| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Financiële-verhoudingswet
(Fvw)
BESLUIT
ONDERWIJS AAN VREEMDELINGEN
Tekst zoals deze geldt op
6 februari 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 17 juli 2003, houdende regeling van de specifieke
uitkering aan gemeenten in verband met de eerste opvang van
vreemdelingen aan een school als bedoeld in de Wet op het primair
onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet
onderwijs (Besluit onderwijs aan vreemdelingen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen van 2 april 2003, nr. WJZ/2003/12981 (2596), directie
Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op artikel 17, derde lid, van de Financiële-verhoudingswet;
De Raad van State gehoord (advies van 27 juni 2003, nr.
W05.03.0133/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen, van 10 juli 2003, nr. WJZ/2003/35165 (2596), directie
Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
1. school:
a. een bekostigde school als bedoeld in de Wet op het primair
onderwijs;
b. een bekostigde school of instelling als bedoeld in de Wet op
de expertisecentra;
c. een bekostigde school voor voortgezet onderwijs als bedoeld
in de Wet op het voortgezet onderwijs;
2. vreemdeling:
leerling:
1°. die door Onze minister van Justitie in het bezit is
gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld
in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000, onderscheidenlijk van
wie tenminste één van de ouders of voogden door Onze minister
van Justitie in bezit is gesteld van een document of schriftelijke
verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000,
en
2°. van wie aantoonbaar is dat hij nog geen jaar woonachtig is
in Nederland, en
3°. die ingeschreven staat aan een school en die school
geregeld bezoekt;
3. minister: Onze minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen.
Artikel 2. Criteria voor een specifieke uitkering en doel van de
specifieke uitkering
Dit besluit geeft de criteria op grond waarvan een gemeente in
aanmerking komt voor een specifieke uitkering ter tegemoetkoming in de
kosten van de eerste opvang van vreemdelingen aan een school, de
criteria voor de hoogte van de uitkering en de criteria voor de wijze
van verstrekken daarvan. De specifieke uitkering wordt besteed aan
bekostiging van het onderwijs aan vreemdelingen.
Artikel 3. Berekening van de specifieke uitkering
1. Een gemeente komt in aanmerking voor een specifieke
uitkering wanneer in die gemeente door een of meer scholen de eerste
opvang in het onderwijs wordt verzorgd voor gezamenlijk tenminste tien
vreemdelingen.
2. Berekeningsfactoren voor een specifieke uitkering zijn:
a. een bedrag van € 1174,- op jaarbasis voor een vreemdeling aan
een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op
de expertisecentra,
b. een bedrag van € 4212,- op jaarbasis voor een vreemdeling aan
een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, en
c. het aantal vreemdelingen dat staat ingeschreven op een school of
nevenvestiging daarvan, voor zover die school of nevenvestiging op het
grondgebied van de gemeente is gelegen en zij bij dat deel van de
school zijn ingeschreven.
3. De specifieke uitkering aan een gemeente voor een periode als
genoemd in artikel 4, eerste lid, is eenderde deel van de som van:
a. het bedrag voor een vreemdeling als bedoeld in het tweede lid
onder a, vermenigvuldigd met het aantal vreemdelingen als bedoeld in
het tweede lid onder c, dat op de voor die periode geldende peildatum,
genoemd in artikel 4, eerste lid, staat ingeschreven op een of meer
scholen als bedoeld in het tweede lid onder a, en
b. het bedrag voor een vreemdeling als bedoeld in het tweede lid
onder b, vermenigvuldigd met het aantal vreemdelingen als bedoeld in
het tweede lid onder c, dat op de voor die periode geldende peildatum,
genoemd in artikel 4, eerste lid, staat ingeschreven op een of meer
scholen als bedoeld in het tweede lid onder b, in de gemeente.
Artikel 4. Aanvraag van de specifieke uitkering
1. De specifieke uitkering heeft steeds betrekking op een
periode van vier maanden, met als peildata:
a. 1 oktober voor de periode augustus tot en met november;
b. 1 februari voor de periode december tot en met maart;
c. 1 juni voor de periode april tot en met juli.
2. Een gemeente dient voor het verkrijgen van een specifieke
uitkering voor een van de perioden, genoemd in het eerste lid, bij de
minister een overzicht in van het aantal vreemdelingen, bedoeld in
artikel 3, tweede lid onder c, uitgesplitst per school of
nevenvestiging, binnen vier weken na de peildatum. Een overzicht dat na
genoemde periode van vier weken wordt ingediend, wordt uitsluitend in
behandeling genomen indien van een verschoonbare termijnoverschrijding
sprake is.
3. Een gemeente toont desgevraagd aan de minister aan dat de
vreemdelingen voldoen aan de vereisten gesteld in artikel 1 onder 2.
Artikel 5. Startsubsidie
1. Een gemeente die niet eerder eerste opvang van vreemdelingen
aan een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs dan wel
de Wet op de expertisecentra heeft georganiseerd, komt in aanmerking
voor een startsubsidie ten behoeve van voorbereidende en
coördinerende werkzaamheden die samenhangen met de start van het
onderwijs aan die school of scholen indien deze eerste opvang
betrekking heeft op tenminste 10 vreemdelingen. Deze subsidie is
eenmalig en bedraagt
€
11 500,-.
2. Een gemeente die niet eerder eerste opvang van vreemdelingen
aan een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs heeft
georganiseerd, komt in aanmerking voor een startsubsidie ten behoeve van
voorbereidende en coördinerende werkzaamheden die samenhangen met de
start van het onderwijs aan die school of scholen indien deze eerste
opvang betrekking heeft op tenminste 10 vreemdelingen. Deze subsidie is
eenmalig en bedraagt € 15 000,-.
3. De startsubsidie wordt tegelijk aangevraagd met de specifieke
uitkering, bedoeld in artikel 3. Indien de startsubsidie wordt
toegewezen, maakt deze onderdeel uit van de specifieke uitkering.
Artikel 6. Verantwoording
De gemeente dient uiterlijk 1 november van elk jaar een financiële
verantwoording in bij de minister. Deze financiële verantwoording heeft
betrekking op het daaraan voorafgaande schooljaar. Indien de toegekende
specifieke uitkeringen voor dat schooljaar in totaal meer bedragen dan
€ 45 000,-
gaat deze verantwoording vergezeld van een verklaring omtrent de
rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel
393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 7. Terugvordering
De specifieke uitkeringen kunnen binnen een periode van vijf jaar
geheel of gedeeltelijk door de minister worden teruggevorderd indien de
gemeente onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere of geen
toekenning zou hebben geleid, indien de gemeente niet voldoet aan
artikel 8, dan wel indien de gemeente de specifieke uitkering niet heeft
gebruikt in overeenstemming met de doelstelling, bedoeld in artikel 2.
Artikel 8. Inzagerecht
De gemeente verleent aan de minister of één of meer door hem aan te
wijzen personen, volledige inzage in de boeken en bescheiden, en geeft
toegang tot de door de gemeente gebruikte plaatsen. Aan bedoelde persoon
of personen worden alle inlichtingen verstrekt die nodig worden
geoordeeld voor de uitvoering van die taak.
Artikel 9. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 2003.
Artikel 10. Citeertitel
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit onderwijs aan
vreemdelingen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 17 juli 2003
BEATRIX
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen a.i.,
G. Zalm
Uitgegeven de vierentwintigste juli 2003
De Minister van Justitie a.i.,
G. Zalm
|
|
|