijzigingen van de rijksbegroting voor het jaar 2012 dan wel het
jaar 2013.
6. Het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage wordt
verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van de jaren
2007 en 2008. Het uit de verrekening resulterende positieve of
negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling ervan
aan een gemeente betaald.
Artikel 7.6
1. Het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage voor een
gemeente wordt berekend met de formule A = B + [ C x D ] + [ E x F ] +
[ G x H ] + [ I x J ] + [ K x L ]
waarin wordt voorgesteld:
– met de letter A: het vaste en variabele deel van de
rijksbijdrage;
– met de letter B: het verleende voorschot op het vaste deel
van de rijksbijdrage;
– met de letter C: het aantal inburgeringsplichtigen aan wie
het college in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de
rijksbijdrage betrekking hebben een handhavingsbeschikking bekend
heeft gemaakt;
– met de letter D: de bijdragevergoeding ten aanzien van de
bekendmaking van een handhavingsbeschikking;
– met de letter E: het aantal inburgeringsplichtigen aan wie
het college in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de
rijksbijdrage betrekking hebben een kennisgeving als bedoeld in
artikel 5.3, derde lid, heeft verstrekt;
– met de letter F: de bijdragevergoeding ten aanzien van de
verstrekking van een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.3,
derde lid;
– met de letter G: het aantal geestelijke bedienaren ten
behoeve van wie het college in het jaar waarop het vaste en
variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben een
inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld;
– met de letter H: de bijdragevergoeding ten aanzien van de
vaststelling van een inburgeringsvoorziening voor een geestelijke
bedienaar;
– met de letter I: het aantal geestelijke bedienaren dat in
het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage
betrekking hebben, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of
het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c;
– met de letter J: de bijdragevergoeding ten aanzien van de
deelname door een geestelijke bedienaar aan het inburgeringsexamen
of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c;
– met de letter K: het aantal geestelijke bedienaren dat in
het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage
betrekking hebben, heeft deelgenomen aan het aanvullend
praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8,
eerste lid;
– met de letter L: de bijdragevergoeding ten aanzien van de
deelname door een geestelijke bedienaar aan het aanvullend
praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8,
eerste lid.
2. Het college verstrekt de gegevens bedoeld in de letters C, E, G,
I en K van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in
artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het jaar
waarop het variabele deel van de rijksbijdrage betrekking heeft. De
jaarrekening is voorzien van de accountantsverklaring, bedoeld in
artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet. Het college vergewist zich
ervan dat de gegevens zijn opgenomen in het Informatiesysteem
Inburgering.
3. Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring
niet binnen zesentwintig weken na het verstrijken van de termijn,
bedoeld in artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de
Financiële-verhoudingswet heeft ontvangen stelt Onze Minister de
hoogte van de letters C, E, G, I en K in de formule, bedoeld in het
eerste lid, vast op nul.
4. Onze Minister stelt het vaste en variabele deel van de
rijksbijdrage uiterlijk dertig weken na het verstrijken van de
termijn, bedoeld in artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van
de Financiële-verhoudingswet, vast.
5. Het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage worden
vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare
middelen door de begrotingswetgever en kunnen worden verlaagd in
verband met wijzigingen van de rijksbegroting.
6. Het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage worden
verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van de jaren
2007 en 2008. Het uit de verrekening resulterende positieve of
negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling ervan
aan de gemeente betaald.
Artikel 7.7
1. Onze Minister stelt ten behoeve van de vaststelling van de
rijksbijdrage jaarlijks de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel
7.5 en 7.6, vast.
2. Onze Minister stelt ten behoeve van de vast te stellen hoogte
van de bijdragevergoedingen jaarlijks de onderlinge verhouding vast
tussen de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen
a, c, e en g, en artikel 7.1, vierde lid, onderdeel c, enerzijds en de
indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen b, d, f en
h, en artikel 7.1, vierde lid, onderdelen d en e, anderzijds.
3. Onze Minister stelt de bijdragevergoedingen vast aan de hand van
de verhouding, bedoeld in het tweede lid, de hoogte van de eigen
bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet en een
uitvalpercentage ter hoogte van 10%.
4. Onze Minister maakt de hoogte van de bijdragevergoedingen
jaarlijks voor 15 september bekend.
Artikel 7.8
1. Gemeenten kunnen in onderling overleg besluiten tot een
gezamenlijke aanwending van de aan hen te verstrekken rijksbijdragen.
2. In geval van samenwerking als bedoeld in het eerste lid dragen
de deelnemende gemeenten de hen bij of krachtens dit hoofdstuk
toekomende rechten en de bij of krachtens dit hoofdstuk op hen
rustende verplichtingen over aan een van hen, dan wel aan een openbaar
lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke
regelingen.
3. De colleges wie het betreft stellen Onze Minister voor 1
september, voorafgaand aan het jaar waarop de samenwerking betrekking
heeft, in kennis van de samenwerking. Deze kennisgeving bevat in ieder
geval:
a. de namen van de deelnemende gemeenten;
b. de naam van de gemeente dan wel het openbaar lichaam aan wie
de in het tweede lid genoemde rechten en verplichtingen zijn
overgedragen;
c. een verklaring van de deelnemende gemeenten waaruit de in
het tweede lid bedoelde overdracht van rechten en verplichtingen
blijkt.
Artikel 7.9
1. Onze Minister kan de vastgestelde rijksbijdrage binnen een
periode van vijf jaar na de bekendmaking ervan intrekken of ten nadele
van de gemeente wijzigen:
a. indien er sprake is van feiten of omstandigheden waarvan
Onze Minister bij de vaststelling van de rijksbijdrage
redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de
rijksbijdrage lager zou zijn vastgesteld;
b. indien de vaststelling van de rijksbijdrage onjuist was en
de gemeente dit wist of behoorde te weten;
c. indien de gemeente na de vaststelling van de rijksbijdrage
niet heeft voldaan aan de regels en voorschriften, vastgesteld bij
en krachtens dit hoofdstuk.
2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip
waarop de rijksbijdrage is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of
wijziging anders is bepaald.
Artikel 7.10
1. Bij het geheel of gedeeltelijk intrekken van de rijksbijdrage op
grond van artikel 7.9 besluit Onze Minister tot:
a. het onmiddellijk terugvorderen van de middelen, of
b. het verrekenen van de middelen met nog te betalen
rijksbijdragen.
2. Indien Onze Minister toepassing geeft aan het eerste lid,
onderdeel a, betaalt het college de middelen terug binnen drie maanden
na de bekendmaking van het daartoe strekkende besluit van Onze
Minister.
3. Na het verstrijken van de termijn, bedoeld in het tweede lid, is
de gemeente zonder aanmaning of rechterlijke tussenkomst de wettelijke
rente verschuldigd.
4. Indien volledige terugvordering naar het oordeel van Onze
Minister tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt, stelt Onze
Minister de terugvordering op een lager bedrag vast.
Afdeling 2. Vaststelling rijksbijdrage ten behoeve van
inburgeringsplichtigen als bedoeld in het Besluit van de
Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende
wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, aan wie geen
persoonsvolgend budget is verstrekt
Artikel 7.11
In deze afdeling wordt verstaan onder:
nieuwe inburgeringsplichtigen: inburgeringsplichtigen als bedoeld in
het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr.
2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, aan wie
geen persoonsvolgend budget is verstrekt.
Artikel 7.12
1. Op de vaststelling van de rijksbijdrage voor een gemeente ten
behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen zijn de artikelen 7.1 tot en
met 7.7 niet van toepassing.
2. Op de vaststelling van de rijksbijdrage voor een gemeente ten
behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen zijn de artikelen 7.8 tot en
met 7.10 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.13
De rijksbijdrage voor een gemeente ten behoeve van nieuwe
inburgeringsplichtigen wordt berekend op de grondslag van:
a. het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen, ten behoeve van wie
het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening, een
duale inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening als
bedoeld in artikel 19, derde lid, van de wet, zoals die luidde voor
de inwerkingtreding van de Wet participatiebudget heeft vastgesteld
en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die
lening in zijn geheel is terugbetaald;
b. het aantal in onderdeel a bedoelde nieuwe
inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen
de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het
inburgeringsexamen of het examen, bedoeld inartikel 2.3, eerste lid,
onderdeel c.
Artikel 7.14 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 7.15
1. De rijksbijdrage voor een gemeente ten behoeve van de nieuwe
inburgeringsplichtigen wordt berekend met de formule:
A = [ B x C ] + [ D x E] + [F x G] + [H x I]
waarin wordt voorgesteld:
– met de letter A: de rijksbijdrage ten behoeve van nieuwe
inburgeringsplichtigen;
– met de letter B: het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen
ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een
inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening
is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel
is terugbetaald;
– met de letter C: de bijdragevergoeding ten aanzien van de
vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van nieuwe
inburgeringsplichtigen;
– met de letter D: het aantal in de letter B bedoelde nieuwe
inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor
hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen
aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld inartikel 2.3,
eerste lid, onderdeel c;
– met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de
deelname aan een van de examens, bedoeld in letter D;
– met de letter F: het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen
ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een duale
inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening
is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel
is terugbetaald;
– met de letter G: de bijdragevergoeding ten aanzien van de
vaststelling van de duale inburgeringsvoorziening ten behoeve van
nieuwe inburgeringsplichtigen;
– met de letter H: het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen
ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een
taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de
wet, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Wet
participatiebudget heeft vastgesteld en aan wie geen lening is
verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is
terugbetaald;
– met de letter I: de bijdragevergoeding ten aanzien van de
vaststelling van de taalkennisvoorziening ten behoeve van nieuwe
inburgeringsplichtigen.
2. Het college verstrekt de gegevens, bedoeld in de letters B, D, F
en H van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in
artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het jaar
2011. De jaarrekening is voorzien van de accountantsverklaring,
bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet. Het college
vergewist zich ervan dat de gegevens zijn opgenomen in het
Informatiesysteem Inburgering.
3. Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring
niet binnen zesentwintig weken na het verstrijken van de termijn,
bedoeld in artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de
Financiële-verhoudingswet, heeft ontvangen, stelt Onze Minister de
rijksbijdrage vast op nul.
4. Onze Minister stelt de rijksbijdrage ten behoeve van nieuwe
inburgeringsplichtigen uiterlijk dertig weken na het verstrijken van
de termijn, bedoeld in artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a,
van de Financiële-verhoudingswet, vast.
5. De rijksbijdrage wordt vastgesteld onder voorbehoud van
goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en
kan worden verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting
voor het jaar 2012 dan wel het jaar 2013.
6. De rijksbijdrage wordt verrekend met het voorschot dat is
verleend ten behoeve van de jaren 2007 en 2008. Het uit de verrekening
resulterende positieve of negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden
na de vaststelling ervan aan een gemeente betaald.
Artikel 7.16
1. Onze Minister stelt ten behoeve van de vaststelling van de
rijksbijdrage voor een gemeente ten behoeve van nieuwe
inburgeringsplichtigen jaarlijks de bijdragevergoedingen, bedoeld in
artikel 7.15, vast.
2. Onze Minister maakt de hoogte van de bijdragevergoedingen
jaarlijks voor 15 november bekend.
Hoofdstuk 8. Wijziging van andere besluiten
Artikel 8.1
[Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000]
Artikel 8.2
[Wijzigt het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en
veiligheid]
Artikel 8.3
[Wijzigt het Besluit naturalisatietoets]
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Afdeling 1. Overgangsbepalingen
Artikel 9.1
1. Op een door een inburgeringsplichtige vóór 1 januari 2007
tijdig ingediende aanvraag tot ontheffing als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet inburgering nieuwkomers of tot
verlenging van de duur daarvan als bedoeld in artikel 3, vierde lid,
van die wet, waarop vóór die datum nog niet is beslist, wordt alsnog
beslist met inachtneming van het bepaalde bij en krachtens die wet.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt afgewezen,
blijft het bepaalde bij en krachtens de Wet inburgering nieuwkomers op
die inburgeringsplichtige van toepassing, onverminderd artikel 7 van
de wet.
3. Indien aan een inburgeringsplichtige met toepassing van artikel
3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inburgering nieuwkomers een
ontheffing voor bepaalde tijd is verleend, vangt de in artikel 7,
eerste lid, van de wet bedoelde termijn niet eerder aan dan nadat de
duur van die ontheffing is verstreken.
4. Voor de toepassing van artikel 64, eerste lid, van de wet wordt
de inburgeringsplichtige die vóór 1 januari 2007 tijdig een aanvraag
tot ontheffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van
de Wet inburgering nieuwkomers heeft ingediend, geacht te hebben
voldaan aan de in artikel 2, eerste lid, van die wet bedoelde
verplichting.
5. Zolang het bepaalde bij en krachtens de Wet inburgering
nieuwkomers op de inburgeringsplichtige van toepassing is, is ten
aanzien van hem § 1 van hoofdstuk 5 van de wet niet van toepassing.
6. Ten aanzien van de inburgeringsplichtige op wie ingevolge
artikel 64, eerste lid, van de wet dan wel het tweede of vierde lid
van dit artikel het bepaalde bij en krachtens de Wet inburgering
nieuwkomers van toepassing is, geldt dat in de artikelen 2.3, eerste
lid, onderdeel j, subonderdeel 1°, tweede streepje, en 2.4, eerste
lid, onderdeel b, in plaats van «niveau 1» wordt gelezen: niveau 2.
Artikel 9.2
1. In afwijking van de artikelen 3.80a en 3.103 van het
Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de aanvraag tot het wijzigen van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van
de Vreemdelingenwet 2000 niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling
het inburgeringexamen, bedoeld in artikel 13 van de wet, niet heeft
behaald, indien de aanvraag is ingediend vóór 1 januari 2010 en de
vreemdeling op dat tijdstip drie jaar houder was van een
verblijfsvergunning.
2. In afwijking van de artikelen 3.96a, 3.103 en 3.107a van het
Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in de artikelen
20 en 33 van de Vreemdelingenwet 2000 niet afgewezen op de grond dat
de vreemdeling het inburgeringexamen, bedoeld in artikel 13 van de
wet, niet heeft behaald, indien de aanvraag is ingediend vóór 1
januari 2010 en de vreemdeling op dat tijdstip vijf jaar houder was
van een verblijfsvergunning.
Artikel 9.3
1. De inburgeringsplichtige die op 1 januari 2007 deelneemt aan een
opleiding educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel
d, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, blijft toegelaten tot deze
opleiding.
2. Het college kan de opleidingen educatie, bedoeld in het eerste
lid, bekostigen uit het prestatie-afhankelijke deel van de
rijksbijdrage dat betrekking heeft op het jaar 2007.
3. Indien het college toepassing geeft aan het tweede lid, doet het
college opgave van het daarmee gemoeide bedrag, alsmede het aantal
opleidingen educatie, bedoeld in het eerste lid, tezamen met de
jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke
betrekking heeft op het jaar 2007. De jaarrekening is voorzien van de
accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de
Gemeentewet.
Artikel 9.4 [Vervallen per 31-12-2008]
Artikel 9.5 [Vervallen per 31-12-2008]
Artikel 9.6
1. Onze Minister stelt ambtshalve een eenmalige rijksbijdrage vast,
welke wordt verstrekt aan een gemeente, niet zijnde een gemeente,
bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit brede doeluitkering
sociaal, integratie en veiligheid.
2. De eenmalige rijksbijdrage wordt berekend met behulp van de
formule: A = [B x C] + [D x E].
3. In de formule, genoemd in het tweede lid, wordt voorgesteld:
– met de letter A: de eenmalige rijksbijdrage;
– met de letter B: het aantal door het college in 2006 op
grond van de Wet inburgering nieuwkomers genomen beschikkingen
omtrent een inburgeringsprogramma;
– met de letter C: de door Onze Minister vast te stellen
vergoeding met betrekking tot een inburgeringsprogramma als
bedoeld in de letter B;
– met de letter D: het aantal door het college in 2006, 2007
en 2008 ontvangen afschriften, welke betrekking hebben op in 2006
aangevangen inburgeringsprogramma’s, van door het bevoegd gezag
van een instelling ingevolge de Wet inburgering nieuwkomers
uitgereikte verklaringen als bedoeld in artikel 7.4.15, eerste
lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals dat artikel
luidde op 31 december 2006;
– met de letter E: de door Onze Minister vast te stellen
vergoeding met betrekking tot een verklaring als bedoeld in de
letter D.
4. Het college dient voor 1 april 2009 een schriftelijk verslag in
over de activiteiten welke met betrekking tot de inburgering van
nieuwkomers in 2007 en 2008 zijn verricht.
5. Het college verstrekt de gegevens, bedoeld in het derde lid,
letters B en D, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186
van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het jaar 2008. De
jaarrekening is voorzien van een accountantsverklaring, bedoeld in
artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet.
6. Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring
niet voor 1 september 2009 heeft ontvangen, stelt Onze Minister de
hoogte van de letters B en D in de formule, genoemd in het derde lid,
vast op nul.
7. Onze Minister stelt de in het eerste lid bedoelde eenmalige
rijksbijdrage vast voor 1 oktober 2009.
8. De eenmalige rijksbijdrage wordt vastgesteld onder voorbehoud
van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever
en kan worden verlaagd in verband met wijzigingen van de
rijksbegroting voor het jaar waarin de eenmalige rijksbijdrage wordt
vastgesteld.
9. Het bedrag van de vastgestelde eenmalige rijksbijdrage wordt
binnen zes maanden na de vaststelling ervan aan een gemeente betaald
onder verrekening met het voorschot dat ingevolge de Wet inburgering
nieuwkomers is verleend ten behoeve van het jaar 2006. Indien de
vaststelling van de eenmalige rijksbijdrage of de verrekening met het
voorschot leidt tot een negatief bedrag, is Onze Minister bevoegd dat
bedrag terug te vorderen.
10. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld
omtrent de inrichting van het in het vierde lid bedoelde verslag.
Artikel 9.7 [Vervallen per 31-12-2008]
Afdeling 2. Slotbepalingen
Artikel 9.8
1. De wet en dit besluit treden in werking op 1 januari 2007.
2. Artikel 65 van de wet werkt terug tot en met 1 januari 2006.
Artikel 9.9
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit inburgering.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 5 december 2006
BEATRIX
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
M.C.F. Verdonk
Uitgegeven de veertiende december 2006
De Minister voor Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage bij artikel 6.1, tweede
lid
Onderdelen a en h (inburgeringsplichtigen,
gewezen inburgeringsplichtigen en personen ten aanzien van wie op
redelijke gronden kan worden vermoed dat zij inburgeringsplichtig zijn)
Ten aanzien van de in artikel 6.1, eerste
lid, onderdelen a en h, bedoelde personen worden de volgende gegevens
opgenomen:
Persoonsgegevens
– burgerservicenummer;
– A-nummer;
– naamgegevens;
– adresgegevens;
– woonplaats;
– geboortedatum;
– geboorteplaats;
– datum overlijden;
– geslacht;
– nationaliteit;
– geboorteland / land van herkomst;
Voorts worden de volgende gegevens
opgenomen, zoals deze bekend zijn bij Onze Minister van Justitie:
– gegevens inzake de aard van het
verblijfdoel;
– gegevens inzake het al dan niet
rechtmatig verblijf in Nederland;
– gegevens die aangeven of het gaat
om een persoon als bedoeld in het besluit van de Staatssecretaris van
Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de
Vreemdelingencirculaire 2000.
Voorts worden gegevens opgenomen die
betrekking hebben op de administratieve verwerking door het college van:
– de vaststelling dat de betrokkene
wel of niet inburgeringsplichtig is;
– het resultaat van het basisexamen
inburgering, bedoeld in artikel 16 van de Vreemdelingenwet 2000;
– de vaststelling dat de betrokkene
geestelijke bedienaar is;
– de vaststelling dat de betrokkene
oudkomer of nieuwe inburgeringsplichtige is;
– de aanwezigheid van een
vrijstelling van de inburgeringsplicht;
– de aanwezigheid van een ontheffing
van de inburgeringsplicht;
– de aard van een ten aanzien van de
betrokkene vastgestelde of overeengekomen instapvoorziening
inburgering, inburgeringsvoorziening, duale inburgeringsvoorziening
respectievelijk taalkennisvoorziening;
– een handhavingsbeschikking;
– een verlenging van de
inburgeringstermijn krachtens artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van
de wet;
– een krachtens hoofdstuk 6,
paragraaf 2, van de wet opgelegde bestuurlijke boete;
– overige contactgegevens, waaronder
in ieder geval emailadressen en telefoonnummers.
Voorts worden gegevens opgenomen die
betrekking hebben op de administratieve verwerking door Onze Minister van:
– een vrijstelling op grond van bij
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bekende diploma’s,
certificaten of andere documenten;
– een lening;
– het rekeningnummer voor
automatische incasso in geval van lening;
– financiële vertegenwoordiging;
– wettelijke vertegenwoordiging;
– de vergoeding, bedoeld in artikel
18 van de wet;
– het inburgeringsexamen;
– het staatsexamen Nederlands als
tweede taal I of II, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel
c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
– het persoonsvolgend budget,
waaronder het gegeven dat een persoonsvolgend budget is toegekend.
Voorts worden gegevens opgenomen die
betrekking hebben op:
– de gemeente;
– de exameninstelling;
– de cursusinstelling.
Onderdeel b (andere dan de in onderdeel a
bedoelde personen die deelnemen aan het inburgeringsexamen of het
staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II)
Ten aanzien van de in artikel 6.1, eerste
lid, onderdeel b, bedoelde personen worden de volgende gegevens opgenomen:
– burgerservicenummer;
– A-nummer;
– naamgegevens;
– adresgegevens;
– woonplaats;
– geboortedatum.
Verder worden gegevens opgenomen die
betrekking hebben op de administratieve verwerking door Onze Minister van:
– het inburgeringsexamen;
– het staatsexamen Nederlands als
tweede taal I of II, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel
c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
– overige contactgegevens, waaronder
in ieder geval emailadressen en telefoonnummers.
Onderdeel c (vrijwillige inburgeraars,
personen ten aanzien van wie op grond van artikel 3, eerste lid, van de
Wet participatiebudget een inburgeringsvoorziening of
taalkennisvoorziening is vastgesteld, alsmede andere dan de in onderdeel a
of b bedoelde personen, ten aanzien van wie een inburgeringsvoorziening is
vastgesteld die toeleidt naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen
Nederlands als tweede taal I of II op grond van de Regeling inburgering
allochtone vrouwen G31, de Regeling inburgering allochtone vrouwen
niet-G31, de Pilot inburgering allochtone vrouwen Taal Totaal, de
Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid
of de Regeling vrijwillige inburgering niet-G31 2007)
Ten aanzien van de in artikel 6.1, eerste
lid, onderdeel c, bedoelde personen worden de volgende gegevens opgenomen:
– burgerservicenummer;
– A-nummer;
– naamgegevens;
– adresgegevens;
– woonplaats;
– geboortedatum;
– geboorteplaats;
– datum overlijden;
– geslacht;
– nationaliteit;
– geboorteland/land van herkomst;
– gegevens inzake vestiging in en
vertrek uit Nederland;
Voorts worden opgenomen gegevens inzake het
al dan niet rechtmatig verblijf in Nederland, zoals deze bekend zijn bij
Onze Minister van Justitie.
Voorts worden gegevens opgenomen die
betrekking hebben op de administratieve verwerking door het college van:
– de aanwezigheid van een
gedeeltelijke vrijstelling
– de vaststelling dat de betrokkene
geestelijke bedienaar is;
– de aard van een ten aanzien van de
betrokkene vastgestelde of overeengekomen instapvoorziening
inburgering, inburgeringsvoorziening, duale inburgeringsvoorziening
respectievelijk taalkennisvoorziening;
– overige contactgegevens, waaronder
in ieder geval emailadressen en telefoonnummers.
Voorts worden gegevens opgenomen die
betrekking hebben op de administratieve verwerking door Onze Minister van:
– het inburgeringsexamen;
– het staatsexamen Nederlands als
tweede taal I of II, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel
c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
– overige contactgegevens, waaronder
in ieder geval emailadressen en telefoonnummers.
Voorts worden gegevens opgenomen die
betrekking hebben op:
– de gemeente;
– de exameninstelling;
– de cursusinstelling.
Voorts kunnen de volgende gegevens
opgenomen:
– de vaststelling dat een persoon
aansluitend op de volledige leerplicht een opleiding volgt als bedoeld
in artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van de wet en dientengevolge
niet inburgeringsplichtig is;
– de vaststelling dat een persoon
reeds in het bezit is van een diploma, certificaat of document als
bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit inburgering.
Onderdeel d (partners van debiteuren als
bedoeld in artikel 4.10 indien overeenkomstig dat artikel de draagkracht
van de debiteur wordt bepaald)
Ten aanzien van de in artikel 6.1, eerste
lid, onderdeel d, bedoelde personen worden de volgende gegevens opgenomen:
– inkomensgegevens peiljaar;
– draagkrachtgegevens;
– burgerservicenummer;
– naamgegevens;
– adresgegevens;
– woonplaats;
– geboortedatum.
Onderdeel e (kinderen van debiteuren als
bedoeld in artikel 4.10, indien overeenkomstig dat artikel de draagkracht
van de debiteur wordt bepaald en van deze debiteur geen inkomensgegevens
bij de rijksbelastingdienst bekend zijn)
Ten aanzien van de in artikel 6.1, eerste
lid, onderdeel e, bedoelde personen worden de volgende gegevens opgenomen:
– burgerservicenummer;
– A-nummer;
– geboortedatum.
Onderdeel f (personen ten aanzien van wie
is vastgesteld dat zij niet inburgeringsplichtig zijn)
Ten aanzien van de in artikel 6.1, eerste
lid, onderdeel f, bedoelde personen worden de volgende gegevens opgenomen:
– burgerservicenummer;
– naamgegevens;
– adresgegevens;
– overige contactgegevens, waaronder
in ieder geval emailadressen en telefoonnummers;
– woonplaats;
– geboortedatum;
– geboorteplaats;
– geslacht;
– nationaliteit.
Voorts worden de volgende gegevens
opgenomen, zoals deze bekend zijn bij Onze Minister van Justitie:
– gegevens inzake de aard van het
verblijfsdoel;
– gegevens inzake het al dan niet
rechtmatig verblijf in Nederland.
Voorts worden gegevens opgenomen die
betrekking hebben op de reden voor het ontbreken van de inburgeringsplicht.
Onderdeel g (personen waarvan is gebleken
dat zij aansluitend op de leerplicht of kwalificatieplicht een opleiding
volgen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van de wet)
Ten aanzien van de in artikel 6.1, eerste
lid, onderdeel g, bedoelde personen worden de volgende gegevens opgenomen:
– de vaststelling dat een persoon
aansluitend op de leerplicht of kwalificatieplicht een opleiding volgt
als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van de wet en
dientengevolge niet inburgeringsplichtig is;
– burgerservicenummer;
– naamgegevens;
– adresgegevens;
– woonplaats;
– geboortedatum;
– geboorteplaats;
– gegevens inzake de aard van het
verblijfsdoel;
– gegevens inzake het al dan niet
rechtmatig verblijf in Nederland.
|